EuraStudy
Samenvattingen/Muziek/Ritme, maat, metrum en tempo
Samenvattingen · MuziekNL · VWO

Ritme, maat, metrum en tempo

Ritme is de ordening van muziek in de tijd. Dit onderwerp bouwt de ritmeleer op: puls, tempo (Italiaanse termen en metronoomgetal) en metrum; de maatsoorten met hun accentpatroon (enkelvoudig en samengesteld, binair en ternair); de notenwaarden en rusten met hun halveringsverhouding; en ritmische verschijnselen als opmaat, syncope en triool. Ritmische waarneming en notatie zijn CE-stof: je bepaalt maatsoorten op gehoor, telt notenwaarden en herkent ritmische bijzonderheden.

4 Onderdelen·~14 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0555 / 16
Examenprofiel
Puls, tempo (Italiaanse termen en BPM) en metrum onderscheiden en het verschil tussen tempo en ritme uitleggen.De maatsoort van een fragment bepalen aan de hand van het accentpatroon; enkelvoudige, samengestelde, binaire en ternaire maten onderscheiden.Notenwaarden en rusten optellen tot een volle maat en ritmische verschijnselen (opmaat, syncope, triool) herkennen en benoemen.
Operatoren:bepaaltelbenoemverklaarherken

basisniveau

Voor iedereen: leer de zware tel (tel 1) als ijkpunt om de maatsoort te bepalen, en ken de halvering heel-half-kwart-achtste.

verhoogd niveau

Verdieping: samengestelde en asymmetrische maten herkennen, en syncopen en antimetrische figuren (triolen) precies benoemen en noteren.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Ritme, maat, metrum en tempo
    • 01Puls, tempo en metrum○
    • 02Maatsoorten: enkelvoudig, samengesteld, binair en ternair◐
    • 03Notenwaarden en rusten◐
    • 04Ritmische verschijnselen: opmaat, syncope en triool●
§ 01

Puls, tempo en metrum#

●○○BasisLPexamenblad-muziek-ritme

Kernpunten

Onder bijna alle muziek klopt een regelmatige puls (de beat): de tel waarop je meetikt met je voet. De snelheid van die puls is het tempo. Afb. 1 zet de tempo-aanduidingen uit op een getallenlijn van het metronoomgetal (het aantal pulsen per minuut, BPM). De Italiaanse termen lopen van largo (zeer langzaam) via adagio, andante en moderato naar allegro en presto (zeer snel). De genoemde grenzen zijn richtwaarden; het metronoomgetal geeft de precieze snelheid.

Tempo op de metronoomlijn

Tempo in BPMGetallenlijn, largo, adagio, andante, moderato, allegro, presto4080120160200largoadagioandantemoderatoallegropresto
Afb. 1Afb. 1 — De tempotermen uitgezet op het metronoomgetal (pulsen per minuut). De waarden zijn richtwaarden; het metronoomgetal geeft de exacte snelheid.
Tempo en ritme zijn niet hetzelfde en dat onderscheid is een klassieke examenval. Het tempo is hoe snel de puls loopt; het ritme is het patroon van lange en korte tonen dat over die puls heen ligt. Muziek kan een langzaam tempo hebben en toch een druk ritme (veel korte noten per tel), of een snel tempo met een rustig ritme. Wie tempo en ritme scheidt, beschrijft een fragment veel preciezer.
Boven de losse pulsen ligt het metrum: de regelmatige afwisseling van zware (beklemtoonde) en lichte tellen. Ons oor groepeert pulsen vanzelf in tweeen, drieen of vieren, met de nadruk telkens op de eerste. Die groepering is het metrum en wordt in de notatie vastgelegd als de maatsoort — het onderwerp van de volgende sectie. Metrum is dus de brug tussen de kale puls en de genoteerde maat.
Naast de vaste Italiaanse termen zijn er aanwijzingen voor tempoverandering. Accelerando betekent geleidelijk sneller, ritardando (of rallentando) geleidelijk langzamer, en a tempo een terugkeer naar het oorspronkelijke tempo. Een fermate houdt een toon langer aan dan zijn waarde. Deze aanwijzingen maken het tempo tot een expressief middel: een ritardando naar het slot geeft rust, een accelerando bouwt spanning op.
Het tempo bepaalt sterk het karakter en helpt bij het dateren en duiden. Een treurmars is langzaam (largo of adagio), een dans vaak levendig (allegro). In sommige stijlen ligt het tempo strak (barokke doorgaande beweging, veel popmuziek met een vaste beat), in andere juist vrij (romantische rubato, waarin de uitvoerder het tempo buigt voor de expressie). Het tempo horen en benoemen is daarom een van de eerste dingen die je bij een luisterfragment doet.
Uitgewerkt voorbeeld

Tempo en ritme scheiden

Een luisterfragment heeft een rustige, langzame puls (ongeveer 60 per minuut) maar veel snelle loopjes. Beschrijf tempo en ritme apart.

  1. 01Puls meten

    Tik de zware tel mee: ongeveer 60 pulsen per minuut.

  2. 02Tempo benoemen

    60 BPM valt in het bereik van largo tot adagio: een langzaam tempo.

  3. 03Ritme beschrijven

    Binnen elke trage tel klinken veel korte noten (zestienden): een druk ritme.

  4. 04Scheiden

    Tempo en ritme staan los: het tempo is langzaam, het ritme druk.

Resultaat: Het fragment heeft een langzaam tempo (adagio, circa 60 BPM) met een druk ritme (veel zestienden per tel). Door beide apart te benoemen voorkom je de val om een druk ritme voor een snel tempo aan te zien.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het tempo van een fragment globaal benoemen (Italiaanse term of BPM-bereik) en tempoveranderingen (accelerando, ritardando) herkennen.
  • Examendoel: tempo en ritme onderscheiden en het metrum (zware/lichte tellen) horen.

Veelgemaakte fouten

  • Tempo en ritme verwarren: een langzaam tempo kan een druk ritme hebben en omgekeerd.
  • Denken dat een hoger metronoomgetal een hogere toon betekent; het gaat om meer pulsen per minuut (sneller), niet hoger.

Actieve herhaling

Beluister een fragment, tik de puls mee en schat het tempo in als Italiaanse term en als globaal BPM-bereik. Beschrijf daarna in een zin het ritme (rustig of druk) om te laten zien dat je tempo en ritme scheidt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Syllabus muziek vwo — tempo en metrum (CvTE / Examenblad)

§ 02

Maatsoorten: enkelvoudig, samengesteld, binair en ternair#

●●○StandaardLPexamenblad-muziek-ritme

Kernpunten

De maatsoort legt het metrum in notatie vast met twee getallen aan het begin van de balk. Het bovenste getal geeft hoeveel tellen er in een maat gaan, het onderste welke notenwaarde een tel is (4 = de kwartnoot, 8 = de achtste). Zo betekent 3/4 drie kwarttellen per maat en 4/4 vier. Afb. 2 toont het accentpatroon van de drie meest voorkomende maten: de zware tel (accent) valt altijd op tel 1, wat je ijkpunt is om de maat te bepalen.

Accentpatronen van drie maatsoorten

Accentpatronen van maatsoorten4/4 accent op 1, 3/4 accent op 1, 6/8 accenten op 1 en 4.4/412343/41236/814
Afb. 2Afb. 2 — Accentpatronen: de grote punt (accent) is de zware tel. 4/4 heeft de zwaarste nadruk op 1 (iets minder op 3), 3/4 op 1, en 6/8 op 1 en 4 (twee groepen van drie: ternair).
Het accentpatroon verraadt de maatsoort op gehoor. In een tweedelige maat (2/4) wisselen zwaar en licht elkaar af (EEN-twee, EEN-twee); in een driedelige maat (3/4, de walsmaat) volgt op de zware tel twee lichte (EEN-twee-drie); in een vierdelige maat (4/4) is tel 1 het zwaarst en tel 3 iets minder zwaar. Door mee te tikken en te voelen waar de nadruk terugkeert, tel je de maat: keert de nadruk na twee, drie of vier tellen terug?
Deze maten heten enkelvoudig omdat elke tel in tweeen deelt (binaire onderverdeling): een kwarttel valt uiteen in twee achtsten. Bij een samengestelde maat deelt elke tel juist in drieen (ternaire onderverdeling). De bekendste is 6/8: die telt niet als zes losse tellen, maar als twee hoofdtellen van elk drie achtsten (EEN-twee-drie, VIER-vijf-zes). Zo klinkt 6/8 wiegend en in tweeen, terwijl 3/4 in drieen klinkt — al hebben beide zes achtsten per maat.
Het onderscheid binair (deling door twee) en ternair (deling door drie) is dus fundamenteel en hoorbaar. Een mars staat meestal in een binaire maat (strak, in tweeen), veel volksdansen en jigs in een ternaire (huppelend, in drieen). Op het examen moet je niet alleen tellen hoeveel tellen een maat heeft, maar ook horen of de onderverdeling binair of ternair is — dat verschil zit hem in of je per tel twee of drie kortere noten hoort.
Naast deze standaardmaten bestaan er samengestelde en asymmetrische maten die de regelmaat doorbreken, zoals 5/4 of 7/8 (bijvoorbeeld gegroepeerd als 2+3). Ze klinken onregelmatig of hinkend omdat de zware tellen niet gelijkmatig terugkeren. In veel wereldmuziek, jazz en twintigste-eeuwse muziek zijn zulke maten gewoon. Herken je een maat die niet netjes in tweeen, drieen of vieren op te delen is, dan is dat vaak een aanwijzing voor een van deze stijlen.
Uitgewerkt voorbeeld

3/4 of 6/8?

Twee fragmenten hebben allebei zes achtste noten per maat. Het ene voelt als een wals, het andere als een wiegend deuntje in tweeen. Welke maatsoort heeft elk?

  1. 01Zware tellen tellen

    Wals: de nadruk keert na elke drie tellen terug (EEN-twee-drie), dus drie hoofdtellen.

  2. 02Maat 1

    Drie kwarttellen per maat: 3/4 (enkelvoudig, ternair gevoel maar drie hoofdtellen).

  3. 03Tweede fragment

    Wiegend in tweeen: twee hoofdtellen van elk drie achtsten (EEN-twee-drie, VIER-vijf-zes).

  4. 04Maat 2

    Twee hoofdtellen met ternaire onderverdeling: 6/8 (samengesteld).

Resultaat: Het walsfragment staat in 3/4 (drie hoofdtellen), het wiegende in 6/8 (twee hoofdtellen van drie achtsten). Beide hebben zes achtsten per maat, maar het aantal zware tellen (drie tegen twee) maakt het verschil.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de maatsoort van een fragment bepalen door de zware tel te zoeken en te tellen na hoeveel tellen de nadruk terugkeert.
  • Examendoel: binaire (enkelvoudige) en ternaire (samengestelde, zoals 6/8) onderverdeling op gehoor onderscheiden.

Veelgemaakte fouten

  • 6/8 als zes losse tellen tellen in plaats van als twee hoofdtellen van drie achtsten (ternair).
  • De maat bepalen op het aantal noten in plaats van op de terugkeer van de zware tel (het accent).

Actieve herhaling

Beluister drie dansfragmenten en bepaal van elk de maatsoort door de zware tel te zoeken. Geef bij elk aan of de onderverdeling binair of ternair is en waaraan je dat hoort.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Syllabus muziek vwo — maatsoorten (CvTE / Examenblad)

§ 03

Notenwaarden en rusten#

●●○StandaardLPexamenblad-muziek-ritme

Kernpunten

Notenwaarden geven aan hoe lang een toon klinkt, en ze zijn opgebouwd volgens een strak halveringssysteem. Afb. 3 toont die notenwaardenboom: een hele noot is twee halve noten, een halve is twee kwartnoten, een kwart is twee achtste noten, en een achtste is twee zestiende. Elke stap omlaag halveert de duur. Omdat elke rij samen even lang duurt, zie je meteen hoeveel kortere noten in een langere passen: in een hele noot passen vier kwarten of acht achtsten.

De notenwaardenboom

De notenwaardenboomEen hele noot verdeeld in twee halve, vier kwarten en acht achtsten; elke rij is even lang.heel = 1half 1/2half 1/2kwart 1/4kwart 1/4kwart 1/4kwart 1/4onderste rij: acht achtsten (elk 1/8)
Afb. 3Afb. 3 — De notenwaardenboom: elke rij duurt even lang, maar wordt in steeds kleinere waarden verdeeld. Een hele noot is twee halve, vier kwarten of acht achtsten. Een kwart (accent) is de gebruikelijke teleenheid.
Bij elke notenwaarde hoort een even lange rust: een stilte van dezelfde duur. Een hele rust, halve rust, kwartrust, achtste rust — ze tellen in de maat precies zo zwaar mee als de bijbehorende noot. Voor het optellen van een maat maakt het niet uit of een tel gevuld is met een noot of een rust; beide vullen hun deel van de maat. Rusten zijn dus geen niets, maar geordende stilte die het ritme mede vormgeeft.
Een punt achter een noot verlengt hem met de helft van zijn eigen waarde. Een gepunteerde halve noot duurt dus een halve plus een kwart, samen drie kwarttellen; een gepunteerde kwart duurt een kwart plus een achtste. De punt is een handige manier om waarden te maken die net tussen twee gewone notenwaarden in liggen, en komt veel voor in marsen en dansen (het karakteristieke lang-kort van de gepunteerde figuur).
Met dit systeem kun je elke maat controleren: de notenwaarden en rusten samen moeten precies de maat vullen die de maatsoort voorschrijft. In 4/4 moet elke maat optellen tot vier kwarttellen; in 3/4 tot drie. Zo controleer je notatie en herken je fouten. Deze rekenvaardigheid — waarden optellen tot een volle maat — is een veelgevraagde examenvaardigheid, zowel bij het lezen van notatie als bij het aanvullen van een onvolledige maat.
Losse noten worden in de notatie verbonden en gegroepeerd om het ritme leesbaar te maken. Achtste en zestiende noten krijgen een waardestreep (balk) die ze per tel bundelt, zodat je in een oogopslag de tellen ziet. Een boog tussen twee noten van dezelfde toonhoogte (een overbinding of ligatuur) telt hun waarden bij elkaar op tot een langere klank, ook over een maatstreep heen. Deze schrijfwijzen maken ritme zichtbaar en zijn nodig om een partituur vlot te lezen — het onderwerp van het notatiehoofdstuk.
Uitgewerkt voorbeeld

Een maat volmaken

In 4/4 staat een gepunteerde halve noot. Hoeveel tellen duurt die, en welke rust maakt de maat vol?

  1. 01Halve noot

    Een halve noot duurt in 4/4 twee kwarttellen.

  2. 02De punt

    De punt voegt de helft toe: de helft van twee tellen is een tel. Samen 2 + 1 = 3 tellen.

  3. 03Rest van de maat

    4/4 heeft vier tellen; er blijft 4 - 3 = 1 tel over.

  4. 04Rust kiezen

    Een tel stilte is een kwartrust.

Resultaat: De gepunteerde halve noot duurt drie tellen; een kwartrust (een tel) maakt de maat van vier tellen vol. Zo controleer je met de halveringsverhouding elke maat.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: notenwaarden en rusten optellen tot een volle maat volgens de maatsoort.
  • Examendoel: de waarde van een gepunteerde noot berekenen (noot plus de helft van zijn waarde).

Veelgemaakte fouten

  • De punt als een vaste toevoeging zien in plaats van als de helft van de eigen waarde van de noot.
  • Rusten niet meetellen bij het vullen van een maat, terwijl ze net zo zwaar meetellen als noten.

Actieve herhaling

Een maat in 4/4 bevat een gepunteerde halve noot en daarna nog stilte. Bereken de duur van de gepunteerde halve noot en bepaal welke rust de maat volmaakt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Syllabus muziek vwo — notenwaarden en rusten (CvTE / Examenblad)

§ 04

Ritmische verschijnselen: opmaat, syncope en triool#

●●●VerdiepingLPexamenblad-muziek-ritme

Kernpunten

Boven het regelmatige metrum spelen componisten met verrassingen. Afb. 4 vergelijkt een recht ritme (accent op de tel) met een syncope (accent naast de tel). Een syncope is een klemtoon op een zwakke of onverwachte plaats — tussen de tellen of op een lichte tel — waardoor het ritme even tegen de maat in lijkt te lopen. Syncopen geven muziek drive en spanning en zijn een handelsmerk van jazz, pop en veel dansmuziek.

Recht ritme tegenover syncope

Recht ritme en syncopeBoven accenten op de tel, onder accenten naast de tel.recht1234syncope1234
Afb. 4Afb. 4 — Boven: accent op elke tel (recht). Onder: het accent (var accent) valt naast de tel — een syncope, die het ritme tegen de maat in laat trekken.
Een opmaat (auftakt) is het spiegelbeeld aan het begin: een of meer noten voor de eerste volle maat, die naar de eerste zware tel toe leiden. Veel melodieen en liederen beginnen met zo'n aanloopje; denk aan een tekst waarvan het belangrijkste woord pas op tel 1 valt. De opmaat is geen volledige maat en wordt aan het eind van het stuk vaak aangevuld, zodat begin- en slotmaat samen een hele maat vormen.
De triool doorbreekt de gewone tweedeling van de notenwaarden. Normaal deelt een tel in twee (of vier) gelijke stukken; een triool deelt hem in drie gelijke stukken. Je speelt dan drie noten in de tijd van twee, aangeduid met een klein cijfer 3 boven de groep. De triool is een vorm van antimetriek: een onderverdeling die niet bij de maatsoort past en daardoor even zweeft. Ook duolen (twee in de tijd van drie) komen voor, vooral in samengestelde maten.
Verder zijn er verfijningen die het ritme kleuren. Een gebonden ritme (legato, met overbindingen) laat noten in elkaar overlopen; een gepunteerd ritme geeft het karakteristieke lang-kort van marsen. Rusten op onverwachte plekken creeren spanning door wat je juist niet hoort. En een ostinato — een kort ritmisch of melodisch patroon dat zich onophoudelijk herhaalt — geeft muziek een stuwende, hypnotische onderlaag, van barokke basfiguren tot moderne pop.
Deze verschijnselen benoemen is een gevorderde luistervaardigheid. Op het examen moet je een syncope kunnen aanwijzen (waar valt de klemtoon onverwacht?), een triool herkennen (drie in de tijd van twee) en een opmaat opmerken (begint de melodie voor de zware tel?). Ze verklaren waarom muziek swingt, huppelt of stuwt, en ze verbinden de kale ritmeleer met de expressieve werking die je in de stijlperiodes en in jazz en pop terugziet.
Uitgewerkt voorbeeld

Een triool herkennen en tellen

In een 4/4-maat hoor je op tel 2 drie even snelle noten waar je er twee zou verwachten. Wat is dit en hoe tel je het?

  1. 01Waarnemen

    Op een tel klinken drie gelijke noten in plaats van de gewone twee achtsten.

  2. 02Benoemen

    Drie noten in de tijd van twee is een triool (antimetrisch), aangeduid met een 3 boven de groep.

  3. 03Tellen

    Verdeel de tel in drie gelijke stukjes: tel het als tri-oo-let of een-en-de binnen die ene tel.

  4. 04Effect

    De triool zweeft even tegen de binaire onderverdeling van 4/4 in, wat het ritme verlevendigt.

Resultaat: Het is een triool: drie gelijke noten in de tijd van twee. Je telt hem door de tel in drieen te delen. Trioolgevoel binnen een binaire maat geeft juist het karakteristieke zwevende effect.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een syncope herkennen als een klemtoon op een zwakke of onverwachte plaats.
  • Examendoel: een triool (drie noten in de tijd van twee) en een opmaat herkennen en benoemen.

Veelgemaakte fouten

  • Elke snelle notengroep een triool noemen; een triool is specifiek drie gelijke noten in de tijd van twee.
  • Een syncope verwarren met een accent op de tel; bij een syncope valt de nadruk juist naast de tel.

Actieve herhaling

Beluister een pop- of jazzfragment en wijs een syncope aan: waar valt de klemtoon naast de tel? Geef ook aan of het fragment met een opmaat begint.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Syllabus muziek vwo — ritmische verschijnselen (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Puls, tempo en metrum○
    • 02Maatsoorten: enkelvoudig, samengesteld, binair en ternair◐
    • 03Notenwaarden en rusten◐
    • 04Ritmische verschijnselen: opmaat, syncope en triool●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Ritme, maat, metrum en tempo

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~14
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Syllabus muziek vwo — tempo en metrum

Vorig onderwerp

Toonhoogte: toonladders, toonsoorten en intervallen

Volgend onderwerp

Melodie, akkoorden, harmonie en functionele harmonieleer

EuraStudy·Samenvattingen T·05·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.