Het hoofdconcept vorming gaat over de vraag hoe mensen worden tot wie ze zijn: hoe ze de waarden, normen en gewoonten van hun omgeving overnemen en een eigen identiteit ontwikkelen. Dit onderwerp behandelt de drie kernconcepten van vorming — socialisatie (het proces van aanleren, met de bijbehorende sociale controle), cultuur (het gedeelde geheel van waarden, normen en symbolen, met dominante cultuur, subcultuur en tegencultuur) en identiteit (persoonlijk én sociaal, in het spanningsveld van nature en nurture) — en de socialiserende instituties die dat vormingsproces dragen: gezin, school, vrienden, media en werk.
4 Onderdelen~15 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 3
basisniveau
Voor iedereen: socialisatie, cultuur, identiteit en de socialiserende instituties zijn de kernbegrippen van vorming en keren terug bij elk vraagstuk over hoe mensen zich gedragen.
verhoogd niveau
Verdieping: het nature-nurturedebat genuanceerd toepassen, subcultuur en tegencultuur scherp onderscheiden, en de spanning tussen elkaar tegensprekende socialiserende instituties analyseren.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Dominante cultuur, subcultuur en tegencultuur
Een groep krakers weigert het idee van privé-eigendom van leegstaande panden en bezet die uit protest. Een groep hobbyisten deelt een eigen jargon en kledingstijl rond gaming. Bepaal per groep of het een subcultuur of tegencultuur is en motiveer.
Zij verwerpen bewust een kernwaarde van de dominante cultuur (privé-eigendom) en zetten zich er actief tegen af.
Dat maakt hen een tegencultuur: niet slechts afwijkend, maar tegengesteld aan de heersende waarden.
De gamers hebben eigen gewoonten en symbolen, maar bestrijden de dominante cultuur niet; ze bestaan er vreedzaam naast.
Dat maakt hen een subcultuur: aanvullend en deels afwijkend, maar niet in verzet.
Resultaat: De krakers vormen een tegencultuur (ze verwerpen de kernwaarde privé-eigendom); de gamers vormen een subcultuur (eigen gewoonten zonder de dominante cultuur te bestrijden).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Kies een jou bekende groep met een eigen stijl of gewoonten. Beschrijf haar waarden en normen en beargumenteer of het een subcultuur of een tegencultuur is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma maatschappijwetenschappen vwo — cultuur, waarden en normen (CvTE / Examenblad)
Persoonlijke en sociale identiteit
Iemand stelt zich voor: „Ik ben nogal verlegen, ik hou van tekenen, ik ben moslim en ik voetbal bij een lokale club.” Deel deze kenmerken in bij persoonlijke of sociale identiteit en licht toe.
„Verlegen” en „houdt van tekenen” beschrijven het unieke individu: dit is persoonlijke identiteit.
„Moslim” en „voetbalt bij een club” verwijzen naar groepslidmaatschappen: dit is sociale identiteit.
De persoonlijke voorkeur voor tekenen kan zijn gevormd binnen groepen (gezin, school), en het clublidmaatschap beïnvloedt weer het karakter — de lagen werken op elkaar in.
Resultaat: Persoonlijke identiteit: verlegen, houdt van tekenen. Sociale identiteit: moslim, lid van een voetbalclub. De twee lagen vormen samen, in wisselwerking, de identiteit.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Beschrijf drie kenmerken van je eigen sociale identiteit (groepslidmaatschappen) en leg uit hoe minstens één daarvan je persoonlijke identiteit heeft beïnvloed.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma maatschappijwetenschappen vwo — identiteit en nature-nurture (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
Socialisatie en sociale controle#
●○○BasisLPexamenblad-mw-vormingKernpunten
Het socialisatieproces
Vormen van sociale controle
Sociale controle typeren
In de trein spreekt een medereiziger iemand aan die luidruchtig muziek zonder koptelefoon afspeelt; even later komt de conducteur die op een bordje wijst met „stiltecoupé”. Benoem voor beide reacties het type sociale controle en de sanctie.
De medereiziger handhaaft een ongeschreven omgangsregel: dat is informele, externe sociale controle.
Het aanspreken is een negatieve informele sanctie (afkeuring).
De conducteur handhaaft een vastgelegde regel (stiltecoupé) namens een instantie: formele, externe sociale controle.
Beide zijn extern, maar de eerste berust op ongeschreven normen (informeel), de tweede op een officiële regel (formeel).
Resultaat: De medereiziger oefent informele externe controle uit (negatieve sanctie: afkeuring); de conducteur oefent formele externe controle uit op basis van een vastgelegde regel.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Beschrijf een situatie op school waarin zowel formele als informele sociale controle optreedt. Benoem per geval of de controle intern of extern werkt en welke sanctie erbij hoort.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma maatschappijwetenschappen vwo — socialisatie en sociale controle (CvTE / Examenblad)