EuraStudy
Samenvattingen/Lichamelijke opvoeding/Vaardigheden: oriëntatie op leren en bewegen verbeteren
Samenvattingen · Lichamelijke opvoedingNL · VWO

Vaardigheden: oriëntatie op leren en bewegen verbeteren

Domein A is de basis onder alle andere domeinen: leren hoe je beter gaat bewegen. Je leert je eigen leerproces sturen (leerdoelen, oefenen, reflecteren), je herkent de fasen van motorisch leren en de bijbehorende leercurve, en je maakt een eenvoudige bewegingsanalyse om gericht te verbeteren met de juiste feedback en oefenvormen.

4 Onderdelen·~17 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·0111 / 12
Examenprofiel
Het eigen leren en bewegen sturen: doelen stellen, oefenen, feedback benutten en reflecteren (domein A)De fasen van motorisch leren herkennen en er passende oefenvormen bij kiezenEen bewegingsanalyse maken (kritische kenmerken) en verbeterpunten benoemenGericht en passend feedback geven en ontvangen (KR/KP, intern/extern)
Operatoren:leg uitbeschrijfanalyseerbeoordeelpas toeverklaar

basisniveau

Voor LO als handelingsdeel volstaat het herkennen van de leerfasen en het geven van bruikbare feedback tijdens de lessen.

verhoogd niveau

Binnen BSM wordt dit op examenniveau getoetst: je onderbouwt oefenkeuzes met de theorie van motorisch leren en maakt een uitgewerkte bewegingsanalyse.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Vaardigheden: oriëntatie op leren en bewegen verbeteren
    • 01Oriëntatie op leren en bewegen: leerdoelen en leerrollen○
    • 02Motorisch leren: de drie fasen en de leercurve◐
    • 03Bewegingsanalyse: techniek en tactiek onderzoeken◐
    • 04Feedback, oefenvormen en het sturen van je leerproces◐
§ 01

Oriëntatie op leren en bewegen: leerdoelen en leerrollen#

●○○BasisLPexamenblad-lo-domein-a-vaardigheden

Kernpunten

Domein A vormt de kern van lichamelijke opvoeding: het gaat niet alleen om kunnen bewegen, maar om leren hoe je beter gaat bewegen. Alle andere domeinen — de bewegingsactiviteiten (B), het regelen (C), gezondheid (D) en samenleving (E) — steunen op de leervaardigheden uit A. Wie deze vaardigheden beheerst, kan een onbekende beweging zelfstandig ontleden, er een oefenplan bij maken en de eigen vooruitgang volgen. Dat maakt A tot een echte metavaardigheid: het is „leren leren bewegen”.
Effectief leren begint met een concreet, haalbaar leerdoel. Een bruikbaar doel is specifiek en waarneembaar („ik wil bij de sprong over de kast met gestrekte armen afzetten”), niet vaag („ik wil beter turnen”). Een goed doel geeft richting aan het oefenen en maakt achteraf toetsbaar of je vooruit bent gegaan. In de praktijk werk je met korte cycli: doel kiezen, gericht oefenen, resultaat bekijken, doel bijstellen. Deze cyclus van plannen, uitvoeren en evalueren heet zelfregulerend leren en is precies wat het examenprogramma met „het eigen leren sturen” bedoelt.
Bij het leren neem je verschillende leerrollen aan. In de rol van beweger voer je de activiteit zelf uit; in de rol van waarnemer/beoordelaar kijk je gericht naar het bewegen van een ander en geef je feedback; in de rol van helper of coach maak je het bewegen van een ander mogelijk of stuur je het bij. Deze rollen komen terug in domein C (bewegen regelen). Door bewust van rol te wisselen leer je dubbel: je verbetert je eigen bewegen én je leert bewegingen analyseren, wat weer helpt bij je eigen uitvoering.
Motivatie en inzet bepalen sterk hoeveel je leert. Onderscheid intrinsieke motivatie (je beweegt omdat je het zelf leuk of zinvol vindt) van extrinsieke motivatie (je beweegt voor een cijfer, waardering of prijs). Intrinsieke motivatie leidt doorgaans tot langer volhouden en dieper leren. Een taak die goed is afgestemd op je niveau — niet te makkelijk, niet te moeilijk — houdt je in de „leerzone” waarin de meeste vooruitgang zit. Dit sluit aan bij het idee van betekenisvol bewegen: je leert het best wanneer de activiteit voor jou ergens toe doet.
Reflectie sluit elke leercyclus af en opent de volgende. Reflecteren is meer dan constateren dat iets „ging” of „niet ging”: je benoemt wát er gebeurde, wat de vermoedelijke oorzaak was en welke aanpassing je de volgende keer probeert. Zo verbind je uitvoering aan verklaring aan verbeterplan. In een (digitaal) bewegingsdossier of logboek leg je leerdoelen, oefeningen en reflecties vast, zodat je je eigen ontwikkeling over langere tijd kunt volgen — precies het soort bewijs dat bij het schoolexamen van LO en BSM meetelt.
Uitgewerkt voorbeeld

Een leerdoel SMART maken

Een leerling schrijft als doel op: „Ik wil beter leren volleyballen.” Herschrijf dit tot een bruikbaar, toetsbaar leerdoel en beschrijf de leercyclus eromheen.

  1. 01Maak het specifiek

    Kies één deelvaardigheid in plaats van het hele spel, bijvoorbeeld de bovenhandse set (set-up).

  2. 02Maak het waarneembaar en meetbaar

    „Ik wil van 10 sets er 7 met gestrekte armen boven mijn voorhoofd en richting de spelverdeler kunnen spelen.”

  3. 03Koppel er oefening aan

    Oefen in tweetallen: 3 series van 10 sets tegen de muur, daarna 3 series naar een partner op positie.

  4. 04Plan de evaluatie

    Laat een medeleerling na twee lessen tellen hoeveel van de 10 sets aan de criteria voldoen en vergelijk met de beginmeting.

Resultaat: Het vage doel is omgezet in een specifiek, waarneembaar en toetsbaar leerdoel met een oefen- en evaluatieplan — de kern van zelfregulerend leren.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: kunnen uitleggen wat zelfregulerend leren is en de cyclus doel–oefenen–evalueren–bijstellen op een eigen bewegingsvoorbeeld toepassen.
  • Examendoel: de verschillende leerrollen (beweger, waarnemer/beoordelaar, helper/coach) benoemen en aangeven wat je in elke rol leert.

Veelgemaakte fouten

  • Een leerdoel te vaag formuleren („beter worden”) zodat je achteraf niet kunt vaststellen of je vooruit bent gegaan — een goed doel is specifiek en waarneembaar.
  • Reflectie beperken tot een oordeel („het ging slecht”) zonder oorzaak en verbeterstap te benoemen; daardoor levert de reflectie geen leerwinst op.

Actieve herhaling

Kies een beweging die je nog niet goed beheerst. Formuleer één specifiek, waarneembaar leerdoel, beschrijf twee oefeningen waarmee je eraan werkt, en geef aan hoe je na afloop toetst of je je doel hebt gehaald.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein A (Vaardigheden) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 02

Motorisch leren: de drie fasen en de leercurve#

●●○StandaardLPexamenblad-lo-domein-a-vaardigheden

Kernpunten

Een nieuwe beweging leren verloopt in drie herkenbare fasen; het schema in Afb. 1 zet ze op een rij. In de cognitieve fase snap je nog niet precies wat de bedoeling is: je denkt bij elke stap bewust na, maakt grote en wisselende fouten en hebt veel uitleg en voordoen nodig. In de associatieve fase wordt de beweging vloeiender: de grofste fouten verdwijnen, je gaat verfijnen en je hebt vooral gerichte feedback nodig op details. In de autonome fase gaat de beweging vanzelf: je kunt hem uitvoeren zonder er bewust bij na te denken, waardoor je aandacht vrijkomt voor de omgeving (de tegenstander, de tactiek). Dit model staat bekend als de fasen van Fitts en Posner.

De drie fasen van motorisch leren

Fasen van motorisch leren (Fitts & Posner)Graaf, Cognitieve fase: bewust nadenken, grote fouten, veel uitleg en voordoen nodig → Associatieve fase: vloeiender, fouten kleiner, verfijnen met gerichte feedback, Associatieve fase: vloeiender, fouten kleiner, verfijnen met gerichte feedback → Autonome fase: gaat vanzelf, aandacht vrij voor tegenstander en tactiekCognitieve fase:bewust nadenken,grote fouten, v…Associatievefase:vloeiender, fou…Autonome fase:gaat vanzelf,aandacht vrij v…veel herhalenvariëren, drukopvoeren
Afb. 1Afb. 1 — Van bewust nadenken (cognitief) via verfijnen (associatief) naar vanzelf gaan (autonoom); de overgangen zijn geleidelijk.
De overgang tussen de fasen is geleidelijk, niet abrupt, en verloopt voor iedereen in een ander tempo. Wat je in elke fase nodig hebt, verschilt sterk. In de cognitieve fase helpt het om de beweging op te delen en veel te herhalen in eenvoudige situaties; te veel details of te veel tegelijk werkt averechts. In de associatieve fase kun je variëren en de moeilijkheid opvoeren. In de autonome fase houd je het niveau op peil en pas je de vaardigheid toe onder wedstrijddruk. Een veelgemaakte denkfout is dat je „klaar” bent als het één keer lukt: pas na veel herhaling in wisselende situaties is een beweging echt autonoom.
De vooruitgang die bij dit proces hoort, teken je als een leercurve: de prestatie uitgezet tegen de hoeveelheid oefening (Afb. 2). Kenmerkend is dat de curve negatief versneld verloopt: in het begin boek je snelle winst, daarna wordt de winst per oefeneenheid steeds kleiner en nadert de prestatie een plateau (het niveau van beheersing). Die vorm verklaart waarom de eerste lessen zo bemoedigend voelen en waarom je later „lang moet oefenen voor een klein beetje beter”. Het plateau is geen bewijs dat je niet meer kunt leren, maar laat zien dat verdere winst een andere prikkel vraagt: een moeilijker variant, een nieuwe context of aandacht voor een ander detail.

De leercurve

Leercurve: negatief versnelde vooruitgangSchaubild von prestatie, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 15246810121420406080100snelle winstplateau(beheersing)prestatieprestatie (%)oefentijd
Afb. 2Afb. 2 — Schematische leercurve: snelle winst aan het begin, daarna steeds kleinere winst richting een plateau (niveau van beheersing).
Of een vaardigheid open of gesloten is, bepaalt mede hoe je hem leert. Een gesloten vaardigheid speelt zich af in een voorspelbare, stabiele omgeving (een sprong over de kast, een basketbal-vrijeworp): je kunt hem inslijpen door veel te herhalen. Een open vaardigheid moet je uitvoeren in een steeds veranderende omgeving (dribbelen langs een tegenstander, een bal aannemen in een spel): daarbij is niet alleen de beweging belangrijk, maar vooral het aflezen van de situatie en het kiezen van het juiste moment. Open vaardigheden oefen je daarom zoveel mogelijk in echte, wisselende spelsituaties en niet alleen los.
Kennis van dit alles maakt je een slimmere leerling én een betere helper of coach. Weet je in welke fase iemand zit, dan kies je de juiste hulp: bij een cognitieve leerling vereenvoudig je de taak en doe je voor; bij een associatieve leerling geef je gerichte detailfeedback; bij een autonome leerling voer je de druk of variatie op. Zo verbind je de theorie van motorisch leren direct met de praktijk van het oefenen — precies de brug die domein A wil slaan.
Uitgewerkt voorbeeld

In welke leerfase zit deze leerling?

Een leerling die leert hooghouden met een voetbal kijkt bij elke aanraking naar de bal, telt hardop mee, verliest de bal na twee tot drie keer en vraagt telkens „hoe moet het ook alweer?”. In welke fase van motorisch leren zit deze leerling en welke begeleiding past daarbij?

  1. 01Herken de kenmerken

    Bewust nadenken (hardop tellen, telkens naar de bal kijken), grote en wisselende fouten (na 2–3 keer kwijt), en veel behoefte aan uitleg.

  2. 02Koppel aan een fase

    Deze kenmerken horen bij de cognitieve fase: de leerling snapt de beweging nog niet routinematig.

  3. 03Kies passende hulp

    Vereenvoudig de taak (eerst laten stuiteren en dan raken, met de handen vangen na één aanraking), doe voor en geef één duidelijk aandachtspunt tegelijk.

Resultaat: De leerling zit in de cognitieve fase; de juiste aanpak is vereenvoudigen, voordoen en één aandachtspunt per keer — geen stortvloed aan details.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de drie fasen van motorisch leren (cognitief, associatief, autonoom) beschrijven en van een gegeven leerling de fase herkennen aan het gedrag.
  • Examendoel: de vorm van de leercurve (negatief versneld, naar een plateau) uitleggen en er een leerervaring mee verklaren.

Veelgemaakte fouten

  • De fasen als scherp gescheiden en op een vast tempo zien; in werkelijkheid lopen ze in elkaar over en verschilt het tempo per persoon en per vaardigheid.
  • Een plateau in de leercurve uitleggen als „het maximum is bereikt”, terwijl het meestal betekent dat er een nieuwe prikkel (moeilijker, andere context) nodig is voor verdere winst.

