- Centraal examen (CE) - kunst beschouwen
- Het CE textiele vormgeving havo is het gemeenschappelijke schriftelijke examen van de beeldende vakken: tekenen, handvaardigheid en textiele vormgeving delen exact hetzelfde CE kunst beschouwen. Het toetst het analyseren en interpreteren van beeldende kunst en vormgeving en het plaatsen daarvan in de kunstgeschiedenis. Het examen bestaat uit een bronnenboekje met afbeeldingen van kunstwerken - schilderijen, beelden, gebouwen en toegepaste vormgeving - en open vragen; je beschrijft wat je waarneemt (voorstelling en vormgeving) en verklaart de betekenis in de context van maker, tijd en opdrachtgever. Duur: 3 uur (180 minuten). Per examenjaar liggen bepaalde perioden, thema's of kunstenaars extra accent; de precieze afbakening staat in de syllabus.
- Vorm en beoordeling van het CE
- Open vragen met een gesloten correctievoorschrift. Veel vragen zijn bronvragen: je krijgt een afbeelding en moet die beeldanalytisch beschouwen - eerst de voorstelling en de beeldaspecten benoemen, dan de betekenis en functie verklaren en het werk in een stijlperiode plaatsen. Omdat het CE voor alle drie de beeldende vakken hetzelfde is, hoort naast de schilder- en beeldhouwkunst nadrukkelijk ook de toegepaste vormgeving tot de stof: je moet ook textiele kunst en vormgeving (wandtapijten, mode en kostuum, textielontwerp) beeldanalytisch kunnen beschouwen en de textielspecifieke beeldaspecten (textuur, structuur, patroon en herhaling) kunnen benoemen. Elke vraag heeft een maximumscore in punten; de normering (N-term) wordt na afname per jaar vastgesteld. Er is een eerste tijdvak (mei) en een herkansing in het tweede tijdvak (juni).
- Schoolexamen (SE) - de textiele praktijk
- Naast het schriftelijke CE toetst het schoolexamen je eigen beeldende praktijk. Bij textiele vormgeving is dat textiel werk: weven, borduren, vilten en verven, textiel- en modeontwerp, materiaalonderzoek met vezels, garens en stoffen, en het doorlopen van een volledig werkproces dat uitmondt in werkstukken en een werkdossier (procesboek en eindwerk). De school legt de deelcijfers, de opdrachten en het gewicht van de praktijkonderdelen vast in het PTA. Het eindcijfer combineert het CE kunst beschouwen met de SE-praktijkbeoordeling; het is een gemiddelde van beide, zoals de zak-slaagregeling en het PTA bepalen.
- Begrippenapparaat en kunstgeschiedenis als raamwerk
- De stof is geordend rond twee pijlers. De eerste is het begrippenapparaat van de beeldende vakken: de beeldanalyse in drie lagen (voorstelling - wat is er te zien; vormgeving - met welke beeldaspecten; betekenis - wat betekent het en waartoe diende het) met de beeldaspecten vorm, compositie, kleur, licht, ruimte en textuur als gereedschap. Voor het textiele werk krijgen textuur en structuur, patroon, herhaling en ritme, en de kleur- en verfleer extra gewicht. De tweede pijler is de westerse kunstgeschiedenis in grote lijnen, met bijzondere aandacht voor de textiele kunst en toegepaste vormgeving: renaissance en barok (wandtapijten, gobelins en kostuum), de negentiende eeuw (Arts and Crafts van William Morris, Jugendstil), de moderne kunst en avant-garde (het Bauhaus-weefatelier van Gunta Stolzl en Anni Albers, De Stijl, constructivistisch textiel) en de hedendaagse kunst (fiber art, textielkunst en duurzame mode). Op het examen breng je beide pijlers samen: je leest een concreet kunstwerk met het begrippenapparaat en plaatst het met stijlkenmerken in de juiste periode.