EuraStudy
Samenvattingen/Muziek/Toonhoogte: toonladders, toonsoorten en intervallen
Samenvattingen · MuziekNL · VWO

Toonhoogte: toonladders, toonsoorten en intervallen

Toonhoogte is de parameter van hoog en laag. Dit onderwerp bouwt de toonhoogteleer op: de notennamen en de chromatische ladder van twaalf halve tonen, de opbouw van majeur- en mineurladders uit vaste toonstappenpatronen, de toonsoorten en hun samenhang in de kwintencirkel, en de intervallen met hun naam, kwaliteit en omvang in halve tonen. Deze theorie is CE-stof: je zet haar in bij luister- en notatievragen om toonladders te herkennen, toonsoorten af te leiden en intervallen te benoemen.

4 Onderdelen·~15 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0444 / 16
Examenprofiel
Toonhoogte, notennamen en chromatiek (kruizen, mollen, enharmonie) beheersen.Majeur- en mineurladders (natuurlijk, harmonisch, melodisch) opbouwen uit hun toonstappenpatroon en toonsoorten afleiden uit de voortekening.Intervallen benoemen naar naam en kwaliteit en hun omvang in halve tonen bepalen; consonant en dissonant onderscheiden.
Operatoren:benoembepaalbouw opleid afberekenverklaar

basisniveau

Voor iedereen: ken het majeurpatroon H-H-h-H-H-H-h en de intervalomvang in halve tonen; die twee laten je vrijwel elke toonhoogtevraag oplossen.

verhoogd niveau

Verdieping: de drie mineurvormen onderscheiden, de kwintencirkel gebruiken om toonsoorten te vergelijken en intervalkwaliteit (rein, groot, klein, overmatig, verminderd) precies benoemen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Toonhoogte: toonladders, toonsoorten en intervallen
    • 01Toonhoogte, notennamen en chromatiek○
    • 02Majeur- en mineurladders◐
    • 03Toonsoorten en de kwintencirkel◐
    • 04Intervallen: naam, kwaliteit en halve tonen●
§ 01

Toonhoogte, notennamen en chromatiek#

●○○BasisLPexamenblad-muziek-toonhoogte

Kernpunten

Toonhoogte is hoe hoog of laag een toon klinkt; ze wordt bepaald door de frequentie (het aantal trillingen per seconde). Afb. 1 toont een octaaf op het klavier: de zeven witte toetsen dragen de stamtonen C, D, E, F, G, A en B, waarna bij de volgende C het patroon zich herhaalt. Twee tonen een octaaf uit elkaar klinken als dezelfde noot, hoger of lager — hun frequenties verhouden zich als 1 staat tot 2. Daarom krijgen ze dezelfde naam.

Een octaaf op het klavier

Een octaaf op het klavierZeven witte toetsen C tot B en vijf zwarte toetsen; de zwarte toets tussen C en D draagt de dubbele naam Cis en Des.CDEFGABCis = Des
Afb. 1Afb. 1 — Een octaaf op het klavier. Witte toetsen dragen de stamtonen C-D-E-F-G-A-B; de zwarte toetsen hebben een kruis- en een molnaam (enharmonie). Tussen E-F en B-C ligt geen zwarte toets: daar is de afstand al een halve toon.
Tussen de meeste stamtonen ligt nog een toon: de zwarte toetsen. Die bereik je met voortekens. Een kruis (verhogingsteken) verhoogt een toon een halve toon; een mol (verlagingsteken) verlaagt hem een halve toon. Zo is de zwarte toets tussen C en D zowel Cis (C een halve toon omhoog) als Des (D een halve toon omlaag). Dat een en dezelfde toets twee namen kan hebben, heet enharmonie: Afb. 1 markeert die dubbele naam. Welke naam je kiest, hangt af van de toonsoort en de melodische richting.
In een octaaf passen precies twaalf halve tonen: de kleinste afstand in ons westerse toonsysteem. De opeenvolging van alle twaalf heet de chromatische ladder. Tussen twee witte toetsen met een zwarte ertussen (bijvoorbeeld C en D) ligt een hele toon (twee halve tonen); tussen E en F en tussen B en C ligt geen zwarte toets, dus daar is de afstand maar een halve toon. Dat verklaart de onregelmatige indeling van het klavier en is de sleutel tot het begrijpen van toonladders.
De hele en halve toon zijn de bouwstenen van alle toonladders. Een halve toon is de stap naar de dichtstbijzijnde toets (wit of zwart); een hele toon slaat er een over. Wie deze twee afstanden op het klavier kan aanwijzen, kan elke toonladder zelf construeren, want een toonladder is niets anders dan een vast patroon van hele en halve stappen vanaf een grondtoon. De volgende sectie past dat toe op majeur en mineur.
Het klavier is ook een handig meetlint voor toonhoogte. Elke toets verder naar rechts is een halve toon hoger. Wil je weten hoeveel halve tonen twee tonen uit elkaar liggen (hun interval), dan tel je simpelweg de toetsen ertussen. Deze telmethode, hier op het klavier geintroduceerd, keert terug bij de intervallen in de laatste sectie en maakt abstracte afstanden concreet en controleerbaar.
Uitgewerkt voorbeeld

Halve tonen tellen op het klavier

Hoeveel halve tonen liggen er tussen E en A, en welke tonen passeer je?

  1. 01Startpunt

    Begin op E en tel elke volgende toets (wit of zwart) als een halve toon.

  2. 02E naar F

    Tussen E en F ligt geen zwarte toets: dat is 1 halve toon.

  3. 03F naar G

    F-Fis(1)-G(2): 2 halve tonen.

  4. 04G naar A

    G-Gis(1)-A(2): 2 halve tonen. Totaal 1 + 2 + 2 = 5 halve tonen.

Resultaat: Tussen E en A liggen 5 halve tonen (via F, Fis, G, Gis). Dat is precies een reine kwart — je hebt met de klaviermethode een interval berekend, wat in de laatste sectie terugkomt.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: notennamen, kruizen en mollen kennen en enharmonische tonen (bijvoorbeeld Cis en Des) herkennen.
  • Examendoel: hele en halve tonen op het klavier aanwijzen en de twaalf halve tonen van de chromatische ladder benoemen.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat tussen alle witte toetsen een zwarte ligt; tussen E en F en tussen B en C is de afstand al een halve toon (geen zwarte toets).
  • Kruis en mol verwarren: een kruis verhoogt, een mol verlaagt met een halve toon.

Actieve herhaling

Teken (of stel je voor) een octaaf op het klavier en geef bij elke zwarte toets beide namen (kruis- en molnaam). Wijs daarna de twee plaatsen aan waar tussen twee witte toetsen slechts een halve toon ligt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Syllabus muziek vwo — toonhoogte en chromatiek (CvTE / Examenblad)

§ 02

Majeur- en mineurladders#

●●○StandaardLPexamenblad-muziek-toonhoogte

Kernpunten

Een toonladder is een vast patroon van hele en halve tonen vanaf een grondtoon. Afb. 2 toont het patroon van de majeurladder: hele, hele, halve, hele, hele, hele, halve toon (H-H-h-H-H-H-h). Op de witte toetsen vanaf C levert dat C-D-E-F-G-A-B-C op — de bekende do-re-mi-ladder. De twee halve stappen (tussen de derde en vierde en tussen de zevende en achtste toon) geven majeur zijn heldere, stabiele karakter en liggen precies op E-F en B-C.

De opbouw van de majeurladder

De opbouw van de majeurladderTonen C D E F G A B C met tussenstappen H H h H H H h; de halve stappen liggen tussen E-F en B-C.CDEFGABCHHhHHHhH = hele toon, h = halve toon
Afb. 2Afb. 2 — De majeurladder als patroon H-H-h-H-H-H-h. De twee halve stappen (accent) liggen tussen de 3e-4e en de 7e-8e toon: bij C tussen E-F en B-C.
Het krachtige is dat het patroon overdraagbaar is. Begin je op een andere grondtoon en houd je hetzelfde H-H-h-H-H-H-h-patroon aan, dan krijg je die toonsoort in majeur — je hebt daarvoor alleen kruizen of mollen nodig om de halve stappen op de juiste plaats te leggen. Zo levert het patroon vanaf G de toonsoort G-majeur op (met een Fis), en vanaf F de toonsoort F-majeur (met een Bes). De grondtoon bepaalt de toonsoort; het patroon bepaalt dat het majeur is.
Naast majeur is er mineur, dat donkerder en weemoediger klinkt. De natuurlijke mineurladder heeft het patroon H-h-H-H-h-H-H. Op de witte toetsen vanaf A geeft dat A-B-C-D-E-F-G-A: de toonsoort a-mineur. Het verschil met majeur zit vooral in de derde toon: majeur heeft een grote terts boven de grondtoon (vier halve tonen), mineur een kleine terts (drie halve tonen). Die verlaagde terts is de belangrijkste oorzaak van het mineurgevoel.
Mineur bestaat in drie vormen omdat de natuurlijke vorm harmonisch wat slap eindigt. In de harmonische mineurladder verhoog je de zevende toon een halve toon (in a-mineur wordt G tot Gis), zodat er een sterke leidtoon naar de grondtoon ontstaat; dat geeft wel een opvallende grote sprong (overmatige secunde) tussen de zesde en zevende toon. In de melodische mineurladder verhoog je stijgend zowel de zesde als de zevende toon (in a-mineur Fis en Gis) om die sprong glad te strijken, en dalend gebruik je weer de natuurlijke vorm. Welke vorm klinkt, hoor je aan die verhoogde tonen.
Majeur en mineur zijn de twee toongeslachten waarin vrijwel alle westerse muziek van de barok tot de pop staat. Op het examen moet je ze op gehoor onderscheiden (majeur klinkt helder/blij, mineur donker/droevig) en in notatie herkennen aan de plaats van de halve stappen en de voortekening. Het onderscheid grote versus kleine terts boven de grondtoon is daarbij je snelste toets: hoor of tel je een grote terts, dan majeur; een kleine terts, dan mineur.
Uitgewerkt voorbeeld

G-majeur opbouwen

Bouw de toonladder G-majeur op met het patroon H-H-h-H-H-H-h en bepaal welke toon je moet verhogen.

  1. 01Grondtoon

    Begin op G en pas het patroon toe: G, dan een hele toon naar A, een hele naar B.

  2. 02Halve stap

    Na B een halve toon: B naar C (klopt met de witte toetsen).

  3. 03Verder

    Hele tonen: C naar D, D naar E, E naar ...? Van E een hele toon komt uit op Fis (niet F).

  4. 04Slotstap

    Van Fis een halve toon naar G. Zo sluit de ladder: G-A-B-C-D-E-Fis-G.

Resultaat: G-majeur is G-A-B-C-D-E-Fis-G: je moet de F verhogen tot Fis (een kruis) om de halve stap op de juiste plaats (7e-8e toon, Fis-G) te krijgen. G-majeur heeft daarom een voortekening van een kruis.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een majeur- of mineurladder opbouwen vanuit een gegeven grondtoon met het juiste toonstappenpatroon.
  • Examendoel: majeur en mineur op gehoor en in notatie onderscheiden, met de grote of kleine terts boven de grondtoon als kenmerk.

Veelgemaakte fouten

  • De halve tonen van majeur op de verkeerde plaats zetten: ze liggen tussen toon 3-4 en toon 7-8 (bij C tussen E-F en B-C).
  • De drie mineurvormen door elkaar halen: alleen harmonisch mineur verhoogt de 7e, melodisch mineur verhoogt stijgend de 6e en 7e.

Actieve herhaling

Bouw de toonladder G-majeur op met het patroon H-H-h-H-H-H-h en noteer welke toon je moet verhogen. Bouw daarna a-mineur (natuurlijk) op en geef aan welke toon je in de harmonische vorm verhoogt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Syllabus muziek vwo — toonladders (majeur en mineur) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Toonsoorten en de kwintencirkel#

●●○StandaardLPexamenblad-muziek-toonhoogte

Kernpunten

Elke majeur- of mineurladder hoort bij een toonsoort met een eigen voortekening: het vaste aantal kruizen of mollen dat aan het begin van de balk staat. C-majeur heeft er geen; met elke stap van een reine kwint omhoog (of kwart omlaag) komt er een kruis bij, en met elke kwint omlaag een mol. Afb. 3 ordent alle toonsoorten in de kwintencirkel: een kring waarin buurtoonsoorten telkens een kwint uit elkaar liggen en maar een voorteken verschillen.

De kwintencirkel

Kwintencirkel (majeur)Graaf, C → G, G → D, D → A, A → E, E → B, B → Fis, Fis → Des, Des → As, As → Es, Es → Bes, Bes → F, F → CCGDAEBFisDesAsEsBesF
Afb. 3Afb. 3 — De kwintencirkel: elke stap met de klok mee is een reine kwint omhoog en een voorteken (kruis) meer; tegen de klok in een kwint omlaag en een mol meer. Buurtoonsoorten zijn nauw verwant.
De kwintencirkel maakt de verwantschap tussen toonsoorten zichtbaar. Toonsoorten die op de cirkel naast elkaar liggen, delen bijna al hun tonen en klinken verwant; ze zijn geliefde bestemmingen om naartoe te moduleren (van toonsoort wisselen). C en G liggen naast elkaar (een kwint) en verschillen maar een toon (Fis); C en Fis liggen tegenover elkaar en delen bijna niets. Zo voorspelt de cirkel welke toonsoorten dicht bij elkaar en welke ver van elkaar liggen.
Bij elke majeurtoonsoort hoort een parallelle mineurtoonsoort met dezelfde voortekening. Je vindt haar een kleine terts onder de majeurgrondtoon: bij C-majeur (geen voortekens) is dat a-mineur (ook geen voortekens); bij G-majeur (een kruis) is dat e-mineur. Parallelle toonsoorten delen alle tonen maar hebben een andere grondtoon en dus een ander karakter (majeur helder, mineur donker). Verwar dit niet met gelijknamige toonsoorten (C-majeur en c-mineur), die dezelfde grondtoon maar een verschillende voortekening hebben.
De voortekening is je snelste weg naar de toonsoort van een stuk. Tel je een kruis in de voortekening, dan is het G-majeur of e-mineur; twee kruizen betekent D-majeur of b-mineur; een mol betekent F-majeur of d-mineur. Of het majeur of mineur is, hoor je aan het toongeslacht en zie je aan de begin- en slottoon (vaak de grondtoon). Zo leid je uit een paar tekens aan het begin van de balk de hele toonsoort af.
Er is een handig ezelsbruggetje voor de volgorde van de kruizen en mollen. De kruizen verschijnen in de volgorde Fis-Cis-Gis-Dis-Ais (telkens een kwint hoger); de mollen in precies de omgekeerde volgorde Bes-Es-As-Des-Ges. Deze vaste volgorde is de kwintencirkel in actie en helpt je de voortekening van elke toonsoort te reconstrueren zonder haar uit je hoofd te leren. De cirkel is zo niet alleen een plaatje, maar een rekeninstrument voor toonsoorten.
Uitgewerkt voorbeeld

Toonsoort uit de voortekening afleiden

Een stuk heeft een mol in de voortekening en eindigt op de toon F. Bepaal de toonsoort.

  1. 01Voortekening lezen

    Een mol (Bes) hoort bij F-majeur of bij de parallelle d-mineur.

  2. 02Toongeslacht bepalen

    Het stuk eindigt op F en klinkt helder/majeur: dat wijst op F als grondtoon.

  3. 03Parallel controleren

    De parallelle mineur van F-majeur is d-mineur (kleine terts onder F); die zou op D eindigen, niet op F.

  4. 04Conclusie

    Slottoon F en majeurkarakter samen met een mol geven F-majeur.

Resultaat: Het stuk staat in F-majeur: een mol in de voortekening (Bes), een slottoon F en een majeurkarakter. Was het op D geeindigd en donker geweest, dan had d-mineur (dezelfde voortekening) meer voor de hand gelegen.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de toonsoort van een fragment of notatie afleiden uit de voortekening (aantal kruizen of mollen).
  • Examendoel: parallelle toonsoorten (zelfde voortekening) en gelijknamige toonsoorten (zelfde grondtoon) onderscheiden.

Veelgemaakte fouten

  • Parallelle en gelijknamige toonsoorten verwarren: parallel deelt de voortekening (C-majeur / a-mineur), gelijknamig deelt de grondtoon (C-majeur / c-mineur).
  • De parallelle mineur een terts boven in plaats van een kleine terts onder de majeurgrondtoon zoeken.

Actieve herhaling

Een stuk heeft twee kruizen in de voortekening. Welke majeur- en welke parallelle mineurtoonsoort horen daarbij? Geef ook aan welke twee tonen verhoogd zijn.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Syllabus muziek vwo — toonsoorten en kwintencirkel (CvTE / Examenblad)

§ 04

Intervallen: naam, kwaliteit en halve tonen#

●●●VerdiepingLPexamenblad-muziek-toonhoogte

Kernpunten

Een interval is de afstand tussen twee tonen. Je benoemt het met twee gegevens: een getal (het aantal stamtonen, inclusief begin en eind) en een kwaliteit. Het getal geeft de soort: van C tot E zijn dat drie stamtonen (C-D-E), dus een terts; van C tot G vijf (C-D-E-F-G), dus een kwint. Afb. 4 zet alle intervallen binnen het octaaf op een rij met hun omvang in halve tonen, en Afb. 5 zet die omvang uit op een getallenlijn.

De intervallen binnen het octaaf

IntervaltabelTabel met 4 kolommen en 13 rijen, Gegevens: interval · halve tonen · kwaliteit · klank; reine prime · 0 · rein · consonant; kleine secunde · 1 · klein · dissonant; grote secunde · 2 · groot · dissonant; kleine terts · 3 · klein · consonant; grote terts · 4 · groot · consonant; reine kwart · 5 · rein · consonant; tritonus · 6 · overmatig · dissonant; reine kwint · 7 · rein · consonant; kleine sext · 8 · klein · consonant; grote sext · 9 · groot · consonant; kleine septiem · 10 · klein · dissonant; grote septiem · 11 · groot · dissonant; reine octaaf · 12 · rein · consonant, gemarkeerde cel: 7INTERVALHALVE TONENKWALITEITKLANKreine prime0reinconsonantkleine secunde1kleindissonantgrote secunde2grootdissonantkleine terts3kleinconsonantgrote terts4grootconsonantreine kwart5reinconsonanttritonus6overmatigdissonantreine kwint7reinconsonantkleine sext8kleinconsonantgrote sext9grootconsonantkleine septiem10kleindissonantgrote septiem11grootdissonantreine octaaf12reinconsonant
Afb. 4Afb. 4 — De intervallen binnen het octaaf, geordend naar omvang in halve tonen. De reine intervallen (prime, kwart, kwint, octaaf) en de tertsen en sexten zijn consonant; secundes, septiemen en de tritonus dissonant.

Intervalafstanden op een getallenlijn

Intervalomvang in halve tonenGetallenlijn, prime, gr. terts, kwart, kwint, octaaf036912primegr. tertskwartkwintoctaaf
Afb. 5Afb. 5 — De intervalomvang in halve tonen uitgezet van prime (0) tot octaaf (12). De reine intervallen (ringen) vormen de stabiele pijlers; de terts (4) ligt ertussen.
De kwaliteit verfijnt het getal, want niet elke terts is even groot. De reine intervallen zijn de prime, de kwart, de kwint en het octaaf; ze klinken zeer stabiel (hun frequenties verhouden zich eenvoudig). De secunde, terts, sext en septiem komen in een grote en een kleine variant voor: de grote is een halve toon groter dan de kleine. Zo is de grote terts vier halve tonen (C-E) en de kleine terts drie (C-Es). Wordt een rein of groot interval nog een halve toon opgerekt, dan heet het overmatig; wordt het ingekrompen, dan verminderd.
De omvang in halve tonen is de betrouwbaarste manier om een interval te herkennen, omdat je die simpelweg op het klavier telt. De reeks is: kleine secunde 1, grote secunde 2, kleine terts 3, grote terts 4, reine kwart 5, overmatige kwart of tritonus 6, reine kwint 7, kleine sext 8, grote sext 9, kleine septiem 10, grote septiem 11, octaaf 12. Wie deze twaalf getallen kent, kan elk interval benoemen: tel de halve tonen en zoek het getal op.
Intervallen bepalen mede of muziek consonant (welluidend, rustig) of dissonant (spanningsvol) klinkt. Consonant zijn de reine intervallen en de tertsen en sexten; dissonant zijn de secundes, de septiemen en de tritonus. De tritonus (zes halve tonen, precies een half octaaf) is de scherpste dissonant en werd in de middeleeuwen gemeden. Consonantie en dissonantie zijn de motor van spanning en ontspanning in de harmonie, het onderwerp van een volgend hoofdstuk.
Intervallen zijn de bouwstenen van zowel melodie als harmonie. Klinken de twee tonen na elkaar, dan is het een melodisch interval (een sprong in de melodie); klinken ze tegelijk, dan een harmonisch interval (een samenklank). Akkoorden zijn niets anders dan gestapelde intervallen — een drieklank is een terts op een terts. Wie intervallen beheerst, heeft daarom de sleutel tot de hele toonhoogte- en harmonieleer, en kan op het examen sprongen in een melodie en samenklanken in een akkoord precies benoemen.
Uitgewerkt voorbeeld

Een interval benoemen

Benoem het interval C-A naar getal, kwaliteit en omvang in halve tonen, en zeg of het consonant is.

  1. 01Getal tellen

    C-D-E-F-G-A zijn zes stamtonen: het is een sext.

  2. 02Halve tonen tellen

    Van C tot A op het klavier: C-Cis-D-Dis-E-F-Fis-G-Gis-A = 9 halve tonen.

  3. 03Kwaliteit bepalen

    Een sext van 9 halve tonen is een grote sext (de kleine sext is 8).

  4. 04Klank bepalen

    Sexten zijn consonant.

Resultaat: C-A is een grote sext van 9 halve tonen, en die is consonant. De methode — getal tellen (stamtonen), halve tonen tellen (klavier), kwaliteit opzoeken — werkt voor elk interval.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een interval benoemen naar getal (secunde tot octaaf) en kwaliteit (rein, groot, klein), en de omvang in halve tonen bepalen.
  • Examendoel: consonante en dissonante intervallen onderscheiden, met de tritonus als scherpste dissonant.

Veelgemaakte fouten

  • Het getal verkeerd tellen door een van de stamtonen te vergeten; tel altijd begin- en eindtoon mee (C tot E = C-D-E = terts).
  • Grote en kleine terts verwarren: de grote terts is 4 halve tonen (majeur), de kleine 3 (mineur).

Actieve herhaling

Bepaal voor de intervallen C-A, D-F en E-Bes het getal, de kwaliteit en de omvang in halve tonen, en zeg bij elk of het consonant of dissonant is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Syllabus muziek vwo — intervallen (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Toonhoogte, notennamen en chromatiek○
    • 02Majeur- en mineurladders◐
    • 03Toonsoorten en de kwintencirkel◐
    • 04Intervallen: naam, kwaliteit en halve tonen●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Toonhoogte: toonladders, toonsoorten en intervallen

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~15
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Syllabus muziek vwo — toonhoogte en chromatiek

Vorig onderwerp

Notatie en het lezen van een partituur

Volgend onderwerp

Ritme, maat, metrum en tempo

EuraStudy·Samenvattingen T·04·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.