De aarde is een systeem waarin endogene processen (van binnenuit: platentektoniek, vulkanisme, aardbevingen, gebergtevorming), exogene processen (van buitenaf: verwering, erosie, transport en sedimentatie) en het klimaatsysteem samen de landschappen en klimaten van de wereld vormen. Je leert de bouw van de aarde en de plaattektoniek, de gesteentekringloop, en het klimaatsysteem met zijn stralingsbalans, luchtcirculatie en klimaatdiagrammen kennen — en de samenhang tussen deze processen.
4 Onderdelen~13 min leestijd4 VaardighedenNiveau Standaard 2 · Verdieping 2
basisniveau
Voor iedereen: koppel endogene verschijnselen aan plaatgrenzen, doorloop de gesteentekringloop en lees een klimaatdiagram af.
verhoogd niveau
Verdieping: leg de samenhang tussen endogene reliëfvorming, exogene afbraak en het klimaat, en verklaar de mondiale luchtcirculatie uit de stralingsbalans.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
De bouw van de aarde
De drie typen plaatgrenzen
Leg uit hoe de convectiestromen in de mantel de tektonische platen in beweging zetten.
De kern is zeer heet; die warmte verwarmt het onderste mantelmateriaal.
Heet, licht materiaal stijgt op, koelt bij het oppervlak af, wordt zwaarder en zinkt weer — een traag rondwentelende convectiestroom.
De lithosfeerplaten liggen op de stroperige asthenosfeer en worden door deze stromen meegesleept, enkele centimeters per jaar.
Resultaat: De warmte uit de kern drijft convectiestromen in de mantel aan; die stromen slepen de op de asthenosfeer liggende platen mee, waardoor ze langzaam bewegen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg met behulp van de platentektoniek uit waarom de landen rond de Grote Oceaan (de „Ring van Vuur”) veel vaker met vulkaanuitbarstingen en zware aardbevingen te maken hebben dan Nederland.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma aardrijkskunde vwo — domein C, systeem aarde (CvTE / Examenblad)
Doorsnede van een subductiezone
Voor de westkust van Zuid-Amerika ligt een diepzeetrog, en op het vasteland verrijst de Andes met veel vulkanen. Verklaar beide verschijnselen met de platentektoniek.
Een zware oceanische plaat botst tegen de lichtere continentale plaat van Zuid-Amerika en duikt eronder de mantel in (subductie).
Op de plek waar de oceanische plaat afduikt, ontstaat aan het oppervlak een diepe diepzeetrog.
De afduikende plaat smelt in de diepte; het gasrijke magma stijgt op en vormt vulkanen, terwijl de opstuwing de Andes doet rijzen.
Resultaat: De trog en de vulkanische Andes zijn twee gevolgen van dezelfde subductie: de oceanische plaat duikt weg (trog) en veroorzaakt door smelting opstijgend magma (vulkanisme) en opstuwing (gebergte).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg uit waarom een aardbeving van dezelfde kracht in het ene land veel meer slachtoffers maakt dan in het andere, en noem twee factoren die dat verschil verklaren.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma aardrijkskunde vwo — domein C, endogene processen (CvTE / Examenblad)
De gesteentekringloop
Een blok graniet ligt aan het oppervlak in een berggebied. Beschrijf de weg die dit gesteente in de gesteentekringloop kan afleggen tot het zandsteen wordt.
Aan het oppervlak breekt het graniet (een stollingsgesteente) af door mechanische en chemische verwering tot losse korrels (zand).
Water en wind nemen de korrels op en voeren ze mee (erosie en transport), bijvoorbeeld via een rivier naar lager gelegen gebied.
Waar de stroming afneemt, worden de korrels afgezet (sedimentatie); onder de druk van bovenliggende lagen worden ze samengeperst en gekit tot zandsteen (compactie en cementatie).
Resultaat: Het graniet verweert tot zand, dat door erosie en transport wordt afgevoerd, elders bezinkt en door compactie en cementatie tot zandsteen (sedimentgesteente) verhardt.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg uit waarom in de bovenloop van een rivier vooral erosie en in de benedenloop vooral sedimentatie optreedt, en welk landschap daar telkens bij hoort.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma aardrijkskunde vwo — domein C, exogene processen (CvTE / Examenblad)
Mondiale luchtcirculatie (vereenvoudigd)
Klimaatdiagram van De Bilt
Bepaal uit het klimaatdiagram van De Bilt (Afb. 6) de temperatuur van de warmste en de koudste maand, de jaarlijkse temperatuuramplitude en het neerslagpatroon, en classificeer het klimaat globaal.
De warmste maand is juli met circa 17,9 °C; de koudste maand is januari met circa 3,4 °C.
De jaarlijkse temperatuuramplitude is het verschil: 17,9 − 3,4 ≈ 14,5 °C — een kleine amplitude, kenmerkend voor een zeeklimaat.
In alle maanden valt neerslag (circa 40–85 mm), zonder echte droge tijd; met milde temperaturen en neerslag het hele jaar is dit een gematigd zeeklimaat (Cfb).
Resultaat: Warmste maand circa 17,9 °C (juli), koudste circa 3,4 °C (januari), amplitude circa 14,5 °C, neerslag in alle maanden: een gematigd zeeklimaat (Köppen Cfb).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Twee steden liggen op dezelfde breedtegraad, maar de ene heeft een zeeklimaat en de andere een landklimaat. Leg met de klimaatfactoren uit waardoor hun temperatuuramplitude sterk verschilt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma aardrijkskunde vwo — domein C, klimaatsysteem (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad