EuraStudy
Samenvattingen/Lichamelijke opvoeding/Atletiek
Samenvattingen · Lichamelijke opvoedingNL · VWO

Atletiek

Atletiek bestaat uit lopen (sprint, duurloop, horden), springen (ver, hoog) en werpen (o.a. kogel). Je leert de techniek per onderdeel, de fasen van een sprint en het snelheid-tijdverloop, de optimale afzethoek bij springen en werpen, en het verstandig verdelen van je inspanning (pacing). Meten, analyseren en verbeteren staan centraal.

4 Onderdelen·~16 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0666 / 12
Examenprofiel
Loop-, spring- en werponderdelen technisch verantwoord uitvoeren (domein B)De sprintfasen en het snelheid-tijdverloop begrijpen en toepassenDe invloed van de afzethoek op de dracht bij springen en werpen uitleggenDe eigen prestatie meten, analyseren en met pacing verbeteren
Operatoren:berekenmeetbeschrijfleg uitanalyseerverklaar

basisniveau

In LO gaat het om verantwoord en op je eigen niveau lopen, springen en werpen, en je prestatie meten.

verhoogd niveau

Binnen BSM reken en redeneer je met snelheid-tijddiagrammen, de afzethoek en pacing op examenniveau.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Atletiek
    • 01Onderdelen van atletiek en het meten van prestaties○
    • 02Lopen: sprintfasen en pacing bij duurlopen◐
    • 03Springen en werpen: afzet, afzethoek en de baan◐
    • 04Prestatie analyseren en pacing●
§ 01

Onderdelen van atletiek en het meten van prestaties#

●○○BasisLPexamenblad-lo-domein-b-atletiek

Kernpunten

Atletiek is de verzameling van de meest elementaire bewegingsvormen: lopen, springen en werpen. Afb. 1 geeft een overzicht met per onderdeel de kern van de techniek. Bij lopen onderscheid je de sprint (kortdurend en maximaal, zoals de 100 m), de duurloop (langdurig en op tempo, zoals de 1500 m of een cross) en de horden (sprinten met een vast ritme over hindernissen). Bij springen gaat het om verspringen (zo ver mogelijk) en hoogspringen (zo hoog mogelijk); bij werpen om onder meer het kogelstoten. Elk onderdeel stelt eigen eisen, maar ze delen dezelfde meetbare doelen: sneller, verder of hoger.

Onderdelen van atletiek

AtletiekonderdelenTabel met 3 kolommen en 6 rijen, Gegevens: onderdeel · voorbeelden · kern van de techniek; sprint · 100 m, 200 m · explosieve start, hoge pasfrequentie, ontspannen topsnelheid; duurloop · 1500 m, cross · gelijkmatige pacing, efficiënte pas, rustige ademhaling; horden · 100/110 m horden · vast ritme tussen de horden, lage horde-actie; verspringen · ver · snelle aanloop, actieve afzet onder het lichaam; hoogspringen · hoog · gebogen aanloop, verticale afzet, brugvorm over de lat; kogelstoten · kogel · stoten (niet werpen); kracht van benen via romp naar arm; afstoothoek rond 40°ONDERDEELVOORBEELDENKERN VAN DE TECHNIEKsprint100 m, 200 mexplosieve start, hogepasfrequentie, ontspannentopsnelheidduurloop1500 m, crossgelijkmatige pacing,efficiënte pas, rustigeademhalinghorden100/110 m hordenvast ritme tussen de horden,lage horde-actieverspringenversnelle aanloop, actieveafzet onder het lichaamhoogspringenhooggebogen aanloop, verticaleafzet, brugvorm over de latkogelstotenkogelstoten (niet werpen); krachtvan benen via romp naar arm;afstoothoek rond 40°
Afb. 1Afb. 1 — De atletiekonderdelen met voorbeelden en de kern van hun techniek.
Kenmerkend voor atletiek is dat de prestatie objectief meetbaar is: een tijd in seconden, een afstand of hoogte in meters. Dat maakt atletiek ideaal om te leren meten, vergelijken en verbeteren. Je meet nauwkeurig (bijvoorbeeld met een stopwatch of meetlint), je legt je resultaten vast en je vergelijkt ze met eerdere metingen of met een norm. Omdat de uitkomst hard is, kun je precies zien of een technische aanpassing werkt — een groot voordeel bij bewegingsanalyse ten opzichte van spelsporten, waar de „prestatie” veel lastiger te meten is.
De onderdelen verschillen sterk in de aard van de inspanning, en dat bepaalt hoe je ze aanpakt. Een sprint is een explosieve, maximale inspanning van enkele seconden waarbij je alles geeft; een duurloop is een volgehouden inspanning van minuten waarbij het juist om verdelen gaat. Deze tegenstelling — kort en maximaal versus lang en gedoseerd — hangt direct samen met de energiesystemen uit domein D: een sprint draait op de snelle, anaerobe systemen, een duurloop op het aerobe systeem. Zo verbindt atletiek de bewegingstechniek met de inspanningsfysiologie.
Bij het meten hoort ook het correct interpreteren van de getallen. Een tijd van 13,2 s op de 100 m zegt weinig zonder context: is het de tussentijd of de eindtijd, met of zonder rugwind, na een goede of slechte start? Een eerlijke prestatiemeting benoemt de omstandigheden. Ook let je op de betrouwbaarheid: één meting kan toeval zijn, dus je meet bij voorkeur meerdere keren en kijkt naar het gemiddelde en de spreiding. Dit meet- en interpreteerbesef is een vaardigheid die je ook in andere vakken (natuurkunde, wiskunde) tegenkomt.
Voor het schoolexamen moet je de onderdelen kunnen benoemen met hun kern, en je eigen prestatie kunnen meten, vastleggen en interpreteren. Dat vormt de basis voor de volgende onderdelen, waarin je de techniek van lopen, springen en werpen preciezer analyseert en met eenvoudige natuurkunde (snelheid, afzethoek, baan) onderbouwt waarom een bepaalde techniek tot een betere prestatie leidt.
Uitgewerkt voorbeeld

Een sprinttijd interpreteren

Twee leerlingen lopen de 60 m: leerling A in 8,9 s met stevige tegenwind, leerling B in 8,7 s met rugwind. Wie was de betere sprinter? Onderbouw je antwoord.

  1. 01Vergelijk de kale tijden

    B is met 8,7 s sneller dan A met 8,9 s — op het oog is B beter.

  2. 02Betrek de omstandigheden

    A liep tegen de wind in (nadeel), B met de wind mee (voordeel); de wind beïnvloedt de tijd merkbaar.

  3. 03Concludeer voorzichtig

    De tijden zijn niet zomaar vergelijkbaar: onder gelijke omstandigheden zou A relatief beter kunnen zijn dan de kale tijd suggereert. Een eerlijke conclusie vereist gelijke condities of een windcorrectie.

Resultaat: Je kunt de twee tijden niet zonder meer vergelijken: A liep met tegenwind en B met rugwind, dus de omstandigheden vertekenen het beeld — prestaties interpreteer je altijd met de condities erbij.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de atletiekonderdelen (sprint, duurloop, horden, ver, hoog, kogel) benoemen met de kern van hun techniek.
  • Examendoel: een prestatie correct meten en interpreteren (omstandigheden, betrouwbaarheid) en het verschil tussen een maximale (sprint) en een gedoseerde (duurloop) inspanning uitleggen.

Veelgemaakte fouten

  • Een gemeten tijd of afstand als absoluut zien zonder de omstandigheden (wind, start, tussentijd) en de betrouwbaarheid (één meting versus meerdere) te benoemen.
  • Een sprint en een duurloop op dezelfde manier aanpakken; de een vraagt alles geven, de ander juist verdelen — ze steunen op verschillende energiesystemen.

Actieve herhaling

Meet (in gedachten of echt) je tijd op een korte sprintafstand twee keer. Beschrijf de omstandigheden, bereken het gemiddelde en leg uit waarom je meer dan één meting doet.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein B (Atletiek) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 02

Lopen: sprintfasen en pacing bij duurlopen#

●●○StandaardLPexamenblad-lo-domein-b-atletiek

Kernpunten

Een sprint verloopt in herkenbare fasen; Afb. 2 zet ze op een rij. Na de reactie op het startsignaal volgt de acceleratiefase: je duwt je met korte, krachtige passen en een voorovergebogen lichaam op gang. Daarna bereik je de topsnelheidsfase, waarin je zo hoog mogelijke snelheid haalt met een rechtere houding en een hoge pasfrequentie. In de laatste fase, het snelheidsbehoud, gaat het erom de topsnelheid zo lang mogelijk vast te houden; over de allerlaatste meters daalt de snelheid bij de meeste lopers zelfs licht (de spieren raken uitgeput).

De fasen van een sprint

SprintfasenGraaf, Reactie: reageren op het startsignaal → Acceleratie: krachtig op gang komen, voorovergebogen, Acceleratie: krachtig op gang komen, voorovergebogen → Topsnelheid: hoge pasfrequentie, rechter houding, Topsnelheid: hoge pasfrequentie, rechter houding → Snelheidsbehoud: topsnelheid zo lang mogelijk vasthoudenReactie:reageren op hetstartsignaalAcceleratie:krachtig op gangkomen, voorover…Topsnelheid:hogepasfrequentie, …Snelheidsbehoud:topsnelheid zolang mogelijk v…
Afb. 2Afb. 2 — De vier fasen van een sprint, van reactie op het startschot tot snelheidsbehoud.
Het snelheid-tijdverloop van een sprint is leerzaam om te tekenen (Afb. 3). De snelheid stijgt eerst snel (grote versnelling in de acceleratiefase), buigt daarna af en nadert een plateau: de topsnelheid. Kenmerkend is dat je niet meteen op topsnelheid bent — die bereik je pas na tientallen meters. Daarom is bij korte sprints (zoals de 60 m) de start en de acceleratie relatief belangrijker dan bij langere sprints, waar je meer tijd op topsnelheid doorbrengt. Dit verklaart waarom sprinters zoveel oefenen op hun start en acceleratie.

Snelheid-tijddiagram van een sprint

Snelheid-tijdverloop van een sprintSchaubild von snelheid, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 1024681024681012acceleratietopsnelheidsnelheidsnelheid (m/s)tijd (s)
Afb. 3Afb. 3 — De snelheid stijgt in de acceleratiefase snel en nadert daarna de topsnelheid (het plateau).
Bij duurlopen draait alles niet om maximale snelheid maar om het verdelen van de inspanning: pacing. Afb. 4 vergelijkt twee strategieën. Wie te snel start, put zich vroeg uit en zakt daarna ver terug; wie een gelijkmatig tempo aanhoudt dat hij kan volhouden, is over de hele afstand vaak sneller. De reden is fysiologisch: te hard van start gaan drijft je ver in het anaerobe gebied, waardoor er verzuring optreedt die je tempo later sterk remt. Een gelijkmatig, vol te houden tempo houdt je zoveel mogelijk in het aerobe gebied.
Goede pacing vraagt zelfkennis en gevoel voor tempo. Je moet weten welk tempo je over de hele afstand kunt volhouden en dat vanaf het begin aanhouden, ook al voel je je in het begin nog fris (de valkuil is juist dan te hard te gaan). Ervaren duurlopers verdelen hun kracht zó dat ze op het einde nog een restje over hebben voor een eindsprint, maar niet zo veel dat ze te langzaam liepen. Dit gevoel ontwikkel je door te oefenen met tempolopen en door je tussentijden te meten en te vergelijken met je plan.
Voor het examen moet je de sprintfasen kunnen beschrijven, een snelheid-tijddiagram kunnen lezen en het belang van pacing kunnen uitleggen en onderbouwen met de energiesystemen (domein D). Een veelgevraagde redenering is: waarom is gelijkmatig lopen bij een duurloop meestal sneller dan hard starten? Het antwoord verbindt de techniek (tempoverdeling) met de fysiologie (aeroob versus anaeroob) — precies het soort integratie dat op examenniveau (BSM) wordt gevraagd.
Uitgewerkt voorbeeld

Gemiddelde snelheid bij een sprint

Een leerling loopt de 100 m in 12,5 s. Bereken zijn gemiddelde snelheid en leg uit waarom zijn topsnelheid hoger ligt dan deze gemiddelde snelheid.

  1. 01Kies de formule

    Gemiddelde snelheid = afstand ÷ tijd.

    vgem=stv_{gem} = \dfrac{s}{t}vgem​=ts​
  2. 02Vul in

    v = 100 m ÷ 12,5 s = 8,0 m/s.

  3. 03Verklaar het verschil met de topsnelheid

    In de eerste seconden is de snelheid nog laag (acceleratiefase); die trage start drukt het gemiddelde. De topsnelheid, bereikt na tientallen meters, ligt daardoor duidelijk boven de 8,0 m/s.

Resultaat: De gemiddelde snelheid is 8,0 m/s; de topsnelheid ligt hoger omdat de trage acceleratiefase het gemiddelde over de hele 100 m omlaag haalt.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de sprintfasen (reactie, acceleratie, topsnelheid, snelheidsbehoud) beschrijven en een snelheid-tijddiagram van een sprint lezen.
  • Examendoel: uitleggen waarom gelijkmatige pacing bij een duurloop meestal sneller is dan hard starten, met een koppeling aan de energiesystemen.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat een sprinter meteen op topsnelheid is; de topsnelheid wordt pas na tientallen meters bereikt, na een duidelijke acceleratiefase.
  • Bij een duurloop te hard van start gaan omdat je je fris voelt, waardoor je vroeg verzuurt en later ver terugzakt.

Actieve herhaling

Teken globaal het snelheid-tijddiagram van een 100 m-sprint en markeer de acceleratiefase en de topsnelheid. Leg daarna uit waarom een 1500 m-loper juist een vlak tempoverloop nastreeft.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — Atletiek: lopen (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 03

Springen en werpen: afzet, afzethoek en de baan#

●●○StandaardLPexamenblad-lo-domein-b-atletiek

Dracht als functie van de afzethoek

Dracht tegen afzethoek (v = 10 m/s)Schaubild von dracht, Nullstellen bei x = 0, Hochpunkt bei (45, 10.2), y-Achsenabschnitt bei y = 0, im Bereich x von 0 bis 9020406080246810maximum bij 45°drachtdracht (m)afzethoek (graden)
Afb. 4Afb. 5 — Bij gelijke start- en landingshoogte is de dracht maximaal bij een afzethoek van 45°; de boog is symmetrisch rond die hoek.

Kernpunten

Bij springen en werpen bepaalt de afzet (of afstoot) bijna alles: de snelheid en de hoek waarmee je het lichaam of het voorwerp de lucht in stuurt. Zoals bij turnen geldt dat de baan na het loslaten vastligt en een parabool volgt. Twee dingen bepalen hoe ver die baan reikt: de snelheid waarmee je loslaat (hoe groter, hoe verder) en de afzet- of afstoothoek. Voor de afstand telt bovendien de horizontale snelheid uit de aanloop: bij verspringen zet je een grote aanloopsnelheid om in een sprong.
De invloed van de hoek is verrassend en examen-relevant. Voor een voorwerp dat op dezelfde hoogte vertrekt en landt, is de dracht (horizontale afstand) maximaal bij een afzethoek van 45°, zoals Afb. 5 laat zien. Bij een kleinere of grotere hoek reikt de baan minder ver: te vlak (kleine hoek) mist hoogte en dus vluchttijd, te steil (grote hoek) gaat vooral omhoog in plaats van vooruit. De grafiek van de dracht tegen de hoek is een symmetrische boog met een top precies bij 45°.
In de praktijk zijn de ideale hoeken vaak lager dan 45°, en het is belangrijk om te snappen waarom. Ten eerste vertrekt een kogel of een springer meestal van boven de grond (de afstoot gebeurt op schouderhoogte), waardoor een iets vlakkere hoek verder komt. Ten tweede kun je een lichaam of kogel niet even hard wegduwen onder elke hoek: bij een steile hoek lever je minder snelheid. Daarom liggen de werkelijke optimale hoeken bij kogelstoten rond de 40° en is de afzet bij verspringen nog vlakker (rond 20°), omdat je bij verspringen vooral je grote aanloopsnelheid wilt behouden. De 45°-regel is dus een ideaal onder vereenvoudigde aannames, geen wet die je klakkeloos toepast.
De formule voor de dracht bij gelijke start- en landingshoogte vat dit samen: de afstand hangt af van het kwadraat van de snelheid en van sin(2θ), die maximaal is bij θ = 45°. Deze formule laat twee dingen zien. Ten eerste weegt de snelheid het zwaarst: omdat de snelheid gekwadrateerd meetelt, levert harder wegduwen veel meer op dan alleen de hoek optimaliseren. Ten tweede is de hoekinvloed symmetrisch rond 45°: 40° en 50° geven exact dezelfde dracht (sin(80°) = sin(100°)). Dit is precies het soort kwantitatieve redenering dat op examenniveau wordt gevraagd.
Voor het examen moet je de rol van snelheid en afzethoek kunnen uitleggen, de 45°-regel kennen én kunnen relativeren (waarom de praktijk lager ligt), en er eenvoudig mee kunnen rekenen. Ook moet je een spring- of werptechniek kunnen analyseren met de bewegingsfasen (aanloop, afzet, vlucht, landing) en aangeven welke fase de meeste winst oplevert — meestal de afzet, omdat die de snelheid én de hoek bepaalt en de baan daarna vastligt.
R=v2⋅sin⁡(2θ)gR = \dfrac{v^{2} \cdot \sin(2\theta)}{g}R=gv2⋅sin(2θ)​

Dracht bij gelijke start- en landingshoogte

R is de horizontale afstand (dracht), v de beginsnelheid, θ de afzethoek en g de valversnelling (≈ 9,8 m/s²). sin(2θ) is maximaal (= 1) bij θ = 45°. Geldig onder de vereenvoudiging dat het voorwerp op dezelfde hoogte vertrekt en landt en zonder luchtweerstand.

Uitgewerkt voorbeeld

Dracht bij 45° berekenen

Een kogel verlaat de hand met 10 m/s onder een hoek van 45° (op grondniveau, luchtweerstand verwaarloosd). Bereken de dracht. Neem g = 9,8 m/s².

  1. 01Kies de formule

    Gebruik de drachtformule voor gelijke start- en landingshoogte.

    R=v2sin⁡(2θ)gR = \dfrac{v^{2}\sin(2\theta)}{g}R=gv2sin(2θ)​
  2. 02Vul in

    v = 10 m/s, θ = 45°, dus sin(2·45°) = sin(90°) = 1; g = 9,8 m/s².

  3. 03Reken uit

    R = (10² · 1) ÷ 9,8 = 100 ÷ 9,8 ≈ 10,2 m.

Resultaat: De dracht is ongeveer 10,2 m. Merk op: dit is het maximum voor deze snelheid — bij elke andere hoek (bij dezelfde 10 m/s) komt de kogel minder ver.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: uitleggen dat de dracht bij gelijke hoogte maximaal is bij 45° en waarom de praktische optima (kogel ~40°, ver ~20°) lager liggen.
  • Examendoel: met de drachtformule redeneren dat de snelheid gekwadrateerd meetelt en dat de hoekinvloed symmetrisch rond 45° is.

Veelgemaakte fouten

  • De 45°-regel klakkeloos toepassen op elke situatie; door de afstoothoogte boven de grond en de lagere snelheid bij steile hoeken liggen de praktische optima lager.
  • Denken dat de hoek belangrijker is dan de snelheid; omdat de snelheid gekwadrateerd in de dracht zit, levert harder wegduwen meestal meer op dan de hoek fijn afstellen.

Actieve herhaling

Leg met de drachtformule uit waarom een kogel die je onder 40° of onder 50° wegstoot (bij gelijke snelheid) even ver komt. Verklaar daarna waarom bij kogelstoten in de praktijk toch iets onder de 45° wordt gestoten.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — Atletiek: springen en werpen (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 04

Prestatie analyseren en pacing#

●●●VerdiepingLPexamenblad-lo-domein-b-atletiek

Pacing: gelijkmatig versus te snel gestart

Twee pacingstrategieënSchaubild von gelijkmatig tempo, y-Achsenabschnitt bei y = 5, im Bereich x von 0 bis 10, Schaubild von te snel gestart, y-Achsenabschnitt bei y = 8, fallend, im Bereich x von 0 bis 102468102468hier gaat degelijkmatige lope…gelijkmatigtempote snel gestartsnelheid (m/s)tijd
Afb. 5Afb. 6 — De te snelle starter ligt eerst voor maar zakt weg; voorbij het kruispunt is de gelijkmatige loper sneller — en over de hele afstand meestal het snelst.

Kernpunten

Omdat atletiekprestaties hard meetbaar zijn, kun je er scherp op analyseren en verbeteren. Je meet niet alleen de eindprestatie, maar liefst ook tussentijden of deelmetingen (bijvoorbeeld de reactietijd, de tijd over de eerste 30 m, de aanloopsnelheid). Zo lokaliseer je waar winst te halen is: verlies je vooral tijd bij de start, op de topsnelheid, of in het snelheidsbehoud? Deze op meting gebaseerde analyse is objectiever dan alleen naar de beweging kijken en past goed bij de leervaardigheden van domein A.
Bij duurlopen is pacing de belangrijkste te analyseren variabele. Afb. 6 vergelijkt twee lopers: de een start te snel en zakt daarna terug, de ander houdt een gelijkmatig tempo aan. In het begin lijkt de snelle starter voor te liggen, maar op het punt waar de curven elkaar kruisen wordt de gelijkmatige loper sneller — en over de hele afstand legt die vaak de kortste tijd neer. De verklaring is fysiologisch: te hard starten drijft je vroeg in het anaerobe gebied, waar verzuring optreedt die je latere tempo sterk remt.
Een goede tempoanalyse kijkt daarom naar het verloop, niet alleen naar de eindtijd. Vlakke tussentijden wijzen op goede pacing; sterk oplopende tussentijden (steeds trager) verraden een te snelle start. Op basis daarvan pas je je plan aan: bij een volgende poging start je bewust rustiger en houd je je aan een vooraf bepaald streeftempo. Sommige lopers gebruiken zelfs een licht negatieve split (de tweede helft iets sneller dan de eerste), wat vaak tot de beste eindtijd leidt omdat je nooit vroeg verzuurt.
Analyse en verbetering vormen samen een cyclus, precies zoals bij het zelfregulerend leren uit domein A: je stelt een doel (streeftempo of streeftijd), voert het uit, meet het resultaat (tussentijden), analyseert de afwijking en past je plan aan. Door dit herhaald te doen, ontwikkel je zowel je tempogevoel als je techniek. Belangrijk is dat je de juiste conclusie trekt: een tegenvallende tijd door te snel starten vraagt een andere aanpassing (rustiger beginnen) dan een tegenvallende tijd door een slechte techniek (techniek oefenen).
Voor het examen — en zeker binnen BSM — moet je een atletiekprestatie kunnen analyseren met meetgegevens en er een onderbouwd verbeterplan bij maken. Je koppelt daarbij techniek (start, afzet, pas), fysiologie (energiesystemen, verzuring) en tactiek (pacing) aan elkaar. Zo is atletiek het onderdeel waarin bewegen verbeteren (A), bewegen en gezondheid (D) en het meten en redeneren het meest zichtbaar samenkomen.
Uitgewerkt voorbeeld

Een pacingplan maken voor de 1000 m

Je wilt de 1000 m in 4 minuten (240 s) lopen. Bereken het benodigde gemiddelde tempo en beschrijf hoe je de tussentijden verdeelt voor een goede pacing.

  1. 01Bereken het gemiddelde tempo

    240 s ÷ 1000 m = 0,24 s per meter, oftewel 240 s ÷ 10 = 24 s per 100 m; per 200 m is dat 48 s.

  2. 02Verdeel gelijkmatig

    Streef naar vlakke tussentijden van ongeveer 48 s per 200 m in plaats van de eerste 200 m in 42 s (te snel) en de laatste in 55 s (ingezakt).

  3. 03Bouw een reserve in

    Loop de eerste helft licht gecontroleerd (iets boven 48 s per 200 m mag), zodat je op het einde nog een eindsprint over hebt (een lichte negatieve split).

Resultaat: Voor 4 minuten op de 1000 m loop je gemiddeld 24 s per 100 m (48 s per 200 m); met vlakke tussentijden en een klein reserve voor het einde voorkom je vroege verzuring en haal je de tijd het betrouwbaarst.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een atletiekprestatie analyseren met tussentijden/deelmetingen en aangeven waar winst te halen is.
  • Examendoel: uit een tempoverloop (vlakke of oplopende tussentijden) de pacingstrategie beoordelen en een onderbouwd verbeterplan geven.

Veelgemaakte fouten

  • Alleen de eindtijd analyseren; juist de tussentijden laten zien wáár de prestatie wint of verliest en welke aanpassing nodig is.
  • Uit een tegenvallende tijd de verkeerde conclusie trekken (harder trainen op techniek) terwijl het probleem de pacing was (te snel gestart).

Actieve herhaling

Stel: je tussentijden op de 800 m lopen sterk op (elke 200 m word je duidelijk trager). Analyseer wat er misgaat en beschrijf een concreet aangepast pacingplan voor je volgende poging.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — Atletiek: analyseren en pacing (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Onderdelen van atletiek en het meten van prestaties○
    • 02Lopen: sprintfasen en pacing bij duurlopen◐
    • 03Springen en werpen: afzet, afzethoek en de baan◐
    • 04Prestatie analyseren en pacing●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Atletiek

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~16
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

College voor Toetsen en Examens (CvTE)

  • Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein B (Atletiek)

Vorig onderwerp

Turnen

Volgend onderwerp

Bewegen op muziek (dans)

EuraStudy·Samenvattingen T·06·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.