Loading
Loading
Domein A is het gereedschap van textiele vormgeving: leren kijken naar en spreken over beeldende kunst en vormgeving met een gedeeld begrippenapparaat. Je leert een werk in drie lagen lezen - voorstelling (wat), vormgeving (met welke beeldaspecten) en betekenis (waarom en waartoe) - en je oefent de vaktaal en de vraagwerkwoorden waarmee het centraal examen je antwoorden stuurt. Bij textiel krijgen textuur, structuur, patroon en herhaling daarbij extra gewicht.
4Onderdelenca. 21min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 2 · Standaard 1 · Verdieping 1
basisniveau
Het begrippenapparaat - de drie lagen, de zes beeldaspecten en de vraagwerkwoorden - is de gemeenschappelijke examenstof waarmee je op het centraal examen elke bron beeldanalytisch beschouwt; het geldt voor tekenen, handvaardigheid en textiele vormgeving gelijk.
verhoogd niveau
In je eigen textiele praktijk (schoolexamen) gebruik je hetzelfde begrippenapparaat om je weef-, borduur-, vilt- en verfwerk en je werkproces te analyseren en te verantwoorden - beschouwen en maken versterken elkaar.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
De zes beeldaspecten en hun betekenis bij textiel
Je krijgt een afbeelding van een middeleeuws wandtapijt met bloemen en figuren. Loop de zes beeldaspecten langs en benoem per aspect een waarneming.
Benoem de vormen (ronde bloemen, staande figuren, organische contouren) en de ordening (een centrale figuur, een min of meer symmetrische opbouw met een dicht gevulde achtergrond).
Beschrijf de kleuren (warme roods en okers tegen een koel blauwgroen) en het licht (weinig slagschaduw, maar wel glans waar zijde is verwerkt naast matte wol).
Merk op dat er nauwelijks diepte is: de figuren staan voor een vlakke, met bloemen bezaaide achtergrond, en diepte wordt alleen door overlapping gesuggereerd.
Let op de structuur van het weefsel en de textuur: de fijne wol- en zijdedraden geven een rijk, licht glanzend oppervlak dat de luxe van het werk onderstreept.
Resultaat: Door alle zes de aspecten langs te lopen krijg je een volledige, waardevrije beschrijving van de vormgeving; die beschrijving is de basis waarop je in een volgende stap de betekenis van het tapijt kunt bouwen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bekijk een afbeelding van een wandtapijt of een bedrukte stof. Benoem in eigen woorden minstens vier van de zes beeldaspecten die je erin herkent en beschrijf per aspect waardevrij wat je waarneemt, zonder al te zeggen wat het betekent.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (textiele vormgeving) havo - kunst beschouwen, begrippenapparaat (CvTE / Examenblad)
De drie lagen van de beeldanalyse
Lees een middeleeuws wandtapijt waarop een dame een eenhoorn een spiegel voorhoudt, in de drie lagen van de beeldanalyse.
Stel objectief vast: een voornaam geklede vrouw staat in een bloemrijk veld en houdt een eenhoorn een spiegel voor; rondom staan kleine dieren en planten. Het onderwerp is hoofs en symbolisch.
Benoem de beeldaspecten: een vlakke, met bloemen bezaaide (millefleurs) achtergrond, een overwegend symmetrische compositie, warme roods tegen koel blauwgroen, en de fijne, licht glanzende structuur van wol en zijde.
Doordat de eenhoorn zichzelf in de spiegel bekijkt, verbeeldt het paneel het zintuig gezicht; de eenhoorn, symbool van zuiverheid, en de rijke uitvoering verwijzen samen naar hoofse deugd en status.
Verwoord het verband met 'doordat' en 'hierdoor', zodat zichtbaar is dat de betekenis op de beschreven voorstelling en de benoemde beeldaspecten berust en geen gok is.
