EuraStudy
Samenvattingen/Lichamelijke opvoeding/Bewegen regelen: de regelrollen
Samenvattingen · Lichamelijke opvoedingNL · VWO

Bewegen regelen: de regelrollen

In domein C leer je bewegen voor anderen mogelijk maken en begeleiden via vier regelrollen: instructeur/lesgever, coach, scheidsrechter/official en organisator. Je leert instrueren en coachen, arbitreren met gezag en fair play, en een activiteit of toernooi organiseren — inclusief het roosteren en het berekenen van het aantal wedstrijden.

4 Onderdelen·~16 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·101010 / 12
Examenprofiel
De regelrollen instructeur, coach, scheidsrechter en organisator vervullen (domein C)Bewegingssituaties voor anderen mogelijk maken, begeleiden en beoordelenArbitreren met consistentie, gezag en aandacht voor fair playEen activiteit of toernooi plannen en roosteren (poules, wedstrijdschema, tijd en ruimte)
Operatoren:beschrijfleg uitpas toeberekenorganiseerbeoordeel

basisniveau

In LO vervul je de regelrollen tijdens de lessen: je leidt een oefenvorm, coacht, fluit of organiseert een onderdeel.

verhoogd niveau

Binnen BSM organiseer en begeleid je een grotere sportactiviteit en verantwoord je je keuzes als lesgever, coach, official of organisator.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Bewegen regelen: de regelrollen
    • 01De regelrollen en verantwoordelijkheid nemen○
    • 02Instructeur en coach: begeleiden en aansturen◐
    • 03Scheidsrechter/official: arbitreren en fair play◐
    • 04Organisator: een toernooi plannen en roosteren●
§ 01

De regelrollen en verantwoordelijkheid nemen#

●○○BasisLPexamenblad-lo-domein-c-bewegen-regelen

Kernpunten

Bewegen is niet alleen zelf doen, maar ook mogelijk maken voor anderen. Domein C onderscheidt daarvoor vier regelrollen, samengevat in Afb. 1: de instructeur of lesgever (die anderen iets leert), de coach (die een team of speler begeleidt), de scheidsrechter of official (die het spel eerlijk laat verlopen) en de organisator (die de activiteit plant en regelt). In elke rol sta je niet centraal als beweger, maar dien je het bewegen van anderen. Samen zorgen de vier rollen dat sport en spel überhaupt kunnen plaatsvinden.

De vier regelrollen

RegelrollenTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: regelrol · kerntaak · belangrijkste competentie; instructeur / lesgever · anderen een beweging aanleren · duidelijk uitleggen, voordoen en bijsturen; coach · een team of speler begeleiden · het spel lezen, motiveren, tactisch aansturen; scheidsrechter / official · het spel eerlijk laten verlopen · regels kennen, onpartijdig en beslist beslissen; organisator · de activiteit plannen en regelen · overzicht houden, plannen, roosterenREGELROLKERNTAAKBELANGRIJKSTECOMPETENTIEinstructeur / lesgeveranderen een bewegingaanlerenduidelijk uitleggen,voordoen en bijsturencoacheen team of spelerbegeleidenhet spel lezen, motiveren,tactisch aansturenscheidsrechter / officialhet spel eerlijk latenverlopenregels kennen, onpartijdigen beslist beslissenorganisatorde activiteit plannen enregelenoverzicht houden, plannen,roosteren
Afb. 1Afb. 1 — De vier regelrollen van domein C met hun kerntaak en belangrijkste competentie.
Wat de rollen delen, is verantwoordelijkheid nemen. Wie een rol vervult, is verantwoordelijk voor de veiligheid (niemand raakt geblesseerd), het verloop (de activiteit loopt soepel en eerlijk) en de sfeer (het is voor iedereen prettig en sportief). Die verantwoordelijkheid is de kern van domein C: je verschuift van „ik doe mee” naar „ik zorg dat het goed gaat voor de groep”. Dat vraagt overzicht, besluitvaardigheid en oog voor anderen — vaardigheden die ver buiten de gymzaal van pas komen.
De rollen vragen verschillende competenties, maar overlappen ook. Een instructeur moet duidelijk kunnen uitleggen en voordoen; een coach moet het spel lezen en mensen motiveren; een official moet regels kennen en onpartijdig beslissen; een organisator moet plannen en overzicht houden. Tegelijk komen in alle rollen communicatie, leiderschap en verantwoordelijkheid terug. Wie in de ene rol groeit, wordt vaak ook beter in de andere — net zoals de bewegingsactiviteiten onderling samenhangen via gedeelde principes.
De regelrollen bouwen voort op wat je in de andere domeinen hebt geleerd. Om goed te instrueren of te coachen, moet je de bewegingen zelf begrijpen en kunnen analyseren (domein A). Om verantwoord te laten bewegen, moet je de veiligheid en gezondheid kennen (domein D). En om zinvol te organiseren, moet je de sport en haar plek in de samenleving begrijpen (domein E). Zo is domein C het domein waarin alle andere samenkomen: je past je kennis van bewegen toe om het bewegen van anderen mogelijk te maken.
Voor het schoolexamen vervul je een of meer regelrollen aantoonbaar en verantwoord: je leidt bijvoorbeeld een oefenvorm, coacht een team, fluit een wedstrijd of organiseert een onderdeel, en je reflecteert op hoe dat ging. Daarbij word je beoordeeld op of je de verantwoordelijkheid daadwerkelijk draagt — of de groep veilig, eerlijk en met plezier heeft kunnen bewegen dankzij jouw handelen. Dat maakt domein C tot een oefenplaats voor leiderschap.
Uitgewerkt voorbeeld

Verantwoordelijkheid in de rol van organisator

Je organiseert een klassikaal 3-tegen-3 basketbaltoernooi in één lesuur. Beschrijf hoe je in deze rol de verantwoordelijkheid voor veiligheid, verloop en sfeer invult.

  1. 01Veiligheid

    Zorg voor voldoende ruimte tussen de veldjes, verwijder obstakels, laat een warming-up doen en stel duidelijke gedragsregels op (geen ruw contact).

  2. 02Verloop

    Maak een strak wedstrijdschema met korte wedstrijden en vaste wisseltijden, zodat iedereen speelt en het toernooi binnen het lesuur past.

  3. 03Sfeer

    Meng de teams op niveau zodat het spannend blijft, benadruk sportiviteit en zorg dat winnen én meedoen leuk zijn.

Resultaat: Als organisator draag je de verantwoordelijkheid door vooraf veiligheid, een haalbaar schema en een goede sfeer te regelen — zo kan de klas veilig, vlot en met plezier spelen.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de vier regelrollen (instructeur/lesgever, coach, scheidsrechter/official, organisator) benoemen met hun kern en de bijbehorende competenties.
  • Examendoel: uitleggen wat verantwoordelijkheid nemen in een regelrol inhoudt (veiligheid, verloop, sfeer) en dat toepassen op een situatie.

Veelgemaakte fouten

  • In een regelrol toch vooral zelf willen bewegen of scoren; in domein C dien je juist het bewegen van anderen en sta je zelf niet centraal.
  • De rol beperken tot de zichtbare taak (fluiten, uitleggen) en de verantwoordelijkheid voor veiligheid, verloop en sfeer vergeten.

Actieve herhaling

Kies een van de vier regelrollen en beschrijf hoe je die in een gymles zou vervullen. Benoem concreet hoe je zorgt voor de veiligheid, het verloop en de sfeer.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein C (Bewegen en regelen) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 02

Instructeur en coach: begeleiden en aansturen#

●●○StandaardLPexamenblad-lo-domein-c-bewegen-regelen

Kernpunten

Als instructeur leer je anderen een beweging aan, en daarvoor bestaat een beproefd model, weergegeven in Afb. 2: uitleggen, voordoen, laten oefenen en bijsturen. Je legt kort en duidelijk uit wat de bedoeling is (niet te veel tegelijk), je doet de beweging voor (of laat een goed voorbeeld zien), je laat de leerlingen oefenen in een passende oefenvorm, en je stuurt bij met gerichte feedback. Deze cyclus herhaal je: na het bijsturen oefenen de leerlingen opnieuw. Goed instrueren betekent de juiste hoeveelheid informatie op het juiste moment geven — precies het feedback- en oefenvormdenken uit domein A, nu vanuit de rol van lesgever.

Het instructiemodel

InstruerenGraaf, Uitleggen: kort en duidelijk de bedoeling → Voordoen: een goed voorbeeld tonen, Voordoen: een goed voorbeeld tonen → Oefenen: passende oefenvorm, veel herhaling, Oefenen: passende oefenvorm, veel herhaling → Bijsturen: gerichte, positieve feedback, Bijsturen: gerichte, positieve feedback → Oefenen: passende oefenvorm, veel herhalingUitleggen: korten duidelijk debedoelingVoordoen: eengoed voorbeeldtonenOefenen:passendeoefenvorm, veel…Bijsturen:gerichte,positieve feedb…opnieuw
Afb. 2Afb. 2 — Instrueren als cyclus: uitleggen, voordoen, laten oefenen en bijsturen — daarna opnieuw oefenen.
Een goede instructeur stemt af op het niveau en de leerfase van de leerlingen. Bij beginners (cognitieve fase) vereenvoudig je de taak, doe je veel voor en geef je één aandachtspunt tegelijk; bij gevorderden (associatieve fase) geef je juist gerichte detailfeedback en voer je de moeilijkheid op. Ook kies je de oefenvorm bewust: de hele of deelmethode, geblokt of gevarieerd oefenen, afhankelijk van de beweging en de leerling. Wie iedereen op dezelfde manier instrueert, bereikt maar een deel van de groep.
Als coach begeleid je een team of speler tijdens het spelen zelf. Ook dat is een cyclus: je observeert (wat gebeurt er op het veld?), analyseert (waar gaat het goed of mis, en waarom?), grijpt in met een aanwijzing of wissel, en evalueert het effect. Coachen vraagt dus dat je het spel goed kunt lezen (domein B) en je waarnemingen kunt omzetten in bruikbare aanwijzingen. Effectieve aanwijzingen zijn kort, positief geformuleerd, op het juiste moment gegeven en afgestemd op de spelsituatie — „meer diepte” op het moment dat het team te vlak speelt.
Motiveren en een goede sfeer scheppen horen bij het coachen. Je haalt het beste uit spelers door vertrouwen te geven, realistische doelen te stellen en te sturen op inzet en samenwerking, niet alleen op de uitslag. Onderzoek en ervaring laten zien dat positieve, opbouwende feedback beter werkt dan alleen op fouten wijzen. Een coach die alleen maar kritiek geeft, maakt spelers onzeker; een coach die aanmoedigt én bijstuurt, laat spelers groeien. Dit sluit aan bij het onderscheid tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie uit domein A.
Voor het examen moet je aantoonbaar kunnen instrueren en/of coachen: een oefenvorm leiden of een team begeleiden, met heldere uitleg, goede aanwijzingen en oog voor niveau en sfeer. Je moet je keuzes kunnen toelichten met de theorie: waarom deze oefenvorm, deze feedback, deze aanwijzing bij deze leerling of dit team? Zo laat je zien dat je de leervaardigheden van domein A kunt inzetten om anderen te laten leren en presteren.
Uitgewerkt voorbeeld

Coachen op basis van waarneming

Je coacht een voetbalteam dat de bal wel rondspeelt maar nooit tot een kans komt. Beschrijf hoe je met de coachcyclus tot een bruikbare aanwijzing komt.

  1. 01Observeer

    Je ziet dat het team veel breed en achteruit speelt, maar er nooit iemand vóór de bal richting het doel loopt.

  2. 02Analyseer

    Er is wel breedte maar geen diepte (domein B); zonder aanspeelpunt vóór de bal komt de aanval niet dichter bij het doel.

  3. 03Grijp in met een aanwijzing

    Geef een korte, positieve aanwijzing op het juiste moment: „loop de diepte in, geef een aanspeelpunt voor de bal” en eventueel een concrete speler die dieper moet gaan staan.

Resultaat: Via observeren en analyseren stel je vast dat diepte ontbreekt; de coachcyclus leidt tot een korte, gerichte aanwijzing die het team helpt de aanval doelgericht te maken.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het instructiemodel (uitleggen, voordoen, oefenen, bijsturen) toepassen en de aanpak afstemmen op de leerfase van de leerling.
  • Examendoel: de coachcyclus (observeren, analyseren, ingrijpen, evalueren) toepassen en effectieve, positief geformuleerde aanwijzingen geven.

Veelgemaakte fouten

  • Als instructeur te veel tegelijk uitleggen en te lang praten, waardoor de leerlingen de kern kwijtraken en te weinig oefentijd hebben.
  • Als coach alleen op fouten wijzen; opbouwende, positieve feedback op het juiste moment werkt beter en houdt spelers gemotiveerd.

Actieve herhaling

Bereid een korte instructie voor van een vaardigheid naar keuze (bijvoorbeeld de basketbal-lay-up). Beschrijf je uitleg, je demonstratie, de oefenvorm en één aanwijzing, en geef aan hoe je die aanpast voor een beginner versus een gevorderde.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — regelen: instrueren en coachen (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 03

Scheidsrechter/official: arbitreren en fair play#

●●○StandaardLPexamenblad-lo-domein-c-bewegen-regelen

Kernpunten

Als scheidsrechter of official zorg je dat het spel eerlijk en veilig verloopt. Dat vraagt een vaste werkwijze, weergegeven in Afb. 3: waarnemen (goed zien wat er gebeurt), beoordelen (is dit binnen de regels?), beslissen (een duidelijke keuze maken) en communiceren (de beslissing helder overbrengen met fluit, gebaar en eventueel woord). Deze vier stappen doorloop je in een fractie van een seconde, wedstrijd na wedstrijd. Om goed waar te nemen moet je je bovendien goed positioneren: op de juiste plek staan om het spel te overzien.

De werkwijze van een official

ArbitrerenGraaf, Waarnemen: goed gepositioneerd zien wat er gebeurt → Beoordelen: is het binnen de regels?, Beoordelen: is het binnen de regels? → Beslissen: een duidelijke, beslist keuze, Beslissen: een duidelijke, beslist keuze → Communiceren: fluit, gebaar en zo nodig uitlegWaarnemen: goedgepositioneerdzien wat er geb…Beoordelen: ishet binnen deregels?Beslissen: eenduidelijke,beslist keuzeCommuniceren:fluit, gebaar enzo nodig uitleg
Afb. 3Afb. 3 — Arbitreren in vier stappen: waarnemen, beoordelen, beslissen en de beslissing communiceren.
Twee eigenschappen maken een official geloofwaardig: consistentie en gezag. Consistentie betekent dat je gelijke situaties gelijk beoordeelt — een overtreding is een overtreding, ongeacht wie hem maakt of hoe laat in de wedstrijd. Spelers accepteren beslissingen veel makkelijker als ze consequent zijn, ook als ze streng zijn. Gezag betekent dat je beslist en duidelijk optreedt, zonder te twijfelen of je te laten ompraten; onzekere, wisselende beslissingen ondermijnen het vertrouwen. Onpartijdigheid is daarbij vanzelfsprekend: je kiest geen kant.
Arbitreren is onlosmakelijk verbonden met fair play, en dat begrip heeft twee kanten. Formele fair play is het naleven van de geschreven regels: je houdt je aan wat er in het reglement staat. Informele fair play gaat verder: het is de sportieve geest die niet in regels te vangen is — respect voor tegenstander en official, de bal teruggeven na een blessure, geen misbruik maken van een maas in de regels. Een official handhaaft de formele regels, maar bevordert ook de informele fair play door sportief gedrag te belonen en onsportief gedrag aan te spreken.
Fair play is bovendien een maatschappelijk thema (het raakt aan domein E). Sport zonder fair play verliest haar waarde: als spelers vals spelen, blesseren of de official niet respecteren, is de wedstrijd niet eerlijk en niet leuk. Daarom investeren sportbonden en scholen in het bevorderen van sportiviteit. Als official ben jij de bewaker van die eerlijkheid in het klein: jouw consistente, respectvolle optreden zet de toon voor hoe er gespeeld wordt. Zo is arbitreren niet alleen regels toepassen, maar ook een voorbeeldrol vervullen.
Voor het examen moet je aantoonbaar kunnen arbitreren: de regels van een spel toepassen, beslissingen nemen en die duidelijk communiceren, en daarbij consistentie, gezag en onpartijdigheid tonen. Ook moet je het onderscheid tussen formele en informele fair play kunnen uitleggen en aangeven hoe je als official beide bevordert. Zo verbind je het toepassen van regels met de sportieve en maatschappelijke waarde van sport.
Uitgewerkt voorbeeld

Een twijfelgeval consistent afhandelen

Bij een zaalvoetbalwedstrijd twijfel je of een duel een overtreding was. Hoe handel je dit af met oog voor consistentie en gezag?

  1. 01Waarnemen en beoordelen

    Bepaal op basis van wat je écht zag of er contact was dat de regels overtreedt; laat je niet leiden door het protest van spelers.

  2. 02Beslis beslist

    Neem een duidelijke beslissing (wel of geen overtreding) en blijf erbij; twijfelen of terugkomen op je besluit ondermijnt je gezag.

