EuraStudy
Samenvattingen/Muziek/Notatie en het lezen van een partituur
Samenvattingen · MuziekNL · VWO

Notatie en het lezen van een partituur

Notatie is de schrifttaal van de muziek. Dit onderwerp leert je de notenbalk en de sleutels lezen (vioolsleutel, bassleutel), de notennamen op lijnen en in tussenruimten aflezen, en de aanvullende tekens interpreteren (notenwaarden, rusten, voortekening, maataanduiding, dynamiek en articulatie). Daarna komt het lezen van een partituur aan bod — het systeem, de instrumentvolgorde en de aanwijzingen — plus alternatieve notatievormen als het akkoordsymbool en de tabulatuur. Notatievragen bij klinkende fragmenten horen tot het CE.

3 Onderdelen·~11 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2

T·0333 / 16
Examenprofiel
De notenbalk en de sleutels (vioolsleutel/G, bassleutel/F) lezen en notennamen op lijnen en in tussenruimten aflezen.Notenwaarden, rusten, voortekening en maataanduiding in notatie herkennen en interpreteren.Een partituur lezen (systeem, instrumentvolgorde, aanwijzingen) en alternatieve notatie (akkoordsymbool, tabulatuur) herkennen.
Operatoren:leesbenoemherkeninterpreteerbepaal

basisniveau

Voor iedereen: leer de notennamen op de vioolsleutel (lijnen E-G-B-D-F, tussenruimten F-A-C-E) en de betekenis van de voortekening en maataanduiding.

verhoogd niveau

Verdieping: een partituur volgen met meerdere balken tegelijk en alternatieve notatie (akkoordsymbolen, transponerende instrumenten) lezen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. Notatie en het lezen van een partituur
    • 01De notenbalk, de sleutels en de notennamen○
    • 02Notenwaarden, voortekening en maataanduiding in notatie◐
    • 03De partituur en alternatieve notatievormen◐
§ 01

De notenbalk, de sleutels en de notennamen#

●○○BasisLPexamenblad-muziek-notatie

Kernpunten

Muziek wordt genoteerd op de notenbalk: vijf horizontale lijnen met vier tussenruimten. Hoe hoger een noot op de balk staat, hoe hoger de toon. Afb. 1 toont de vioolsleutel (of G-sleutel), die aan het begin van de balk vastlegt welke toonhoogte bij welke lijn hoort: de krul van de sleutel omcirkelt de tweede lijn van onderen, en die lijn is daarmee de G. Vanaf dat vaste punt liggen alle andere tonen vast.

De vioolsleutel en de notennamen

De vioolsleutel en de notennamenVijf notenbalklijnen met een vioolsleutel en de oplopende noten E F G A B C D E F.EFGABCDEF
Afb. 1Afb. 1 — De notenbalk met vioolsleutel. De lijnen dragen (van onder) E-G-B-D-F, de tussenruimten F-A-C-E. De G (accent) is de lijn die de sleutelkrul omcirkelt.
Op de vioolsleutel dragen de vijf lijnen van onder naar boven de tonen E, G, B, D en F, en de vier tussenruimten van onder naar boven de tonen F, A, C en E. Voor de lijnen bestaat het ezelsbruggetje dat je zelf kunt maken; de tussenruimten spellen van onder naar boven het woord FACE. Wie deze twee reeksen kent, leest elke noot binnen de balk direct af. Noten die te hoog of te laag zijn, krijgen hulplijntjes boven of onder de balk.
Naast de vioolsleutel is er de bassleutel (F-sleutel) voor lage tonen, zoals de linkerhand van de piano, de cello en de bas. De twee puntjes van de bassleutel omsluiten de vierde lijn van onderen, die daarmee de F onder de centrale C is. Op de bassleutel dragen de lijnen van onder naar boven de tonen G, B, D, F en A, en de tussenruimten A, C, E en G. Er bestaan ook C-sleutels (zoals de altsleutel voor de altviool), die het middenregister bestrijken.
De sleutels bestaan omdat het toonhoogtebereik van muziek veel groter is dan een balk van vijf lijnen aankan. Door een lage stem in de bassleutel en een hoge in de vioolsleutel te noteren, blijven de noten netjes op of dicht bij de balk, zonder eindeloze hulplijntjes. De centrale C (het midden van het klavier) ligt precies tussen beide sleutels in: net onder de vioolsleutelbalk en net boven de bassleutelbalk, op een hulplijntje.
Notennamen aflezen is een basisvaardigheid die je met oefening automatiseert. Op het examen kan gevraagd worden een genoteerde toon te benoemen, of te controleren of een genoteerd fragment overeenkomt met wat klinkt. Begin altijd bij de sleutel (welke lijn is het ijkpunt), lees dan de noot af ten opzichte van dat punt, en houd rekening met de voortekening (kruizen of mollen), het onderwerp van de volgende sectie.
Uitgewerkt voorbeeld

Een noot op de vioolsleutel aflezen

Een noot staat in de middelste tussenruimte van de vioolsleutelbalk. Welke toon is het?

  1. 01Sleutel als ijkpunt

    De vioolsleutel legt de tweede lijn van onderen vast als G.

  2. 02Tussenruimten benoemen

    De tussenruimten dragen van onder naar boven F, A, C, E (het woord FACE).

  3. 03Middelste ruimte

    De middelste van de vier tussenruimten is de tweede van onderen: A.

  4. 04Controle

    Tel na: onderste ruimte F, dan A — klopt met de tweede tussenruimte.

Resultaat: De noot in de middelste tussenruimte is een A (de tweede tussenruimte in FACE). Door bij de sleutel te beginnen en de reeks af te tellen, lees je elke noot betrouwbaar af.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: notennamen op de vioolsleutel (lijnen E-G-B-D-F, ruimten F-A-C-E) en globaal op de bassleutel aflezen.
  • Examendoel: de functie van de sleutel uitleggen (het vastleggen van de toonhoogte bij de lijnen).

Veelgemaakte fouten

  • De notennamen van de vioolsleutel op de bassleutel toepassen; elke sleutel heeft zijn eigen ijkpunt en dus andere namen bij de lijnen.
  • De richting omdraaien: hoger op de balk is hoger van toon, niet lager.

Actieve herhaling

Lees op de vioolsleutel de tonen af die op de onderste lijn, in de onderste tussenruimte en op de bovenste lijn staan. Geef daarna de centrale C aan ten opzichte van beide sleutels.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Syllabus muziek vwo — notenbalk en sleutels (CvTE / Examenblad)

§ 02

Notenwaarden, voortekening en maataanduiding in notatie#

●●○StandaardLPexamenblad-muziek-notatie

Kernpunten

Een notenbalk geeft toonhoogte, maar de notatie legt ook de tijd en de uitvoering vast. Afb. 2 zet de belangrijkste tekens op een rij. De notenwaarde (de vorm van de noot: open of gevuld bolletje, met of zonder steel en vlag) geeft de duur, volgens de halveringsverhouding uit het ritmehoofdstuk. Rusten geven even lange stiltes. Zo lees je uit de notatie niet alleen welke tonen klinken, maar ook hoe lang elk en waar de stiltes vallen.

Notatie-elementen en hun betekenis

Notatie-elementenTabel met 2 kolommen en 8 rijen, Gegevens: element · wat het aangeeft; sleutel · welke toonhoogte bij de lijnen hoort (G- of F-sleutel); voortekening · de vaste kruizen/mollen = de toonsoort; maataanduiding · het metrum (bijvoorbeeld 4/4 of 3/4); notenwaarde · de duur van een toon (heel, half, kwart, achtste); rust · geordende stilte van een bepaalde duur; maatstreep · de grens tussen maten (dubbel = einde deel); dynamiek · de sterkte (p, f, crescendo); articulatie · hoe de tonen worden aangezet (boog, staccatopunt), gemarkeerde cel: de vaste kruizen/mollen = de toonsoortELEMENTWAT HET AANGEEFTsleutelwelke toonhoogte bij delijnen hoort (G-of F-sleutel)voortekeningde vaste kruizen/mollen = detoonsoortmaataanduidinghet metrum (bijvoorbeeld 4/4of 3/4)notenwaardede duur van een toon (heel,half, kwart, achtste)rustgeordende stilte van eenbepaalde duurmaatstreepde grens tussen maten(dubbel = einde deel)dynamiekde sterkte (p, f, crescendo)articulatiehoe de tonen worden aangezet(boog, staccatopunt)
Afb. 2Afb. 2 — De belangrijkste notatie-elementen en wat ze aangeven. Samen vormen ze het complete recept dat de uitvoerder leest.
Aan het begin van de balk, direct na de sleutel, staat de voortekening: de vaste kruizen of mollen die voor het hele stuk gelden. Zij leggen de toonsoort vast (het onderwerp uit het toonhoogtehoofdstuk): een kruis betekent G-majeur of e-mineur, een mol F-majeur of d-mineur, enzovoort. Een voorteken dat alleen voor een enkele noot geldt, staat er vlak voor (een toevallige verhoging of verlaging) en vervalt aan het eind van de maat.
Na de voortekening volgt de maataanduiding: de twee getallen die het metrum vastleggen (bijvoorbeeld 4/4 of 3/4), zoals in het ritmehoofdstuk uitgelegd. De maatstrepen verdelen de balk daarna in maten die elk precies de voorgeschreven telling vol moeten zijn. Een dunne maatstreep scheidt gewone maten; een dubbele of dikke maatstreep markeert het eind van een deel of het stuk. Herhalingstekens (dubbele streep met puntjes) geven aan dat een passage wordt herhaald.
Boven, onder en tussen de noten staan de uitvoeringsaanwijzingen. De dynamiek (p, f, crescendo) staat meestal onder de balk, de articulatie (bogen, staccatopunten, accenten) bij de noten zelf, en het tempo (Italiaanse term of metronoomgetal) boven het begin. Ook fraseringsbogen, versieringstekens (triller, mordent) en aanwijzingen als ritardando staan erbij. Al deze tekens samen maken van de notatie een compleet recept voor de uitvoerder.
Notatie lezen is dus het omgekeerde van waarnemen: waar je bij het luisteren van klank naar begrip gaat, ga je bij het lezen van teken naar klank. Beide vaardigheden versterken elkaar. Op het examen kan gevraagd worden een genoteerd fragment te koppelen aan wat je hoort, een maat op zijn telling te controleren, of de betekenis van een teken te benoemen. Wie de tekens beheerst, kan een partituur volgen — de volgende stap.
Uitgewerkt voorbeeld

De voortekening en maataanduiding lezen

Een stuk heeft na de vioolsleutel een mol in de voortekening en de aanduiding 3/4, en begint zacht. Wat lees je hieruit af?

  1. 01Voortekening

    Een mol (Bes) wijst op F-majeur of d-mineur (dezelfde voortekening).

  2. 02Maataanduiding

    3/4 betekent drie kwarttellen per maat: een driedelige maat (walsgevoel).

  3. 03Dynamiek

    Zacht begin duidt op een dynamische aanduiding p (piano) onder het begin.

  4. 04Samen

    De tekens samen geven toonsoort, metrum en beginsterkte, nog voor de eerste noot klinkt.

Resultaat: Het stuk staat in F-majeur (of d-mineur) in een 3/4-maat en begint piano. Door voortekening, maataanduiding en dynamiek te lezen, ken je de kaders van het stuk voordat je een noot speelt.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de voortekening lezen als toonsoort en de maataanduiding als metrum.
  • Examendoel: uitvoeringsaanwijzingen (dynamiek, articulatie, tempo) in de notatie herkennen en benoemen.

Veelgemaakte fouten

  • Een toevallig voorteken (dat alleen in die maat geldt) verwarren met de vaste voortekening (die voor het hele stuk geldt).
  • De maataanduiding als een breuk uitrekenen; de twee getallen geven het aantal tellen en de teleenheid, niet een deling.

Actieve herhaling

Bekijk (of stel je voor) het begin van een genoteerd stuk met een kruis in de voortekening en een 3/4-maataanduiding. Benoem de toonsoort, het metrum en een dynamische of articulatieaanwijzing die je erin zou verwachten.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Syllabus muziek vwo — notatietekens (CvTE / Examenblad)

§ 03

De partituur en alternatieve notatievormen#

●●○StandaardLPexamenblad-muziek-notatie

Kernpunten

Een partituur toont alle stemmen van een stuk tegelijk, elke instrumentpartij op een eigen balk, onder elkaar en verticaal uitgelijnd zodat je ziet wat op elk moment samenklinkt. Afb. 3 toont de vaste instrumentvolgorde van een orkestpartituur, van boven naar beneden: eerst de houtblazers, dan de koperblazers, dan het slagwerk, en onderaan de strijkers. Binnen elke groep staan de hoogste instrumenten boven de lagere. Die vaste ordening maakt elke partituur herkenbaar.

De instrumentvolgorde in een partituur

De instrumentvolgorde in een partituurHoutblazers boven, koperblazers, slagwerk, strijkers onderaan.houtblazerskoperblazersslagwerkstrijkers
Afb. 3Afb. 3 — De vaste instrumentvolgorde van een orkestpartituur, van boven naar beneden: houtblazers, koperblazers, slagwerk, strijkers (accent). Binnen elke groep staan de hoge instrumenten boven de lage.
De balken die op een moment samenklinken, worden links met een accolade of streep tot een systeem verbonden; je leest een systeem van boven naar beneden (wat klinkt tegelijk) en dan verder naar rechts (wat volgt in de tijd). Bij een groot orkest is een systeem hoog, met tientallen balken; bij een lied of een pianostuk maar een paar. Het lezen van een partituur is het volgen van meerdere balken tegelijk, wat oefening vraagt maar het inzicht in de samenhang enorm vergroot.
Sommige instrumenten worden transponerend genoteerd: hun genoteerde noot klinkt anders dan geschreven. Een klarinet in Bes bijvoorbeeld klinkt een hele toon lager dan genoteerd, zodat de speler op verschillende klarinetten dezelfde greep kan gebruiken. Voor het globaal volgen van een partituur hoef je dit niet te herrekenen, maar het verklaart waarom de voortekening van een blaaspartij soms afwijkt van de rest — een detail dat je moet kennen om een partituur niet verkeerd te lezen.
Naast de klassieke notatie bestaan er praktischer notatievormen voor pop en jazz. Het leadsheet geeft alleen de melodie met daarboven akkoordsymbolen (bijvoorbeeld C, Am, F, G7): de musicus vult de begeleiding zelf in. Zo'n symbool codeert een heel akkoord in een paar tekens: de hoofdletter is de grondtoon, een kleine m betekent mineur, een 7 een septiemakkoord. Dit is de gebruikelijke notatie in de lichte muziek, waar improvisatie en eigen invulling centraal staan.
Voor tokkelinstrumenten bestaat de tabulatuur: geen toonhoogtenotatie, maar een greepschema dat aangeeft waar je je vingers op de snaren zet (welke fret op welke snaar). Tabulatuur is ouder dan je denkt (ook luitmuziek uit de renaissance gebruikte het) en vandaag populair voor gitaar. Deze alternatieve notaties tonen dat notatie altijd is aangepast aan het doel: een symfonie vraagt een volledige partituur, een popsong een leadsheet, een gitaarriff een tabulatuur. Op het examen herken je welke notatievorm bij welke muziek hoort.
Uitgewerkt voorbeeld

Akkoordsymbolen lezen

Lees de akkoordsymbolen Dm en G7: welke akkoorden zijn dit en welke tonen bevatten ze?

  1. 01Dm ontleden

    De hoofdletter D is de grondtoon; de kleine m betekent mineur.

  2. 02Dm bouwen

    De mineurdrieklank op D is D-F-A.

  3. 03G7 ontleden

    G is de grondtoon; de 7 betekent een dominant-septiemakkoord.

  4. 04G7 bouwen

    De majeurdrieklank G-B-D plus de kleine septiem F: G-B-D-F.

Resultaat: Dm is de mineurdrieklank D-F-A; G7 is het dominant-septiemakkoord G-B-D-F. Een leadsheet codeert zo elk akkoord in een kort symbool, dat de musicus zelf tot een begeleiding uitwerkt.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de instrumentvolgorde in een orkestpartituur (hout, koper, slagwerk, strijkers) kennen en een systeem lezen.
  • Examendoel: alternatieve notatie herkennen: het leadsheet met akkoordsymbolen en de tabulatuur.

Veelgemaakte fouten

  • De strijkers bovenaan de partituur verwachten; in de standaardvolgorde staan ze juist onderaan, onder hout, koper en slagwerk.
  • Een akkoordsymbool als een enkele noot lezen; het codeert een heel akkoord (grondtoon plus type, bijvoorbeeld G7).

Actieve herhaling

Beschrijf de instrumentvolgorde die je in een orkestpartituur van boven naar beneden verwacht. Lees daarna het akkoordsymbool Dm en G7: welke akkoorden zijn dit?

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Syllabus muziek vwo — partituur en alternatieve notatie (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01De notenbalk, de sleutels en de notennamen○
    • 02Notenwaarden, voortekening en maataanduiding in notatie◐
    • 03De partituur en alternatieve notatievormen◐

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Notatie en het lezen van een partituur

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~11
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Syllabus muziek vwo — notenbalk en sleutels

Vorig onderwerp

Waarnemen: gericht beluisteren en analyseren (de luistertoets)

Volgend onderwerp

Toonhoogte: toonladders, toonsoorten en intervallen

EuraStudy·Samenvattingen T·03·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.