EuraStudy
Samenvattingen/Wiskunde D/Correlatie en regressie
Samenvattingen · Wiskunde DNL · VWO

Correlatie en regressie

Deze samenvatting gaat over de samenhang tussen twee kwantitatieve variabelen. Je leert een spreidingsdiagram maken en de aard, richting en sterkte van de samenhang beschrijven, de correlatiecoëfficiënt rrr en de determinatiecoëfficiënt r2r^2r2 berekenen en interpreteren, en de kleinste-kwadratenlijn y=ax+by=ax+by=ax+b opstellen met de formules a=∑(x−xˉ)(y−yˉ)∑(x−xˉ)2a=\frac{\sum (x-\bar{x})(y-\bar{y})}{\sum (x-\bar{x})^2}a=∑(x−xˉ)2∑(x−xˉ)(y−yˉ​)​ en b=yˉ−axˉb=\bar{y}-a\bar{x}b=yˉ​−axˉ. Ten slotte voorspel je met de regressielijn (interpolatie versus extrapolatie) en leer je kritisch redeneren: correlatie is geen causaliteit. Correlatie en regressie horen bij domein B en worden bij wiskunde D uitsluitend in het schoolexamen (SE) getoetst — wiskunde D kent geen centraal examen.

4 Onderdelen·~23 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 1 · Verdieping 2

T·0777 / 19
Examenprofiel
Een spreidingsdiagram maken en de aard, richting (positief/negatief) en sterkte van de samenhang tussen twee variabelen beschrijven (domein B)De correlatiecoëfficiënt r en de determinatiecoëfficiënt r² met ICT of met de formule bepalen en interpreterenDe kleinste-kwadratenlijn y=ax+b opstellen met de formules voor a en b (of met ICT) en de betekenis van a en b in de context benoemenMet de regressielijn voorspellen en kritisch redeneren over interpolatie, extrapolatie en het verschil tussen correlatie en causaliteit
Operatoren:tekenlees afberekenbepaalinterpreteerbeoordeelvoorspelleg uit

basisniveau

Kern van het onderwerp (SE-stof, domein B): een spreidingsdiagram lezen en tekenen, de richting en sterkte van de samenhang benoemen, en met ICT de correlatiecoëfficiënt rrr en de regressielijn y=ax+by=ax+by=ax+b bepalen en gebruiken om te voorspellen.

verhoogd niveau

Verdieping: rrr en bbb met de hand berekenen via de kleinste-kwadratenformules, r2r^2r2 interpreteren als aandeel verklaarde variantie, residuen analyseren, en scherp redeneren over de grenzen van een lineair model (extrapolatie) en over correlatie versus causaliteit (schijncorrelatie, derde variabele).

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Correlatie en regressie
    • 01Samenhang en het spreidingsdiagram○
    • 02De correlatiecoëfficiënt r en de determinatiecoëfficiënt r²◐
    • 03Lineaire regressie: de kleinste-kwadratenlijn●
    • 04Voorspellen, en correlatie versus causaliteit●
§ 01

Samenhang en het spreidingsdiagram#

●○○BasisLPexamenblad-wiskunde-d-domein-B

Kernpunten

Correlatie en regressie draaien om bivariate data: bij elke onderzoekseenheid meet je twee kwantitatieve variabelen tegelijk, bijvoorbeeld van elke leerling zowel het aantal studeeruren per week xxx als het behaalde cijfer yyy. Elke eenheid levert zo een getallenpaar (xi,yi)(x_i, y_i)(xi​,yi​), en die paren zet je uit als punten in een assenstelsel: het spreidingsdiagram (puntenwolk, scatterplot). In Afb. 1 zie je zo'n diagram voor zes leerlingen; elk punt is één leerling. De centrale vraag is of de twee variabelen samenhangen: gaat een grotere xxx systematisch samen met een grotere (of juist kleinere) yyy, of ligt de wolk vormloos door elkaar? Het spreidingsdiagram is altijd de eerste stap — je kijkt eerst naar het patroon voordat je iets gaat berekenen.

Spreidingsdiagram met een positief verband

Studeeruren en cijfer (n = 6)Spreidingsdiagram: cijfer naar studeeruren per week, Gegevens: (2, 4.5); (3, 4); (5, 6.5); (6, 5.5); (8, 7); (9, 8.5)4567823456789cijferstudeeruren per week
Afb. 1Studeeruren per week (xxx) tegen behaald cijfer (yyy) voor zes leerlingen. De wolk loopt van linksonder naar rechtsboven: een positief verband. Het zwaartepunt is (xˉ,yˉ)=(5,5; 6,0)(\bar{x}, \bar{y}) = (5{,}5;\,6{,}0)(xˉ,yˉ​)=(5,5;6,0).
Aan een puntenwolk lees je de richting van de samenhang af. Bij een positief verband loopt de wolk van linksonder naar rechtsboven: een grotere xxx gaat gemiddeld samen met een grotere yyy (Afb. 1: meer studeren, hoger cijfer). Bij een negatief verband loopt de wolk van linksboven naar rechtsonder: een grotere xxx gaat samen met een kleinere yyy. In Afb. 2 staat het aantal gemiste lessen tegen het cijfer: hoe meer lessen gemist, hoe lager het cijfer — een duidelijk negatief verband. Ligt er geen richting in de wolk, dan is er (nagenoeg) geen lineaire samenhang. De richting is dus een kwalitatief oordeel dat je later kwantificeert met het teken van de correlatiecoëfficiënt rrr.

Spreidingsdiagram met een negatief verband

Gemiste lessen en cijfer (n = 6)Spreidingsdiagram: cijfer naar aantal gemiste lessen, Gegevens: (0, 8.5); (1, 8); (3, 6.5); (4, 6); (6, 4.5); (8, 3.5)45678012345678cijferaantal gemiste lessen
Afb. 2Aantal gemiste lessen (xxx) tegen behaald cijfer (yyy) voor zes leerlingen. De wolk loopt van linksboven naar rechtsonder: hoe meer gemiste lessen, hoe lager het cijfer — een sterk negatief verband.
Naast de richting beoordeel je de sterkte en de vorm. De samenhang is sterk als de punten dicht rond één rechte lijn liggen, en zwak als ze ver om die denkbeeldige lijn heen spatten. Let op een veelgemaakte denkfout: sterkte gaat over hoe dicht de punten bij een lijn liggen, niet over hoe steil de lijn is — een flauw stijgende wolk kan een sterkere samenhang hebben dan een steile maar rommelige wolk. De vorm is meestal lineair (een rechte trend), maar soms kromlijnig (bijvoorbeeld eerst stijgend en dan afvlakkend); in dat laatste geval is een rechte lijn niet passend, ook al is er wel degelijk samenhang. Losse punten die ver van de rest liggen zijn afwijkende waarnemingen (uitschieters) die de berekende maten sterk kunnen beïnvloeden.
Bij bivariate data onderscheid je vaak een verklarende variabele en een verklaarde variabele. De verklarende (onafhankelijke) variabele zet je op de horizontale as (xxx); de verklaarde (afhankelijke, respons-)variabele op de verticale as (yyy). Bij studeeruren en cijfer is 'studeeruren' de verklarende en 'cijfer' de verklaarde variabele: je verwacht dat studeeruren het cijfer helpen verklaren, niet andersom. Deze keuze bepaalt hoe je de assen tekent én, verderop, welke regressielijn je opstelt (de lijn van yyy op xxx is een andere lijn dan die van xxx op yyy). Verwissel xxx en yyy dus niet zomaar.
Een handig ankerpunt is het zwaartepunt (gemiddelde punt) (xˉ,yˉ)(\bar{x}, \bar{y})(xˉ,yˉ​) van de puntenwolk, met xˉ=∑xin\bar{x}=\frac{\sum x_i}{n}xˉ=n∑xi​​ en yˉ=∑yin\bar{y}=\frac{\sum y_i}{n}yˉ​=n∑yi​​. Dit punt ligt als het ware in het midden van de wolk en — dat blijkt later een sleuteleigenschap — de kleinste-kwadratenlijn gaat er altijd precies doorheen. Voor de zes leerlingen van Afb. 1 is xˉ=5,5\bar{x}=5{,}5xˉ=5,5 uur en yˉ=6,0\bar{y}=6{,}0yˉ​=6,0, dus het zwaartepunt is (5,5; 6,0)(5{,}5;\,6{,}0)(5,5;6,0). Door het zwaartepunt te markeren krijg je meteen gevoel voor waar het 'centrum' van de samenhang ligt. In de volgende paragrafen maak je het visuele oordeel (richting, sterkte) exact met de correlatiecoëfficiënt rrr en de regressielijn.
datapunt: (xi,yi),i=1,2,…,n\text{datapunt: } (x_i, y_i), \quad i = 1, 2, \ldots, ndatapunt: (xi​,yi​),i=1,2,…,n

Bivariate waarneming

Bij elke eenheid horen twee gemeten waarden; samen vormen de nnn paren de puntenwolk in het spreidingsdiagram.

xˉ=∑xin,yˉ=∑yin\bar{x}=\frac{\sum x_i}{n}, \qquad \bar{y}=\frac{\sum y_i}{n}xˉ=n∑xi​​,yˉ​=n∑yi​​

Zwaartepunt van de puntenwolk

De gemiddelden van xxx en yyy; het punt (xˉ,yˉ)(\bar{x}, \bar{y})(xˉ,yˉ​) ligt in het midden van de wolk en de regressielijn gaat er altijd doorheen.

Uitgewerkt voorbeeld

Een spreidingsdiagram beschrijven

Van zes leerlingen is het aantal uren sport per week (xxx) en de rusthartslag in slagen per minuut (yyy) genoteerd: (1; 78), (2; 74), (3; 72), (5; 66), (6; 64), (7; 60). Bepaal het zwaartepunt (xˉ,yˉ)(\bar{x}, \bar{y})(xˉ,yˉ​) en beschrijf de richting, sterkte en vorm van de samenhang.

  1. 01Bereken de gemiddelden

    xˉ=1+2+3+5+6+76=246=4\bar{x} = \frac{1+2+3+5+6+7}{6} = \frac{24}{6} = 4xˉ=61+2+3+5+6+7​=624​=4 uur en yˉ=78+74+72+66+64+606=4146=69\bar{y} = \frac{78+74+72+66+64+60}{6} = \frac{414}{6} = 69yˉ​=678+74+72+66+64+60​=6414​=69 slagen per minuut. Het zwaartepunt is dus (4; 69)(4;\,69)(4;69).

    xˉ=246=4,yˉ=4146=69\bar{x}=\frac{24}{6}=4, \qquad \bar{y}=\frac{414}{6}=69xˉ=624​=4,yˉ​=6414​=69
  2. 02Bepaal de richting

    Zet de punten uit. Naarmate xxx (sporturen) toeneemt, daalt yyy (rusthartslag) systematisch van 78 naar 60. De wolk loopt van linksboven naar rechtsonder: een negatief verband.

  3. 03Beoordeel de sterkte en de vorm

    De punten liggen bijna precies op één dalende rechte lijn — er is nauwelijks spreiding om die lijn. De samenhang is dus sterk en de vorm is lineair. (Reken je rrr uit, dan vind je r≈−1r \approx -1r≈−1, wat dit bevestigt.)

Resultaat: Het zwaartepunt is (4; 69)(4;\,69)(4;69). Er is een sterk, negatief en nagenoeg lineair verband: meer sporturen gaan samen met een lagere rusthartslag. Let op: dit beschrijft samenhang, nog geen oorzaak-gevolg.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een spreidingsdiagram tekenen bij bivariate data en de aard van de samenhang beschrijven in termen van richting (positief/negatief), sterkte en vorm (lineair/kromlijnig).
  • Examendoel: de verklarende variabele (xxx, horizontale as) en de verklaarde variabele (yyy, verticale as) onderscheiden en het zwaartepunt (xˉ,yˉ)(\bar{x}, \bar{y})(xˉ,yˉ​) berekenen.

Veelgemaakte fouten

  • De verklarende en de verklaarde variabele verwisselen, zodat xxx en yyy op de verkeerde as komen. Zet de variabele die verklaart (de oorzaak-kandidaat) op de horizontale as.
  • Sterkte verwarren met steilheid: een steile wolk is niet per se een sterke samenhang. Sterkte gaat over hoe dicht de punten bij een lijn liggen, niet over de helling.
  • Bij een duidelijk kromlijnig patroon concluderen dat er 'geen verband' is. Er kan sterke, niet-lineaire samenhang zijn; alleen een rechte lijn past er dan niet bij.

Actieve herhaling

Van acht auto's is de leeftijd (in jaren) en de verkoopprijs (in duizenden euro's) genoteerd: (1; 22), (2; 19), (3; 17), (4; 15), (5; 12), (6; 11), (7; 8), (8; 7). Teken het spreidingsdiagram, bepaal het zwaartepunt (xˉ,yˉ)(\bar{x}, \bar{y})(xˉ,yˉ​) en beschrijf de richting, sterkte en vorm van de samenhang.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)

§ 02

De correlatiecoëfficiënt r en de determinatiecoëfficiënt r²#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-d-domein-B

De correlatieschaal van −1 tot +1

De correlatieschaal −1 ≤ r ≤ 1Getallenlijn, −1, 0, +1, negatief verband, positief verband−1−0.500.51negatief verbandpositief verband−10+1
Afb. 3De correlatiecoëfficiënt rrr ligt altijd tussen −1-1−1 (perfect negatief lineair verband) en +1+1+1 (perfect positief); bij 000 is er geen lineair verband. Het teken geeft de richting, de afstand tot 000 de sterkte.

Kernpunten

De correlatiecoëfficiënt rrr maakt de visuele indruk van 'sterkte en richting' exact. Het is één getal dat altijd tussen −1-1−1 en 111 ligt: −1≤r≤1-1 \le r \le 1−1≤r≤1 (Afb. 1). Het teken geeft de richting: r>0r > 0r>0 hoort bij een positief verband, r<0r < 0r<0 bij een negatief verband. De absolute waarde ∣r∣|r|∣r∣ geeft de sterkte: hoe dichter ∣r∣|r|∣r∣ bij 1, hoe strakker de punten om een rechte lijn liggen. De formule is r=∑(xi−xˉ)(yi−yˉ)∑(xi−xˉ)2⋅∑(yi−yˉ)2r=\frac{\sum (x_i-\bar{x})(y_i-\bar{y})}{\sqrt{\sum (x_i-\bar{x})^2 \cdot \sum (y_i-\bar{y})^2}}r=∑(xi​−xˉ)2⋅∑(yi​−yˉ​)2​∑(xi​−xˉ)(yi​−yˉ​)​. De teller (de som van de producten van de afwijkingen) bepaalt het teken; de noemer schaalt alles netjes naar het bereik [−1,1][-1, 1][−1,1], zodat rrr niet afhangt van de meeteenheden.
De uitersten en het midden geven houvast bij de interpretatie. Is r=1r = 1r=1, dan liggen alle punten precies op één stijgende rechte lijn (perfect positief lineair verband); r=−1r = -1r=−1 hoort bij een perfect dalende lijn. Is r=0r = 0r=0, dan is er geen lineair verband. Als vuistregel noem je ∣r∣|r|∣r∣ boven ongeveer 0,80{,}80,8 sterk, rond 0,50{,}50,5 matig en onder ongeveer 0,30{,}30,3 zwak — maar die grenzen zijn richtsnoeren, geen wet. In Afb. 2 staat een puntenwolk met r≈0,24r \approx 0{,}24r≈0,24: de punten spatten alle kanten op, en dat kleine positieve getal bevestigt dat er nauwelijks lineaire samenhang is. Vergelijk dat met de sterke wolken uit de vorige paragraaf, waar ∣r∣|r|∣r∣ dicht bij 1 lag.
De determinatiecoëfficiënt r2r^2r2 is het kwadraat van rrr en ligt daarom altijd tussen 0 en 1. Je leest r2r^2r2 als het aandeel van de variatie (variantie) in yyy dat door de lineaire samenhang met xxx wordt verklaard, vaak uitgedrukt als percentage. Vind je bijvoorbeeld r=0,9r = 0{,}9r=0,9, dan is r2=0,81r^2 = 0{,}81r2=0,81: ongeveer 81% van de verschillen in yyy hangt samen met de verschillen in xxx, en de overige 19% komt door andere factoren en toeval. Zo vertaalt r2r^2r2 de nogal abstracte rrr naar een concreet 'verklarend vermogen' van het model. Omdat het kwadrateren het teken wegneemt, zegt r2r^2r2 niets meer over de richting — daarvoor kijk je naar het teken van rrr zelf.
Een paar belangrijke waarschuwingen horen bij rrr. Ten eerste meet rrr uitsluitend het lineaire verband: bij een sterk kromlijnig patroon (bijvoorbeeld een parabool) kan rrr bijna 0 zijn terwijl er wél een duidelijke — maar niet-rechte — samenhang bestaat. Kijk daarom altijd eerst naar de puntenwolk en vertrouw niet blind op één getal. Ten tweede is rrr gevoelig voor uitschieters: één afwijkend punt kan rrr flink omhoog of omlaag trekken. Ten derde: dezelfde rrr hoort bij totaal verschillende wolken, dus rrr vervangt het spreidingsdiagram niet, maar vult het aan.
In de praktijk bereken je rrr en r2r^2r2 vrijwel altijd met ICT. Op de grafische rekenmachine voer je de xxx-waarden in lijst L1L_1L1​ en de yyy-waarden in L2L_2L2​ in en kies je lineaire regressie (bijvoorbeeld LinReg(ax+b)\text{LinReg}(ax+b)LinReg(ax+b)); de machine geeft dan naast aaa en bbb meteen rrr en r2r^2r2 (zet zo nodig 'DiagnosticOn' aan). In een spreadsheet gebruik je =CORRELATIE(x-bereik; y-bereik)=\text{CORRELATIE}(x\text{-bereik};\,y\text{-bereik})=CORRELATIE(x-bereik;y-bereik). Bij een klein aantal punten kun je rrr ook met de hand uitrekenen via de formule — precies wat je in het uitgewerkte voorbeeld hieronder doet — zodat je begrijpt wat de machine berekent.
r=∑(xi−xˉ)(yi−yˉ)∑(xi−xˉ)2⋅∑(yi−yˉ)2,−1≤r≤1r=\frac{\sum (x_i-\bar{x})(y_i-\bar{y})}{\sqrt{\sum (x_i-\bar{x})^2 \cdot \sum (y_i-\bar{y})^2}}, \qquad -1 \le r \le 1r=∑(xi​−xˉ)2⋅∑(yi​−yˉ​)2​∑(xi​−xˉ)(yi​−yˉ​)​,−1≤r≤1

Correlatiecoëfficiënt

Het teken van rrr geeft de richting (positief/negatief), de absolute waarde ∣r∣|r|∣r∣ de sterkte van het lineaire verband. r=±1r = \pm 1r=±1 betekent dat alle punten op één rechte lijn liggen.

r2=(∑(xi−xˉ)(yi−yˉ)∑(xi−xˉ)2⋅∑(yi−yˉ)2) ⁣2,0≤r2≤1r^2 = \left( \frac{\sum (x_i-\bar{x})(y_i-\bar{y})}{\sqrt{\sum (x_i-\bar{x})^2 \cdot \sum (y_i-\bar{y})^2}} \right)^{\!2}, \qquad 0 \le r^2 \le 1r2=(∑(xi​−xˉ)2⋅∑(yi​−yˉ​)2​∑(xi​−xˉ)(yi​−yˉ​)​)2,0≤r2≤1

Determinatiecoëfficiënt

Het aandeel van de variatie in yyy dat door de lineaire samenhang met xxx wordt verklaard; vaak als percentage. r2=0,81r^2 = 0{,}81r2=0,81 betekent: ongeveer 81% verklaarde variatie.

Spreidingsdiagram met een zwakke samenhang

Schoenmaat en cijfer (r ≈ 0,24)Spreidingsdiagram: wiskundecijfer naar schoenmaat, Gegevens: (38, 6.5); (39, 6); (40, 7); (41, 6); (42, 7); (43, 6.5)66.26.46.66.87383940414243wiskundecijferschoenmaat
Afb. 4Schoenmaat (xxx) tegen wiskundecijfer (yyy) voor zes leerlingen. De wolk heeft geen duidelijke richting; de berekende correlatie is slechts r≈0,24r \approx 0{,}24r≈0,24 (r2≈0,06r^2 \approx 0{,}06r2≈0,06): een zwakke, nietszeggende samenhang.
Uitgewerkt voorbeeld

r en r² met de hand berekenen

Voor vijf leerlingen zijn het aantal uren studeren (xxx) en het aantal goed beantwoorde vragen (yyy) genoteerd: (1; 3), (2; 5), (3; 4), (4; 6), (5; 7). Bereken de correlatiecoëfficiënt rrr en de determinatiecoëfficiënt r2r^2r2 en interpreteer beide.

  1. 01Bereken de gemiddelden

    xˉ=1+2+3+4+55=3\bar{x} = \frac{1+2+3+4+5}{5} = 3xˉ=51+2+3+4+5​=3 en yˉ=3+5+4+6+75=255=5\bar{y} = \frac{3+5+4+6+7}{5} = \frac{25}{5} = 5yˉ​=53+5+4+6+7​=525​=5.

    xˉ=3,yˉ=5\bar{x}=3, \qquad \bar{y}=5xˉ=3,yˉ​=5
  2. 02Maak de afwijkingen en hun producten

    (xi−xˉ)(x_i-\bar{x})(xi​−xˉ): −2,−1,0,1,2-2, -1, 0, 1, 2−2,−1,0,1,2. (yi−yˉ)(y_i-\bar{y})(yi​−yˉ​): −2,0,−1,1,2-2, 0, -1, 1, 2−2,0,−1,1,2. Producten (xi−xˉ)(yi−yˉ)(x_i-\bar{x})(y_i-\bar{y})(xi​−xˉ)(yi​−yˉ​): 4, 0, 0, 1, 44,\ 0,\ 0,\ 1,\ 44, 0, 0, 1, 4, met som ∑=9\sum = 9∑=9.

  3. 03Bereken de kwadraatsommen

    ∑(xi−xˉ)2=4+1+0+1+4=10\sum (x_i-\bar{x})^2 = 4+1+0+1+4 = 10∑(xi​−xˉ)2=4+1+0+1+4=10 en ∑(yi−yˉ)2=4+0+1+1+4=10\sum (y_i-\bar{y})^2 = 4+0+1+1+4 = 10∑(yi​−yˉ​)2=4+0+1+1+4=10.

    ∑(xi−xˉ)2=10,∑(yi−yˉ)2=10\sum (x_i-\bar{x})^2 = 10, \qquad \sum (y_i-\bar{y})^2 = 10∑(xi​−xˉ)2=10,∑(yi​−yˉ​)2=10
  4. 04Vul de formule voor r in

    r=910⋅10=910=0,90r = \frac{9}{\sqrt{10 \cdot 10}} = \frac{9}{10} = 0{,}90r=10⋅10​9​=109​=0,90. De waarde is positief en dicht bij 1: een sterk positief lineair verband.

    r=910⋅10=910=0,90r=\frac{9}{\sqrt{10 \cdot 10}}=\frac{9}{10}=0{,}90r=10⋅10​9​=109​=0,90
  5. 05Bereken en interpreteer r²

    r2=0,902=0,81r^2 = 0{,}90^2 = 0{,}81r2=0,902=0,81. Ongeveer 81% van de verschillen in het aantal goede vragen hangt samen met de verschillen in studietijd; de overige 19% komt door andere factoren en toeval.

Resultaat: r=0,90r = 0{,}90r=0,90 (sterk positief lineair verband) en r2=0,81r^2 = 0{,}81r2=0,81: ongeveer 81% van de variatie in yyy wordt verklaard door de lineaire samenhang met xxx.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de correlatiecoëfficiënt rrr berekenen (met ICT of met de formule) en interpreteren naar richting (teken) en sterkte (afstand tot 0), met −1≤r≤1-1 \le r \le 1−1≤r≤1.
  • Examendoel: de determinatiecoëfficiënt r2r^2r2 berekenen en uitleggen als het aandeel van de variatie in yyy dat door xxx wordt verklaard (als percentage).

Veelgemaakte fouten

  • rrr en r2r^2r2 door elkaar halen. rrr (∈[−1,1]\in [-1,1]∈[−1,1]) draagt de richting via zijn teken; r2r^2r2 (∈[0,1]\in [0,1]∈[0,1]) is het verklarende aandeel en zegt niets over de richting.
  • Denken dat r=0r = 0r=0 'geen enkel verband' betekent. r=0r = 0r=0 betekent geen líneair verband; er kan een sterk kromlijnig verband schuilgaan — kijk altijd naar de puntenwolk.
  • ∣r∣|r|∣r∣ opvatten als de helling van de lijn. rrr meet alleen hoe strak de punten om een lijn liggen, niet hoe steil die lijn is (dat is de richtingscoëfficiënt aaa).

Actieve herhaling

Voor zes dagen zijn de gemiddelde temperatuur (xxx, in °C) en het aantal verkochte kopjes warme chocolademelk (yyy) genoteerd: (2; 48), (5; 42), (8; 39), (11; 30), (14; 27), (17; 21). Bereken rrr en r2r^2r2 (met de formule of met ICT) en interpreteer beide waarden in de context.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)

§ 03

Lineaire regressie: de kleinste-kwadratenlijn#

●●●VerdiepingLPexamenblad-wiskunde-d-domein-B

Spreidingsdiagram met de regressielijn

Regressielijn y = 0,56x + 2,92Spreidingsdiagram: cijfer naar studeeruren per week, Gegevens: (2, 4.5); (3, 4); (5, 6.5); (6, 5.5); (8, 7); (9, 8.5)4567823456789cijferstudeeruren per week
Afb. 5Studeeruren (xxx) tegen cijfer (yyy) met de kleinste-kwadratenlijn y=0,56x+2,92y = 0{,}56x + 2{,}92y=0,56x+2,92. De correlatie is r≈0,92r \approx 0{,}92r≈0,92 (r2≈0,84r^2 \approx 0{,}84r2≈0,84): de punten liggen dicht bij de lijn.

Kernpunten

Als er een lineair verband is, vat je dat samen met één rechte lijn door de puntenwolk: de regressielijn y=ax+by = ax + by=ax+b. Maar door een wolk kun je oneindig veel lijnen tekenen — welke is 'het best'? Het antwoord is de kleinste-kwadratenlijn. Voor elk datapunt is het residu ei=yi−y^ie_i = y_i - \hat{y}_iei​=yi​−y^​i​ het verticale verschil tussen de werkelijke yiy_iyi​ en de door de lijn voorspelde y^i=axi+b\hat{y}_i = a x_i + by^​i​=axi​+b (Afb. 1). De kleinste-kwadratenlijn is de lijn waarvoor de som van de kwadraten van die residuen, ∑ei2\sum e_i^2∑ei2​, zo klein mogelijk is. Je kwadrateert de residuen zodat positieve en negatieve afwijkingen elkaar niet opheffen en grote afwijkingen extra meetellen.
De optimale lijn heeft een vaste formule. De richtingscoëfficiënt is a=∑(xi−xˉ)(yi−yˉ)∑(xi−xˉ)2a=\frac{\sum (x_i-\bar{x})(y_i-\bar{y})}{\sum (x_i-\bar{x})^2}a=∑(xi​−xˉ)2∑(xi​−xˉ)(yi​−yˉ​)​ en het snijpunt met de yyy-as is b=yˉ−axˉb=\bar{y}-a\bar{x}b=yˉ​−axˉ. Merk op dat de teller van aaa dezelfde is als de teller van rrr: regressie en correlatie zijn nauw verwant. Uit b=yˉ−axˉb=\bar{y}-a\bar{x}b=yˉ​−axˉ volgt bovendien direct dat de lijn door het zwaartepunt (xˉ,yˉ)(\bar{x}, \bar{y})(xˉ,yˉ​) gaat: vul je x=xˉx=\bar{x}x=xˉ in, dan is y=axˉ+(yˉ−axˉ)=yˉy = a\bar{x} + (\bar{y}-a\bar{x}) = \bar{y}y=axˉ+(yˉ​−axˉ)=yˉ​. Bereken dus altijd éérst aaa en pas dáárna bbb, want bbb hangt van aaa af.
De betekenis van aaa en bbb lees je af in de context. De richtingscoëfficiënt aaa is de gemiddelde verandering in yyy per eenheid toename van xxx. Voor de studeeruren-data van Afb. 1 vind je a=0,56a = 0{,}56a=0,56: elk extra studeeruur gaat gemiddeld samen met 0,560{,}560,56 punt hoger cijfer. Het snijpunt b=2,92b = 2{,}92b=2,92 is de voorspelde yyy-waarde bij x=0x = 0x=0 (het 'startcijfer' bij nul studeeruren). Let op de nuance: aaa beschrijft een gemiddelde samenhang, geen gegarandeerd effect voor één individu, en bbb heeft alleen een zinvolle betekenis als x=0x = 0x=0 binnen (of dicht bij) het meetbereik ligt.
Waarom juist deze formules? Je zoekt de aaa en bbb die S(a,b)=∑(yi−axi−b)2S(a,b)=\sum (y_i - a x_i - b)^2S(a,b)=∑(yi​−axi​−b)2 minimaliseren. Door SSS partieel naar bbb en naar aaa te differentiëren en beide afgeleiden nul te stellen, krijg je twee vergelijkingen (de 'normaalvergelijkingen'). De eerste levert b=yˉ−axˉb=\bar{y}-a\bar{x}b=yˉ​−axˉ (de lijn door het zwaartepunt), de tweede, na invullen, de formule voor aaa. Deze afleiding hoef je op het SE meestal niet volledig te reproduceren, maar het idee — minimaliseren van een kwadratensom via de afgeleide — verklaart waar de formules vandaan komen en waarom de lijn door (xˉ,yˉ)(\bar{x}, \bar{y})(xˉ,yˉ​) gaat.
In de praktijk laat je de regressielijn door ICT bepalen (LinReg(ax+b)\text{LinReg}(ax+b)LinReg(ax+b) op de GR, of een trendlijn in een spreadsheet), maar bij weinig punten reken je hem met de formules uit. Een nuttige controle: de residuen van de kleinste-kwadratenlijn tellen altijd op tot 0 (∑ei=0\sum e_i = 0∑ei​=0). In Afb. 2 zijn de residuen van de studeeruren-data uitgezet tegen xxx; ze schommelen rond de nullijn zonder duidelijk patroon, wat bevestigt dat een rechte lijn hier goed past. Zou je in zo'n residuenplot een kromme (bijvoorbeeld een U-vorm) zien, dan is een lineair model niet passend en zoek je een ander verband.
a=∑(xi−xˉ)(yi−yˉ)∑(xi−xˉ)2a=\frac{\sum (x_i-\bar{x})(y_i-\bar{y})}{\sum (x_i-\bar{x})^2}a=∑(xi​−xˉ)2∑(xi​−xˉ)(yi​−yˉ​)​

Richtingscoëfficiënt (kleinste kwadraten)

De helling van de best passende lijn; de teller is gelijk aan die van rrr, wat regressie en correlatie verbindt.

b=yˉ−axˉb=\bar{y}-a\bar{x}b=yˉ​−axˉ

Snijpunt met de y-as

Volgt na aaa; hieruit blijkt dat de lijn door het zwaartepunt (xˉ,yˉ)(\bar{x}, \bar{y})(xˉ,yˉ​) gaat. Bereken aaa altijd vóór bbb.

ei=yi−y^i=yi−(axi+b),minimaliseer ∑ei2e_i = y_i - \hat{y}_i = y_i - (a x_i + b), \qquad \text{minimaliseer } \sum e_i^2ei​=yi​−y^​i​=yi​−(axi​+b),minimaliseer ∑ei2​

Residu en kleinste-kwadratencriterium

Het residu is het verticale verschil tussen waarneming en lijn; de regressielijn maakt de som van de gekwadrateerde residuen minimaal. Altijd geldt ∑ei=0\sum e_i = 0∑ei​=0.

Residuenplot bij de regressielijn

Residuen rond de nullijnSpreidingsdiagram: residu (waarneming − voorspelling) naar studeeruren per week, Gegevens: (2, 0.46); (3, -0.6); (5, 0.78); (6, -0.78); (8, -0.4); (9, 0.54)−0.6−0.4−0.200.20.40.623456789residu (waarneming − voorspel…studeeruren per week
Afb. 6Residuen ei=yi−y^ie_i = y_i - \hat{y}_iei​=yi​−y^​i​ van de studeeruren-data, uitgezet tegen xxx. Ze schommelen rond 000 (samen ∑ei=0\sum e_i = 0∑ei​=0) zonder systematisch patroon: een rechte lijn past goed bij deze data.
Uitgewerkt voorbeeld

De kleinste-kwadratenlijn opstellen

Voor zes leerlingen zijn de studeeruren per week (xxx) en het cijfer (yyy) genoteerd: (2; 4,5), (3; 4,0), (5; 6,5), (6; 5,5), (8; 7,0), (9; 8,5). Bepaal met de formules de kleinste-kwadratenlijn y=ax+by = ax + by=ax+b en interpreteer aaa.

  1. 01Bereken de gemiddelden

    xˉ=2+3+5+6+8+96=336=5,5\bar{x} = \frac{2+3+5+6+8+9}{6} = \frac{33}{6} = 5{,}5xˉ=62+3+5+6+8+9​=633​=5,5 en yˉ=4,5+4,0+6,5+5,5+7,0+8,56=366=6,0\bar{y} = \frac{4{,}5+4{,}0+6{,}5+5{,}5+7{,}0+8{,}5}{6} = \frac{36}{6} = 6{,}0yˉ​=64,5+4,0+6,5+5,5+7,0+8,5​=636​=6,0.

    xˉ=5,5,yˉ=6,0\bar{x}=5{,}5, \qquad \bar{y}=6{,}0xˉ=5,5,yˉ​=6,0
  2. 02Bereken de sommen voor a

    (xi−xˉ)(x_i-\bar{x})(xi​−xˉ): −3,5,−2,5,−0,5,0,5,2,5,3,5-3{,}5, -2{,}5, -0{,}5, 0{,}5, 2{,}5, 3{,}5−3,5,−2,5,−0,5,0,5,2,5,3,5. De producten (xi−xˉ)(yi−yˉ)(x_i-\bar{x})(y_i-\bar{y})(xi​−xˉ)(yi​−yˉ​) leveren ∑=21,0\sum = 21{,}0∑=21,0, en ∑(xi−xˉ)2=12,25+6,25+0,25+0,25+6,25+12,25=37,5\sum (x_i-\bar{x})^2 = 12{,}25+6{,}25+0{,}25+0{,}25+6{,}25+12{,}25 = 37{,}5∑(xi​−xˉ)2=12,25+6,25+0,25+0,25+6,25+12,25=37,5.

    ∑(xi−xˉ)(yi−yˉ)=21,0,∑(xi−xˉ)2=37,5\sum (x_i-\bar{x})(y_i-\bar{y}) = 21{,}0, \qquad \sum (x_i-\bar{x})^2 = 37{,}5∑(xi​−xˉ)(yi​−yˉ​)=21,0,∑(xi​−xˉ)2=37,5
  3. 03Bereken a

    a=21,037,5=0,56a = \frac{21{,}0}{37{,}5} = 0{,}56a=37,521,0​=0,56.

    a=21,037,5=0,56a=\frac{21{,}0}{37{,}5}=0{,}56a=37,521,0​=0,56
  4. 04Bereken b

    b=yˉ−axˉ=6,0−0,56⋅5,5=6,0−3,08=2,92b = \bar{y} - a\bar{x} = 6{,}0 - 0{,}56 \cdot 5{,}5 = 6{,}0 - 3{,}08 = 2{,}92b=yˉ​−axˉ=6,0−0,56⋅5,5=6,0−3,08=2,92.

    b=6,0−0,56⋅5,5=2,92b=6{,}0-0{,}56 \cdot 5{,}5 = 2{,}92b=6,0−0,56⋅5,5=2,92
  5. 05Interpreteer a

    De regressielijn is y=0,56x+2,92y = 0{,}56x + 2{,}92y=0,56x+2,92. De richtingscoëfficiënt a=0,56a = 0{,}56a=0,56 betekent: elk extra studeeruur gaat gemiddeld samen met 0,560{,}560,56 punt hoger cijfer.

Resultaat: De kleinste-kwadratenlijn is y=0,56x+2,92y = 0{,}56x + 2{,}92y=0,56x+2,92. Per extra studeeruur stijgt het voorspelde cijfer met gemiddeld 0,560{,}560,56 punt; bij 000 uur voorspelt het model een cijfer van 2,922{,}922,92.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de kleinste-kwadratenlijn y=ax+by = ax + by=ax+b opstellen met de formules a=∑(x−xˉ)(y−yˉ)∑(x−xˉ)2a=\frac{\sum (x-\bar{x})(y-\bar{y})}{\sum (x-\bar{x})^2}a=∑(x−xˉ)2∑(x−xˉ)(y−yˉ​)​ en b=yˉ−axˉb=\bar{y}-a\bar{x}b=yˉ​−axˉ (of met ICT) en aaa en bbb in de context interpreteren.
  • Examendoel: begrijpen dat de regressielijn de som van de gekwadrateerde residuen minimaliseert en altijd door het zwaartepunt (xˉ,yˉ)(\bar{x}, \bar{y})(xˉ,yˉ​) gaat.

Veelgemaakte fouten

  • bbb gelijkstellen aan yˉ\bar{y}yˉ​ in plaats van b=yˉ−axˉb=\bar{y}-a\bar{x}b=yˉ​−axˉ, of aaa en bbb verwisselen. Bereken eerst aaa en gebruik die waarde dan in bbb.
  • De regressie van yyy op xxx verwarren met die van xxx op yyy; dat zijn verschillende lijnen. Zet de verklarende variabele consequent als xxx.
  • Residuen horizontaal (loodrecht op de lijn) meten in plaats van verticaal. Het residu is yi−y^iy_i - \hat{y}_iyi​−y^​i​, gemeten evenwijdig aan de yyy-as.

Actieve herhaling

Voor vijf weken zijn het aantal geplaatste advertenties (xxx) en het aantal verkochte producten (yyy) genoteerd: (2; 14), (4; 18), (6; 23), (8; 25), (10; 30). Bepaal met de formules de kleinste-kwadratenlijn y=ax+by = ax + by=ax+b, controleer dat de lijn door het zwaartepunt gaat, en interpreteer aaa in de context.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)

§ 04

Voorspellen, en correlatie versus causaliteit#

●●●VerdiepingLPexamenblad-wiskunde-d-domein-B

Schijncorrelatie: ijsverkoop en zonnesteek

Schijncorrelatie (r ≈ 0,997)Spreidingsdiagram: aantal zonnesteken naar ijsverkoop (× 100 euro), Gegevens: (2, 3); (3, 5); (4, 6); (6, 9); (7, 10); (8, 12)46810122345678aantal zonnestekenijsverkoop (× 100 euro)
Afb. 7IJsverkoop (xxx) tegen aantal gevallen van zonnesteek (yyy) over zes dagen, met de regressielijn. De correlatie is zeer sterk (r≈0,997r \approx 0{,}997r≈0,997), maar er is geen oorzakelijk verband: beide worden gedreven door de buitentemperatuur (een derde variabele). Dit is een schijncorrelatie.

Kernpunten

De belangrijkste toepassing van de regressielijn is voorspellen. Vul je een xxx-waarde in de lijnformule y^=ax+b\hat{y} = ax + by^​=ax+b in, dan krijg je de voorspelde yyy-waarde. Voor de studeeruren-lijn y=0,56x+2,92y = 0{,}56x + 2{,}92y=0,56x+2,92 voorspel je bij 777 studeeruren een cijfer y^=0,56⋅7+2,92=6,84\hat{y} = 0{,}56 \cdot 7 + 2{,}92 = 6{,}84y^​=0,56⋅7+2,92=6,84. Zo'n voorspelling binnen het bereik van de gemeten xxx-waarden heet interpolatie en is doorgaans betrouwbaar. Voorspel je buiten dat bereik, dan heet dat extrapolatie, en dat is riskant: bij x=20x = 20x=20 uur geeft dezelfde lijn y^=0,56⋅20+2,92=14,12\hat{y} = 0{,}56 \cdot 20 + 2{,}92 = 14{,}12y^​=0,56⋅20+2,92=14,12 — een onmogelijk cijfer boven de 10. Blijf bij voorspellingen dus binnen (of vlak bij) het interval [xmin⁡,xmax⁡][x_{\min}, x_{\max}][xmin​,xmax​].
Extrapolatie is gevaarlijk omdat een lineair model maar op een beperkt gebied geldt. Buiten het meetbereik kan het echte verband afvlakken, ombuigen of van karakter veranderen, terwijl de rechte lijn onverstoorbaar doorloopt. Afb. 2 laat dat zien: een verband dat eerst vrijwel recht stijgt en daarna afvlakt (bijvoorbeeld plantengroei die tegen een maximum aanloopt). Een rechte lijn beschrijft het middenstuk redelijk, maar overschat de groei ver naar rechts en klopt bij grote xxx niet meer. De les: een regressielijn is een lokaal model, geen natuurwet. Vermeld bij een voorspelling altijd of het om interpolatie of extrapolatie gaat en hoe betrouwbaar hij daarmee is.
Een sterke correlatie bewijst géén oorzakelijk verband: correlatie is geen causaliteit. Dat twee variabelen samen op- en neergaan, betekent niet dat de ene de andere veroorzaakt. Vaak is er een derde, verborgen variabele (een 'confounder') die beide tegelijk beïnvloedt. Het klassieke voorbeeld staat in Afb. 1: de ijsverkoop en het aantal gevallen van zonnesteek hangen sterk positief samen (r≈0,997r \approx 0{,}997r≈0,997), maar ijs eten veroorzaakt geen zonnesteek — beide worden gedreven door een derde factor, de buitentemperatuur. Zo'n misleidend verband heet een schijncorrelatie.
Bij een gevonden correlatie tussen xxx en yyy zijn er dus meerdere verklaringen, en die moet je afwegen. Ten eerste: xxx veroorzaakt yyy (echte oorzaak). Ten tweede: yyy veroorzaakt xxx (omgekeerde causaliteit). Ten derde: een derde variabele zzz veroorzaakt zowel xxx als yyy (confounding, zoals de temperatuur). Ten vierde: puur toeval, zeker bij kleine steekproeven of bij het vergelijken van heel veel variabelen. Alleen op grond van een spreidingsdiagram en een hoge rrr kun je tussen deze mogelijkheden niet kiezen — de data zelf 'weten' niet wat de oorzaak is.
Om causaliteit hard te maken heb je meer nodig dan waarnemingen achteraf. De sterkste aanwijzing komt uit een gecontroleerd experiment, waarin je de verklarende variabele bewust varieert en alle andere invloeden zoveel mogelijk constant houdt of at random verdeelt. Verder helpen een plausibel werkingsmechanisme, herhaalbaarheid van het resultaat en het uitsluiten van bekende confounders. In het SE wordt van je verwacht dat je bij een hoge correlatie niet automatisch 'dus xxx veroorzaakt yyy' concludeert, maar de alternatieven benoemt (derde variabele, omgekeerde causaliteit, toeval) en aangeeft hoe je oorzakelijkheid zou onderzoeken.
y^=ax+b\hat{y} = a x + by^​=ax+b

Voorspelling met de regressielijn

De voorspelde yyy-waarde bij een gekozen xxx: vul xxx in de regressielijn in. Betrouwbaar bij interpolatie, onzeker bij extrapolatie.

xmin⁡≤x≤xmax⁡  ⇒  interpolatie;x<xmin⁡ of x>xmax⁡  ⇒  extrapolatiex_{\min} \le x \le x_{\max} \;\Rightarrow\; \text{interpolatie}; \qquad x < x_{\min} \ \text{of}\ x > x_{\max} \;\Rightarrow\; \text{extrapolatie}xmin​≤x≤xmax​⇒interpolatie;x<xmin​ of x>xmax​⇒extrapolatie

Interpolatie versus extrapolatie

Een voorspelling binnen het meetbereik is interpolatie (betrouwbaar); buiten het meetbereik is het extrapolatie (onzeker — het lineaire model geldt daar mogelijk niet meer).

Waarom extrapolatie misgaat: een afvlakkend verband

Een lineair model faalt bij afvlakkingSpreidingsdiagram: hoogte (cm) naar tijd (weken), Gegevens: (1, 2); (2, 4); (3, 5.5); (4, 6.5); (5, 7); (6, 7.2)234567123456hoogte (cm)tijd (weken)
Afb. 8Een verband dat eerst stijgt en dan afvlakt (bijvoorbeeld groeihoogte tegen tijd). De rechte regressielijn past redelijk in het midden, maar overschat de waarden bij grote xxx: extrapoleren met een lineair model geeft hier onzin.
Uitgewerkt voorbeeld

Voorspellen en over causaliteit redeneren

Gebruik de regressielijn y=0,56x+2,92y = 0{,}56x + 2{,}92y=0,56x+2,92 uit de vorige paragraaf (studeeruren xxx, cijfer yyy, gemeten voor xxx tussen 2 en 9 uur). a) Voorspel het cijfer bij 7 studeeruren. b) Voorspel het cijfer bij 20 studeeruren en beoordeel of die voorspelling zinvol is. c) Leg uit waarom een hoge correlatie tussen studeeruren en cijfer nog niet bewijst dat méér studeren een hoger cijfer veroorzaakt.

  1. 01a) Voorspelling bij 7 uur

    Vul x=7x = 7x=7 in: y^=0,56⋅7+2,92=3,92+2,92=6,84≈6,8\hat{y} = 0{,}56 \cdot 7 + 2{,}92 = 3{,}92 + 2{,}92 = 6{,}84 \approx 6{,}8y^​=0,56⋅7+2,92=3,92+2,92=6,84≈6,8. Omdat 777 binnen het meetbereik [2,9][2, 9][2,9] ligt, is dit interpolatie en dus betrouwbaar.

    y^=0,56⋅7+2,92=6,84\hat{y}=0{,}56 \cdot 7 + 2{,}92 = 6{,}84y^​=0,56⋅7+2,92=6,84
  2. 02b) Voorspelling bij 20 uur

    Vul x=20x = 20x=20 in: y^=0,56⋅20+2,92=11,2+2,92=14,12\hat{y} = 0{,}56 \cdot 20 + 2{,}92 = 11{,}2 + 2{,}92 = 14{,}12y^​=0,56⋅20+2,92=11,2+2,92=14,12. Dat is groter dan 10 en dus een onmogelijk cijfer. Bovendien ligt 202020 ver buiten het meetbereik: dit is extrapolatie en de voorspelling is niet zinvol.

    y^=0,56⋅20+2,92=14,12 (>10)\hat{y}=0{,}56 \cdot 20 + 2{,}92 = 14{,}12 \ (> 10)y^​=0,56⋅20+2,92=14,12 (>10)
  3. 03c) Correlatie is geen causaliteit

    Een hoge rrr toont samenhang, geen oorzaak. Een derde variabele — bijvoorbeeld motivatie of aanleg — kan zowel de studietijd als het cijfer verhogen. Ook is toeval bij zes leerlingen niet uit te sluiten. Om een oorzakelijk effect aan te tonen zou je een gecontroleerd experiment nodig hebben.

Resultaat: a) y^≈6,8\hat{y} \approx 6{,}8y^​≈6,8 (betrouwbare interpolatie). b) y^=14,12\hat{y} = 14{,}12y^​=14,12, een onmogelijk cijfer door extrapolatie — niet zinvol. c) De sterke correlatie kan door een derde variabele of toeval komen; alleen een experiment toont causaliteit aan.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: met de regressielijn een yyy-waarde voorspellen en beoordelen of het interpolatie (betrouwbaar) of extrapolatie (onzeker) betreft, met aandacht voor onmogelijke uitkomsten.
  • Examendoel: uitleggen dat correlatie geen causaliteit is en de alternatieven benoemen (derde variabele/confounder, omgekeerde causaliteit, toeval), plus aangeven hoe je causaliteit zou onderzoeken.

Veelgemaakte fouten

  • Klakkeloos extrapoleren ver buiten het meetbereik, waardoor je onmogelijke of onzinnige voorspellingen krijgt. Controleer of xxx binnen [xmin⁡,xmax⁡][x_{\min}, x_{\max}][xmin​,xmax​] ligt.
  • Uit een hoge correlatie concluderen dat xxx de oorzaak van yyy is. Correlatie toont alleen samenhang; benoem de mogelijke derde variabele of omgekeerde causaliteit.
  • Aannemen dat de regressielijn overal geldt. Een lineair model is lokaal; buiten het meetbereik kan het echte verband afvlakken of ombuigen (Afb. 2).

Actieve herhaling

Uit een onderzoek blijkt dat gemeenten met meer ooievaars gemiddeld ook meer geboortes hebben (r≈0,8r \approx 0{,}8r≈0,8). a) Verklaar waarom dit vrijwel zeker een schijncorrelatie is en noem een mogelijke derde variabele. b) Bedenk zelf een regressielijn y=ax+by = ax + by=ax+b voor een gemeten verband uit je eigen omgeving, doe één interpolatie- en één extrapolatievoorspelling, en beoordeel beide op betrouwbaarheid.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Samenhang en het spreidingsdiagram○
    • 02De correlatiecoëfficiënt r en de determinatiecoëfficiënt r²◐
    • 03Lineaire regressie: de kleinste-kwadratenlijn●
    • 04Voorspellen, en correlatie versus causaliteit●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Correlatie en regressie

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~23
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / DUO

  • Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO)

Vorig onderwerp

Het toetsen van hypothesen

Volgend onderwerp

Profielspecifieke verdieping kansrekening en statistiek

EuraStudy·Samenvattingen T·07·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.