Geografisch onderzoek is het systematisch beantwoorden van een ruimtelijke vraag: je stelt een onderzoekbare vraag, verzamelt en verwerkt gegevens uit betrouwbare bronnen — vooral kaarten — en trekt een onderbouwde conclusie. De praktische onderzoeksvaardigheid wordt vooral in het schoolexamen getoetst, maar het lezen van kaarten, tabellen en diagrammen en het beoordelen van bronnen komt volop terug in het centraal examen.
4 Onderdelen~12 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 3
basisniveau
Voor iedereen: beheers de onderzoekscyclus en de kaartvaardigheid — het aflezen en beoordelen van kaarten, tabellen en diagrammen keert bij elke CE-opgave terug.
verhoogd niveau
Verdieping: het zelfstandig opzetten en uitvoeren van een geografisch onderzoek (met veldwerk en bronbeoordeling) is vooral SE-stof; leer betrouwbaarheid, validiteit en representativiteit scherp te onderscheiden.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
De onderzoekscyclus
Een leerling stelt als onderzoeksvraag: „Is wateroverlast erg?” Leg uit waarom dit geen goede geografische onderzoeksvraag is en formuleer een betere.
De vraag is met ja/nee te beantwoorden, niet afgebakend in ruimte en tijd, en „erg” is niet meetbaar. Er zit geen ruimtelijke vergelijking of verklaring in.
Een goede vraag is afgebakend, meetbaar en vraagt naar spreiding én verklaring (waar, waarom daar).
Bijvoorbeeld: „In welke wijken van stad X komt bij hevige regen de meeste wateroverlast voor, en in hoeverre hangt dat samen met de mate van verharding?”
Resultaat: De verbeterde vraag is afgebakend, meetbaar en vraagt om een spreiding (welke wijken) én een relatie (verharding), en is dus wél geografisch onderzoekbaar.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bedenk een geografisch onderzoek naar je eigen buurt, schrijf één afgebakende hoofdvraag en twee deelvragen op, en geef bij elke deelvraag aan welke bron je zou gebruiken.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma aardrijkskunde vwo — domein A, geografisch onderzoek (CvTE / Examenblad)
Soorten bronnen en hun beoordeling
Een leerling onderzoekt hoe tevreden de inwoners van een gemeente zijn met het openbaar vervoer. Ze houdt op een dinsdagochtend een enquête onder reizigers op het busstation. Beoordeel de representativiteit.
Alleen mensen die op dat moment de bus nemen, worden ondervraagd — juist niet de mensen die het OV mijden omdat ze er ontevreden over zijn.
De groep is geen goede afspiegeling van alle inwoners; ontevreden niet-gebruikers en automobilisten ontbreken, wat de uitkomst te positief maakt.
Onderzoek een aselecte steekproef van alle inwoners (bijvoorbeeld via een gemeentebrede enquête), op verschillende tijden en plaatsen.
Resultaat: De steekproef is niet representatief: alleen OV-gebruikers zijn bevraagd, waardoor het resultaat vertekend en te positief is.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Zoek een cijfer uit een nieuwsbericht en beoordeel het op betrouwbaarheid, validiteit en representativiteit: wie heeft het gemaakt, meet het wat het beweert, en voor wie geldt het?
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma aardrijkskunde vwo — domein A, bronnen en onderzoek (CvTE / Examenblad)
Kaartsoorten
Je wilt op één kaart laten zien uit welke landen migranten naar de Europese Unie komen en hoe groot die stromen zijn. Welke kaartsoort kies je en waarom? En waarom is een choropleet hier minder geschikt?
Je wilt een verplaatsing tonen: van waar naar waar, en hoeveel. Dat is een stroom met een richting en een omvang.
Een stroomkaart is geschikt: pijlen geven de herkomst-bestemmingsrichting aan en de dikte van de pijl de omvang van de stroom.
Een choropleet kleurt gebieden naar één waarde per gebied en kan geen richting tonen; hij laat hoogstens zien hóéveel migranten uit een land komen, niet waarheen ze gaan.
Resultaat: Een stroomkaart, omdat die richting én omvang van de migratiestromen toont; een choropleet kan de verplaatsing (de richting) niet weergeven.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Pak een atlas, kies één thematische kaart en beschrijf: welk type kaart het is, welk ruimtelijk patroon je ziet, en welke relatie dat patroon zou kunnen verklaren.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma aardrijkskunde vwo — domein A, kaartvaardigheid (CvTE / Examenblad)
Een lijndiagram lezen
Land A heeft 40 miljoen inwoners op 400.000 km²; land B heeft 8 miljoen inwoners op 40.000 km². Welk land is dichter bevolkt, en waarom mag je dat niet aan het aantal inwoners aflezen?
Land A heeft meer inwoners, maar is ook veel groter; om eerlijk te vergelijken bereken je de bevolkingsdichtheid: inwoners gedeeld door oppervlakte.
40.000.000 / 400.000 = 100 inwoners per km².
8.000.000 / 40.000 = 200 inwoners per km².
Resultaat: Land B is met 200 inw./km² dichter bevolkt dan land A (100 inw./km²), ook al heeft A meer inwoners; alleen het relatieve getal maakt de vergelijking eerlijk.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Zoek in een atlas of nieuwsbericht een tabel met absolute aantallen en zet die om naar een relatief getal (bijvoorbeeld dichtheid of per hoofd). Leg uit welke vergelijking daardoor wél eerlijk wordt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma aardrijkskunde vwo — domein A, data verwerken en presenteren (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad