EuraStudy
Samenvattingen/Tekenen/Praktijk (schoolexamen): tekenen en schilderen — tweedimensionaal werk
Samenvattingen · TekenenNL · VWO

Praktijk (schoolexamen): tekenen en schilderen — tweedimensionaal werk

Dit onderwerp hoort bij het schoolexamen (SE): de praktijk van het tekenen en schilderen, niet bij het schriftelijke centraal examen. Je leert materialen en technieken kiezen en beheersen (droge en natte tekenmiddelen, verf, digitale beelden), toonwaarde opbouwen met arceren en doezelen, en waarnemend tekenen met de juiste proporties en verhoudingen. De beeldaspecten uit de kunstbeschouwing pas je hier zelf toe om een beeldend probleem op te lossen. De school bepaalt volgens het PTA hoe dit onderdeel wordt getoetst.

3 Onderdelen·~10 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2

T·121212 / 14
Examenprofiel
SE-praktijk: tweedimensionaal beeldend werk maken met tekenen en schilderen.Materiaal en techniek doelgericht kiezen en beheersen (droog, nat, digitaal).De beeldende middelen (lijn, vlak, toon, kleur, ruimte, textuur) toepassen om een beeldend probleem op te lossen.
Operatoren:maaktekenkiespas toeonderzoekverantwoord

basisniveau

Voor iedereen: de belangrijkste materialen en technieken beheersen en toonwaarde en proportie waarnemend toepassen. Dit is SE-stof, geen CE-stof.

verhoogd niveau

Verdieping: materiaal en techniek bewust op het beeldend doel afstemmen en de beeldaspecten trefzeker inzetten in eigen werk.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. Praktijk (schoolexamen): tekenen en schilderen — tweedimensionaal werk
    • 01Materiaal en techniek: droog, nat en digitaal○
    • 02Toonwaarde opbouwen: arceren, doezelen en dekking◐
    • 03Waarnemend tekenen: proportie en verhouding◐
§ 01

Materiaal en techniek: droog, nat en digitaal#

●○○BasisLPexamenblad-tekenen-praktijk-tekenen-schilderen-SE

Kernpunten

Elk materiaal heeft zijn eigen mogelijkheden en 'handschrift'; wie ze kent, kiest bewust in plaats van uit gewoonte. Afb. 1 zet de belangrijkste tekengereedschappen en verfsoorten op een rij. Grofweg onderscheiden we droge middelen (potlood, houtskool, conté, krijt, pastel), natte middelen (pen en inkt, aquarel, acryl, olieverf) en digitale beelden (tekentablet en software). De keuze bepaalt mede welk beeldaspect je goed kunt uitwerken: fijne lijn, brede toon, transparante of dekkende kleur.

Materialen en technieken van het tekenen en schilderen

Tabel met 3 kolommen en 8 rijenTabel met 3 kolommen en 8 rijen, Gegevens: middel · soort · kenmerk / mogelijkheid; potlood · droog · fijne lijn en geleidelijke toon; houtskool · droog · zacht en donker, grote toonvlakken, veegt; pastel / krijt · droog · zachte, veegbare kleur; pen en inkt · nat · scherpe, definitieve lijn; aquarel · nat · transparant, in lagen van licht naar donker; acrylverf · nat · dekkend, veelzijdig, droogt snel; olieverf · nat · dekkend, langzaam drogend, subtiel mengen; digitaal tekenen · digitaal · lagen, correcties, simuleert andere mediaMIDDELSOORTKENMERK / MOGELIJKHEIDpotlooddroogfijne lijn en geleidelijketoonhoutskooldroogzacht en donker, grotetoonvlakken, veegtpastel / krijtdroogzachte, veegbare kleurpen en inktnatscherpe, definitieve lijnaquarelnattransparant, in lagen vanlicht naar donkeracrylverfnatdekkend, veelzijdig, droogtsnelolieverfnatdekkend, langzaam drogend,subtiel mengendigitaal tekenendigitaallagen, correcties, simuleertandere media
Afb. 1Afb. 1 — Een overzicht van droge, natte en digitale middelen en hun karakteristieke mogelijkheden.
De droge middelen verschillen sterk in karakter. Het potlood is precies en geschikt voor fijne lijn en geleidelijke toon; houtskool is zacht, snel en donker, ideaal voor grote toonvlakken en dramatisch clair-obscur, maar veegt gemakkelijk. Conté en krijt zitten daartussen; pastel voegt zachte, veegbare kleur toe. Deze middelen lenen zich voor het waarnemend tekenen en het snel vastleggen van licht en vorm — precies waarom ze in de tekenpraktijk zo centraal staan.
De natte middelen draaien om verf en vloeistof. Pen en inkt geven een scherpe, definitieve lijn; aquarel werkt transparant, in lichte lagen van licht naar donker, en is lastig te corrigeren. Acrylverf is dekkend, veelzijdig en droogt snel (handig, maar je moet vlot werken); olieverf droogt langzaam, wat subtiel mengen en overgangen op het doek mogelijk maakt (denk aan het sfumato en de gladde overgangen van de oude meesters). De keuze tussen transparant en dekkend, snel en langzaam, bepaalt hoe je een schilderij opbouwt.
Digitale beelden zijn een volwaardig en gangbaar medium geworden. Met een tekentablet en software teken en schilder je in lagen, met eindeloze correctiemogelijkheden (undo), en kun je de aard van potlood, aquarel of olieverf digitaal simuleren. Voordelen zijn de flexibiliteit, de lagen en de reproduceerbaarheid; een aandachtspunt is dat het gemak van corrigeren de trefzekere waarneming niet mag vervangen. Op het examen — en vooral in je praktijkwerk — kies je het materiaal dat het best past bij je beeldend doel, en kun je die keuze verantwoorden.
Uitgewerkt voorbeeld

Materiaalkeuze verantwoorden

Je wilt een portretstudie maken met sterke licht-donkerwerking (clair-obscur) en zachte overgangen. Welk materiaal kies je en waarom?

  1. 01Doel bepalen

    Nadruk op grote toonvlakken en zachte overgangen (modellering), niet op fijne lijn.

  2. 02Opties wegen

    Potlood is fijn maar traag voor grote toonvlakken; houtskool is zacht, snel en donker en laat zich doezelen.

  3. 03Keuze

    Houtskool: ideaal voor snelle, brede toonopbouw en dramatisch clair-obscur, met doezelen voor zachte overgangen.

  4. 04Aandachtspunt

    Houtskool veegt; werk van licht naar donker en fixeer het werk om vlekken te voorkomen.

Resultaat: De materiaalkeuze (houtskool) volgt uit het beeldend doel (toon en zachte modellering) en is daarmee verantwoord in plaats van willekeurig.

Eindexamen-focus

  • Examendoel (SE): materiaal en techniek doelgericht kiezen en de keuze verantwoorden.
  • Examendoel (SE): de karakteristieke mogelijkheden van droge, natte en digitale middelen benutten voor een beeldend doel.

Veelgemaakte fouten

  • Altijd hetzelfde vertrouwde materiaal kiezen zonder na te denken of het bij het doel past.
  • Aquarel als dekkende verf behandelen; ze werkt juist transparant en van licht naar donker, en laat zich moeilijk corrigeren.

Actieve herhaling

Maak van hetzelfde onderwerp drie kleine studies: één met een droog middel (bijvoorbeeld houtskool), één met een nat middel (bijvoorbeeld aquarel) en één digitaal. Beschrijf per studie welk beeldaspect het materiaal het beste liet uitwerken.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken vwo — praktijk (schoolexamen) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 02

Toonwaarde opbouwen: arceren, doezelen en dekking#

●●○StandaardLPexamenblad-tekenen-praktijk-tekenen-schilderen-SE

Kernpunten

Volume en ruimte ontstaan in een tekening vooral door toonwaarde: het geleidelijk opbouwen van licht naar donker. Afb. 2 toont bovenaan een toonwaardenschaal — een reeks stappen van licht naar donker — en daaronder de technieken om die tonen te maken. Een geoefend tekenaar denkt in minstens vijf of zes toonwaarden (van hooglicht tot kernschaduw) in plaats van in 'lijn plus omtrek'. Wie de toonwaarden goed plaatst, krijgt vanzelf volume en licht, ook zonder kleur.

Toonwaardenschaal en arceertechnieken

lichtdonkerarcerenkruisarcerenstippelen
Afb. 2Afb. 2 — Boven: een toonwaardenschaal van licht naar donker. Onder: arceren, kruisarceren en stippelen om toon op te bouwen.
De klassieke techniek om toon op te bouwen is arceren: het naast elkaar zetten van evenwijdige lijntjes. Hoe dichter bij elkaar en hoe meer druk, hoe donkerder de toon. Bij kruisarceren leg je een tweede laag lijntjes in een andere richting over de eerste, wat de toon verder verdiept en dichter maakt. Arceren geeft controle en een levendig, 'getekend' oppervlak; de richting van de arcering kan bovendien de vorm volgen (langs de ronding van een oppervlak) en zo de modellering versterken.
Naast arceren is er het doezelen: het uitwrijven of vervagen van (bijvoorbeeld) houtskool of potlood tot een gladde, geleidelijke overgang zonder zichtbare lijnen. Doezelen geeft zachte modellering en sfeer, maar kan het beeld ook dof en 'vlekkerig' maken als je het overal gebruikt. Vaak combineer je: doezelen voor de grote, zachte overgangen en arceren voor de accenten en de textuur. Bij verf gebruik je transparante lagen (glaceren) voor geleidelijke opbouw, of juist dekkende toetsen voor directe, stevige toon.
De belangrijkste vaardigheid is het waarnemen van toon los van kleur en van je 'weten'. Beginners tekenen vaak wat ze weten (een egaal grijze appel) in plaats van wat ze zien (een appel met een fel hooglicht, een middentoon, een kernschaduw en een reflexlicht). Knijp je ogen half dicht, dan verdwijnt de kleur en zie je de toonwaarden helderder. Bouw je toon systematisch op — eerst de grote licht-donkervlakken, dan de fijnere overgangen — dan krijgt je tekening overtuigend volume en licht. Dit is de praktische toepassing van het beeldaspect licht-donker uit de kunstbeschouwing.
Uitgewerkt voorbeeld

Toon opbouwen op een bol

Beschrijf stap voor stap hoe je met houtskool een overtuigend gemodelleerde bol tekent met minstens vijf toonwaarden.

  1. 01Grote vlakken

    Bepaal eerst de lichtzijde en de schaduwzijde en zet de globale middentoon over de schaduwhelft.

  2. 02Kernschaduw

    Verdiep de donkerste band (de kernschaduw) net vóór de rand, niet aan de uiterste rand.

  3. 03Reflexlicht en hooglicht

    Laat aan de schaduwrand een iets lichter reflexlicht, en gum het hooglicht op de lichtzijde uit.

  4. 04Overgangen

    Doezel de overgangen zacht en zet met lichte arcering de fijnere tussentonen; controleer met halfgesloten ogen.

Resultaat: Door van grote vlakken naar fijne overgangen te werken en de kernschaduw en het reflexlicht juist te plaatsen, krijgt de bol overtuigend volume.

Eindexamen-focus

  • Examendoel (SE): toonwaarde beheerst opbouwen met arceren, kruisarceren en doezelen.
  • Examendoel (SE): toon waarnemen los van kleur en de modellering (volume, licht) overtuigend maken.

Veelgemaakte fouten

  • In lijn en omtrek blijven denken zonder toonwaarde, waardoor het werk plat blijft.
  • Overal doezelen, waardoor de tekening dof en vlekkerig wordt in plaats van helder gemodelleerd.

Actieve herhaling

Teken een eenvoudig voorwerp (een bol, een ei) en bouw met minstens vijf toonwaarden het volume op. Gebruik doezelen voor de zachte overgangen en (kruis)arceren voor de accenten. Duid hooglicht, middentoon en kernschaduw aan.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken vwo — beeldende technieken (praktijk) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 03

Waarnemend tekenen: proportie en verhouding#

●●○StandaardLPexamenblad-tekenen-praktijk-tekenen-schilderen-SE

Kernpunten

Waarnemend tekenen — tekenen wat je werkelijk ziet — staat of valt met juiste proporties: de onderlinge verhoudingen van de delen. Afb. 3 toont de klassieke maatstaf voor de menselijke figuur: de kop als meeteenheid. Een staande volwassen figuur is ongeveer zeven à acht koppen hoog, met vaste ijkpunten (de tepellijn rond de tweede kop, de navel rond de derde, het kruis rond de vierde — ongeveer het midden — de knieën rond de zesde). Zulke verhoudingsregels zijn geen keurslijf, maar een controlemiddel: ze helpen je meten of wat je tekent klopt.

Proportie: de figuur in koppen

1 kop8 koppenschouders (~kop 2)navel (~kop 3)kruis (~kop 4)knie (~kop 6)
Afb. 3Afb. 3 — De kop als meeteenheid: een staande figuur is ongeveer zeven à acht koppen hoog, met vaste ijkpunten.
Om verhoudingen ter plekke te meten, gebruik je de potloodmethode: je strekt je arm met een potlood, sluit één oog, en meet met de duim op het potlood een eenheid af (bijvoorbeeld de kop), die je vervolgens vergelijkt met de rest ('hoeveel koppen past de hoogte?'). Zo vertaal je de driedimensionale werkelijkheid naar de juiste verhoudingen op je vlak. Belangrijk is dat je het potlood telkens even ver houdt en verticaal of horizontaal peilt; anders kloppen de metingen niet.
Twee veelvoorkomende problemen zijn verkorting en de neiging om te tekenen wat je 'weet'. Bij verkorting (een arm die naar je toe wijst) is het deel in werkelijkheid veel korter dan je verstand zegt; alleen door zuiver te meten en te vertrouwen op wat je ziet, teken je het goed. Ook helpt het om te letten op de negatieve ruimte en op hoeken en richtingen (peil met het potlood de helling van een lijn) in plaats van op het 'idee' van een object. Waarnemend tekenen is vooral leren je aannames uit te schakelen.
Naast de figuur gelden verhoudingsregels ook voor stillevens, ruimtes en composities: je meet de breedte tegen de hoogte, de plek van het ene object ten opzichte van het andere, en de helling van tafelranden of daklijnen (die je met perspectief construeert). Deze meet- en controlegewoonten verbinden de praktijk met de beeldaspecten ruimte en compositie uit de kunstbeschouwing: wat je daar leert herkennen, breng je hier zelf trefzeker in beeld. Wie systematisch meet en controleert, tekent overtuigender dan wie alleen op de losse hand vertrouwt.
hoogte staande figuur≈7 aˋ 8×kophoogte\text{hoogte staande figuur} \approx 7 \text{ à } 8 \times \text{kophoogte}hoogte staande figuur≈7 aˋ 8×kophoogte

Verhoudingsregel figuur

De kop dient als meeteenheid: een volwassen staande figuur is ongeveer zeven à acht koppen hoog. Een controlemiddel, geen absolute regel.

Uitgewerkt voorbeeld

Proporties meten en controleren

Je tekent een staand model dat je te 'kort' vindt ogen. Hoe controleer en corrigeer je de proporties met de kop als eenheid?

  1. 01Eenheid meten

    Meet met de potloodmethode de kophoogte af (arm gestrekt, één oog dicht).

  2. 02Totaal meten

    Vergelijk: hoeveel koppen past de totale hoogte van kruin tot voet?

  3. 03Vergelijken

    Meet je bijvoorbeeld maar zes koppen, terwijl het er zeven à acht horen te zijn, dan is de figuur te gedrongen getekend.

  4. 04Corrigeren

    Verleng de romp en benen tot de gemeten verhouding klopt en controleer de ijkpunten (navel, kruis, knie).

Resultaat: Door met de kop als eenheid te meten, stel je objectief vast dat de figuur te kort is en corrigeer je gericht — waarnemend meten in plaats van gokken.

Eindexamen-focus

  • Examendoel (SE): proporties en verhoudingen waarnemend meten en controleren (o.a. met de kop als eenheid en de potloodmethode).
  • Examendoel (SE): verkorting en aannames herkennen en corrigeren door zuiver te meten.

Veelgemaakte fouten

  • Tekenen wat je 'weet' in plaats van wat je ziet, waardoor verkorting en verhoudingen misgaan.
  • De potloodmethode onnauwkeurig gebruiken (arm niet even ver, potlood niet recht), zodat de metingen niet kloppen.

Actieve herhaling

Teken een staande figuur of een groot voorwerp en meet met de potloodmethode. Controleer de hoogte in 'koppen' (of een andere eenheid) en markeer minstens drie ijkpunten. Vergelijk je tekening met de gemeten verhoudingen en corrigeer.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken vwo — waarnemend tekenen (praktijk) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01Materiaal en techniek: droog, nat en digitaal○
    • 02Toonwaarde opbouwen: arceren, doezelen en dekking◐
    • 03Waarnemend tekenen: proportie en verhouding◐

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Praktijk (schoolexamen): tekenen en schilderen — tweedimensionaal werk

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~10
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

College voor Toetsen en Examens (CvTE)

  • Examenprogramma beeldende vakken vwo — praktijk (schoolexamen)

Vorig onderwerp

Kunstgeschiedenis: hedendaagse kunst en vormgeving

Volgend onderwerp

Praktijk: beeldend onderzoek, schetsen en experiment

EuraStudy·Samenvattingen T·12·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.