Loading
Loading
Dit onderwerp behandelt de tweede groep beeldaspecten voor textiel: kleur (de kleurencirkel, kleurtoon, verzadiging en waarde), de kleurcontrasten en de kleur- en verfleer, en het textielspecifieke hart: textuur en structuur. Je leert het verschil tussen de voelbare textuur en de opbouw (structuur, de binding) van een weefsel, en hoe glans, pool, transparantie en perspectief licht vangen en ruimte suggereren in een plat vlak. Zo verklaar je de sfeer, de materie en de diepte van een stof of wandtapijt.
4Onderdelenca. 21min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Kleur, licht, ruimte en vooral textuur en structuur horen tot de beeldaspecten van het centraal examen; je moet ze in een textiel werk benoemen en hun effect op sfeer, materie en diepte verklaren.
verhoogd niveau
In je eigen textiele praktijk kies je bewust kleurcontrasten, bindingen en materialen om textuur, glans en ruimtewerking te maken.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
De kleurencirkel
Bepaal van een fel oranje, een gedempt steenrood en een licht oudroze garen de kleurtoon, de verzadiging en de waarde, en leg uit hoe oranje is gemengd.
Het eerste garen heeft de kleurtoon oranje, het tweede en derde de kleurtoon rood; kleurtoon is de plaats op de cirkel, los van felheid of lichtheid.
Het oranje is verzadigd (fel en puur); het steenrood is onverzadigd (gebroken, grijzig); het oudroze is eveneens onverzadigd, maar lichter.
Het oranje en het steenrood zijn middendonker van waarde; het oudroze is licht (er zit veel wit-effect in).
Oranje is een secundaire kleur, gemengd uit de primaire rood en geel, en staat in de cirkel tussen die twee in; rood is primair en kun je niet mengen.
Resultaat: Het felle oranje is een verzadigde, middendonkere secundaire kleur (rood plus geel), het steenrood een onverzadigd, middendonker rood en het oudroze een onverzadigd, licht rood. Door kleurtoon, verzadiging en waarde te scheiden beschrijf je elk garen nauwkeurig.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Je krijgt drie garens: fel oranje, gedempt steenrood en licht oudroze. Bepaal van elk de kleurtoon, de verzadiging en de waarde, en leg uit hoe oranje uit primaire kleuren is gemengd en waar het in de kleurencirkel staat.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (textiele vormgeving) havo - kleur en de kleurencirkel (CvTE / Examenblad)
Kleurcontrasten en hun werking
Analyseer een stof waarin fel rode en groene draden dooreen zijn geweven, met een warme voorgrond en een koele rand: benoem de contrasten en hun werking.
Rood en groen liggen recht tegenover elkaar in de kleurencirkel; naast elkaar geweven versterken ze elkaar en ogen ze feller (simultaancontrast).
De warme voorgrond komt naar voren, de koele rand wijkt terug; het contrast schept diepte en scheidt de vlakken.
Doordat de rode en groene draden fijn dooreen zijn geweven, mengt het oog ze op afstand deels tot een grijzige, trillende toon, terwijl ze van dichtbij fel en apart blijven.
Het complementair contrast legt nadruk en geeft trilling; het warm-koudcontrast geeft diepte; samen maken ze de stof levendig en ruimtelijk.
Resultaat: Het rood-groene complementair contrast maakt de stof fel en doet haar trillen, versterkt door de optische menging van de dooreen geweven draden; het warm-koudcontrast tussen voorgrond en rand geeft diepte. Zo dragen de contrasten samen nadruk, trilling en ruimte.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Je krijgt een geweven stof waarin fel rode en groene draden dicht dooreen zijn geweven, met een warme voorgrond en een koele rand. Benoem het complementaire contrast en het warm-koudcontrast en leg uit hoe de kleuren elkaar in het weefsel beinvloeden.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (textiele vormgeving) havo - kleurcontrasten en kleurwerking (CvTE / Examenblad)
Textuur tegenover structuur
Vergelijk een glanzend stuk zijdesatijn met een mat, ruw wollen weefsel: benoem de textuur en de structuur en verklaar de glans.
Het zijdesatijn heeft een gladde, koele, glanzende tactiele textuur; de wol heeft een ruwe, warme, matte tactiele textuur. Beide zijn feitelijk, niet gesuggereerd.
Het satijn is in satijnbinding geweven (lange zwevende draden); de wol in een lossere plat- of keperbinding met veel meer kruispunten.
De lange zwevende draden van de satijnbinding kaatsen het licht in een brede, gladde baan terug, wat glans geeft; de vele kruispunten van de wolbinding breken het licht, wat een mat oppervlak geeft.
De gladde, glanzende zijdevezel en de zwevende binding versterken elkaar tot een schitterend oppervlak; de matte, veerkrachtige wolvezel en de dichte binding geven juist een warm, dof oppervlak.
Resultaat: Het zijdesatijn dankt zijn gladde, glanzende textuur aan de glanzende vezel en de zwevende satijnbinding; de wol dankt haar ruwe, matte textuur aan de matte vezel en de dichtere binding. Textuur (oppervlak) en structuur (binding) verklaren samen hoe elke stof het licht terugkaatst.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Je krijgt een glanzend stuk zijdesatijn en een mat, ruw stuk wollen weefsel. Benoem in beide de textuur (tactiel of visueel) en de structuur (de binding), en leg uit hoe vezel en binding samen de glans en het oppervlak bepalen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (textiele vormgeving) havo - textuur en structuur (CvTE / Examenblad)
Ruimtemiddelen in textiel
Analyseer de ruimtesuggestie in een figuratief wandtapijt met landschap en in een gelaagde quilt met opgenaaide stukken stof.
De voorgrondfiguren zijn groot en overlappen elkaar; de achtergrond is kleiner geweven, hoger in het vlak geplaatst en met koelere, lichtere kleuren - verkleining, plaatsing en kleur- of luchtperspectief samen.
In het tapijt is de diepte een illusie: het weefsel blijft plat, maar overlapping, verkleining en perspectief wekken de indruk van ruimte.
In de quilt liggen de opgenaaide stukken stof fysiek voor en achter elkaar; de overlapping is hier echt, geen illusie, en werpt zelfs kleine schaduwen.
Het wandtapijt suggereert diepte met beeldmiddelen op een plat vlak; de quilt maakt diepte met echte lagen materiaal. Het ene bouwt ruimte in het beeld, het andere in de stof zelf.
Resultaat: Het wandtapijt suggereert diepte met overlapping, verkleining en kleur- of luchtperspectief op een plat vlak, terwijl de quilt met opgenaaide lagen een echte, tastbare diepte maakt. Zo kan textiel ruimte zowel verbeelden als werkelijk opbouwen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Je krijgt een figuratief wandtapijt met een landschap op de achtergrond en een gelaagde quilt met opgenaaide stukken stof. Analyseer in beide de ruimtesuggestie (overlapping, verkleining, perspectief of echte lagen) en leg uit hoe elk diepte maakt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (textiele vormgeving) havo - licht en ruimte in textiel (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen