EuraStudy
Samenvattingen/Lichamelijke opvoeding/Turnen
Samenvattingen · Lichamelijke opvoedingNL · VWO

Turnen

Turnen omvat springen, steunen en zwaaien, balanceren, rollen en salto's en acrobatiek. Je leert elke beweging in bewegingsfasen ontleden (aanloop, afzet, zweeffase, landing), technisch en veilig uitvoeren met correcte hulpverlening, en de kwaliteit van je turnen verbeteren via een bewegingsanalyse. Kernbegrippen zijn lichaamsspanning, zwaartepunt en steunvlak.

4 Onderdelen·~16 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0555 / 12
Examenprofiel
Turnvormen uitvoeren: springen, steunen/zwaaien, balanceren, rollen/salto's, acrobatiek (domein B)Bewegingen technisch verantwoord en veilig uitvoeren met correcte hulpverleningDe bewegingsfasen en kritische kenmerken van een turnelement herkennenDe kwaliteit van het eigen turnen verbeteren via bewegingsanalyse
Operatoren:beschrijfleg uitanalyseerpas toebeoordeel

basisniveau

In LO gaat het om veilig turnen, correct hulpverlenen en het uitvoeren van elementen op je eigen niveau.

verhoogd niveau

Binnen BSM maak je een uitgewerkte bewegingsanalyse van een turnelement en onderbouw je de kritische kenmerken.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Turnen
    • 01Turnvormen en de bewegingsfasen van een element○
    • 02De sprong: aanloop, afzet, zweeffase en landing◐
    • 03Hulpverlenen en veiligheid◐
    • 04Bewegingsanalyse en gericht verbeteren●
§ 01

Turnvormen en de bewegingsfasen van een element#

●○○BasisLPexamenblad-lo-domein-b-turnen

Kernpunten

Turnen is een verzamelnaam voor bewegingsvormen waarin je je eigen lichaam beheerst in de ruimte, vaak met of aan een toestel. De hoofdvormen zijn springen (bijvoorbeeld over de kast of vanaf de minitrampoline), steunen en zwaaien (rekstok, brug, ringen), balanceren (evenwichtsbalk, handstand), rollen en salto's (koprol, radslag, salto) en acrobatiek (piramides, partneroefeningen). Al deze vormen delen dezelfde uitdaging: je lichaam gecontroleerd door een baan bewegen met de juiste houding, spanning en timing.
Elk turnelement kun je opdelen in bewegingsfasen; Afb. 1 laat de vier fasen van een sprong zien. Meestal onderscheid je een voorbereiding (inzet of aanloop), een afzet (het moment waarop je kracht zet om los te komen of te draaien), een kern- of zweeffase (de hoofdactie in de lucht of het draaien) en een landing (gecontroleerd terechtkomen). Door in fasen te denken, kun je gericht kijken en oefenen: een mislukte landing komt vaak niet door de landing zelf, maar door een fout eerder in de beweging (een slappe afzet, een verkeerde zweefhouding).

De bewegingsfasen van een sprong

Bewegingsfasen van een sprongGraaf, Aanloop: snelheid opbouwen naar de afzet → Afzet: krachtig loskomen, snelheid omzetten in hoogte/rotatie, Afzet: krachtig loskomen, snelheid omzetten in hoogte/rotatie → Zweeffase: strakke houding, controle over de rotatie, Zweeffase: strakke houding, controle over de rotatie → Landing: gecontroleerd en veerkrachtig terechtkomenAanloop:snelheidopbouwen naar d…Afzet: krachtigloskomen,snelheid omzett…Zweeffase:strakke houding,controle over d…Landing:gecontroleerd enveerkrachtig te…
Afb. 1Afb. 1 — De vier bewegingsfasen van een sprong; een fout in een vroege fase verstoort de latere fasen.
In elke fase draait het om lichaamsspanning: het aanspannen van de spieren waardoor je lichaam een strakke, controleerbare eenheid wordt. Zonder spanning „lekt” energie weg en verlies je de controle over je houding — een slap lichaam draait onvoorspelbaar en landt onstabiel. Goede turners houden hun kern (buik en rug) gespannen gedurende de hele beweging, van afzet tot landing. Lichaamsspanning is daarmee misschien wel het belangrijkste, vaak onderschatte kernbegrip van het turnen.
Twee natuurkundige begrippen zijn onmisbaar om turnen te begrijpen: het zwaartepunt (het punt waar je gewicht als het ware in geconcentreerd is) en het steunvlak (het gebied waarop je steunt). Je bent stabiel zolang je zwaartepunt zich loodrecht boven je steunvlak bevindt; komt het zwaartepunt buiten het steunvlak, dan kantel je. Bij een handstand of op de balk moet je je zwaartepunt dus voortdurend boven je handen of voeten houden; bij een sprong of salto laat je het zwaartepunt juist een baan door de lucht beschrijven. Deze twee begrippen komen terug bij zowel balanceren als bij zelfverdediging.
Voor het schoolexamen moet je een turnelement in bewegingsfasen kunnen verdelen en per fase kunnen benoemen waar het op aankomt. Dat is de basis voor alles wat volgt: veilig hulpverlenen (je moet weten in welke fase de turner hulp nodig heeft) en verbeteren (je moet weten welke fase de fout veroorzaakt). Zo verbindt deze eerste stap het turnen met de leervaardigheden en de bewegingsanalyse van domein A.
Uitgewerkt voorbeeld

De handstand als stabiliteitsprobleem

Een leerling valt bij de handstand telkens voorover. Verklaar dit met de begrippen zwaartepunt en steunvlak en geef een aanwijzing.

  1. 01Bepaal het steunvlak

    Bij de handstand is het steunvlak het gebied tussen en onder de handen.

  2. 02Analyseer het zwaartepunt

    Voorover vallen betekent dat het zwaartepunt vóór het steunvlak (voorbij de handen) komt; je bent dan niet meer in evenwicht.

  3. 03Geef de aanwijzing

    Duw actief door de schouders en corrigeer met de vingers (kracht in de vingertoppen) om het zwaartepunt terug boven de handen te brengen, en houd de kern gespannen zodat het lichaam een rechte lijn blijft.

Resultaat: Het voorovervallen ontstaat doordat het zwaartepunt buiten het steunvlak komt; door door de schouders te duwen, met de vingers te corrigeren en spanning te houden, breng je het zwaartepunt terug boven de handen.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een turnelement in bewegingsfasen (aanloop/inzet, afzet, zweef-/kernfase, landing) verdelen en per fase het kernpunt benoemen.
  • Examendoel: de begrippen lichaamsspanning, zwaartepunt en steunvlak uitleggen en toepassen op stabiliteit bij turnen.

Veelgemaakte fouten

  • Een mislukte landing wijten aan de landing zelf, terwijl de oorzaak vaak eerder in de beweging zit (een slappe afzet of een verkeerde zweefhouding).
  • Lichaamsspanning verwaarlozen; een slap lichaam draait onvoorspelbaar en landt onstabiel, hoe goed de afzet ook was.

Actieve herhaling

Kies een turnelement dat je kent (bijvoorbeeld de koprol of de handstand) en verdeel het in bewegingsfasen. Benoem per fase één kernpunt en geef aan waar lichaamsspanning het belangrijkst is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein B (Turnen) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 02

De sprong: aanloop, afzet, zweeffase en landing#

●●○StandaardLPexamenblad-lo-domein-b-turnen

Kernpunten

De sprong is bij uitstek geschikt om de bewegingsfasen te leren, omdat elke fase duidelijk zichtbaar is. In de aanloop bouw je horizontale snelheid op; die snelheid is de „brandstof” voor de rest van de sprong. In de afzet zet je die horizontale snelheid deels om in hoogte (en bij salto's in rotatie): je zet krachtig en kort af, met een strekking van enkel, knie en heup en een actieve armzwaai omhoog. Een slappe of te lange afzet remt de beweging en verkleint de sprong — precies zoals bij het verspringen in atletiek.
Na de afzet volgt de zweeffase, waarin je zwaartepunt een baan door de lucht beschrijft. Zodra je los bent, kun je die baan niet meer veranderen: het zwaartepunt volgt een vaste, parabolische baan die volledig door de afzet is bepaald. Afb. 2 laat die baan zien — hij stijgt naar een hoogste punt en daalt weer symmetrisch. Wat je in de lucht nog wél kunt doen, is je lichaamshouding rond het zwaartepunt veranderen (strekken, hurken, draaien) om het element te vormen en de landing voor te bereiden. Dit onderscheid — de baan ligt vast, de houding niet — is een belangrijk natuurkundig inzicht.

De baan van het zwaartepunt bij een sprong

Parabolische baan van het zwaartepuntSchaubild von baan zwaartepunt, Nullstellen bei x = 0, 4.667, Hochpunkt bei (2.333, 1.633), y-Achsenabschnitt bei y = 0, im Bereich x von 0 bis 4.812340.511.52hoogste punt(zweeffase)afzetlandingbaan zwaartepunthoogtehorizontale afstand
Afb. 2Afb. 2 — Na de afzet beschrijft het zwaartepunt een vaste, parabolische baan; het hoogste punt ligt halverwege de zweeffase.
Omdat de baan van het zwaartepunt na de afzet vastligt, wordt de kwaliteit van de sprong grotendeels in de afzet bepaald. Wil je hoger of verder, dan moet je in de afzet meer snelheid omzetten in hoogte of afstand — je kunt dat niet in de lucht repareren. Dat verklaart waarom coaches zoveel nadruk leggen op een krachtige, goed getimede afzet: het is het laatste moment waarop je de sprong echt kunt beïnvloeden. Het hoogste punt van de baan (Afb. 2) valt precies halverwege de zweeffase; daar is je verticale snelheid even nul.
De landing sluit de sprong af en is uit veiligheidsoogpunt cruciaal. Je landt veerkrachtig: je vangt de klap op door door je enkels, knieën en heupen te buigen, zodat de kracht over een langere tijd en afstand wordt opgevangen (dezelfde reden waarom je bij een val niet met gestrekte benen neerkomt). Een goede landing is stil en stabiel: je zwaartepunt komt boven je steunvlak (je voeten) tot rust. Een landing met gestrekte, stijve benen of met het zwaartepunt buiten het steunvlak leidt tot doorzakken, omvallen of blessures.
Voor het examen moet je de vier fasen van een sprong kunnen beschrijven, de rol van de afzet kunnen uitleggen en het natuurkundige idee kunnen toepassen dat de baan van het zwaartepunt na de afzet vastligt. Ook moet je een veilige landing kunnen beschrijven en uitleggen waarom veerkrachtig landen blessures voorkomt. Zo koppel je de techniek van het turnen aan de fysica van beweging en aan blessurepreventie uit domein D.
Uitgewerkt voorbeeld

Waarom komt deze turner niet over de kast?

Een leerling neemt een goede aanloop maar zet met een lange, platte afzet af en haalt de kast net niet. Verklaar het probleem met de bewegingsfasen en geef een verbeteradvies.

  1. 01Lokaliseer de fase

    De aanloop is goed (voldoende snelheid), maar de afzet is lang en plat: er wordt weinig snelheid omgezet in hoogte.

  2. 02Verklaar met de baan

    Omdat de baan van het zwaartepunt na de afzet vastligt, bepaalt deze platte afzet een te lage baan; in de lucht is dat niet meer te herstellen.

  3. 03Geef het advies

    Zet korter en krachtiger af met een volledige strekking van enkel-knie-heup en een actieve armzwaai omhoog, zodat meer snelheid in hoogte wordt omgezet en de baan hoger wordt.

Resultaat: De turner haalt de kast niet door een platte afzet die te weinig hoogte geeft; omdat de baan na de afzet vastligt, moet de correctie in de afzet zelf zitten: korter, krachtiger en met meer verticale strekking.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de vier fasen van een sprong beschrijven en uitleggen waarom de kwaliteit van de sprong vooral in de afzet wordt bepaald.
  • Examendoel: uitleggen dat de baan van het zwaartepunt na de afzet vastligt en dat je in de lucht alleen nog je houding kunt veranderen.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat je in de lucht de baan van je zwaartepunt nog kunt veranderen; die ligt na de afzet vast — je kunt alleen je houding aanpassen.
  • Met gestrekte, stijve benen landen in plaats van veerkrachtig door enkels, knieën en heupen te buigen, waardoor de klap niet wordt opgevangen.

Actieve herhaling

Beschrijf bij een sprong over de kast wat er in elke fase moet gebeuren. Leg uit waarom een leerling die te kort afzet de kast niet goed haalt, en wat hij aan de afzet moet veranderen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — Turnen: springen en bewegingsanalyse (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 03

Hulpverlenen en veiligheid#

●●○StandaardLPexamenblad-lo-domein-b-turnen

Kernpunten

Veiligheid is bij turnen geen bijzaak maar een kernvaardigheid, omdat je met hoogte, rotatie en toestellen werkt. Twee begrippen staan centraal: helpen (of hulpverlenen) en vangen. Helpen betekent dat je de beweging van de turner mogelijk maakt of ondersteunt — je begeleidt bijvoorbeeld de rotatie of neemt een deel van het gewicht over zodat het element lukt. Vangen betekent dat je klaarstaat om in te grijpen als het misgaat, om een val of verkeerde landing te voorkomen. Afb. 3 zet per turnonderdeel het kernpunt en de bijbehorende hulpverlening op een rij.

Turnonderdelen: kernpunt en hulpverlening

Turnonderdelen en hulpverleningTabel met 4 kolommen en 5 rijen, Gegevens: onderdeel · voorbeeld · kernpunt · hulpverlening; springen · sprong over de kast, minitrampoline · krachtige afzet, strakke zweeffase, veerkrachtige landing · bij bovenarm/heup begeleiden bij de landing; steunen en zwaaien · rekstok, brug, ringen · strak lichaam, zwaaien vanuit de schouders · aan pols/rug ondersteunen, de kantelbeweging borgen; balanceren · evenwichtsbalk, handstand · spanning, zwaartepunt boven het steunvlak · dicht bijstaan, bij heup/bovenarm bijsturen; rollen en salto · koprol, radslag, salto · ronde rug of gestrekt lichaam, kin op de borst bij de koprol · nek/rug steunen; rotatie en landing borgen; acrobatiek · piramide, partneroefeningen · stevige basis, gelijkmatig belasten, communiceren · spotters bij de constructie, gecontroleerd op- en afbouwenONDERDEELVOORBEELDKERNPUNTHULPVERLENINGspringensprong over de kast,minitrampolinekrachtige afzet, strakkezweeffase, veerkrachtigelandingbij bovenarm/heup begeleidenbij de landingsteunen en zwaaienrekstok, brug, ringenstrak lichaam, zwaaienvanuit de schoudersaan pols/rug ondersteunen,de kantelbeweging borgenbalancerenevenwichtsbalk, handstandspanning, zwaartepunt bovenhet steunvlakdicht bijstaan, bij heup/bovenarm bijsturenrollen en saltokoprol, radslag, saltoronde rug of gestrektlichaam, kin op de borst bijde koprolnek/rug steunen; rotatie enlanding borgenacrobatiekpiramide, partneroefeningenstevige basis, gelijkmatigbelasten, communicerenspotters bij de constructie,gecontroleerd op-en afbouwen
Afb. 3Afb. 3 — Per turnonderdeel het belangrijkste kernpunt en de passende hulpverlening.
Goed hulpverlenen vraagt dat je op de juiste plek staat op het juiste moment. Je moet weten in welke fase van de beweging de turner hulp of bescherming nodig heeft (meestal rond de kern- en landingsfase) en je daar vóór die fase al opstellen. Je grijpt de turner op een stevig, veilig punt vast (bijvoorbeeld bij de bovenarm, de rug of de heup, dicht bij het zwaartepunt) en beweegt met de turner mee. Te ver weg staan maakt hulpverlenen onmogelijk; te dichtbij of op de verkeerde plek kan de beweging juist hinderen of gevaarlijk zijn.
Veiligheid regel je ook door de omgeving en de opbouw. Je zorgt voor voldoende en juist gelegde matten (dik genoeg, aansluitend, zonder gaten waar een voet in kan blijven haken), controleert of de toestellen goed vaststaan en houdt de landingszone vrij. Even belangrijk is de progressieopbouw: je bouwt de moeilijkheid stap voor stap op, van een makkelijke vooroefening naar het complete element. Zo leert de turner het element beheersen vóór het risico groot wordt — hetzelfde principe als de trainingsopbouw uit domein D, hier toegepast op veiligheid.
Hulpverlenen is bovendien een vorm van samenwerken en vertrouwen, en dus ook een leerrol (domein A en C). De helper moet betrouwbaar zijn: goed opletten, niet loslaten voordat het veilig is, en communiceren met de turner (afspreken wat je gaat doen, een startsignaal geven). De turner op zijn beurt moet de helper vertrouwen en de afgesproken beweging maken. Dit maakt hulpverlenen tot een uitgelezen manier om verantwoordelijkheid te leren dragen voor de veiligheid van een ander — een competentie die bij het schoolexamen wordt beoordeeld.
Voor het examen moet je correct kunnen hulpverlenen bij de turnonderdelen die je beoefent, en kunnen uitleggen waar en waarom je op een bepaalde plek staat. Ook moet je de veiligheidsmaatregelen kunnen benoemen (matten, toestelcontrole, vrije landingszone, progressie). Een leerling die dit beheerst, kan niet alleen zelf veilig turnen maar ook een medeleerling veilig laten turnen — precies de brug naar het regelen en begeleiden van domein C.
Uitgewerkt voorbeeld

Hulpverlenen bij de koprol voorover

Een leerling durft de koprol voorover niet omdat hij bang is op zijn nek te komen. Beschrijf een veilige hulpverlening en opbouw.

  1. 01Zorg voor de opbouw

    Begin met een vooroefening (hurken, kin op de borst, ronde rug) op een dikke mat, eventueel vanaf een lichte helling zodat de rol vanzelf op gang komt.

  2. 02Kies plaats en greep

    Sta zijdelings naast de leerling; leg één hand in de nek om het hoofd naar de borst te geleiden en de andere onder de rug/heup om de rol te ondersteunen.

  3. 03Grijp in de kritische fase

    Begeleid juist in het begin van de rol (het inrollen), wanneer het gevaar op de nek terechtkomen het grootst is, en laat pas los als de leerling veilig over de rug rolt.

Resultaat: Door een goede opbouw (vooroefening, dikke mat, eventueel helling) en gerichte hulpverlening (hand in de nek, hand onder de rug, ingrijpen bij het inrollen) wordt de koprol veilig en overwint de leerling zijn angst.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het verschil tussen helpen en vangen uitleggen en per turnonderdeel de juiste hulpverlening beschrijven (plaats, moment, greep).
  • Examendoel: de veiligheidsmaatregelen bij turnen benoemen (matgebruik, toestelcontrole, vrije zone, progressieopbouw) en het belang ervan uitleggen.

Veelgemaakte fouten

  • Te ver van de turner af gaan staan of pas reageren als het al misgaat, in plaats van je vóór de kritische fase op de juiste plek op te stellen.
  • De moeilijkheid te snel opvoeren zonder progressieopbouw, waardoor de turner het element nog niet beheerst als het risico groot wordt.

Actieve herhaling

Beschrijf hoe je hulpverleent bij een salto voorover op de minitrampoline: waar sta je, waar pak je vast, in welke fase grijp je in, en welke matopbouw gebruik je?

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — Turnen: veiligheid en hulpverlening (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 04

Bewegingsanalyse en gericht verbeteren#

●●●VerdiepingLPexamenblad-lo-domein-b-turnen

Kernpunten

Turnen leent zich bij uitstek voor bewegingsanalyse, omdat de bewegingen relatief gesloten zijn (in een stabiele omgeving) en dus goed te herhalen en te vergelijken. Je analyseert een element door het in bewegingsfasen te knippen en per fase de kritische kenmerken te beoordelen — precies de werkwijze uit domein A. Bij een radslag bijvoorbeeld: de inzet (strekken, richting bepalen), de doorzwaai (gestrekte benen, gewicht over de handen), en de afsluiting (gecontroleerd op de voeten). Je zoekt naar de twee of drie kenmerken die het meeste effect hebben, niet naar elke kleine afwijking.
Video is bij turnen een krachtig hulpmiddel, omdat je snelle bewegingen vertraagd of beeld voor beeld kunt terugkijken. Zo zie je dingen die je met het blote oog mist: het exacte moment van de afzet, de houding op het hoogste punt, of de benen echt gestrekt zijn. Belangrijk blijft de scheiding tussen waarnemen (wat zie ik feitelijk?) en beoordelen/verklaren (wat wijkt af en waardoor?). Wie meteen oordeelt, mist vaak de echte oorzaak — die zit, zoals gezegd, vaak een fase eerder dan waar de fout zichtbaar wordt.
Veel voorkomende problemen bij turnen hebben herkenbare oorzaken. Onvoldoende lichaamsspanning leidt tot een slap, onbeheerst element; te weinig snelheid of een verkeerde afzet geeft te weinig hoogte of rotatie; een verkeerde houding op het hoogste punt verstoort de landing. Door telkens terug te redeneren van het zichtbare probleem (bijvoorbeeld „hij komt te ver door bij de landing”) naar de vermoedelijke oorzaak (bijvoorbeeld „te veel voorwaartse snelheid in de afzet, of te laat openen”), kom je tot een gericht verbeterpunt in plaats van een algemene opmerking.
Uit de analyse volgt altijd een concrete oefenkeuze. Ligt de oorzaak in de afzet, dan oefen je de afzet apart (bijvoorbeeld afzetten vanaf een verhoging of op een teken); zit het in de lichaamsspanning, dan doe je spanningsoefeningen (de hele beweging in „plankhouding”); zit het in de rotatie, dan oefen je met meer of minder inzet. Je bouwt bovendien progressie in: eerst de deelbeweging beheersen, dan pas het complete element. Zo sluit de cirkel van bewegen verbeteren: waarnemen leidt tot verklaren, verklaren tot een oefenkeuze, en het oefenen tot een nieuwe meting.
Voor het examen — en zeker binnen BSM — moet je een turnelement volledig kunnen analyseren: het faseren, de kritische kenmerken benoemen, het probleem waarnemen en verklaren, en een onderbouwd verbeteradvies met een passende oefening geven. Dit is de meest complete toepassing van de leervaardigheden uit domein A, en tegelijk de basis voor het lesgeven en coachen van anderen in domein C.
Uitgewerkt voorbeeld

Analyse van een salto met te korte rotatie

Een turner maakt een salto voorover op de minitrampoline maar draait telkens net niet rond en landt op zijn knieën. Maak een bewegingsanalyse en geef een verbeteradvies.

  1. 01Faseer en observeer

    Afzet – inzet rotatie – zweeffase – landing; op video zie je een krachtige afzet maar een pas laat en slechts half ingezette hurkhouding.

  2. 02Verklaar

    De rotatie wordt te laat en te weinig ingezet: door pas laat en niet strak genoeg te hurken, draait het lichaam te langzaam en is de salto niet rond voor de landing.

  3. 03Kies een oefening

    Oefen het snel en strak inzetten van de hurkhouding direct na de afzet (bijvoorbeeld met een gerichte instructie „knieën snel naar de borst”), eventueel met hulpverlening die de rotatie borgt en een dikke landingsmat.

Resultaat: De salto is te kort door een te late, te losse rotatie-inzet; het advies richt zich op het snel en strak inzetten van de hurkhouding direct na de afzet, veilig geoefend met hulpverlening en een dikke mat.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een turnelement faseren, de kritische kenmerken per fase benoemen en een probleem waarnemen, verklaren en van een verbeteradvies voorzien.
  • Examendoel: bij een gegeven fout terugredeneren naar de vermoedelijke oorzaak (vaak een fase eerder) en er een gerichte oefening bij kiezen.

Veelgemaakte fouten

  • Waarnemen en oordelen door elkaar halen (meteen zeggen „dat is fout”), waardoor je de echte oorzaak van het probleem mist.
  • Een verbeterpunt te algemeen formuleren („beter je best doen”) in plaats van een concreet kritisch kenmerk met een passende oefening te benoemen.

Actieve herhaling

Maak een bewegingsanalyse van de radslag: verdeel hem in fasen, benoem per fase een kritisch kenmerk, beschrijf één veelgemaakte fout met de vermoedelijke oorzaak en kies er een gerichte oefening bij.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — Turnen: bewegingsanalyse en verbeteren (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Turnvormen en de bewegingsfasen van een element○
    • 02De sprong: aanloop, afzet, zweeffase en landing◐
    • 03Hulpverlenen en veiligheid◐
    • 04Bewegingsanalyse en gericht verbeteren●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Turnen

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~16
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

College voor Toetsen en Examens (CvTE)

  • Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein B (Turnen)

Vorig onderwerp

Spel: slag- en loopspelen

Volgend onderwerp

Atletiek

EuraStudy·Samenvattingen T·05·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.