- Centraal examen (CE) — kunst beschouwen
- Het CE tekenen havo is het gemeenschappelijke schriftelijke examen van de beeldende vakken (tekenen, handvaardigheid en textiele vormgeving delen hetzelfde CE kunst beschouwen). Het toetst het analyseren en interpreteren van beeldende kunst en vormgeving en het plaatsen daarvan in de kunstgeschiedenis. Het examen bestaat uit een bronnenboekje met afbeeldingen van kunstwerken en open vragen; je beschrijft wat je waarneemt (voorstelling en vormgeving) en verklaart de betekenis in de context van maker, tijd en opdrachtgever. Duur: 3 uur (180 minuten). Per examenjaar liggen bepaalde perioden, thema's of kunstenaars extra accent; de precieze afbakening staat in de syllabus.
- Vorm en beoordeling van het CE
- Open vragen met een gesloten correctievoorschrift. Veel vragen zijn bronvragen: je krijgt een afbeelding en moet die beeldanalytisch beschouwen — eerst de voorstelling en de beeldaspecten benoemen, dan de betekenis en functie verklaren en het werk in een stijlperiode plaatsen. Elke vraag heeft een maximumscore in punten; de normering (N-term) wordt na afname per jaar vastgesteld. Er is één eerste tijdvak (mei) en een herkansing in het tweede tijdvak (juni). Toegestane hulpmiddelen zijn beperkt; het examen leunt op je kennis van het begrippenapparaat en de kunstgeschiedenis.
- Schoolexamen (SE) — de tweedimensionale praktijk
- Naast het schriftelijke CE toetst het schoolexamen je eigen beeldende praktijk. Bij tekenen is dat tweedimensionaal werk: tekenen en schilderen, beeldend onderzoek en experiment, en het doorlopen van een volledig werkproces dat uitmondt in werkstukken en een werkdossier (procesboek en eindwerk). De school legt de deelcijfers, de opdrachten en het gewicht van de praktijkonderdelen vast in het PTA. Het eindcijfer combineert het CE kunst beschouwen met de SE-praktijkbeoordeling; het is een gemiddelde van beide, zoals de zak-slaagregeling en het PTA bepalen.
- Begrippenapparaat en kunstgeschiedenis als raamwerk
- De stof is geordend rond twee pijlers. De eerste is het begrippenapparaat van de beeldende vakken: de beeldanalyse in drie lagen (voorstelling — wat is er te zien; vormgeving — met welke beeldaspecten; betekenis — wat betekent het en waartoe diende het) met de beeldaspecten vorm, compositie, kleur, licht, ruimte en textuur als gereedschap. De tweede is de westerse kunstgeschiedenis in grote lijnen: renaissance en barok, de negentiende eeuw, de moderne kunst en avant-garde, en de hedendaagse kunst. Op het examen breng je die twee samen: je leest een concreet kunstwerk met het begrippenapparaat en plaatst het met stijlkenmerken in de juiste periode.