Loading
Loading
Dit onderwerp gaat over de grote opvattingen over wat kunst is en hoe beelden betekenis dragen. Je leert de drie klassieke kunstopvattingen — mimesis (nabootsing), expressie (uitdrukking) en abstractie (autonome vorm) — en de semiotiek: hoe een beeld via tekens (icoon, index, symbool) en via denotatie en connotatie communiceert. Ook leer je het begrip stijl en beeldtaal, zodat je kunt verklaren waarom kunst er in verschillende tijden zo verschillend uitziet.
4Onderdelenca. 17min leestijd4VaardighedenNiveauStandaard 2 · Verdieping 2
basisniveau
Kunsttheorie en beeldtaal geven het begrippenkader om te verklaren wat kunst wil zijn en hoe beelden betekenis maken; dat kader gebruik je bij het beschouwen op het centraal examen.
verhoogd niveau
In eigen werk kies je bewust een opvatting (nabootsen, uitdrukken of abstraheren) en een beeldtaal die daarbij past.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
De drie kunstopvattingen
Bepaal van een realistisch portret, een fel gekleurd expressionistisch zelfportret en een geometrisch-abstracte compositie telkens de dominante kunstopvatting.
Het portret geeft de persoon getrouw en herkenbaar weer met correcte anatomie, licht en kleur: de mimesis (nabootsing) domineert.
Het zelfportret gebruikt felle, onnatuurlijke kleuren en een heftige toets om een innerlijke stemming over te brengen: de expressie domineert.
De compositie toont alleen lijnen, vlakken en kleuren zonder herkenbaar onderwerp: de abstractie (autonome vorm) domineert.
Koppel elke keuze aan een kenmerk (gelijkenis, gevoelskleur, of zelfstandige vorm), zodat de opvatting bewijsbaar is.
Resultaat: Portret = mimesis (getrouwe weergave), zelfportret = expressie (gevoelskleur en toets), compositie = abstractie (zelfstandige vorm). Elke keuze is met een kenmerk onderbouwd.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Je krijgt drie werken: een realistisch portret, een fel gekleurd expressionistisch zelfportret en een geometrisch-abstracte compositie. Benoem per werk de dominante kunstopvatting en onderbouw je keuze met een kenmerk.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (tekenen) havo — kunstopvattingen (CvTE / Examenblad)
Drie tekentypen (Peirce)
Een schilderij toont een gelijkend portret van een man, een opstijgende rookpluim uit een schoorsteen en een witte duif. Bepaal per element het tekentype en de betekenis.
Het portret lijkt op de afgebeelde man (gelijkenis): het is een icoon, dat verwijst naar die persoon.
De rook is het gevolg van vuur; ze verwijst door een oorzakelijk verband: het is een index voor een brandend haardvuur.
De witte duif verwijst niet door gelijkenis of oorzaak maar door afspraak naar vrede (of de Heilige Geest): het is een symbool.
Elk element draagt betekenis op een andere manier; het onderscheid maakt de analyse van de beeldtaal preciezer.
Resultaat: Portret = icoon (gelijkenis), rook = index (oorzaak), duif = symbool (afspraak). De drie tekentypen dragen elk op een eigen manier betekenis in hetzelfde beeld.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Je krijgt een werk met een portret (gelijkend), een opstijgende rookpluim en een afgebeelde duif. Bepaal per element het tekentype (icoon, index of symbool) en de betekenis, en leg je keuze uit.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (tekenen) havo — semiotiek en beeldtaal (CvTE / Examenblad)
De drie niveaus van stijl
Een werk toont de dikke, wervelende, herkenbare toets van Vincent van Gogh. Bepaal het stijlniveau en verklaar wat de kenmerken uitdrukken.
De dikke impasto-toets, de wervelende lijnen en de felle kleuren zijn zeer specifiek en persoonlijk herkenbaar.
Deze kenmerken horen bij één maker: het is de persoonlijke stijl van Van Gogh, meer dan een gedeelde groeps- of tijdstijl.
De heftige toets en kleuren drukken innerlijke bewogenheid en energie uit; de stijl is dus expressief van aard.
Het is een persoonlijke stijl (Van Gogh) met een expressieve beeldtaal: de vorm draagt de emotie.
Resultaat: De wervelende impasto-toets is de persoonlijke stijl van Van Gogh; de kenmerken drukken innerlijke bewogenheid uit. Het stijlniveau (persoonlijk) en de betekenis (expressie) zijn zo beide benoemd.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Je krijgt een werk met de wervelende toets van Van Gogh. Benoem het niveau van stijl dat je herkent (persoonlijk, groeps- of tijdstijl) en leg uit wat die stijlkenmerken uitdrukken.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (tekenen) havo — stijl en beeldtaal (CvTE / Examenblad)
Kunstopvattingen op de tijdlijn
Verklaar met de historische lijn waarom een negentiende-eeuws realistisch schilderij en een abstract werk uit 1930 zo verschillen, en welke rol de fotografie speelde.
Het realistische schilderij staat in de lange mimetische traditie: het bootst de zichtbare werkelijkheid getrouw na.
Het abstracte werk uit 1930 beeldt niets af maar bestaat uit vorm en kleur: het hoort bij de twintigste-eeuwse abstractie.
De uitvinding van de fotografie (19e eeuw) nam de mimetische taak deels over; schilders zochten daardoor nieuwe doelen — eerst de expressie, daarna de abstractie.
Het verschil weerspiegelt een verschuiving in kunstopvatting: van nabootsen (mimesis) naar de zelfstandige vorm (abstractie), mede aangejaagd door de fotografie.
Resultaat: Het realistische werk hoort bij de mimesis, het abstracte bij de twintigste-eeuwse abstractie; de fotografie versnelde de verschuiving doordat zij de nabootsende taak overnam en schilders naar nieuwe doelen dreef.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg met de historische lijn mimesis → expressie → abstractie uit waarom een negentiende-eeuws realistisch schilderij en een geometrisch-abstract werk uit 1930 zo verschillend zijn, en welke rol de fotografie in die verschuiving speelde.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (tekenen) havo — kunstopvattingen en hun ontwikkeling (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad