- Opbouw: centraal examen (CE) + schoolexamen (SE)
- Filosofie kent een centraal examen en een schoolexamen die elk ongeveer de helft van het eindcijfer bepalen (het CE-cijfer en het SE-cijfer worden gemiddeld; de exacte weging staat in het PTA van de school). Het CE is een schriftelijk examen; de school vult het SE in met onder meer toetsen, praktische opdrachten en een filosofische tekst- of essayopdracht.
- Centraal examen: de vaste domeinen + het wisselende thema
- Het CE toetst de domeinen ethiek en sociale filosofie samen met een wisselend CE-thema dat de minister voor een aantal examenjaren vaststelt (met een eigen syllabus en een verplichte tekst). Vragen zijn overwegend open: je legt begrippen en posities uit, analyseert een tekstfragment of casus, en beredeneert beargumenteerd een standpunt. De normering (N-term) wordt per jaar per vak vastgesteld.
- Schoolexamen: wijsgerige vaardigheden en antropologie
- Het schoolexamen dekt onder meer de wijsgerige vaardigheden (argumentatie, begripsanalyse, filosofisch onderzoek) en de wijsgerige antropologie (mensbeeld, lichaam-geestprobleem, de mens als redelijk wezen). Deze stof is voorwaardelijk voor het CE: de vaardigheden gebruik je in élk examenantwoord.
- Beoordeling: begrip, toepassing en argumentatie
- Antwoorden worden beoordeeld met een correctievoorschrift dat punten toekent per deelaspect. Naast juiste kennis (begrippen en posities correct weergeven) telt vooral de toepassing en de kwaliteit van je argumentatie: een positie precies formuleren, toepassen op de casus, en een tegenwerping of kritiek betrekken.