Het hoofdconcept verhouding gaat over de manier waarop mensen, groepen en staten zich tot elkaar verhouden — en dat draait vooral om macht, gezag en (on)gelijkheid. Dit onderwerp legt de kernconcepten uit: macht en de bronnen ervan, gezag en legitimiteit (met de drie gezagstypen van Weber), sociale ongelijkheid en gelaagdheid (stratificatie en mobiliteit), en de stap van het nationale naar het internationale niveau, waar dezelfde begrippen de verhoudingen tussen staten beschrijven. Zo vormt het de begripsmatige basis voor de volgende onderwerpen over macht, conflict en beleid in internationaal verband.
4 Onderdelen~14 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Voor iedereen: macht, gezag en ongelijkheid zijn de kernbegrippen van verhouding en keren terug bij elk vraagstuk over hoe partijen zich tot elkaar verhouden.
verhoogd niveau
Verdieping: de gezagstypen van Weber en het onderscheid open/gesloten stratificatie precies toepassen en doortrekken naar de verhoudingen tussen staten (Noord-Zuid).
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Bronnen van macht
Vergelijk twee situaties: (1) een gewapende kaper dwingt passagiers te gehoorzamen; (2) een gekozen minister vaardigt een maatregel uit die burgers opvolgen. Analyseer beide met de begrippen macht, gezag en machtsbron.
De kaper zet zijn wil door met dwang (machtsbron: dreiging met geweld). De passagiers erkennen zijn recht niet; er is macht, maar geen gezag.
De minister ontleent macht aan zijn positie én aan een legitieme procedure (verkiezing). Burgers aanvaarden zijn recht om te beslissen: er is gezag.
Beiden oefenen macht uit, maar alleen de minister heeft gezag (geaccepteerde macht). Daardoor is zijn invloed stabieler en hoeft hij geen voortdurende dwang in te zetten.
Resultaat: De kaper heeft macht zonder gezag (dwang), de minister heeft gezag (legitieme macht via positie en verkiezing); gezag is stabieler omdat het vrijwillig wordt aanvaard.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Noem drie machtsbronnen waarover een grote werkgever in een klein dorp kan beschikken en leg uit of zijn invloed berust op macht, gezag of beide.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma maatschappijwetenschappen vwo — macht, gezag en ongelijkheid (CvTE / Examenblad)
De drie gezagstypen van Weber
Analyseer op welk gezagstype elk van deze figuren berust: (a) een erfelijk vorst, (b) een populaire bewegingsleider die massa's meesleept, (c) een belastinginspecteur. Beredeneer per geval de stabiliteit.
Gezag op grond van overlevering en erfopvolging: traditioneel gezag. Stabiel zolang de traditie wordt erkend.
Gezag op grond van persoonlijke uitstraling: charismatisch gezag. Krachtig maar kwetsbaar, want gebonden aan één persoon.
Gezag op grond van wettelijke bevoegdheid: rationeel-legaal gezag. Stabiel en overdraagbaar, want gebonden aan het ambt, niet aan de persoon.
Resultaat: (a) traditioneel, (b) charismatisch (het minst stabiel, want persoonsgebonden), (c) rationeel-legaal (stabiel en overdraagbaar via het ambt).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Kies een gezagsdrager uit het nieuws en bepaal op welk(e) gezagstype(n) van Weber zijn of haar positie berust. Beredeneer wat dat betekent voor de stabiliteit van dat gezag.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma maatschappijwetenschappen vwo — gezag en legitimiteit (Weber) (CvTE / Examenblad)
Verhouding op twee niveaus
Een klein, arm land en een grote economische macht sluiten een handelsverdrag. Analyseer deze verhouding met de begrippen macht, machtsbron, soevereiniteit en ongelijkheid.
De grote economie beschikt over sterke machtsbronnen (economische omvang, invloed), het kleine land over weinig; de verhouding is ongelijk.
Beide zijn formeel soeverein, maar het kleine land moet zijn soevereine keuzes maken binnen de beperkingen die het machtsverschil oplegt.
De ongelijkheid tussen staten maakt dat het grote land gunstiger voorwaarden kan bedingen; het kleine land accepteert die om toch toegang te krijgen.
Resultaat: De handelsrelatie is een ongelijke machtsverhouding tussen soevereine staten: het machtsverschil in economische bronnen bepaalt wie de voorwaarden dicteert.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Kies een actueel voorbeeld van een verhouding tussen twee staten. Analyseer die met macht, machtsbronnen en ongelijkheid, en leg uit welke rol het ontbreken van een wereldgezag speelt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma maatschappijwetenschappen vwo — verhouding op nationaal en internationaal niveau (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
Sociale ongelijkheid en gelaagdheid#
●●○StandaardLPexamenblad-mw-verhoudingKernpunten
Sociale gelaagdheid als piramide
Open of gesloten samenleving?
In samenleving X halen kinderen van arme ouders zelden een hoge positie; in samenleving Y bereikt via het onderwijs een aanzienlijk deel van de arbeiderskinderen een hogere positie dan hun ouders. Typeer beide met stratificatie en mobiliteit.
Weinig opwaartse verticale mobiliteit: afkomst bepaalt sterk de eindpositie. Dit is een relatief gesloten stratificatie.
Veel opwaartse verticale mobiliteit via het onderwijs: kinderen stijgen boven hun ouders uit. Dit is een relatief open samenleving.
In Y functioneert het onderwijs als mobiliteitskanaal; toch kan ook daar cultureel kapitaal de kansen ongelijk maken.
Resultaat: X is een relatief gesloten samenleving (lage verticale mobiliteit), Y een relatief open (hoge opwaartse mobiliteit via onderwijs); mobiliteit onderscheidt beide.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Noem twee indicatoren waarmee je de sociale ongelijkheid in een land zou meten. Leg uit hoe je met gegevens over de opleiding van ouders en kinderen kunt bepalen of een samenleving open of gesloten is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma maatschappijwetenschappen vwo — sociale ongelijkheid en mobiliteit (CvTE / Examenblad)