- Centraal examen (CE) — schriftelijk met casus en bronnen
- Het CE is een schriftelijk examen dat je vermogen toetst om maatschappelijke verschijnselen te analyseren met het begrippenapparaat van het vak. De opgaven zijn opgebouwd rond casussen, bronnen en actuele contexten; per opgave moet je de juiste hoofd- en kernconcepten kiezen, ze scherp toepassen op de context en er conclusies uit trekken. Het CvTE wijst per examenjaar een of meer contexten aan (in de vernieuwde examens vaak rond internationale betrekkingen en verhoudingen). Het gaat niet om reproductie van definities, maar om het correct koppelen van een concept aan een verschijnsel en het onderbouwen van een redenering — vaak vanuit meer dan één benaderingswijze.
- Schoolexamen (SE) — inclusief onderzoek
- Het SE wordt door de school vastgesteld volgens het PTA en toetst de eindtermen die niet (volledig) in het CE aan bod komen. Kern van het SE zijn de onderzoeksvaardigheden (domein A): een eigen sociaalwetenschappelijk onderzoek of praktische opdracht opzetten en uitvoeren, met aandacht voor onderzoeksvragen, operationaliseren, dataverzameling (kwalitatief en kwantitatief), en het beoordelen van betrouwbaarheid en validiteit. Ook worden hier concepten en benaderingswijzen getoetst die in het CE-jaar minder aandacht krijgen.
- Beoordeling en normering
- Elke opgave levert scorepunten op volgens een correctievoorschrift. Punten worden toegekend voor een juiste, op de casus of bron gebaseerde toepassing: het correct benoemen van een concept, het aannemelijk koppelen ervan aan het verschijnsel, en het onderbouwen vanuit een benaderingswijze. De omzetting van scorepunten naar het CE-cijfer verloopt via de N-term, die het CvTE per jaar en per vak vaststelt; die normering staat niet van tevoren vast. Het eindcijfer is het (afgeronde) gemiddelde van het CE-cijfer en het SE-cijfer, die elk ongeveer even zwaar meetellen.
- De concept-contextbenadering als rode draad
- Het hele vak — en dus het hele examen — draait om de concept-contextbenadering. Je leert geen losse feiten, maar een begrippenapparaat (de vier hoofdconcepten met hun kernconcepten) dat je telkens toepast op nieuwe, vaak onbekende contexten. Bij elke opgave moet je concepten kunnen onderscheiden van indicatoren, verschijnselen kunnen contextualiseren, en een vraagstuk vanuit meerdere wetenschappelijke benaderingswijzen kunnen belichten. Wie alleen definities reproduceert scoort niet; wie concepten toepast en zijn redenering onderbouwt met de context, wel.