EuraStudy
Samenvattingen/Wiskunde C/Exponentiële en logaritmische verbanden
Samenvattingen · Wiskunde CNL · VWO

Exponentiële en logaritmische verbanden

Een exponentieel verband f(x)=b·gˣ hoort bij een grootheid die per vaste periode telkens met dezelfde groeifactor g verandert: groei bij g>1, afname bij 0<g<1. Je leert de formule opstellen, groeipercentages omrekenen naar groeifactoren, tijdseenheden herschalen en de verdubbelings- of halveringstijd bepalen. De logaritme is de inverse bewerking waarmee je een exponent terugrekent en exponentiële vergelijkingen oplost. Dit onderwerp hoort tot de centraal-examenstof (domein C).

4 Onderdelen·~15 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·0555 / 17
Examenprofiel
C · Exponentiële verbanden f(x)=b·gˣ opstellen en gebruiken (beginwaarde, groeifactor, asymptoot)C · Groeipercentages omrekenen naar groeifactoren en tijdseenheden herschalen (gᵏ)C · Verdubbelings- en halveringstijd bepalenC · De logaritme als inverse gebruiken en een exponentiële vergelijking oplossen
Operatoren:stel opberekenbepaallos opinterpreteertoon aan

basisniveau

Het exponentiële verband met beginwaarde en groeifactor is centraal-examenstof en sluit direct aan op het rekenen met groeifactoren uit domein B.

verhoogd niveau

Verdieping: de logaritme als inverse en het oplossen van exponentiële vergelijkingen (met logaritme of GR) verdiepen het inzicht in groei en verval.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Exponentiële en logaritmische verbanden
    • 01Exponentiële verbanden: beginwaarde en groeifactor○
    • 02Groeipercentages, tijdseenheden, verdubbelen en halveren◐
    • 03De logaritme als inverse; exponentiële vergelijkingen oplossen◐
    • 04Exponentieel vergeleken met lineair en machtsverband◐
§ 01

Exponentiële verbanden: beginwaarde en groeifactor#

●○○BasisLPexamenblad-wiskunde-c-domein-C

Kernpunten

Een exponentieel verband heeft de vorm N(t)=b⋅gtN(t)=b\cdot g^{t}N(t)=b⋅gt, met een beginwaarde bbb en een groeifactor ggg. Het kenmerkende is dat de grootheid per gelijke tijdstap telkens met dezelfde factor ggg wordt vermenigvuldigd — niet met een vast bedrag opgeteld, zoals bij een lineair verband. De beginwaarde bbb is de waarde op t=0t=0t=0 (want g0=1g^{0}=1g0=1), en dus het snijpunt met de verticale as. Is g>1g>1g>1, dan is er sprake van groei; is 0<g<10<g<10<g<1, dan van afname (verval). Afb. 1 toont beide gevallen vanuit dezelfde beginwaarde 100100100: een groeikromme met g=1,25g=1{,}25g=1,25 en een dalende kromme met g=0,8g=0{,}8g=0,8.

Afb. 1 — Exponentiële groei en afname

Exponentiële groei en afnameSchaubild von 100·1,25ˣ, y-Achsenabschnitt bei y = 100, steigend, im Bereich x von 0 bis 6, Schaubild von 100·0,8ˣ, y-Achsenabschnitt bei y = 100, fallend, im Bereich x von 0 bis 6, waagerechte Asymptote bei y = 012345650100150200250300350400begin 100y = 0100·1,25ˣ100·0,8ˣNtijd x (stappen)
Afb. 1Afb. 1 — Vanuit beginwaarde 100100100: groei (g=1,25g=1{,}25g=1,25, +25%+25\%+25% per stap) buigt steeds steiler omhoog; afname (g=0,8g=0{,}8g=0,8, −20%-20\%−20% per stap) nadert de asymptoot y=0y=0y=0.
Bij een groeikromme wordt de toename per stap steeds groter, omdat de vaste factor telkens over een grotere waarde gaat; de grafiek buigt daarom steeds steiler omhoog. Bij een afnamekromme wordt de afname per stap juist steeds kleiner: de grafiek daalt snel en vlakt dan af. In beide gevallen is de ttt-as (de lijn y=0y=0y=0) een horizontale asymptoot: bij groei ligt de grafiek er ver bovenuit, bij verval nadert hij de as steeds dichter zonder hem ooit te bereiken. Dat komt doordat b⋅gtb\cdot g^{t}b⋅gt voor positieve bbb nooit precies nul wordt.
De groeifactor ggg hangt samen met het groeipercentage ppp via g=1+p100g=1+\frac{p}{100}g=1+100p​ bij groei en g=1−p100g=1-\frac{p}{100}g=1−100p​ bij afname. Zo hoort 8%8\%8% groei per jaar bij g=1,08g=1{,}08g=1,08 en 15%15\%15% afname bij g=0,85g=0{,}85g=0,85. Andersom lees je uit een groeifactor het percentage af met p=(g−1)⋅100%p=(g-1)\cdot 100\%p=(g−1)⋅100%: g=1,25g=1{,}25g=1,25 betekent +25%+25\%+25% per stap en g=0,8g=0{,}8g=0,8 betekent −20%-20\%−20% per stap. Deze vertaling tussen percentage en groeifactor is de brug tussen het rekenen met procenten (domein B) en het exponentiële verband.
Een exponentiële formule opstellen doe je door de beginwaarde en de groeifactor te bepalen. De beginwaarde is de waarde op tijdstip 000; de groeifactor bereken je uit het groeipercentage of uit twee opeenvolgende waarden (deel de nieuwe door de oude). Voor « een bacteriekolonie begint met 500500500 cellen en groeit met 30%30\%30% per uur » is b=500b=500b=500, g=1,30g=1{,}30g=1,30, dus N(t)=500⋅1,30tN(t)=500\cdot 1{,}30^{t}N(t)=500⋅1,30t. Herken je een exponentieel verband? Test dan of de yyy-waarden bij gelijke xxx-stappen een constante verhouding (factor) hebben — dat is het exponentiële tegenhanger van de constante verschillen bij een lineair verband.
N(t)=b⋅gtN(t)=b\cdot g^{t}N(t)=b⋅gt

Exponentieel verband

b is de beginwaarde (waarde op t=0), g de groeifactor per tijdstap.

g=1+p100 (groei),g=1−p100 (afname)g=1+\frac{p}{100}\ (\text{groei}), \qquad g=1-\frac{p}{100}\ (\text{afname})g=1+100p​ (groei),g=1−100p​ (afname)

Groeifactor en percentage

g>1: groei; 0<g<1: afname. Omgekeerd: p=(g−1)·100%.

Uitgewerkt voorbeeld

Een exponentiële formule opstellen en gebruiken

Een spaarrekening begint met 200020002000 euro en groeit met 3%3\%3% per jaar. (a) Stel een formule op voor het bedrag BBB na ttt jaar. (b) Hoeveel staat er na 555 jaar? (c) Een andere grootheid neemt met 12%12\%12% per jaar af vanaf 808080. Geef de formule en de waarde na 444 jaar.

  1. 01(a) Beginwaarde en groeifactor

    b=2000b=2000b=2000; +3%+3\%+3% geeft g=1,03g=1{,}03g=1,03.

    B(t)=2000⋅1,03tB(t)=2000\cdot 1{,}03^{t}B(t)=2000⋅1,03t
  2. 02(b) Vul t = 5 in

    B(5)=2000⋅1,035=2000⋅1,159274≈2318,55B(5)=2000\cdot 1{,}03^{5}=2000\cdot 1{,}159274\approx 2318{,}55B(5)=2000⋅1,035=2000⋅1,159274≈2318,55 euro.

    B(5)=2000⋅1,035≈2318,55B(5)=2000\cdot 1{,}03^{5}\approx 2318{,}55B(5)=2000⋅1,035≈2318,55
  3. 03(c) Afname

    −12%-12\%−12% geeft g=0,88g=0{,}88g=0,88, dus N(t)=80⋅0,88tN(t)=80\cdot 0{,}88^{t}N(t)=80⋅0,88t; N(4)=80⋅0,884=80⋅0,59969≈47,98N(4)=80\cdot 0{,}88^{4}=80\cdot 0{,}59969\approx 47{,}98N(4)=80⋅0,884=80⋅0,59969≈47,98.

    N(4)=80⋅0,884≈47,98N(4)=80\cdot 0{,}88^{4}\approx 47{,}98N(4)=80⋅0,884≈47,98

Resultaat: (a) B(t)=2000⋅1,03tB(t)=2000\cdot 1{,}03^{t}B(t)=2000⋅1,03t; (b) ongeveer 2318,552318{,}552318,55 euro; (c) N(t)=80⋅0,88tN(t)=80\cdot 0{,}88^{t}N(t)=80⋅0,88t, na 444 jaar ongeveer 47,9847{,}9847,98.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een exponentiële formule N(t)=b⋅gtN(t)=b\cdot g^{t}N(t)=b⋅gt opstellen uit een beginwaarde en een groeipercentage of groeifactor.
  • Examendoel: het onderscheid groei/afname aan de groeifactor herkennen en de horizontale asymptoot benoemen.

Veelgemaakte fouten

  • Een exponentieel verband als lineair behandelen (per stap optellen in plaats van vermenigvuldigen).
  • Bij afname de groeifactor als 1+p1001+\frac{p}{100}1+100p​ nemen in plaats van 1−p1001-\frac{p}{100}1−100p​.

Actieve herhaling

Een auto van 24 00024\,00024000 euro verliest jaarlijks 18%18\%18% van zijn waarde. Stel de formule op voor de waarde na ttt jaar en bereken de waarde na 333 jaar. Na hoeveel hele jaren is de auto minder dan de helft waard?

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde C (VWO), domein C: Verbanden (CvTE / DUO)

§ 02

Groeipercentages, tijdseenheden, verdubbelen en halveren#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-c-domein-C

Kernpunten

Een groeifactor hoort altijd bij een bepaalde tijdseenheid, en je kunt hem naar een andere eenheid omrekenen. Is de groeifactor per jaar ggg, dan is de groeifactor per kkk jaar gkg^{k}gk (je vermenigvuldigt kkk keer met ggg), en de groeifactor per deel van een jaar — bijvoorbeeld per maand — is g1/12g^{1/12}g1/12, de twaalfdemachtswortel. Zo hoort bij 8%8\%8% groei per jaar (g=1,08g=1{,}08g=1,08) een maandelijkse groeifactor van 1,081/12≈1,006431{,}08^{1/12}\approx 1{,}006431,081/12≈1,00643, oftewel ongeveer 0,643%0{,}643\%0,643% per maand — duidelijk niet 8/12%8/12\%8/12%, want groei stapelt zich op. Het herschalen van de tijdseenheid met machten en wortels is een veelgevraagde vaardigheid.
De verdubbelingstijd is de tijd waarin een groeiende grootheid twee keer zo groot wordt; de halveringstijd is de tijd waarin een dalende grootheid halveert. Omdat het verband exponentieel is, zijn deze tijden constant: het duurt telkens even lang om te verdubbelen (of te halveren), ongeacht de startwaarde. Afb. 2 laat de halveringstijd zien voor een stof die volgens C(t)=200⋅0,5t/6C(t)=200\cdot 0{,}5^{t/6}C(t)=200⋅0,5t/6 afneemt (bijvoorbeeld een medicijn in het bloed): elke 666 uur is de hoeveelheid gehalveerd — van 200200200 naar 100100100 naar 505050, enzovoort. De horizontale lijn bij 100100100 snijdt de kromme precies op t=6t=6t=6 uur.

Afb. 2 — Halveringstijd van een dalende grootheid

Halveringstijd = 6 uurSchaubild von C=200·0,5^(t/6), y-Achsenabschnitt bei y = 200, fallend, im Bereich x von 0 bis 24510152050100150200begin 200helft = 100C = 200·0,5(t/6)hoeveelheid Ctijd t (uur)
Afb. 2Afb. 2 — C(t)=200⋅0,5t/6C(t)=200\cdot 0{,}5^{t/6}C(t)=200⋅0,5t/6: elke 666 uur halveert de hoeveelheid. De lijn C=100C=100C=100 (de helft van 200200200) snijdt de kromme op t=6t=6t=6 uur — de halveringstijd.
Je bepaalt een verdubbelings- of halveringstijd door de bijbehorende vergelijking op te lossen. Voor verdubbeling los je gt=2g^{t}=2gt=2 op, voor halvering gt=12g^{t}=\tfrac{1}{2}gt=21​. Bij eenvoudige gevallen lukt dat door de tijd te schrijven in de formule zelf, zoals bij C(t)=200⋅0,5t/6C(t)=200\cdot 0{,}5^{t/6}C(t)=200⋅0,5t/6, waar de halveringstijd direct in de exponent staat (t/6=1t/6=1t/6=1 geeft t=6t=6t=6). In het algemeen los je zo'n vergelijking op met de logaritme (volgende paragraaf) of met de grafische rekenmachine: teken y=gty=g^{t}y=gt en y=2y=2y=2 en gebruik intersect.
Verdubbelings- en halveringstijden geven een intuïtief gevoel voor de snelheid van groei of verval. Een bevolking die met 2%2\%2% per jaar groeit, verdubbelt in ongeveer 353535 jaar; een spaarbedrag bij 3%3\%3% rente verdubbelt in ongeveer 23,523{,}523,5 jaar. Een handige vuistregel is de « regel van 707070 »: de verdubbelingstijd is bij benadering 70p\frac{70}{p}p70​ jaar, met ppp het groeipercentage. Bij 2%2\%2% geeft dat 702=35\frac{70}{2}=35270​=35 jaar — dicht bij de exacte waarde. Zulke schattingen helpen om een antwoord op redelijkheid te controleren.
gk=gk,gdeel=g1/kg_{k}=g^{k}, \qquad g_{\text{deel}}=g^{1/k}gk​=gk,gdeel​=g1/k

Tijdseenheid herschalen

Groeifactor per k eenheden is gᵏ; per deel (1/k eenheid) is de k-de-machtswortel g^(1/k).

gt2=2 (verdubbeling),gt1/2=12 (halvering)g^{t_{2}}=2 \ (\text{verdubbeling}), \qquad g^{t_{1/2}}=\tfrac{1}{2}\ (\text{halvering})gt2​=2 (verdubbeling),gt1/2​=21​ (halvering)

Verdubbelings- en halveringstijd

De tijd waarin de grootheid verdubbelt respectievelijk halveert; constant bij exponentiële verandering.

Uitgewerkt voorbeeld

Tijdseenheid herschalen en een halveringstijd aflezen

Een grootheid groeit met 8%8\%8% per jaar. (a) Bereken de groeifactor per maand. (b) Met welk percentage groeit de grootheid per maand? (c) Een radioactieve stof volgt A(t)=64⋅0,5t/5A(t)=64\cdot 0{,}5^{t/5}A(t)=64⋅0,5t/5 (in mg, ttt in dagen). Hoeveel is er na 101010 dagen over, en wat is de halveringstijd?

  1. 01(a) Maandelijkse groeifactor

    De jaargroeifactor is 1,081{,}081,08; per maand is dat de twaalfdemachtswortel.

    gmaand=1,081/12≈1,006434g_{\text{maand}}=1{,}08^{1/12}\approx 1{,}006434gmaand​=1,081/12≈1,006434
  2. 02(b) Maandpercentage

    p=(g−1)⋅100%≈0,643%p=(g-1)\cdot 100\%\approx 0{,}643\%p=(g−1)⋅100%≈0,643% per maand (niet 812%\frac{8}{12}\%128​%).

  3. 03(c) Na 10 dagen

    101010 dagen zijn twee halveringstijden (t/5=2t/5=2t/5=2): A(10)=64⋅0,52=64⋅0,25=16A(10)=64\cdot 0{,}5^{2}=64\cdot 0{,}25=16A(10)=64⋅0,52=64⋅0,25=16 mg.

    A(10)=64⋅0,510/5=64⋅0,25=16A(10)=64\cdot 0{,}5^{10/5}=64\cdot 0{,}25=16A(10)=64⋅0,510/5=64⋅0,25=16
  4. 04(c) Halveringstijd aflezen

    In de exponent t/5t/5t/5 hoort halvering bij t/5=1t/5=1t/5=1, dus de halveringstijd is 555 dagen.

Resultaat: (a) gmaand≈1,00643g_{\text{maand}}\approx 1{,}00643gmaand​≈1,00643; (b) ongeveer 0,643%0{,}643\%0,643% per maand; (c) na 101010 dagen is er 161616 mg over; de halveringstijd is 555 dagen.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een groeifactor omrekenen naar een andere tijdseenheid met machten en wortels (gkg^{k}gk, g1/kg^{1/k}g1/k).
  • Examendoel: een verdubbelings- of halveringstijd bepalen en interpreteren.

Veelgemaakte fouten

  • Een jaarpercentage delen door 121212 om het maandpercentage te krijgen; je moet de twaalfdemachtswortel van de groeifactor nemen.
  • Denken dat de verdubbelingstijd afhangt van de startwaarde; bij exponentiële groei is die tijd constant.

Actieve herhaling

Een grootheid groeit met 20%20\%20% per jaar. Bereken de groeifactor per half jaar en het bijbehorende halfjaarpercentage. Bepaal daarna, met de GR of de regel van 707070, de verdubbelingstijd.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde C (VWO), domein C: Verbanden (CvTE / DUO)

§ 03

De logaritme als inverse; exponentiële vergelijkingen oplossen#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-c-domein-C

Kernpunten

De logaritme is de bewerking die een exponent terugrekent — de inverse van machtsverheffen. De uitdrukking g ⁣log⁡(c)^{g}\!\log(c)glog(c) (de logaritme van ccc met grondtal ggg) is het antwoord op de vraag « tot welke macht moet ik ggg verheffen om ccc te krijgen? ». In formule: g ⁣log⁡(c)=x^{g}\!\log(c)=xglog(c)=x betekent precies hetzelfde als gx=cg^{x}=cgx=c. Zo is 2 ⁣log⁡(8)=3^{2}\!\log(8)=32log(8)=3, want 23=82^{3}=823=8, en 10 ⁣log⁡(1000)=3^{10}\!\log(1000)=310log(1000)=3, want 103=100010^{3}=1000103=1000. De logaritme is dus geen nieuw soort getal, maar « een exponent op zoek ». Afb. 3 toont de grafiek van y=2 ⁣log⁡(x)y={}^{2}\!\log(x)y=2log(x): hij gaat door (1,0)(1,0)(1,0) (want 20=12^{0}=120=1) en door (2,1)(2,1)(2,1) (want 21=22^{1}=221=2), en de yyy-as is een verticale asymptoot.

Afb. 3 — De logaritme met grondtal 2

Logaritme met grondtal 2Schaubild von y=²log(x), Nullstellen bei x = 1, steigend, im Bereich x von 0.25 bis 9, senkrechte Asymptote bei x = 0123456789−2−1123y = ²log(x)yx
Afb. 3Afb. 3 — y=2 ⁣log⁡(x)y={}^{2}\!\log(x)y=2log(x): door (1,0)(1,0)(1,0) (want 20=12^{0}=120=1) en (2,1)(2,1)(2,1) (want 21=22^{1}=221=2). De kromme stijgt steeds trager; de yyy-as is een verticale asymptoot.
Omdat de logaritme de inverse van de exponentiële functie is, zijn hun grafieken elkaars spiegelbeeld in de lijn y=xy=xy=x: waar de exponentiële functie snel stijgt, stijgt de logaritme juist steeds langzamer. De logaritmische kromme is voor kleine xxx sterk negatief, snijdt de xxx-as in x=1x=1x=1, en groeit daarna heel traag — bij grondtal 222 komt hij pas bij x=8x=8x=8 op y=3y=3y=3. Deze trage groei maakt de logaritme geschikt om zeer grote getallen op een hanteerbare schaal te zetten, zoals bij de decibelschaal voor geluid of de schaal van Richter voor aardbevingen.
Voor het rekenen met logaritmen gelden rekenregels die rechtstreeks uit de machtsregels volgen. De productregel g ⁣log⁡(a⋅b)=g ⁣log⁡(a)+g ⁣log⁡(b)^{g}\!\log(a\cdot b)={}^{g}\!\log(a)+{}^{g}\!\log(b)glog(a⋅b)=glog(a)+glog(b) zet een product om in een som van logaritmen; de quotiëntregel doet hetzelfde met delen en aftrekken; en de machtsregel g ⁣log⁡(ap)=p⋅g ⁣log⁡(a)^{g}\!\log(a^{p})=p\cdot{}^{g}\!\log(a)glog(ap)=p⋅glog(a) haalt een exponent naar voren. Vooral die laatste regel is nuttig bij het oplossen van vergelijkingen, want daarmee haal je de onbekende uit de exponent naar beneden.
Een exponentiële vergelijking van de vorm gx=cg^{x}=cgx=c los je op met de logaritme: x=g ⁣log⁡(c)x={}^{g}\!\log(c)x=glog(c). Zo geeft 2x=502^{x}=502x=50 dat x=2 ⁣log⁡(50)≈5,64x={}^{2}\!\log(50)\approx 5{,}64x=2log(50)≈5,64. Op de grafische rekenmachine bereken je zo'n logaritme rechtstreeks (met de log-toets en het juiste grondtal), of je lost de vergelijking op door y=gxy=g^{x}y=gx en y=cy=cy=c te tekenen en intersect te gebruiken. Dit is precies de rekentechniek achter het exact bepalen van een verdubbelings- of halveringstijd uit de vorige paragraaf: los gt=2g^{t}=2gt=2 op met t=g ⁣log⁡(2)t={}^{g}\!\log(2)t=glog(2).
g ⁣log⁡(c)=x ⇔ gx=c^{g}\!\log(c)=x \ \Leftrightarrow\ g^{x}=cglog(c)=x ⇔ gx=c

Logaritme als inverse

De logaritme geeft de exponent waartoe je g moet verheffen om c te krijgen.

g ⁣log⁡(a⋅b)=g ⁣log⁡a+g ⁣log⁡b,g ⁣log⁡(ap)=p⋅g ⁣log⁡a^{g}\!\log(a\cdot b)={}^{g}\!\log a+{}^{g}\!\log b, \qquad ^{g}\!\log(a^{p})=p\cdot{}^{g}\!\log aglog(a⋅b)=gloga+glogb,glog(ap)=p⋅gloga

Rekenregels

Product wordt som; een exponent mag naar voren gehaald worden.

gx=c ⇒ x=g ⁣log⁡(c)g^{x}=c \ \Rightarrow\ x={}^{g}\!\log(c)gx=c ⇒ x=glog(c)

Exponentiële vergelijking oplossen

De onbekende exponent los je op met de logaritme (of met intersect op de GR).

Uitgewerkt voorbeeld

Een exponentiële vergelijking oplossen met de logaritme

Een grootheid groeit volgens N(t)=100⋅1,2tN(t)=100\cdot 1{,}2^{t}N(t)=100⋅1,2t. (a) Na hoeveel tijd is N=200N=200N=200 (de verdubbelingstijd)? (b) Los ook 2x=502^{x}=502x=50 op. Rond af op twee decimalen.

  1. 01(a) Stel de vergelijking op

    100⋅1,2t=200100\cdot 1{,}2^{t}=200100⋅1,2t=200, dus 1,2t=21{,}2^{t}=21,2t=2.

    1,2t=2 ⇒ t=1,2 ⁣log⁡(2)1{,}2^{t}=2 \ \Rightarrow\ t={}^{1{,}2}\!\log(2)1,2t=2 ⇒ t=1,2log(2)
  2. 02(a) Bereken de logaritme

    t=1,2 ⁣log⁡(2)≈3,80t={}^{1{,}2}\!\log(2)\approx 3{,}80t=1,2log(2)≈3,80 (tijdstappen); op de GR met de log-toets of intersect.

    t=1,2 ⁣log⁡(2)≈3,80t={}^{1{,}2}\!\log(2)\approx 3{,}80t=1,2log(2)≈3,80
  3. 03(b) Los 2^x = 50 op

    x=2 ⁣log⁡(50)x={}^{2}\!\log(50)x=2log(50); omdat 25=322^{5}=3225=32 en 26=642^{6}=6426=64 ligt xxx tussen 555 en 666.

    x=2 ⁣log⁡(50)≈5,64x={}^{2}\!\log(50)\approx 5{,}64x=2log(50)≈5,64

Resultaat: (a) de verdubbelingstijd is ongeveer 3,803{,}803,80 tijdstappen; (b) x=2 ⁣log⁡(50)≈5,64x={}^{2}\!\log(50)\approx 5{,}64x=2log(50)≈5,64.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de logaritme gebruiken als inverse van de exponentiële functie (g ⁣log⁡(c)=x⇔gx=c^{g}\!\log(c)=x\Leftrightarrow g^{x}=cglog(c)=x⇔gx=c).
  • Examendoel: een exponentiële vergelijking oplossen met de logaritme of met intersect op de grafische rekenmachine.

Veelgemaakte fouten

  • g ⁣log⁡(c)^{g}\!\log(c)glog(c) verwarren met cg\frac{c}{g}gc​ of met gcg^{c}gc; een logaritme is een exponent, geen deling of macht.
  • Bij gx=cg^{x}=cgx=c de logaritme met het verkeerde grondtal nemen (het grondtal is ggg, niet altijd 101010).

Actieve herhaling

Los op: 3x=813^{x}=813x=81 (exact) en 1,05t=21{,}05^{t}=21,05t=2 (rond af op één decimaal). Bepaal daarna na hoeveel jaar een bedrag dat met 4%4\%4% per jaar groeit, verdrievoudigd is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde C (VWO), domein C: Verbanden (CvTE / DUO)

§ 04

Exponentieel vergeleken met lineair en machtsverband#

●●○StandaardLPexamenblad-wiskunde-c-domein-C

Kernpunten

De drie belangrijkste verbanden — lineair, machts en exponentieel — verschillen fundamenteel in hun manier van veranderen, en het herkennen daarvan is een kernvaardigheid. Bij een lineair verband (y=ax+by=ax+by=ax+b) verandert yyy per gelijke stap in xxx met een vast bédrag: constante verschillen. Bij een machtsverband (y=a⋅xny=a\cdot x^{n}y=a⋅xn) hangt de verandering af van de plaats op de grafiek, maar de verhouding tussen yyy-waarden is een vaste macht van de verhouding tussen xxx-waarden. Bij een exponentieel verband (y=b⋅gty=b\cdot g^{t}y=b⋅gt) verandert yyy per gelijke stap met een vaste fáctor: constante verhoudingen.
Op de lange termijn wint exponentiële groei het altijd van lineaire en van machtsgroei, hoe klein de groeifactor ook is. Afb. 4 laat dat zien: een lineair verband y=20+15xy=20+15xy=20+15x en een exponentieel verband y=5⋅1,5xy=5\cdot 1{,}5^{x}y=5⋅1,5x. In het begin ligt de lijn boven de exponentiële kromme, maar de kromme buigt steeds steiler omhoog en haalt de lijn uiteindelijk in. Vanaf dat inhaalpunt groeit de exponentiële grootheid onstuitbaar sneller. Dat verklaart waarom samengestelde rente, epidemieën of virale verspreiding op den duur zulke grote getallen opleveren, terwijl ze aanvankelijk traag lijken.

Afb. 4 — Exponentieel haalt lineair in

Lineair vs exponentieelSchaubild von y=20+15x, y-Achsenabschnitt bei y = 20, steigend, im Bereich x von 0 bis 9, Schaubild von y=5·1,5ˣ, y-Achsenabschnitt bei y = 5, steigend, im Bereich x von 0 bis 9246820406080100120140160lijn: 20exp: 5y = 20+15xy = 5·1,5ˣyx
Afb. 4Afb. 4 — y=20+15xy=20+15xy=20+15x (lineair) en y=5⋅1,5xy=5\cdot 1{,}5^{x}y=5⋅1,5x (exponentieel). De lijn begint hoger, maar de exponentiële kromme buigt steeds steiler omhoog en haalt haar uiteindelijk in.
Het onderscheid maak je in de praktijk met een eenvoudige test op een tabel met gelijke xxx-stappen. Zijn de verschillen tussen opeenvolgende yyy-waarden constant, dan is het verband lineair. Zijn de verhoudingen (elke yyy gedeeld door de vorige) constant, dan is het exponentieel. Is geen van beide constant, maar past een vaste macht, dan is het een machtsverband. Deze test — verschillen versus verhoudingen — is snel uit te voeren en voorkomt dat je het verkeerde modeltype kiest.
Bij het modelleren kies je het verbandstype dat past bij hoe de grootheid verandert. « Een vast bedrag per eenheid erbij » wijst op lineair; « een vast percentage per periode » op exponentieel; « evenredig met een macht van » op een machtsverband. De keuze bepaalt de hele verdere aanpak, dus is het loont om er bij het begin van een opgave scherp op te letten. Op het examen wordt regelmatig gevraagd te beargumenteren waarom een bepaald model past — dan verwijs je naar constante verschillen, constante verhoudingen of het contextuele mechanisme.
lineair: constante verschillen Δy;exponentieel: constante verhouding yn+1yn\text{lineair: constante verschillen}\ \Delta y; \quad \text{exponentieel: constante verhouding}\ \tfrac{y_{n+1}}{y_{n}}lineair: constante verschillen Δy;exponentieel: constante verhouding yn​yn+1​​

Herkennen uit een tabel

Constante verschillen ⇒ lineair; constante verhouding (factor) ⇒ exponentieel.

Uitgewerkt voorbeeld

Het verbandstype herkennen uit een tabel

Bekijk de tabellen. Tabel A: x=0,1,2,3x=0,1,2,3x=0,1,2,3 met y=4,7,10,13y=4,7,10,13y=4,7,10,13. Tabel B: x=0,1,2,3x=0,1,2,3x=0,1,2,3 met y=4,8,16,32y=4,8,16,32y=4,8,16,32. (a) Welk verband hoort bij A, welk bij B? (b) Geef voor beide de formule.

  1. 01(a) Test A op verschillen

    7−4=37-4=37−4=3, 10−7=310-7=310−7=3, 13−10=313-10=313−10=3: constante verschillen 333, dus A is lineair.

  2. 02(a) Test B op verhoudingen

    84=2\frac{8}{4}=248​=2, 168=2\frac{16}{8}=2816​=2, 3216=2\frac{32}{16}=21632​=2: constante verhouding 222, dus B is exponentieel.

  3. 03(b) Formules

    A: startwaarde 444, per stap +3+3+3: y=4+3xy=4+3xy=4+3x. B: beginwaarde 444, groeifactor 222: y=4⋅2xy=4\cdot 2^{x}y=4⋅2x.

    A: y=4+3xB: y=4⋅2xA:\ y=4+3x \qquad B:\ y=4\cdot 2^{x}A: y=4+3xB: y=4⋅2x

Resultaat: (a) A is lineair (constante verschillen), B is exponentieel (constante verhouding); (b) y=4+3xy=4+3xy=4+3x en y=4⋅2xy=4\cdot 2^{x}y=4⋅2x.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: uit een tabel of context herkennen of een verband lineair, machts of exponentieel is (verschillen vs verhoudingen).
  • Examendoel: beargumenteren waarom een bepaald modeltype past en de bijbehorende formule opstellen.

Veelgemaakte fouten

  • Een exponentieel verband voor lineair aanzien omdat het in het begin bijna recht lijkt.
  • Bij het herkennen naar de verschillen kijken terwijl je bij een vermoedelijk exponentieel verband naar de verhoudingen (factoren) moet kijken.

Actieve herhaling

Een tabel geeft bij x=0,1,2,3x=0,1,2,3x=0,1,2,3 de waarden y=100,90,81,72,9y=100, 90, 81, 72{,}9y=100,90,81,72,9. Onderzoek of dit lineair of exponentieel is en stel de formule op. Voorspel daarmee yyy bij x=5x=5x=5.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde C (VWO), domein C: Verbanden (CvTE / DUO)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Exponentiële verbanden: beginwaarde en groeifactor○
    • 02Groeipercentages, tijdseenheden, verdubbelen en halveren◐
    • 03De logaritme als inverse; exponentiële vergelijkingen oplossen◐
    • 04Exponentieel vergeleken met lineair en machtsverband◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Exponentiële en logaritmische verbanden

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~15
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / DUO

  • Examenblad.nl — syllabus wiskunde C (VWO), domein C: Verbanden

Vorig onderwerp

Lineaire, tweedegraads- en machtsverbanden

Volgend onderwerp

Veranderingen en veranderingsgedrag

EuraStudy·Samenvattingen T·05·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.