- Centraal examen (CE) — schriftelijk met bronnen
- Het CE is een schriftelijk examen (voor het VWO doorgaans drie uur) waarin je werkt met een groot en gevarieerd bronnenboek: kaarten, klimaatdiagrammen, bevolkingsdiagrammen, tabellen, grafieken, teksten en foto's. Getoetst worden de inhoudelijke domeinen die het CvTE per jaar aanwijst — de Wereld (globalisering en het mondiaal verdelingsvraagstuk), de Aarde als natuurlijk systeem (systeem aarde en het mondiaal milieuvraagstuk), een macroregio (Zuid-Amerika) en de Leefomgeving Nederland — telkens vanuit de geografische benadering. Het gaat vrijwel nooit om losse feiten, maar om redeneren: verschijnselen op de juiste schaal plaatsen, spreiding beschrijven, relaties en samenhangen verklaren en bronnen interpreteren.
- Schoolexamen (SE)
- Het SE wordt door de school volgens het PTA vastgesteld en toetst de eindtermen en vaardigheden die niet (volledig) in het CE aan bod komen. De kern daarvan is het geografisch onderzoek: het zelfstandig opstellen van een onderzoeksvraag, het verzamelen en verwerken van veld- en bronmateriaal, en het beoordelen van betrouwbaarheid en representativiteit. Ook onderdelen van de vaardigheden en soms een extra regionaal onderwerp horen bij het SE.
- Beoordeling en normering (N-term)
- Elke opgave levert scorepunten op volgens een correctievoorschrift; punten worden toegekend voor een correcte, op de bron gebaseerde geografische redenering (juiste schaal, juiste relatie, juist gebruik van gegevens). De omzetting van scorepunten naar het CE-cijfer verloopt via de N-term, die het CvTE per jaar en per vak achteraf vaststelt; die normering staat dus niet van tevoren vast. Het eindcijfer is het (afgeronde) gemiddelde van het CE-cijfer en het SE-cijfer, die elk ongeveer even zwaar meetellen.
- De geografische benadering als rode draad
- De vaardigheden uit domein A worden niet los getoetst, maar doorsnijden elke opgave. Bij elk vraagstuk moet je kunnen schakelen tussen schaalniveaus, verschijnselen ruimtelijk beschrijven (spreiding), oorzaak-gevolg- en samenhangrelaties leggen, verschillende dimensies (natuurlijk, sociaal-economisch, politiek, cultureel, demografisch) onderscheiden en bronnen — vooral kaarten — correct lezen. Geografisch redeneren op de juiste schaal bepaalt of een antwoord punten oplevert.