Actieve herhaling

Beschrijf voor een zelfgekozen vaardigheid (bijvoorbeeld de opslag bij tennis) hoe het bewegen en de begeleiding eruitzien in elk van de drie leerfasen, en teken globaal de bijbehorende leercurve met het plateau erin.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein A (leren en bewegen verbeteren) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 03

Bewegingsanalyse: techniek en tactiek onderzoeken#

●●○StandaardLPexamenblad-lo-domein-a-vaardigheden

Kernpunten

Beter leren bewegen begint met goed kijken. Een bewegingsanalyse is het systematisch ontleden van een beweging om te bepalen wat goed gaat en wat beter kan. Je knipt daarvoor de beweging op in bewegingsfasen — meestal een voorbereiding (inzet), een kernfase (hoofdactie) en een eindfase (afronding/landing). Bij een verspringafzet zijn dat bijvoorbeeld de aanloop, de afzet en de landing. Door per fase te kijken, voorkom je dat je alleen naar de opvallende eindfout kijkt terwijl de oorzaak eerder in de beweging zit.
Binnen elke fase let je op de kritische kenmerken: de punten die bepalend zijn voor het slagen van de beweging. Bij de afzet van een sprong zijn dat onder meer een actieve, snelle afzetvoet, een strekking van enkel-knie-heup en een goede armzwaai. Kritische kenmerken zijn de „knoppen” waaraan je kunt draaien om te verbeteren; details die er nauwelijks toe doen laat je bewust links liggen. Een goede analyse benoemt dus niet alles wat afwijkt van een plaatje, maar juist die twee of drie kenmerken die het meeste effect hebben.
Techniek en tactiek zijn twee verschillende invalshoeken van de analyse. Bij een technische analyse kijk je naar de kwaliteit van de beweging zelf (de vorm, de timing, de coördinatie). Bij een tactische analyse kijk je naar de keuzes in de situatie: koos de speler het juiste moment, de juiste ruimte, de juiste actie? Bij open vaardigheden en spel is de tactische analyse minstens zo belangrijk als de technische: een technisch perfecte pass op het verkeerde moment levert alsnog balverlies op. Een complete analyse benoemt daarom zowel „hoe” bewoog iemand als „wat en wanneer” koos hij.
Om betrouwbaar te analyseren gebruik je hulpmiddelen en een vaste werkwijze. Video (eventueel vertraagd of stapsgewijs) laat je een snelle beweging rustig terugkijken; een observatieschema met de bewegingsfasen en kritische kenmerken zorgt dat je gericht en steeds op dezelfde manier kijkt. De werkwijze is: eerst waarnemen (wat zie ik feitelijk?), dan beoordelen (wat wijkt af van het gewenste kenmerk?), dan verklaren (waardoor komt dat?) en pas daarna een verbeteradvies geven. Deze scheiding tussen waarnemen en interpreteren is cruciaal: wie meteen een oordeel plakt op wat hij ziet, mist vaak de echte oorzaak.
De analyse is pas waardevol als ze leidt tot een gericht oefenadvies. Uit „de speler zet af met een gestrekte, passieve voet ver vóór het lichaam” volgt een concreet verbeterpunt („actiever en dichter onder het lichaam afzetten”) en een passende oefening (afzetten vanaf een klein verhoginkje, of afzetten op teken). Zo sluit domein A de cirkel: waarnemen leidt tot verklaren, verklaren tot een oefenkeuze, en het oefenen tot een nieuwe meting. Deze analysevaardigheid heb je nodig bij álle bewegingsactiviteiten van domein B en bij het coachen en lesgeven van domein C.
Uitgewerkt voorbeeld

Analyse van een verspringafzet

Bij het verspringen springt een leerling telkens te kort. Op video zie je dat hij in de laatste passen vaart mindert en met een lange, gestrekte laatste pas ver vóór zijn lichaam afzet. Maak een bewegingsanalyse en geef een verbeteradvies.

  1. 01Faseer de beweging

    Aanloop – afzet – zweeffase – landing; het probleem zit zichtbaar in de overgang aanloop→afzet.

  2. 02Waarnemen (feitelijk)

    Snelheidsverlies in de laatste passen; laatste pas lang en gestrekt; afzetvoet ver vóór het lichaam.

  3. 03Verklaren

    Door ver vóór het lichaam en met een gestrekte, remmende voet af te zetten, gaat horizontale snelheid verloren en wordt de afzet passief — dat verklaart de korte sprong.

  4. 04Oefenadvies geven

    Aanloopsnelheid vasthouden, laatste passen juist iets korter en sneller, actief onder het lichaam afzetten; oefenen met een afzetzone en op teken afzetten.

Resultaat: De korte sprong komt niet door te weinig kracht maar door een remmende, te vroege afzet; het advies richt zich op het behoud van snelheid en een actieve afzet onder het lichaam.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een beweging in bewegingsfasen verdelen en per fase de kritische kenmerken benoemen.
  • Examendoel: waarnemen, beoordelen en verklaren onderscheiden en op basis daarvan een gericht verbeteradvies formuleren.

Veelgemaakte fouten

  • Waarnemen en oordelen door elkaar halen: meteen zeggen „dat is fout” zonder eerst feitelijk te beschrijven wat er gebeurt, waardoor de echte oorzaak buiten beeld blijft.
  • Alle afwijkingen tegelijk willen verbeteren; effectiever is het om de twee of drie kritische kenmerken met de grootste invloed te kiezen.

Actieve herhaling

Verdeel de bovenhandse opslag bij volleybal (of tennis) in drie bewegingsfasen. Benoem per fase één kritisch kenmerk, en beschrijf hoe je met video zou controleren of dat kenmerk goed wordt uitgevoerd.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — bewegen verbeteren en analyseren (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 04

Feedback, oefenvormen en het sturen van je leerproces#

●●○StandaardLPexamenblad-lo-domein-a-vaardigheden

Kernpunten

Feedback is de motor van motorisch leren, maar niet elke feedback werkt hetzelfde; Afb. 3 zet de belangrijkste soorten naast elkaar. Een eerste onderscheid is dat tussen kennis van resultaat (KR) — informatie over de uitkomst, „de bal was net naast” — en kennis van uitvoering (KP) — informatie over de beweging zelf, „je liet je slagarm te vroeg zakken”. KR helpt vooral om te weten óf het lukte; KP helpt om te weten hóe je moet bijsturen. Vooral in de associatieve fase, als je gaat verfijnen, is KP waardevol.

Soorten feedback bij bewegen

FeedbacksoortenTabel met 3 kolommen en 6 rijen, Gegevens: type feedback · wat het is · voorbeeld; kennis van resultaat (KR) · informatie over de uitkomst · „de bal was 20 cm te kort”; kennis van uitvoering (KP) · informatie over de beweging zelf · „strek je elleboog verder bij de worp”; intern gericht · aandacht op het eigen lichaam · „let op je pols”; extern gericht · aandacht op het doel/effect · „mik op de bovenhoek”; intrinsiek · wat de sporter zelf voelt of ziet · „je voelde dat je te vroeg afzette”; toegevoegd (van buitenaf) · van docent, medeleerling of video · beelden vertraagd terugkijkenTYPE FEEDBACKWAT HET ISVOORBEELDkennis van resultaat (KR)informatie over de uitkomst„de bal was 20 cm te kort”kennis van uitvoering (KP)informatie over de bewegingzelf„strek je elleboog verderbij de worp”intern gerichtaandacht op het eigenlichaam„let op je pols”extern gerichtaandacht op het doel/effect„mik op de bovenhoek”intrinsiekwat de sporter zelf voelt ofziet„je voelde dat je te vroegafzette”toegevoegd (van buitenaf)van docent, medeleerling ofvideobeelden vertraagdterugkijken
Afb. 3Afb. 3 — De belangrijkste feedbacksoorten met een voorbeeld; KP en een externe focus zijn vooral in de verfijningsfase krachtig.
Een tweede onderscheid gaat over de richting van de aandacht. Bij intern gerichte feedback richt je de aandacht op het eigen lichaam („let op je pols”); bij extern gerichte feedback op het effect of het doel buiten het lichaam („mik op de bovenhoek van het doel”). Voor veel bewegingen blijkt een externe focus effectiever: de beweging wordt vloeiender en automatischer omdat je niet elke spier bewust probeert te sturen. Dit is een belangrijk, examen-relevant inzicht: waar je iemands aandacht op richt, verandert de kwaliteit van de beweging.
Feedback moet ook goed gedoseerd zijn. Te veel en te vaak feedback maakt afhankelijk: de leerling gaat op de begeleider leunen in plaats van zelf te leren voelen en corrigeren. Vaak werkt het beter om niet na elke poging feedback te geven, maar samengevat na een serie, of pas als de leerling er zelf om vraagt. Zo krijgt de leerling ruimte om de eigen (intrinsieke) feedback — wat hij zelf voelt en ziet — te leren gebruiken. Het doel van externe feedback is uiteindelijk zichzelf overbodig maken.
Naast feedback bepaalt de oefenvorm hoeveel je leert. Bij de hele methode oefen je de complete beweging in één keer; bij de deelmethode knip je hem op in stukken die je apart oefent en daarna weer aan elkaar rijgt. De deelmethode past bij complexe bewegingen met duidelijk te scheiden fasen; de hele methode past bij vloeiende bewegingen die hun samenhang verliezen als je ze opknipt (zoals een golfslag of een danspas). Verder maakt het uit hóe je herhaalt: geblokt oefenen (steeds dezelfde variant) geeft snel resultaat op de korte termijn, terwijl gevarieerd of afgewisseld oefenen op de lange termijn beter beklijft en beter overdraagbaar is naar wedstrijdsituaties.
Al deze keuzes komen samen in transfer: de mate waarin het geleerde bruikbaar is in een nieuwe situatie of activiteit. Positieve transfer treedt op wanneer een geleerde vaardigheid je helpt bij iets nieuws (de onderhandse worp bij handbal helpt bij de slagbeweging bij softbal). Je vergroot transfer door zoveel mogelijk te oefenen in situaties die lijken op de echte spel- of wedstrijdsituatie. Voor het eindexamen (en zeker voor BSM) moet je oefenkeuzes kunnen onderbouwen met deze begrippen: welke feedback, welke methode en welke oefenvorm passen bij deze leerling, in deze fase, bij deze vaardigheid — en waarom.
Uitgewerkt voorbeeld

De juiste feedback en oefenvorm kiezen

Een leerling in de associatieve fase leert de bovenhandse tennisservice; de bal komt vaak in het net. Welke soort feedback en welke oefenvorm passen hierbij, en waarom?

  1. 01Kies de soort feedback

    In de verfijningsfase is kennis van uitvoering nuttig: benoem het bepalende kenmerk, bijvoorbeeld „gooi de bal iets hoger en meer voor je op”.

  2. 02Kies de aandachtsrichting

    Gebruik een externe focus („raak de bal op het hoogste punt en sla richting het serviceveld”) — dat maakt de slag vloeiender dan „strek je arm”.

  3. 03Kies de oefenvorm

    De service is een vloeiende, samenhangende beweging: oefen met de hele methode, maar isoleer eventueel kort het opgooien als dat de kernfout is.

  4. 04Doseer en varieer

    Geef samengevat feedback na een serie van 10 services en varieer daarna de plaatsing, zodat het geleerde overdraagbaar wordt naar een wedstrijd (transfer).

Resultaat: Bij een associatieve leerling passen kennis van uitvoering, een externe focus, de hele methode en gedoseerde, samengevatte feedback — met variatie voor de transfer naar het spel.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: kennis van resultaat (KR) en kennis van uitvoering (KP), en interne versus externe feedback onderscheiden en op een voorbeeld toepassen.
  • Examendoel: een onderbouwde keuze maken tussen hele/deelmethode en tussen geblokt/gevarieerd oefenen, en dat koppelen aan transfer.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat meer feedback altijd beter is; te veel feedback maakt afhankelijk en remt het leren van de eigen, intrinsieke feedback.
  • Kennis van resultaat (het gaat over de uitkomst) verwarren met kennis van uitvoering (het gaat over de beweging zelf).

Actieve herhaling

Bedenk voor het aanleren van de basketbal-lay-up één voorbeeld van kennis van resultaat en één van kennis van uitvoering, en beargumenteer of je deze vaardigheid met de hele of de deelmethode zou aanleren.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — feedback en oefenen (domein A) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Oriëntatie op leren en bewegen: leerdoelen en leerrollen○
    • 02Motorisch leren: de drie fasen en de leercurve◐
    • 03Bewegingsanalyse: techniek en tactiek onderzoeken◐
    • 04Feedback, oefenvormen en het sturen van je leerproces◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Vaardigheden: oriëntatie op leren en bewegen verbeteren

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~17
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

College voor Toetsen en Examens (CvTE)

  • Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein A (Vaardigheden)

Volgend onderwerp

Spel: doelspelen

EuraStudy·Samenvattingen T·01·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.