Resultaat: Voorstelling (een dame met een eenhoorn en een spiegel), vormgeving (millefleurs, symmetrie, warm-koud contrast, wol-en-zijdestructuur) en betekenis (het zintuig gezicht, zuiverheid en status) sluiten op elkaar aan; de interpretatie is geldig omdat zij rechtstreeks op de waarneming steunt.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Kies een figuratief wandtapijt uit een bronnenboekje. Beschrijf eerst in twee zinnen de voorstelling, benoem daarna twee beeldaspecten uit de vormgeving en formuleer ten slotte een betekenis die rechtstreeks op die waarnemingen en middelen steunt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (textiele vormgeving) havo - de drie lagen van de beeldanalyse (CvTE / Examenblad)
De examenoperatoren en wat ze vragen
Bij een geweven stof staan twee vragen: (a) 'Benoem de bindingssoort' en (b) 'Verklaar hoe die binding de glans van de stof bepaalt.' Beantwoord beide passend.
Vraag (a) heeft de operator 'benoem' en vraagt dus alleen om de juiste term, kort. Vraag (b) heeft 'verklaar' en vraagt om een onderbouwde redenering met oorzaak en gevolg.
Benoem kort en trefzeker: 'satijnbinding'. Meer is niet nodig; uitleg toevoegen levert bij een benoem-vraag geen extra punt op.
Verklaar met de bron: doordat bij satijnbinding de draden lang over het oppervlak zweven en elkaar weinig kruisen, weerkaatsen ze het licht gelijkmatig, waardoor de stof glanst.
Check dat het tweede antwoord een waarneming (lange, zwevende draden) aan een effect (glans) koppelt met een redeneerwoord; alleen dan honoreert het correctievoorschrift de verklaring.
Resultaat: Vraag (a) levert een kort, correct begrip op ('satijnbinding'); vraag (b) een onderbouwde verklaring waarin de bouw van de binding aan de glans wordt gekoppeld. Doordat elk antwoord bij zijn operator past, valt geen van beide naast de vraag.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Je krijgt bij een bedrukte stof twee vragen: 'Benoem het patroon' en 'Verklaar hoe de herhaling van dat patroon bijdraagt aan de rustige werking'. Schrijf voor beide een passend antwoord en let erop dat het eerste kort en beschrijvend is en het tweede een onderbouwde redenering bevat.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (textiele vormgeving) havo - vaktaal en operatoren (CvTE / Examenblad)
Textielspecifieke begrippen
Beschouw een katoenen stof met een dicht, herhaald bloemmotief in indigo op een lichte grond, bijvoorbeeld in de trant van William Morris. Benoem de textielspecifieke begrippen en verklaar de werking.
Benoem beide apart: de textuur is een vlak, mat katoenoppervlak dat glad aanvoelt; de structuur is een eenvoudige, dichte platbinding (linnenbinding) waarop het motief is bedrukt, niet geweven.
Beschrijf het patroon (in elkaar grijpende bloemen, ranken en bladeren) en wijs het rapport aan: de kleinste eenheid die zich naadloos herhaalt, hier ongeveer een vierkant blok dat in alle richtingen aansluit.
Analyseer het ritme: het motief keert in een regelmatig, dicht opeengepakt ritme terug, zonder grote lege vlakken, zodat het oog voortdurend beweging vindt maar toch een geordend geheel ziet.
Koppel middel aan effect: doordat het bloemmotief in een strak maar dicht ritme herhaalt en de indigo tegen de lichte grond contrasteert, oogt de stof tegelijk levendig en ordelijk - passend bij een sierstof voor in huis.
Resultaat: Textuur (mat katoen), structuur (dichte platbinding, bedrukt), patroon (bloemen en ranken), rapport (een naadloos vierkant blok) en ritme (regelmatig, dicht) zijn elk benoemd en aan hun effect gekoppeld; samen verklaren ze waarom de stof levendig en toch geordend oogt.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bekijk een bedrukte of geweven stof met een duidelijk herhaald motief. Benoem de textuur en de structuur apart, geef aan wat het rapport is, en verklaar in een zin hoe het ritme van de herhaling de werking van de stof bepaalt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (textiele vormgeving) havo - textielspecifieke begrippen (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen