EuraStudy
Samenvattingen/Wiskunde D/Profielspecifieke verdieping kansrekening en statistiek
Samenvattingen · Wiskunde DNL · VWO

Profielspecifieke verdieping kansrekening en statistiek

Deze samenvatting is de profielverdieping binnen domein B: statistische gevolgtrekking (inferentie). Je bestudeert de steekproefverdeling van het steekproefgemiddelde Xˉ\bar{X}Xˉ (met verwachting μ\muμ en standaardfout σn\frac{\sigma}{\sqrt{n}}n​σ​), de centrale limietstelling die Xˉ\bar{X}Xˉ voor grote nnn bij benadering normaal maakt, het betrouwbaarheidsinterval xˉ±z⋅σn\bar{x} \pm z \cdot \frac{\sigma}{\sqrt{n}}xˉ±z⋅n​σ​ (bij 95% is z≈1,96z \approx 1{,}96z≈1,96), en de chi-kwadraattoets χ2=∑(waargenomen−verwacht)2verwacht\chi^2 = \sum \frac{(\text{waargenomen}-\text{verwacht})^2}{\text{verwacht}}χ2=∑verwacht(waargenomen−verwacht)2​ als aanpassings- en onafhankelijkheidstoets. Deze stof is profielverdieping binnen domein B en wordt bij wiskunde D uitsluitend in het schoolexamen (SE) getoetst — wiskunde D kent geen centraal examen. De normale verdeling en de z-score veronderstellen we bekend (herhaling).

4 Onderdelen·~21 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Standaard 2 · Verdieping 2

T·0888 / 19
Examenprofiel
De steekproefverdeling van \bar{X} beschrijven — verwachting μen standaardfout \frac{σ}{\sqrt{n}} — als profielverdieping binnen domein BDe centrale limietstelling toepassen om kansen over het steekproefgemiddelde \bar{X} te berekenen met de z-scoreEen betrouwbaarheidsinterval voor een gemiddelde opstellen en correct interpreteren (\bar{x} \pm z ·\frac{σ}{\sqrt{n}})Een chi-kwadraattoets (aanpassings- of onafhankelijkheidstoets) uitvoeren en de uitkomst in de context interpreteren
Operatoren:berekenbepaaltoon aantoetsinterpreteerbeoordeelleg uit

basisniveau

Kern van de profielverdieping (SE-stof, domein B): de standaardfout σn\frac{\sigma}{\sqrt{n}}n​σ​ berekenen, met de centrale limietstelling een kans over Xˉ\bar{X}Xˉ bepalen, een 95%-betrouwbaarheidsinterval opstellen, en een eenvoudige chi-kwadraattoets uitvoeren en interpreteren.

verhoogd niveau

Verdieping: de standaardfout afleiden uit Var⁡(Xˉ)=σ2n\operatorname{Var}(\bar{X}) = \frac{\sigma^2}{n}Var(Xˉ)=nσ2​, de voorwaarden van de centrale limietstelling scherp benoemen, betrouwbaarheidsintervallen correct (frequentistisch) interpreteren, en bij chi-kwadraat de verwachte aantallen, vrijheidsgraden en voorwaarden verantwoorden.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Profielspecifieke verdieping kansrekening en statistiek
    • 01De verdeling van het steekproefgemiddelde◐
    • 02De centrale limietstelling◐
    • 03Betrouwbaarheidsintervallen●
    • 04De chi-kwadraattoets●
§ 01

De verdeling van het steekproefgemiddelde#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-d-domein-B

Kernpunten

In de inferentiële statistiek wil je iets zeggen over een hele populatie op grond van een steekproef. Je kent zelden het echte populatiegemiddelde μ\muμ, maar je kunt wel een aselecte steekproef van nnn eenheden trekken en daarvan het steekproefgemiddelde Xˉ\bar{X}Xˉ berekenen. Cruciaal is het inzicht dat Xˉ\bar{X}Xˉ zelf een toevalsvariabele is: trek je een nieuwe steekproef, dan krijg je een iets andere waarde. Alle mogelijke waarden van Xˉ\bar{X}Xˉ met hun kansen vormen samen de steekproefverdeling van het steekproefgemiddelde. Afb. 1 laat zien hoe die verdeling eruitziet: een klokvormige verdeling rond μ\muμ, die smaller wordt naarmate de steekproef groter is.

De steekproefverdeling versmalt bij grotere n

Steekproefverdeling van het gemiddeldeSchaubild von kleine n, Hochpunkt bei (100, 0.05), im Bereich x von 70 bis 130, Schaubild von grote n, Hochpunkt bei (100, 0.1), im Bereich x von 70 bis 1307080901001101201300.020.040.060.080.1kleine ngrote ndichtheidsteekproefgemiddelde x-gem.
Afb. 1De steekproefverdeling van Xˉ\bar{X}Xˉ bij een vast populatiegemiddelde μ=100\mu = 100μ=100. Bij een kleine steekproef (grote standaardfout) is de klok breed; bij een grote steekproef (kleine standaardfout) wordt hij smaller en hoger rond μ\muμ.
De eerste eigenschap van die verdeling is de ligging. De verwachting van het steekproefgemiddelde is gelijk aan het populatiegemiddelde: E(Xˉ)=μE(\bar{X}) = \muE(Xˉ)=μ. Dat betekent dat Xˉ\bar{X}Xˉ een zuivere (onvertekende) schatter van μ\muμ is: gemiddeld genomen — over heel veel steekproeven — komt Xˉ\bar{X}Xˉ precies op μ\muμ uit, zonder systematisch te hoog of te laag te zitten. Een individuele steekproef geeft natuurlijk zelden exact μ\muμ, maar de steekproefgemiddelden liggen wél gecentreerd rond μ\muμ. Dit rechtvaardigt dat je xˉ\bar{x}xˉ uit één steekproef gebruikt als schatting van het onbekende μ\muμ.
De tweede eigenschap is de spreiding. De standaardafwijking van Xˉ\bar{X}Xˉ heet de standaardfout en is σXˉ=σn\sigma_{\bar{X}} = \frac{\sigma}{\sqrt{n}}σXˉ​=n​σ​, met σ\sigmaσ de standaardafwijking in de populatie en nnn de steekproefgrootte. De standaardfout is dus kleiner dan de spreiding σ\sigmaσ van de individuele waarnemingen, en hij krimpt met n\sqrt{n}n​: een grotere steekproef geeft een preciezer gemiddelde. In Afb. 1 zie je dit terug — bij een grote nnn is de klok smal en hoog rond μ\muμ, bij een kleine nnn breed en laag. Let op de wortel: om de standaardfout te halveren, heb je niet twee maar vier keer zoveel waarnemingen nodig.
Waar komt die n\sqrt{n}n​ vandaan? Schrijf Xˉ=1n(X1+X2+⋯+Xn)\bar{X} = \frac{1}{n}(X_1 + X_2 + \cdots + X_n)Xˉ=n1​(X1​+X2​+⋯+Xn​), met de XiX_iXi​ onafhankelijk en elk met variantie σ2\sigma^2σ2. Voor een som van onafhankelijke variabelen tellen de varianties op, dus Var⁡(X1+⋯+Xn)=nσ2\operatorname{Var}(X_1 + \cdots + X_n) = n\sigma^2Var(X1​+⋯+Xn​)=nσ2. Omdat Var⁡(aX)=a2Var⁡(X)\operatorname{Var}(aX) = a^2 \operatorname{Var}(X)Var(aX)=a2Var(X) met hier a=1na = \frac{1}{n}a=n1​, volgt Var⁡(Xˉ)=1n2⋅nσ2=σ2n\operatorname{Var}(\bar{X}) = \frac{1}{n^2} \cdot n\sigma^2 = \frac{\sigma^2}{n}Var(Xˉ)=n21​⋅nσ2=nσ2​. De standaardfout is de wortel hieruit: σXˉ=σn\sigma_{\bar{X}} = \frac{\sigma}{\sqrt{n}}σXˉ​=n​σ​. De variantie krimpt dus met nnn, en de standaardafwijking (de wortel ervan) met n\sqrt{n}n​ — precies de n\sqrt{n}n​-wet.
De praktische gevolgtrekking is belangrijk: hoe groter de steekproef, hoe betrouwbaarder de schatting van μ\muμ. Verdubbel je nnn, dan daalt de standaardfout met een factor 2≈1,41\sqrt{2} \approx 1{,}412​≈1,41; verviervoudig je nnn, dan halveert de standaardfout. Deze eigenschappen — E(Xˉ)=μE(\bar{X}) = \muE(Xˉ)=μ en σXˉ=σn\sigma_{\bar{X}} = \frac{\sigma}{\sqrt{n}}σXˉ​=n​σ​ — gelden ongeacht de vorm van de populatieverdeling. Wélke vorm de steekproefverdeling zelf aanneemt, is het onderwerp van de volgende paragraaf (de centrale limietstelling); de ligging μ\muμ en de standaardfout σn\frac{\sigma}{\sqrt{n}}n​σ​ liggen hoe dan ook vast.
E(Xˉ)=μE(\bar{X}) = \muE(Xˉ)=μ

Verwachting van het steekproefgemiddelde

Het steekproefgemiddelde is een zuivere schatter van μ\muμ: gemiddeld over veel steekproeven komt Xˉ\bar{X}Xˉ precies op het populatiegemiddelde uit.

σXˉ=σn\sigma_{\bar{X}} = \frac{\sigma}{\sqrt{n}}σXˉ​=n​σ​

Standaardfout

De standaardafwijking van Xˉ\bar{X}Xˉ. Kleiner dan σ\sigmaσ en krimpt met n\sqrt{n}n​: vier keer zoveel data halveert de standaardfout.

Var⁡(Xˉ)=σ2n\operatorname{Var}(\bar{X}) = \frac{\sigma^2}{n}Var(Xˉ)=nσ2​

Variantie van het steekproefgemiddelde

Volgt uit het optellen van varianties van onafhankelijke XiX_iXi​ en Var⁡(aX)=a2Var⁡(X)\operatorname{Var}(aX)=a^2\operatorname{Var}(X)Var(aX)=a2Var(X); de wortel ervan is de standaardfout.

Uitgewerkt voorbeeld

Standaardfout berekenen en het effect van n

De lengte van volwassen mannen heeft een populatiegemiddelde μ=180\mu = 180μ=180 cm en standaardafwijking σ=7\sigma = 7σ=7 cm. Je trekt een aselecte steekproef van n=49n = 49n=49 mannen. a) Bereken E(Xˉ)E(\bar{X})E(Xˉ) en de standaardfout van Xˉ\bar{X}Xˉ. b) Hoeveel keer zo groot moet de steekproef zijn om de standaardfout te halveren?

  1. 01a) Verwachting van X̄

    De verwachting van het steekproefgemiddelde is gelijk aan het populatiegemiddelde: E(Xˉ)=μ=180E(\bar{X}) = \mu = 180E(Xˉ)=μ=180 cm.

    E(Xˉ)=μ=180 cmE(\bar{X}) = \mu = 180 \text{ cm}E(Xˉ)=μ=180 cm
  2. 02a) Standaardfout

    Vul in de formule in: σXˉ=σn=749=77=1\sigma_{\bar{X}} = \frac{\sigma}{\sqrt{n}} = \frac{7}{\sqrt{49}} = \frac{7}{7} = 1σXˉ​=n​σ​=49​7​=77​=1 cm. De steekproefgemiddelden liggen dus met een standaardafwijking van 111 cm rond 180180180 cm.

    σXˉ=749=1 cm\sigma_{\bar{X}} = \frac{7}{\sqrt{49}} = 1 \text{ cm}σXˉ​=49​7​=1 cm
  3. 03b) Effect van n op de standaardfout

    De standaardfout is evenredig met 1n\frac{1}{\sqrt{n}}n​1​. Om hem te halveren moet n\sqrt{n}n​ verdubbelen, dus nnn moet vier keer zo groot worden: van 494949 naar 4⋅49=1964 \cdot 49 = 1964⋅49=196 mannen.

    12⋅σn=σ4n  ⇒  n→4n\tfrac{1}{2}\cdot\tfrac{\sigma}{\sqrt{n}} = \tfrac{\sigma}{\sqrt{4n}} \;\Rightarrow\; n \to 4n21​⋅n​σ​=4n​σ​⇒n→4n

Resultaat: E(Xˉ)=180E(\bar{X}) = 180E(Xˉ)=180 cm en de standaardfout is 111 cm. Om de standaardfout te halveren is een vier keer zo grote steekproef nodig: n=196n = 196n=196.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de standaardfout σXˉ=σn\sigma_{\bar{X}} = \frac{\sigma}{\sqrt{n}}σXˉ​=n​σ​ berekenen en uitleggen dat E(Xˉ)=μE(\bar{X}) = \muE(Xˉ)=μ (een zuivere schatter).
  • Examendoel: het effect van de steekproefgrootte op de spreiding van Xˉ\bar{X}Xˉ beredeneren via de n\sqrt{n}n​-wet (vier keer zoveel data halveert de standaardfout).

Veelgemaakte fouten

  • De standaardfout gelijkstellen aan σ\sigmaσ (vergeten te delen door n\sqrt{n}n​). De spreiding van een gemiddelde is kleiner dan die van één waarneming.
  • Delen door nnn in plaats van n\sqrt{n}n​. De variantie is σ2n\frac{\sigma^2}{n}nσ2​, maar de standaardfout is de wortel daarvan, dus σn\frac{\sigma}{\sqrt{n}}n​σ​.
  • Denken dat je nnn verdubbelt om de standaardfout te halveren. Door de wortel is daarvoor een viervoudige steekproef nodig.

Actieve herhaling

De vulmachine van een fabriek vult flessen met een gemiddelde inhoud μ=500\mu = 500μ=500 mL en standaardafwijking σ=12\sigma = 12σ=12 mL. Je controleert een aselecte steekproef van n=36n = 36n=36 flessen. Bereken E(Xˉ)E(\bar{X})E(Xˉ) en de standaardfout van Xˉ\bar{X}Xˉ, en bepaal hoe groot de steekproef moet zijn om de standaardfout tot 111 mL terug te brengen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)

§ 02

De centrale limietstelling#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-d-domein-B

Kans over het steekproefgemiddelde als oppervlakte

Steekproefverdeling N(500; 2,5)Schaubild von steekproefverdeling, Hochpunkt bei (500, 0.16), im Bereich x von 492 bis 5084924944964985005025045065080.050.10.15steekproefverdelingdichtheidgemiddeld gewicht (g)
Afb. 2De steekproefverdeling van Xˉ\bar{X}Xˉ bij μ=500\mu = 500μ=500 g en standaardfout σn=2,5\frac{\sigma}{\sqrt{n}} = 2{,}5n​σ​=2,5 g (σ=15\sigma = 15σ=15, n=36n = 36n=36). Het gearceerde gebied is P(498<Xˉ<503)≈0,67P(498 < \bar{X} < 503) \approx 0{,}67P(498<Xˉ<503)≈0,67, berekend via de z-scores.

Kernpunten

De centrale limietstelling (CLT) is het fundament van de inferentiële statistiek. Ze zegt dat het steekproefgemiddelde Xˉ\bar{X}Xˉ voor voldoende grote nnn bij benadering normaal verdeeld is, ongeacht de vorm van de populatieverdeling. In formule: Xˉ\bar{X}Xˉ is bij benadering N ⁣(μ, σn)N\!\left(\mu,\, \frac{\sigma}{\sqrt{n}}\right)N(μ,n​σ​) verdeeld. Het opvallende is dat 'ongeacht de vorm': ook als de individuele waarnemingen scheef, uniform of anderszins niet-normaal verdeeld zijn, wordt het gemiddelde van veel van die waarnemingen tóch klokvormig. Als vuistregel geldt n≥30n \ge 30n≥30 als 'voldoende groot'; is de populatie zelf al normaal, dan is Xˉ\bar{X}Xˉ exact normaal voor élke nnn.
De CLT maakt kansberekeningen over Xˉ\bar{X}Xˉ mogelijk. Omdat Xˉ\bar{X}Xˉ bij benadering N ⁣(μ,σn)N\!\left(\mu, \frac{\sigma}{\sqrt{n}}\right)N(μ,n​σ​) is, standaardiseer je met de z-score z=xˉ−μσ/nz = \frac{\bar{x} - \mu}{\sigma/\sqrt{n}}z=σ/n​xˉ−μ​ (herhaling van de z-score, maar nu met de standaardfout in de noemer in plaats van σ\sigmaσ). Vervolgens bepaal je de kans als oppervlakte onder de standaardnormale kromme, met een tabel of met normalcdf\text{normalcdf}normalcdf op de rekenmachine. Afb. 1 toont de steekproefverdeling met zo'n oppervlakte gearceerd. Let goed op de noemer: bij een kans over één individu deel je door σ\sigmaσ, bij een kans over een gemiddelde door de standaardfout σn\frac{\sigma}{\sqrt{n}}n​σ​.
Waarom is dit zo krachtig? Veel grootheden in de praktijk — meetfouten, gemiddelde gewichten, gemiddelde wachttijden — zijn eigenlijk sommen of gemiddelden van veel kleine, onafhankelijke bijdragen. De CLT verklaart waarom juist die grootheden bijna altijd klokvormig verdeeld zijn, en waarom de normale verdeling overal opduikt. Dankzij de CLT kun je met de vertrouwde normale verdeling rekenen, zelfs als je de precieze verdeling van de losse waarnemingen helemaal niet kent — je hebt alleen μ\muμ, σ\sigmaσ en nnn nodig.
De voorwaarden verdienen aandacht. De benadering is beter naarmate nnn groter is en naarmate de populatie minder scheef is. Bij een sterk scheve of extreem verdeelde populatie kan n≥30n \ge 30n≥30 te weinig zijn; dan is een grotere steekproef nodig voordat de klokvorm goed opgaat. Omgekeerd: is de populatie al (ongeveer) normaal, dan mag je de normale verdeling ook bij kleine nnn gebruiken. Ook moeten de waarnemingen onafhankelijk zijn (een aselecte steekproef). Bij een kleine steekproef uit een sterk scheve, onbekende verdeling is de CLT-benadering dus niet vanzelfsprekend geldig.
Houd het verschil tussen twee verdelingen scherp. De verdeling van XXX beschrijft de spreiding van de individuele waarnemingen (standaardafwijking σ\sigmaσ); de verdeling van Xˉ\bar{X}Xˉ beschrijft de spreiding van de steekproefgemiddelden (standaardafwijking σn\frac{\sigma}{\sqrt{n}}n​σ​, dus veel smaller). Een vraag over 'de kans dat één fles minder dan 496 mL bevat' gebruikt σ\sigmaσ; een vraag over 'de kans dat het gemiddelde van 36 flessen onder 496 mL ligt' gebruikt de standaardfout. Verwar deze twee niet — het is de meest voorkomende fout bij dit onderwerp.
Xˉ is bij benadering N ⁣(μ, σn)(n groot)\bar{X} \ \text{is bij benadering}\ N\!\left(\mu,\ \frac{\sigma}{\sqrt{n}}\right) \quad (n \text{ groot})Xˉ is bij benadering N(μ, n​σ​)(n groot)

Centrale limietstelling

Voor voldoende grote nnn (vuistregel n≥30n \ge 30n≥30) is het steekproefgemiddelde bij benadering normaal, ongeacht de vorm van de populatieverdeling.

z=xˉ−μσ/nz = \frac{\bar{x} - \mu}{\sigma/\sqrt{n}}z=σ/n​xˉ−μ​

z-score voor het steekproefgemiddelde

Standaardiseer Xˉ\bar{X}Xˉ met de standaardfout in de noemer; de kans volgt als oppervlakte onder de standaardnormale kromme (tabel of normalcdf).

Uitgewerkt voorbeeld

Een kans over het steekproefgemiddelde berekenen

Een machine vult zakken met een gemiddeld gewicht μ=500\mu = 500μ=500 g en standaardafwijking σ=15\sigma = 15σ=15 g; de verdeling van de losse gewichten is niet per se normaal. Je weegt een aselecte steekproef van n=36n = 36n=36 zakken. Bereken a) P(Xˉ<496)P(\bar{X} < 496)P(Xˉ<496) en b) P(498<Xˉ<503)P(498 < \bar{X} < 503)P(498<Xˉ<503).

  1. 01Bepaal de verdeling van X̄

    Met n=36≥30n = 36 \ge 30n=36≥30 geeft de centrale limietstelling dat Xˉ\bar{X}Xˉ bij benadering normaal is met μ=500\mu = 500μ=500 en standaardfout σn=1536=156=2,5\frac{\sigma}{\sqrt{n}} = \frac{15}{\sqrt{36}} = \frac{15}{6} = 2{,}5n​σ​=36​15​=615​=2,5.

    Xˉ≈N(500; 2,5)\bar{X} \approx N(500;\ 2{,}5)Xˉ≈N(500; 2,5)
  2. 02a) Standaardiseer 496

    z=496−5002,5=−42,5=−1,6z = \frac{496 - 500}{2{,}5} = \frac{-4}{2{,}5} = -1{,}6z=2,5496−500​=2,5−4​=−1,6. Uit de standaardnormale tabel (of normalcdf) volgt P(Z<−1,6)≈0,055P(Z < -1{,}6) \approx 0{,}055P(Z<−1,6)≈0,055.

    z=496−5002,5=−1,6z = \frac{496 - 500}{2{,}5} = -1{,}6z=2,5496−500​=−1,6
  3. 03b) Standaardiseer 498 en 503

    z1=498−5002,5=−0,8z_1 = \frac{498 - 500}{2{,}5} = -0{,}8z1​=2,5498−500​=−0,8 en z2=503−5002,5=1,2z_2 = \frac{503 - 500}{2{,}5} = 1{,}2z2​=2,5503−500​=1,2. Dan P(498<Xˉ<503)=P(−0,8<Z<1,2)=Φ(1,2)−Φ(−0,8)≈0,885−0,212=0,673P(498 < \bar{X} < 503) = P(-0{,}8 < Z < 1{,}2) = \Phi(1{,}2) - \Phi(-0{,}8) \approx 0{,}885 - 0{,}212 = 0{,}673P(498<Xˉ<503)=P(−0,8<Z<1,2)=Φ(1,2)−Φ(−0,8)≈0,885−0,212=0,673.

    P(−0,8<Z<1,2)≈0,885−0,212=0,673P(-0{,}8 < Z < 1{,}2) \approx 0{,}885 - 0{,}212 = 0{,}673P(−0,8<Z<1,2)≈0,885−0,212=0,673

Resultaat: a) P(Xˉ<496)≈0,055P(\bar{X} < 496) \approx 0{,}055P(Xˉ<496)≈0,055 en b) P(498<Xˉ<503)≈0,67P(498 < \bar{X} < 503) \approx 0{,}67P(498<Xˉ<503)≈0,67 (Afb. 1). Dankzij de centrale limietstelling mag je hier de normale verdeling gebruiken, ook al is de verdeling van de losse gewichten onbekend.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: met de centrale limietstelling een kans over Xˉ\bar{X}Xˉ berekenen door te standaardiseren met de standaardfout, z=xˉ−μσ/nz = \frac{\bar{x} - \mu}{\sigma/\sqrt{n}}z=σ/n​xˉ−μ​.
  • Examendoel: de voorwaarden voor de normale benadering benoemen (nnn voldoende groot, vuistregel n≥30n \ge 30n≥30; bij een normale populatie geldt het exact voor elke nnn).

Veelgemaakte fouten

  • Bij een kans over een gemiddelde delen door σ\sigmaσ in plaats van door de standaardfout σn\frac{\sigma}{\sqrt{n}}n​σ​. Een kans over één waarneming gebruikt σ\sigmaσ, over een gemiddelde de standaardfout.
  • De centrale limietstelling gebruiken bij een klein nnn uit een sterk scheve, onbekende populatie, waar de normale benadering nog niet opgaat.
  • Denken dat de centrale limietstelling zegt dat de populatie normaal wordt. Ze gaat over de verdeling van het gemiddelde Xˉ\bar{X}Xˉ, niet over de losse waarnemingen XXX.

Actieve herhaling

De verblijftijd van klanten in een winkel heeft μ=12\mu = 12μ=12 minuten en σ=6\sigma = 6σ=6 minuten (scheve verdeling). Van een aselecte steekproef van n=64n = 64n=64 klanten wordt de gemiddelde verblijftijd Xˉ\bar{X}Xˉ bepaald. Bereken P(Xˉ>13)P(\bar{X} > 13)P(Xˉ>13) en P(11<Xˉ<13)P(11 < \bar{X} < 13)P(11<Xˉ<13), en licht toe waarom je hier de normale verdeling mag gebruiken.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)

§ 03

Betrouwbaarheidsintervallen#

●●●VerdiepingLPexamenblad-wiskunde-d-domein-B

Een 95%-betrouwbaarheidsinterval rond het gemiddelde

95%-betrouwbaarheidsintervalGetallenlijn, gem. 72, 95%-interval6970717273747595%−intervalgem. 72
Afb. 3Het 95%-betrouwbaarheidsinterval [70,0; 74,0][70{,}0;\ 74{,}0][70,0; 74,0] rond de puntschatting xˉ=72\bar{x} = 72xˉ=72 (standaardfout 111). De marge z⋅σn=1,96⋅1=1,96z \cdot \frac{\sigma}{\sqrt{n}} = 1{,}96 \cdot 1 = 1{,}96z⋅n​σ​=1,96⋅1=1,96 ligt aan weerszijden van xˉ\bar{x}xˉ.

Kernpunten

Een puntschatting — het onbekende μ\muμ gelijkstellen aan het gemeten xˉ\bar{x}xˉ — geeft één getal, maar zegt niets over de onzekerheid. Een betrouwbaarheidsinterval doet dat wél: het geeft een heel bereik van plausibele waarden voor μ\muμ, samen met een betrouwbaarheidsniveau (meestal 95%). Het idee is om rond de puntschatting xˉ\bar{x}xˉ een marge te leggen die groot genoeg is om μ\muμ met de gewenste betrouwbaarheid te 'vangen'. Zo verandert 'het gemiddelde is ongeveer 72' in de veel informatievere uitspraak 'we zijn er 95% zeker van dat het gemiddelde tussen 70,0 en 74,0 ligt' (Afb. 1).
De formule bouwt voort op de centrale limietstelling. Omdat Xˉ\bar{X}Xˉ bij benadering N ⁣(μ,σn)N\!\left(\mu, \frac{\sigma}{\sqrt{n}}\right)N(μ,n​σ​) is, ligt Xˉ\bar{X}Xˉ in 95% van de gevallen binnen 1,961{,}961,96 standaardfouten van μ\muμ. Draai je dat om, dan ligt μ\muμ in 95% van de steekproeven binnen 1,961{,}961,96 standaardfouten van xˉ\bar{x}xˉ. Het betrouwbaarheidsinterval is dus xˉ±z⋅σn\bar{x} \pm z \cdot \frac{\sigma}{\sqrt{n}}xˉ±z⋅n​σ​, met de foutmarge m=z⋅σnm = z \cdot \frac{\sigma}{\sqrt{n}}m=z⋅n​σ​. De zzz-waarde hoort bij het betrouwbaarheidsniveau: z≈1,96z \approx 1{,}96z≈1,96 bij 95%, z≈1,645z \approx 1{,}645z≈1,645 bij 90% en z≈2,576z \approx 2{,}576z≈2,576 bij 99%. Deze drie waarden moet je paraat hebben.
De interpretatie luistert nauw. Een 95%-betrouwbaarheidsinterval betekent: als je dit onderzoek heel vaak zou herhalen en telkens zo'n interval zou berekenen, dan bevat ongeveer 95% van al die intervallen het echte μ\muμ. Het betekent nadrukkelijk níét dat er '95% kans is dat μ\muμ in dít ene interval ligt' — μ\muμ is een vast (maar onbekend) getal en ligt er wel of niet in; de kans zit in de procedure, niet in dit concrete interval. Deze frequentistische interpretatie is een geliefd toetspunt: formuleer de betrouwbaarheid als een eigenschap van de methode over veel herhalingen.
De breedte van het interval hangt van drie dingen af (Afb. 1). Een hoger betrouwbaarheidsniveau (grotere zzz) maakt het interval breder: meer zekerheid kost precisie. Een grotere steekproef (grotere nnn) maakt het interval smaller, want de standaardfout σn\frac{\sigma}{\sqrt{n}}n​σ​ krimpt. En een grotere spreiding σ\sigmaσ in de populatie maakt het interval breder. Er is dus een afruil: wil je én heel zeker én heel precies zijn, dan heb je een grote steekproef nodig. Een breder interval is niet 'beter' — het is minder informatief; je koopt er alleen meer zekerheid mee.
Andersom kun je met dezelfde formule de benodigde steekproefgrootte plannen. Wil je een foutmarge van hoogstens mmm bij een gegeven betrouwbaarheid, dan los je m=z⋅σnm = z \cdot \frac{\sigma}{\sqrt{n}}m=z⋅n​σ​ op naar nnn: n=(zσm)2n = \left(\frac{z\sigma}{m}\right)^2n=(mzσ​)2. Zo bepaal je vóór het onderzoek hoeveel waarnemingen je moet verzamelen om de gewenste precisie te halen. In deze paragraaf gaan we ervan uit dat σ\sigmaσ bekend is; is σ\sigmaσ onbekend en nnn klein, dan gebruikt men in plaats van de normale zzz-waarde de zogenoemde t-verdeling — een uitbreiding die buiten de kern van deze SE-stof valt.
xˉ±z⋅σn\bar{x} \pm z \cdot \frac{\sigma}{\sqrt{n}}xˉ±z⋅n​σ​

Betrouwbaarheidsinterval voor het gemiddelde

Rond de puntschatting xˉ\bar{x}xˉ een marge van zzz standaardfouten. De zzz-waarde hoort bij het betrouwbaarheidsniveau.

z≈1,645 (90%),z≈1,96 (95%),z≈2,576 (99%)z \approx 1{,}645 \ (90\%), \qquad z \approx 1{,}96 \ (95\%), \qquad z \approx 2{,}576 \ (99\%)z≈1,645 (90%),z≈1,96 (95%),z≈2,576 (99%)

z-waarden per betrouwbaarheidsniveau

Een hoger niveau geeft een grotere zzz en dus een breder interval. Deze drie waarden komen het vaakst voor.

m=z⋅σn⇒n=(zσm)2m = z \cdot \frac{\sigma}{\sqrt{n}} \quad\Rightarrow\quad n = \left(\frac{z\sigma}{m}\right)^{2}m=z⋅n​σ​⇒n=(mzσ​)2

Foutmarge en steekproefgrootte

De halve breedte mmm is de foutmarge; omgekeerd bepaal je hiermee hoeveel waarnemingen nodig zijn voor een gewenste precisie.

Uitgewerkt voorbeeld

Een betrouwbaarheidsinterval opstellen

In een steekproef van n=64n = 64n=64 leerlingen is de gemiddelde score xˉ=72\bar{x} = 72xˉ=72; de populatiestandaardafwijking is bekend, σ=8\sigma = 8σ=8. a) Stel het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor het gemiddelde op. b) Stel ook het 99%-interval op en vergelijk de breedtes.

  1. 01Bereken de standaardfout

    σn=864=88=1\frac{\sigma}{\sqrt{n}} = \frac{8}{\sqrt{64}} = \frac{8}{8} = 1n​σ​=64​8​=88​=1.

    σn=88=1\frac{\sigma}{\sqrt{n}} = \frac{8}{8} = 1n​σ​=88​=1
  2. 02a) 95%-interval

    Met z=1,96z = 1{,}96z=1,96 is de marge 1,96⋅1=1,961{,}96 \cdot 1 = 1{,}961,96⋅1=1,96. Het interval is 72±1,9672 \pm 1{,}9672±1,96, dus [70,04; 73,96][70{,}04;\ 73{,}96][70,04; 73,96], ofwel ongeveer [70,0; 74,0][70{,}0;\ 74{,}0][70,0; 74,0] (Afb. 1).

    72±1,96⋅1=[70,04; 73,96]72 \pm 1{,}96 \cdot 1 = [70{,}04;\ 73{,}96]72±1,96⋅1=[70,04; 73,96]
  3. 03b) 99%-interval

    Met z=2,576z = 2{,}576z=2,576 is de marge 2,576⋅1=2,5762{,}576 \cdot 1 = 2{,}5762,576⋅1=2,576. Het interval is 72±2,57672 \pm 2{,}57672±2,576, dus [69,42; 74,58][69{,}42;\ 74{,}58][69,42; 74,58].

    72±2,576⋅1=[69,42; 74,58]72 \pm 2{,}576 \cdot 1 = [69{,}42;\ 74{,}58]72±2,576⋅1=[69,42; 74,58]
  4. 04Vergelijk de breedtes

    Het 99%-interval (breedte ≈5,15\approx 5{,}15≈5,15) is breder dan het 95%-interval (breedte ≈3,92\approx 3{,}92≈3,92). Meer betrouwbaarheid kost precisie: het interval wordt wijder.

Resultaat: 95%-interval: [70,0; 74,0][70{,}0;\ 74{,}0][70,0; 74,0]; 99%-interval: [69,4; 74,6][69{,}4;\ 74{,}6][69,4; 74,6]. Het hogere betrouwbaarheidsniveau geeft een breder (minder precies) interval. Correcte interpretatie: van alle zó gemaakte 95%-intervallen bevat ongeveer 95% het echte μ\muμ.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een betrouwbaarheidsinterval xˉ±z⋅σn\bar{x} \pm z \cdot \frac{\sigma}{\sqrt{n}}xˉ±z⋅n​σ​ opstellen met de juiste zzz-waarde (1,96 bij 95%) en de foutmarge berekenen.
  • Examendoel: een betrouwbaarheidsinterval correct (frequentistisch) interpreteren — ongeveer 95% van zulke intervallen bevat μ\muμ — en het effect van nnn, σ\sigmaσ en het niveau op de breedte benoemen.

Veelgemaakte fouten

  • De verkeerde interpretatie geven: 'er is 95% kans dat μ\muμ in dit interval ligt'. Correct is dat 95% van alle zó berekende intervallen μ\muμ bevat; μ\muμ is vast, niet toevallig.
  • De zzz-waarden verwisselen (1,96 voor 95%, 1,645 voor 90%, 2,576 voor 99%) of z=2z = 2z=2 gebruiken zonder toelichting.
  • σ\sigmaσ gebruiken in plaats van de standaardfout σn\frac{\sigma}{\sqrt{n}}n​σ​, waardoor het interval veel te breed uitvalt.

Actieve herhaling

Bij een steekproef van n=100n = 100n=100 pakken suiker is het gemiddelde gewicht xˉ=1002\bar{x} = 1002xˉ=1002 g, met bekende σ=10\sigma = 10σ=10 g. Stel het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor het gemiddelde gewicht op, interpreteer het in de context, en bepaal welke steekproefgrootte nodig zou zijn om de foutmarge tot 111 g terug te brengen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)

§ 04

De chi-kwadraattoets#

●●●VerdiepingLPexamenblad-wiskunde-d-domein-B

Kruistabel met de waargenomen aantallen

Waargenomen aantallen (O)Tabel met 4 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Geslaagd · Gezakt · Totaal; Ontbijt · 70 · 30 · 100; Geen ontbijt · 50 · 50 · 100; Totaal · 120 · 80 · 200GESLAAGDGEZAKTTOTAALONTBIJT7030100GEEN ONTBIJT5050100TOTAAL12080200
Afb. 4Waargenomen aantallen (OOO) van 200200200 leerlingen, ingedeeld naar wel/niet ontbijten en wel/niet slagen. De rij- en kolomtotalen gebruik je om de verwachte aantallen te berekenen.

Kernpunten

De chi-kwadraattoets (χ2\chi^2χ2-toets) onderzoekt of waargenomen frequenties van categorische data passen bij wat je onder een bepaalde veronderstelling zou verwachten. Er zijn twee hoofdvormen. Bij de aanpassingstoets (goodness-of-fit) toets je of één verdeling past bij een verwacht patroon — bijvoorbeeld of een dobbelsteen eerlijk is (elke uitkomst even waarschijnlijk). Bij de onafhankelijkheidstoets toets je of twee kenmerken in een kruistabel samenhangen of juist onafhankelijk zijn — bijvoorbeeld of 'wel/niet ontbijten' en 'wel/niet slagen' met elkaar te maken hebben (Afb. 1). In beide gevallen stel je een nulhypothese H0H_0H0​ op (het verwachte patroon geldt / de kenmerken zijn onafhankelijk) en een alternatief H1H_1H1​.
De kern is de toetsingsgrootheid χ2=∑(waargenomen−verwacht)2verwacht\chi^2 = \sum \frac{(\text{waargenomen} - \text{verwacht})^2}{\text{verwacht}}χ2=∑verwacht(waargenomen−verwacht)2​, vaak geschreven als ∑(O−E)2E\sum \frac{(O - E)^2}{E}∑E(O−E)2​. Voor elke cel bereken je het verschil tussen het waargenomen aantal OOO en het verwachte aantal EEE, kwadrateert dat (zodat tekens niet wegvallen en grote afwijkingen zwaar tellen), deelt door EEE (zodat een afwijking wordt afgewogen tegen hoe groot je die cel verwachtte) en telt alles op. Is χ2\chi^2χ2 klein, dan liggen waarneming en verwachting dicht bij elkaar en past H0H_0H0​ goed; is χ2\chi^2χ2 groot, dan is er een forse afwijking en pleit dat tégen H0H_0H0​. De toets is dus altijd rechtszijdig: alleen een grote χ2\chi^2χ2 leidt tot verwerping.
Het bepalen van de verwachte aantallen EEE verschilt per toets. Bij de aanpassingstoets is E=n⋅piE = n \cdot p_iE=n⋅pi​, met pip_ipi​ de onder H0H_0H0​ verwachte kans op categorie iii (voor een eerlijke dobbelsteen bij 120120120 worpen is E=120⋅16=20E = 120 \cdot \tfrac{1}{6} = 20E=120⋅61​=20 per uitkomst). Bij de onafhankelijkheidstoets bereken je per cel E=rijtotaal⋅kolomtotaalnE = \frac{\text{rijtotaal} \cdot \text{kolomtotaal}}{n}E=nrijtotaal⋅kolomtotaal​ (Afb. 2). Daarna hoort bij de toets een aantal vrijheidsgraden: df=k−1\text{df} = k - 1df=k−1 bij een aanpassingstoets met kkk categorieën, en df=(r−1)(k−1)\text{df} = (r-1)(k-1)df=(r−1)(k−1) bij een kruistabel met rrr rijen en kkk kolommen. De vrijheidsgraden bepalen welke kritieke waarde uit de χ2\chi^2χ2-tabel je nodig hebt.
De beslissing neem je door de berekende χ2\chi^2χ2 te vergelijken met de kritieke waarde bij het gekozen significantieniveau α\alphaα (meestal α=0,05\alpha = 0{,}05α=0,05) en de bijbehorende vrijheidsgraden. Is χ2\chi^2χ2 groter dan de kritieke waarde, dan verwerp je H0H_0H0​ (de afwijking is te groot om aan toeval toe te schrijven); is χ2\chi^2χ2 kleiner, dan behoud je H0H_0H0​. Formuleer de conclusie altijd in de context: 'er is een significant verband tussen ontbijten en slagen', of 'de dobbelsteen lijkt eerlijk'. Verwerpen van H0H_0H0​ betekent niet dat je H0H_0H0​ met zekerheid onwaar hebt bewezen — er is altijd een kans α\alphaα dat je H0H_0H0​ ten onrechte verwerpt (fout van de eerste soort).
Aan de χ2\chi^2χ2-toets zitten voorwaarden. Je rekent met absolute aantallen, nooit met percentages of relatieve frequenties. De steekproef moet aselect zijn, en als vuistregel moet elk verwacht aantal EEE minstens 555 zijn; bij te kleine verwachte aantallen is de toets onbetrouwbaar en voeg je categorieën samen. Ter illustratie de dobbelsteen: gooi je 120120120 keer en vind je de aantallen 18,22,16,25,19,2018, 22, 16, 25, 19, 2018,22,16,25,19,20, dan is elke E=20E = 20E=20 en wordt χ2=(18−20)220+⋯+(20−20)220=2,5\chi^2 = \frac{(18-20)^2}{20} + \cdots + \frac{(20-20)^2}{20} = 2{,}5χ2=20(18−20)2​+⋯+20(20−20)2​=2,5. Met df=5\text{df} = 5df=5 is de kritieke waarde 11,0711{,}0711,07; omdat 2,5<11,072{,}5 < 11{,}072,5<11,07 behoud je H0H_0H0​: de dobbelsteen lijkt eerlijk.
χ2=∑(waargenomen−verwacht)2verwacht=∑(O−E)2E\chi^2 = \sum \frac{(\text{waargenomen} - \text{verwacht})^2}{\text{verwacht}} = \sum \frac{(O - E)^2}{E}χ2=∑verwacht(waargenomen−verwacht)2​=∑E(O−E)2​

Chi-kwadraat toetsingsgrootheid

Meet de totale afwijking tussen waargenomen en verwachte aantallen. Klein = goede aanpassing, groot = bewijs tegen H0H_0H0​. De toets is rechtszijdig.

Eij=rijtotaali⋅kolomtotaaljnE_{ij} = \frac{\text{rijtotaal}_i \cdot \text{kolomtotaal}_j}{n}Eij​=nrijtotaali​⋅kolomtotaalj​​

Verwacht aantal bij onafhankelijkheid

Het per cel verwachte aantal in een kruistabel als de twee kenmerken onafhankelijk zouden zijn. Bij een aanpassingstoets is E=n⋅piE = n \cdot p_iE=n⋅pi​.

df=k−1 (aanpassing),df=(r−1)(k−1) (onafhankelijkheid)\text{df} = k - 1 \ (\text{aanpassing}), \qquad \text{df} = (r-1)(k-1) \ (\text{onafhankelijkheid})df=k−1 (aanpassing),df=(r−1)(k−1) (onafhankelijkheid)

Vrijheidsgraden

Het aantal vrijheidsgraden bepaalt de kritieke waarde uit de χ2\chi^2χ2-tabel: kkk categorieën bij een aanpassingstoets, rrr rijen en kkk kolommen bij een kruistabel.

Kruistabel met de verwachte aantallen bij onafhankelijkheid

Verwachte aantallen (E)Tabel met 4 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Geslaagd · Gezakt · Totaal; Ontbijt · 60 · 40 · 100; Geen ontbijt · 60 · 40 · 100; Totaal · 120 · 80 · 200GESLAAGDGEZAKTTOTAALONTBIJT6040100GEEN ONTBIJT6040100TOTAAL12080200
Afb. 5Verwachte aantallen (EEE) bij onafhankelijkheid, per cel rijtotaal⋅kolomtotaaln\frac{\text{rijtotaal} \cdot \text{kolomtotaal}}{n}nrijtotaal⋅kolomtotaal​, bijvoorbeeld 100⋅120200=60\frac{100 \cdot 120}{200} = 60200100⋅120​=60. Vergelijk met de waargenomen aantallen om χ2\chi^2χ2 te berekenen.
Uitgewerkt voorbeeld

Een onafhankelijkheidstoets uitvoeren

Onderzoek of er samenhang is tussen ontbijten en slagen voor een toets. Van 200200200 leerlingen zijn de waargenomen aantallen (Afb. 1): van de 100100100 ontbijters slaagden er 707070 en zakten er 303030; van de 100100100 niet-ontbijters slaagden er 505050 en zakten er 505050. Voer een chi-kwadraattoets uit met α=0,05\alpha = 0{,}05α=0,05 (kritieke waarde 3,8413{,}8413,841 bij df=1\text{df} = 1df=1).

  1. 01Formuleer de hypothesen

    H0H_0H0​: ontbijten en slagen zijn onafhankelijk (geen verband). H1H_1H1​: er is een verband tussen ontbijten en slagen.

  2. 02Bereken de verwachte aantallen

    Per cel E=rijtotaal⋅kolomtotaalnE = \frac{\text{rijtotaal} \cdot \text{kolomtotaal}}{n}E=nrijtotaal⋅kolomtotaal​. Voor 'ontbijt & geslaagd': 100⋅120200=60\frac{100 \cdot 120}{200} = 60200100⋅120​=60. Zo krijg je overal 606060 (geslaagd) en 404040 (gezakt) — zie Afb. 2. Alle verwachte aantallen zijn ≥5\ge 5≥5, dus de toets mag.

    E=100⋅120200=60,E=100⋅80200=40E = \frac{100 \cdot 120}{200} = 60, \qquad E = \frac{100 \cdot 80}{200} = 40E=200100⋅120​=60,E=200100⋅80​=40
  3. 03Bereken chi-kwadraat

    χ2=(70−60)260+(30−40)240+(50−60)260+(50−40)240=10060+10040+10060+10040≈1,67+2,5+1,67+2,5=8,33\chi^2 = \frac{(70-60)^2}{60} + \frac{(30-40)^2}{40} + \frac{(50-60)^2}{60} + \frac{(50-40)^2}{40} = \frac{100}{60} + \frac{100}{40} + \frac{100}{60} + \frac{100}{40} \approx 1{,}67 + 2{,}5 + 1{,}67 + 2{,}5 = 8{,}33χ2=60(70−60)2​+40(30−40)2​+60(50−60)2​+40(50−40)2​=60100​+40100​+60100​+40100​≈1,67+2,5+1,67+2,5=8,33.

    χ2=10060+10040+10060+10040≈8,33\chi^2 = \tfrac{100}{60} + \tfrac{100}{40} + \tfrac{100}{60} + \tfrac{100}{40} \approx 8{,}33χ2=60100​+40100​+60100​+40100​≈8,33
  4. 04Bepaal df en vergelijk

    De tabel is 2×22 \times 22×2, dus df=(2−1)(2−1)=1\text{df} = (2-1)(2-1) = 1df=(2−1)(2−1)=1. De kritieke waarde bij α=0,05\alpha = 0{,}05α=0,05 is 3,8413{,}8413,841. Omdat 8,33>3,8418{,}33 > 3{,}8418,33>3,841, verwerp je H0H_0H0​.

  5. 05Conclusie in de context

    De afwijking tussen waargenomen en verwachte aantallen is te groot voor toeval. Er is op significantieniveau 5%5\%5% een significant verband tussen ontbijten en slagen: ontbijters slagen vaker dan je bij onafhankelijkheid zou verwachten.

Resultaat: χ2≈8,33\chi^2 \approx 8{,}33χ2≈8,33 met df=1\text{df} = 1df=1; dit is groter dan de kritieke waarde 3,8413{,}8413,841, dus H0H_0H0​ wordt verworpen. Er is een significant verband tussen ontbijten en slagen (correlatie, geen bewijs van oorzaak).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de chi-kwadraat toetsingsgrootheid χ2=∑(O−E)2E\chi^2 = \sum \frac{(O-E)^2}{E}χ2=∑E(O−E)2​ berekenen, met de juiste verwachte aantallen (n⋅pin \cdot p_in⋅pi​ of rij⋅kolomn\frac{\text{rij} \cdot \text{kolom}}{n}nrij⋅kolom​) en vrijheidsgraden.
  • Examendoel: χ2\chi^2χ2 vergelijken met de kritieke waarde bij een gegeven α\alphaα en df, en de conclusie (aanpassings- of onafhankelijkheidstoets) in de context formuleren.

Veelgemaakte fouten

  • Delen door de waargenomen OOO in plaats van door de verwachte EEE: de noemer in (O−E)2E\frac{(O-E)^2}{E}E(O−E)2​ is altijd het verwachte aantal.
  • De verkeerde vrijheidsgraden gebruiken — (r−1)(k−1)(r-1)(k-1)(r−1)(k−1) bij een kruistabel, k−1k-1k−1 bij een aanpassingstoets — waardoor je de verkeerde kritieke waarde afleest.
  • Rekenen met percentages of relatieve frequenties in plaats van absolute aantallen, of de voorwaarde E≥5E \ge 5E≥5 negeren.

Actieve herhaling

Een dobbelsteen wordt 120120120 keer geworpen; de uitkomsten 111 t/m 666 vallen respectievelijk 15,24,18,20,27,1615, 24, 18, 20, 27, 1615,24,18,20,27,16 keer. Voer een aanpassingstoets uit (H0H_0H0​: de dobbelsteen is eerlijk) met α=0,05\alpha = 0{,}05α=0,05: bepaal de verwachte aantallen, bereken χ2\chi^2χ2, gebruik df=5\text{df} = 5df=5 met kritieke waarde 11,0711{,}0711,07, en trek een conclusie in de context.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01De verdeling van het steekproefgemiddelde◐
    • 02De centrale limietstelling◐
    • 03Betrouwbaarheidsintervallen●
    • 04De chi-kwadraattoets●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Profielspecifieke verdieping kansrekening en statistiek

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~21
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / DUO

  • Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO)

Vorig onderwerp

Correlatie en regressie

Volgend onderwerp

Discrete dynamische systemen (rijen, recursie, webgrafieken)

EuraStudy·Samenvattingen T·08·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.