EuraStudy
Samenvattingen/Lichamelijke opvoeding/Spel: doelspelen
Samenvattingen · Lichamelijke opvoedingNL · VWO

Spel: doelspelen

Doelspelen zoals voetbal, basketbal, handbal, hockey en korfbal draaien om één spelbedoeling: scoren in het doel van de tegenstander en dat zelf voorkomen. Je leert de vier spelfasen herkennen, aanvallen door ruimte te maken en te benutten (breedte en diepte), verdedigen met man- of zonedekking, en snel omschakelen bij balverlies of balwinst.

4 Onderdelen·~17 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0222 / 12
Examenprofiel
Deelnemen aan en verbeteren in doelspelen volgens de spelbedoeling (domein B, Spel)Aanvalsprincipes toepassen: ruimte maken en benutten, vrijlopen, breedte en diepteVerdedigingsprincipes toepassen: man- en zonedekking, druk op de bal, dekken tussen bal en doelOmschakelen en het spel tactisch lezen; de eigen rol in het team vervullen
Operatoren:beschrijfleg uitpas toeanalyseerbeoordeel

basisniveau

In LO word je beoordeeld op deelname, samenspel, veiligheid en het vervullen van je rol in het team tijdens de doelspelen.

verhoogd niveau

Binnen BSM analyseer je een doelspel tactisch en onderbouw je aanvals- en verdedigingskeuzes met spelprincipes.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Spel: doelspelen
    • 01De spelbedoeling en de vier spelfasen○
    • 02Aanvallen: ruimte maken en benutten◐
    • 03Verdedigen: man- en zonedekking◐
    • 04Omschakelen en het spel tactisch lezen●
§ 01

De spelbedoeling en de vier spelfasen#

●○○BasisLPexamenblad-lo-domein-b-spel-doelspelen

Kernpunten

Alle doelspelen delen dezelfde spelbedoeling: score in het doel (of de basket, of het gebied) van de tegenstander en voorkom dat de tegenstander bij jouw doel scoort. Voetbal, basketbal, handbal, hockey, korfbal en waterpolo verschillen in materiaal en regels, maar de onderliggende bewegings- en spelproblemen zijn hetzelfde. Daardoor is veel van wat je in het ene doelspel leert overdraagbaar naar het andere: wie snapt hoe je ruimte creëert, herkent dat principe in elk doelspel terug. Deze gedeelde spelbedoeling is het vertrekpunt van elke tactische analyse.
Het spel wisselt voortdurend tussen twee grote situaties: balbezit en balbezit-tegenstander. Ben je in balbezit, dan ben je aan de aanvallende kant en wil je ruimte en tijd creëren om te scoren. Is de tegenstander in balbezit, dan verdedig je en wil je juist ruimte en tijd wegnemen. Deze twee situaties gaan naadloos in elkaar over via twee overgangsmomenten. Het schema in Afb. 1 laat deze vier spelfasen als een kringloop zien.

De vier spelfasen als kringloop

Spelfasen in doelspelenGraaf, Balbezit: aanvallen — ruimte en tijd creëren om te scoren → Balverlies: negatieve omschakeling — meteen weer verdedigen, Balverlies: negatieve omschakeling — meteen weer verdedigen → Balbezit tegenstander: verdedigen — ruimte en tijd wegnemen, Balbezit tegenstander: verdedigen — ruimte en tijd wegnemen → Balwinst: positieve omschakeling — snel georganiseerd aanvallen, Balwinst: positieve omschakeling — snel georganiseerd aanvallen → Balbezit: aanvallen — ruimte en tijd creëren om te scorenBalbezit:aanvallen —ruimte en tijd …Balverlies:negatieveomschakeling — …Balbezittegenstander:verdedigen — ru…Balwinst:positieveomschakeling — …
Afb. 1Afb. 1 — De spelfasen vormen een kringloop; de twee omschakelmomenten (balwinst en balverlies) zijn vaak beslissend.
De twee overgangen heten samen de omschakeling. Op het moment dat je de bal verovert, schakel je om van verdedigen naar aanvallen (positieve omschakeling); op het moment dat je de bal verliest, schakel je om van aanvallen naar verdedigen (negatieve omschakeling). Juist deze momenten zijn beslissend: de ploeg die na balwinst het snelst georganiseerd aanvalt, of na balverlies het snelst weer verdedigt, wint vaak het duel om ruimte en tijd. In het spel zie je dat terug als „meteen jagen na balverlies” of „direct de diepte in na balwinst”.
Elke fase stelt andere eisen aan waar je staat en wat je doet. In de aanval wil je je verspreiden om ruimte te maken en aanspeelbaar te zijn; in de verdediging wil je juist compact staan om ruimte weg te nemen. Bij de omschakeling gaat het om herkennen en reageren: zie je dat de bal van eigenaar wisselt, dan verander je onmiddellijk van taak. Wie in de verkeerde fase blijft hangen — nog aanvallend staan terwijl de bal al verloren is — creëert het grootste risico voor het eigen doel.
Voor het schoolexamen is het belangrijk dat je deze fasen niet alleen kunt benoemen, maar ook in een echt spel kunt herkennen en er je gedrag op afstemt. In je rol als speler betekent dat: weet in welke fase het spel is en handel ernaar. In je rol als waarnemer of coach betekent het: kun je aanwijzen wáár in de kringloop een team steken laat vallen — bijvoorbeeld een team dat prima aanvalt en verdedigt maar telkens te traag omschakelt.
Uitgewerkt voorbeeld

Omschakeling herkennen en benoemen

Een basketbalteam verliest de bal onder de eigen basket door een slechte pass. De tegenstander vangt de bal en gooit direct een lange pass naar een speler die al richting de andere basket loopt. Analyseer dit fragment met de spelfasen.

  1. 01Bepaal het startpunt

    Het team met de bal was in de fase balbezit (aanval) onder de eigen basket.

  2. 02Benoem het kantelpunt

    De onderschepte pass is het moment van balverlies: negatieve omschakeling voor het ene team, balwinst (positieve omschakeling) voor het andere.

  3. 03Verklaar het gevolg

    De tegenstander schakelt sneller om dan het balverliezende team terugkomt, waardoor er ruimte ontstaat richting de vrije basket (een fastbreak).

Resultaat: Het beslissende moment is niet de aanval zelf maar de omschakeling: het team dat na balverlies te traag terugkomt, geeft ruimte en tijd weg en daarmee een scoringskans.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de spelbedoeling van doelspelen benoemen en uitleggen waarom principes overdraagbaar zijn tussen verschillende doelspelen.
  • Examendoel: de vier spelfasen (balbezit, balbezit-tegenstander en de twee omschakelmomenten) herkennen in een spelfragment.

Veelgemaakte fouten

  • De omschakeling vergeten als aparte fase en alleen aan „aanvallen” en „verdedigen” denken; juist de overgangsmomenten beslissen vaak het spel.
  • Blijven staan in de fase van daarnet: nog aanvallend opgesteld staan terwijl de bal al verloren is, waardoor er ruimte achter de verdediging ontstaat.

Actieve herhaling

Bekijk (in gedachten of op video) één minuut van een doelspel. Benoem twee momenten van omschakeling en beschrijf per moment welk team wint of verliest aan ruimte en tijd.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein B (Spel: doelspelen) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 02

Aanvallen: ruimte maken en benutten#

●●○StandaardLPexamenblad-lo-domein-b-spel-doelspelen

Kernpunten

Aanvallen is in de kern een gevecht om ruimte en tijd. Wie de bal heeft, wil zoveel mogelijk vrije ruimte en onbedreigde tijd creëren om een goede scoringskans op te bouwen. Dat doe je door je met het hele team te verspreiden: door breed te gaan staan rek je de verdediging horizontaal uit, door diep te gaan staan rek je haar verticaal uit. Afb. 2 laat zien hoe een aanvallende ploeg het veld groot maakt met breedte en diepte, terwijl de bal via een pass naar de vrije ruimte gaat.

Aanvallen met breedte en diepte

AanvalsprincipesSchema met 10 elementen, speelveld, doel, balbezitter, breedte, diepte, pass, loopactie, breedte benuttenspeelvelddoelbalbezitterbreedtedieptepassloopactiebreedte benutten
Afb. 2Afb. 2 — De aanvallende ploeg maakt het veld groot (breedte en diepte) en speelt de bal naar de vrije ruimte waar een medespeler in de diepte vrijloopt.
Breedte en diepte zijn de twee ruimtelijke basisprincipes van de aanval. Breedte betekent dat spelers ook langs de zijkanten staan, zodat de verdediging moet uitwaaieren en er gaten in het midden vallen. Diepte betekent dat er altijd een aanspeelpunt vóór de bal is (richting het doel), zodat je kunt doorstoten en niet alleen zijwaarts of achteruit hoeft te spelen. Een aanval zonder diepte loopt dood: de bal gaat wel rond, maar komt nooit dichter bij het doel. Een aanval zonder breedte is te makkelijk te verdedigen, omdat alles zich in een klein gebied afspeelt.
Om ruimte niet alleen te maken maar ook te benutten, moet je vrijlopen: bewegen naar een plek waar je vrij aanspeelbaar bent, weg van je directe tegenstander. Goed vrijlopen is getimed — je komt vrij op het moment dat de baldrager kan passen — en het speelt in op de ruimte die net is ontstaan. Vaak werkt vrijlopen via een schijnbeweging: eerst een stap de ene kant op om je tegenstander mee te lokken, dan snel de andere kant op naar de vrije ruimte. De baldrager en de vrijlopende speler moeten elkaars bedoeling „lezen”, zodat pass en loopactie samenvallen.
In balbezit wil je bijna altijd een overtalsituatie proberen te creëren: met meer aanvallers dan verdedigers in een deel van het veld. Een klassiek middel is het steunen van de baldrager, zodat er telkens minstens twee aanspeelmogelijkheden zijn (denk aan een driehoekje: de baldrager en twee medespelers vormen een driehoek, zodat er altijd een pass mogelijk is). Zo dwing je de verdediging tot kiezen, en elke keuze laat ergens ruimte open. Overtal dicht bij het doel leidt het snelst tot een vrije scoringskans.
Ten slotte moet een aanval doelgericht blijven: het uiteindelijke doel is scoren, niet balbezit om het balbezit. Balbezit is een middel om een goede kans te creëren, geen doel op zich. Een veelgemaakte fout is eindeloos overspelen zonder ooit de diepte te zoeken of af te ronden. Een goede aanvaller kiest het juiste moment om de risicovollere, dieptepass of de doelpoging te wagen — te vroeg is roekeloos, te laat laat de kans verlopen. Dat gevoel voor het juiste moment ontwikkel je door veel in echte spelsituaties te oefenen.
Uitgewerkt voorbeeld

Waarom loopt deze aanval dood?

Een hockeyteam houdt makkelijk de bal in balbezit, speelt de bal veel over en weer langs de achterlijn, maar komt zelden bij de cirkel. Verklaar het probleem met aanvalsprincipes en geef een oplossing.

  1. 01Herken het principe dat ontbreekt

    Er is wel breedte (de bal gaat van links naar rechts) maar geen diepte: er is geen aanspeelpunt vóór de bal richting doel.

  2. 02Verklaar het gevolg

    Zonder diepte kan de verdediging rustig meeschuiven; er ontstaat geen gat en de bal komt nooit dichter bij de cirkel.

  3. 03Geef de oplossing

    Laat één of twee spelers zich diep opstellen en op het juiste moment vrijlopen richting doel, zodat er een dieptepass mogelijk wordt en de verdediging moet kiezen.

Resultaat: Het team beheerst de bal maar mist diepte; door aanspeelpunten vóór de bal te creëren en getimed diep vrij te lopen, wordt balbezit omgezet in een echte scoringsdreiging.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de aanvalsprincipes breedte, diepte, vrijlopen en overtal uitleggen en herkennen in een spelsituatie.
  • Examendoel: uitleggen waarom balbezit een middel is en niet het doel, en aangeven wanneer je de diepte of de afronding kiest.

Veelgemaakte fouten

  • Alleen breedte maken (de bal gaat rond langs de zijkanten) zonder ooit diepte te zoeken, zodat de aanval nooit dichter bij het doel komt.
  • Vrijlopen zonder timing: al vrijstaan voordat de baldrager kan passen, zodat je tegenstander de tijd heeft om de ruimte weer dicht te lopen.

Actieve herhaling

Teken of beschrijf een aanvalssituatie in een doelspel naar keuze waarin het team overtal creëert bij het doel. Geef aan wie breedte houdt, wie diepte geeft en welke speler vrijloopt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — Spel: aanvallen en verdedigen (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 03

Verdedigen: man- en zonedekking#

●●○StandaardLPexamenblad-lo-domein-b-spel-doelspelen

Kernpunten

Verdedigen is het spiegelbeeld van aanvallen: je wilt de tegenstander juist ruimte en tijd ontnemen en het scoren onmogelijk maken. Het basisidee is dat je altijd dekt tussen de bal (of je tegenstander) en het eigen doel: zo sta je op de kortste lijn naar het doel en dwing je de aanvaller om eromheen te spelen. Daarnaast zet je druk op de baldrager, zodat die minder tijd heeft om te kijken en te kiezen. Hoe dichter bij het eigen doel, hoe compacter en feller de verdediging meestal is.
Er bestaan twee hoofdvormen van dekken, samengevat in Afb. 3. Bij mandekking (of persoonlijke dekking) krijgt elke verdediger één tegenstander toegewezen en volgt die overal. Bij zonedekking bewaakt elke verdediger een gebied (zone) van het veld en neemt hij de aanvaller over die zijn zone binnenkomt. Beide vormen hebben duidelijke voor- en nadelen; welke je kiest, hangt af van de tegenstander, de eigen kwaliteiten en de spelsituatie.

Mandekking versus zonedekking

DekkingsvormenTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: kenmerk · mandekking · zonedekking; principe · elke verdediger dekt één vaste tegenstander · elke verdediger bewaakt een gebied (zone); sterk punt · veel druk op de man, helder wie wie dekt · compact voor het doel, spelers dekken elkaar; zwak punt · je wordt uit positie gelokt; één gewonnen duel = vrije aanvaller · verwarring op de grens tussen zones; past bij · duidelijke sleutelspeler uitschakelen · de gevaarlijke ruimte bij het doel dichthoudenKENMERKMANDEKKINGZONEDEKKINGprincipeelke verdediger dekt éénvaste tegenstanderelke verdediger bewaakt eengebied (zone)sterk puntveel druk op de man, helderwie wie dektcompact voor het doel,spelers dekken elkaarzwak puntje wordt uit positie gelokt;één gewonnen duel = vrijeaanvallerverwarring op de grenstussen zonespast bijduidelijke sleutelspeleruitschakelende gevaarlijke ruimte bijhet doel dichthouden
Afb. 3Afb. 3 — De twee hoofdvormen van dekken met hun belangrijkste sterke en zwakke punten.
Mandekking is helder en fel: iedereen weet wie hij moet dekken, en je zet veel druk op de man. Het nadeel is dat je meegetrokken kunt worden uit je positie — een slimme aanvaller lokt zijn verdediger weg om ruimte voor een ander te maken — en dat één gewonnen duel meteen een vrije aanvaller oplevert. Zonedekking is juist compact en collectief: het gebied voor het doel blijft goed bezet en spelers dekken elkaar. Het nadeel is dat op de grenzen tussen zones verwarring kan ontstaan („is hij van jou of van mij?”) en dat een aanvaller die tussen twee zones gaat staan even vrij kan komen.
Goed verdedigen is bijna altijd samen verdedigen. Belangrijk is de rugdekking: terwijl één speler druk zet op de bal, staat een medespeler er schuin achter om de ruimte af te dekken voor het geval de eerste wordt gepasseerd. Zo voorkom je dat één gewonnen duel meteen fataal is. Ook belangrijk is het kantelen of schuiven van de hele verdediging naar de kant waar de bal is: aan de balkant sta je krap op de man, aan de verre kant iets ruimer, zodat je als linie compact blijft en de gevaarlijke ruimte bij het doel dicht is.
De verdediging begint bovendien al op het moment van balverlies (de negatieve omschakeling). Veel doelpunten vallen doordat een team na balverlies te traag terugkomt en niet georganiseerd staat. Twee reacties zijn dan mogelijk: direct druk zetten om de bal snel terug te veroveren (jagen), of eerst gecontroleerd terugzakken om de organisatie te herstellen en pas daarna druk te zetten. Welke keuze verstandig is, hangt af van waar op het veld je de bal verloor en hoeveel spelers al terug zijn — een afweging die je in je rol als speler én als coach moet kunnen maken.
Uitgewerkt voorbeeld

Een sterke spelverdeler uitschakelen

De tegenstander heeft één uitblinker die alle aanvallen opzet. Je team verdedigt nu in een zone maar die speler krijgt telkens ruimte. Welke aanpassing stel je voor en met welke afweging?

  1. 01Analyseer het probleem

    In de zone loopt de sleutelspeler tussen de zones door en komt telkens vrij; niemand is persoonlijk verantwoordelijk voor hem.

  2. 02Kies een aanpassing

    Zet één verdediger in strikte mandekking op de sleutelspeler (soms „schaduwen” genoemd) en laat de rest zone verdedigen — een combinatievorm.

  3. 03Weeg de gevolgen af

    Voordeel: de opzetter wordt uitgeschakeld. Nadeel: elders sta je met één man minder in de zone, dus daar moet de rest strakker schuiven en rugdekking geven.

Resultaat: Een combinatie van man- en zonedekking (mandekking op de sleutelspeler, zone voor de rest) schakelt de opzetter uit; de prijs is minder bezetting elders, die je opvangt met kantelen en rugdekking.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: mandekking en zonedekking beschrijven, met hun voor- en nadelen, en beargumenteren welke in een gegeven situatie passend is.
  • Examendoel: de principes dekken tussen bal en doel, druk zetten, rugdekking en kantelen uitleggen en toepassen.

Veelgemaakte fouten

  • Bij mandekking je tegenstander achterna blijven lopen tot buiten je zinvolle positie, waardoor je wordt weggelokt en er ruimte voor een andere aanvaller ontstaat.
  • Alleen op de bal jagen zonder rugdekking, zodat één gepasseerde verdediger meteen een vrije doorgang naar het doel oplevert.

Actieve herhaling

Kies een doelspel en beschrijf een situatie waarin je zou wisselen van mandekking naar zonedekking (of andersom). Beargumenteer je keuze met de voor- en nadelen van beide vormen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — Spel: verdedigen (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 04

Omschakelen en het spel tactisch lezen#

●●●VerdiepingLPexamenblad-lo-domein-b-spel-doelspelen

Kernpunten

Het hoogste niveau van doelspelen zit niet in losse acties maar in het lezen van het spel: continu waarnemen wat er gebeurt en daar de juiste beslissing bij nemen. Een goede speler kijkt niet alleen naar de bal, maar scant het veld: waar is ruimte, waar staan medespelers en tegenstanders, in welke fase is het spel? Dit „spelinzicht” is deels aan te leren door veel te spelen in wisselende situaties en door bewust te oefenen met vooraf kijken (voordat je de bal krijgt al weten wat je ermee gaat doen).
De omschakeling verdient hierbij bijzondere aandacht, omdat daar de meeste kansen en gevaren ontstaan. Bij balwinst is de tegenstander even ongeorganiseerd (die stond immers nog aan te vallen); dat is het moment om snel en doelgericht om te schakelen naar de aanval, bijvoorbeeld met een snelle uitbraak (counter). Bij balverlies geldt het omgekeerde: jouw team staat aanvallend opgesteld en is kwetsbaar, dus moet je razendsnel de omslag naar verdedigen maken. Teams die hun omschakeling goed organiseren, halen daar structureel voordeel uit.
Tactische keuzes zijn altijd een afweging tussen risico en rendement, afgestemd op de situatie. Een dieptepass door de verdediging levert veel op als hij aankomt (een grote kans), maar kost veel als hij wordt onderschept (balverlies op een gevaarlijke plek). Dicht bij het eigen doel kies je daarom meestal voor zekerheid, dicht bij het doel van de tegenstander mag je meer risico nemen. Ook de stand en de tijd spelen mee: een team dat voorstaat en de tijd wil uitspelen, maakt andere keuzes dan een team dat nog moet scoren. Dit soort afwegingen kunnen benoemen en onderbouwen is precies wat een tactische analyse op examenniveau vraagt.
Als speler pas je je opstelling en taken voortdurend aan de situatie aan; dat heet positiespel. Je houdt onderling afstand zodat het team het veld goed bezet houdt: niet allemaal naar de bal toe (dan ontstaat een kluwen en ligt de rest van het veld open), maar verdeeld over breedte en diepte. In balbezit spreid je uit, bij balverlies knijp je samen. Goed positiespel maakt dat het team als geheel telkens net iets sneller op de goede plek staat dan de tegenstander — precies het collectieve equivalent van individueel goed vrijlopen en dekken.
Wie het spel goed leest, kan ook coachen en bijsturen (de brug naar domein C). In je rol als coach of medespeler benoem je wat je ziet: „meer diepte”, „schuif mee naar de bal”, „jaag na balverlies”. Effectieve aanwijzingen zijn kort, positief geformuleerd en op het juiste moment gegeven, en ze sluiten aan bij de spelfase van dat moment. Zo verbind je het lezen van het spel met het verbeteren ervan — voor jezelf en voor het team.
Uitgewerkt voorbeeld

Wel of niet de dieptepass?

Een voetballer verovert de bal op het eigen middenveld. Er is een dieptepass mogelijk die, als hij aankomt, een spits alleen voor de keeper zet, maar er staan twee tegenstanders op de paslijn. Beoordeel of de dieptepass hier verstandig is.

  1. 01Weeg het rendement

    Als de pass aankomt, ontstaat een zeer grote kans (spits alleen voor de keeper) — hoog rendement.

  2. 02Weeg het risico

    Twee tegenstanders op de paslijn maken onderschepping waarschijnlijk; balverlies op het middenveld stelt de eigen (nu opgeschoven) verdediging bloot aan een counter.

  3. 03Betrek de context

    Op het middenveld, bij een gelijke stand, weegt het risico van een counter zwaar; er is bovendien een veiliger alternatief (breed of terug spelen en de aanval opnieuw opbouwen).

Resultaat: Gezien de hoge onderscheppingskans en de kwetsbaarheid bij balverlies op het middenveld is de dieptepass hier te riskant; een veiliger opbouw met behoud van balbezit is verstandiger, tenzij de stand en tijd juist om risico vragen.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: uitleggen waarom de omschakelmomenten de meeste kansen en gevaren opleveren en hoe een team daarop kan anticiperen.
  • Examendoel: een tactische keuze (bijvoorbeeld wel/niet de dieptepass) onderbouwen met de afweging risico–rendement, plaats op het veld, stand en tijd.

Veelgemaakte fouten

  • Met het hele team naar de bal toe bewegen (een kluwen vormen), waardoor de rest van het veld openligt en het positiespel instort.
  • Overal dezelfde risicoafweging maken: een riskante dieptepass vlak voor het eigen doel is veel gevaarlijker dan dezelfde pass op de helft van de tegenstander.

Actieve herhaling

Beschrijf een counteraanval (snelle omschakeling na balwinst) in een doelspel naar keuze. Geef aan waarom de tegenstander op dat moment kwetsbaar is en welke twee of drie acties de counter kansrijk maken.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — Spel: tactiek en spelinzicht (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01De spelbedoeling en de vier spelfasen○
    • 02Aanvallen: ruimte maken en benutten◐
    • 03Verdedigen: man- en zonedekking◐
    • 04Omschakelen en het spel tactisch lezen●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Spel: doelspelen

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~17
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

College voor Toetsen en Examens (CvTE)

  • Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein B (Spel: doelspelen)

Vorig onderwerp

Vaardigheden: oriëntatie op leren en bewegen verbeteren

Volgend onderwerp

Spel: terugslagspelen

EuraStudy·Samenvattingen T·02·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.