  3. 03Wees consistent

    Beoordeel eenzelfde duel later in de wedstrijd op dezelfde manier, ongeacht welk team het maakt, zodat spelers je beslissingen vertrouwen.

Resultaat: Je handelt het twijfelgeval af door te beslissen op wat je zag, beslist te blijven bij je keuze en gelijke situaties gelijk te behandelen — consistentie en gezag maken je beslissingen aanvaardbaar.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de werkwijze van een official (waarnemen, beoordelen, beslissen, communiceren) toepassen en het belang van consistentie, gezag en onpartijdigheid uitleggen.
  • Examendoel: het onderscheid tussen formele en informele fair play uitleggen en aangeven hoe een official beide bevordert.

Veelgemaakte fouten

  • Inconsequent fluiten (de ene keer wel, de andere keer niet voor dezelfde overtreding), waardoor spelers de beslissingen niet accepteren.
  • Fair play beperken tot de geschreven regels (formeel) en de sportieve geest (informeel) vergeten, zoals respect voor de tegenstander en de official.

Actieve herhaling

Beschrijf voor een spel naar keuze hoe je als scheidsrechter een twijfelgeval afhandelt met de vier stappen (waarnemen, beoordelen, beslissen, communiceren). Geef daarna een voorbeeld van informele fair play die geen regel voorschrijft.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — regelen: arbitrage en fair play (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 04

Organisator: een toernooi plannen en roosteren#

●●●VerdiepingLPexamenblad-lo-domein-c-bewegen-regelen

Kernpunten

Als organisator zorg je dat een activiteit of toernooi soepel verloopt, en dat begint met een goede toernooivorm. Twee basisvormen zijn de halve competitie (poule), waarin iedereen één keer tegen iedereen speelt, en het afvalschema (knockout), waarin je bij verlies uitgeschakeld bent. Afb. 5 toont een afvalschema voor vier teams. Elke vorm heeft voor- en nadelen: een poule is eerlijk (iedereen speelt evenveel) maar kost veel wedstrijden en tijd; een afvalschema is snel en spannend maar sommige teams spelen maar één keer. De keuze hangt af van het aantal teams, de beschikbare tijd en velden.

Een afvalschema voor vier teams

AfvalschemaSchema met 13 elementen, team A, team B, team C, team D, halve finale 1, halve finale 2, finaleteam Ateam Bteam Cteam Dhalve finale 1halve finale 2finale
Afb. 5Afb. 5 — Een afvalschema (knockout) voor vier teams: twee halve finales leiden naar de finale.
Bij het plannen moet je vooruit kunnen rekenen, want het aantal wedstrijden bepaalt hoeveel tijd en ruimte je nodig hebt. In een halve competitie met n teams speelt elk team tegen elk ander team één keer; het totale aantal wedstrijden is dan m = n(n − 1)/2. Afb. 4 laat zien hoe dit aantal oploopt: bij 4 teams zijn het 6 wedstrijden, bij 8 teams al 28, en bij 12 teams zelfs 66. De groei is kwadratisch: elk extra team voegt steeds meer wedstrijden toe. Dit inzicht voorkomt dat je een toernooi plant dat niet in de beschikbare tijd past.

Aantal wedstrijden in een halve competitie

Wedstrijden in een halve competitieSchaubild von m = n(n−1)/2, steigend, im Bereich x von 2 bis 1224681012102030405060708 teams → 28wedstrijdenm = n(n−1)/2aantal wedstrijden (m)aantal teams (n)
Afb. 4Afb. 4 — Het aantal wedstrijden m = n(n − 1)/2 loopt kwadratisch op met het aantal teams n.
Met dat aantal reken je verder naar tijd en velden. Als je het totale aantal wedstrijden weet, de duur per wedstrijd en het aantal beschikbare velden, kun je uitrekenen hoe lang het toernooi duurt: je verdeelt de wedstrijden over de velden en vermenigvuldigt met de wedstrijdduur (plus wisseltijd). Zo bepaal je vooraf of je toernooivorm haalbaar is, en pas je die zo nodig aan (kortere wedstrijden, meer velden, of poules in plaats van iedereen tegen iedereen). Dit is toegepaste rekenkunde in dienst van een praktische organisatie.
Een goede organisator denkt ook aan het geheel eromheen: een duidelijk wedstrijdschema (wie speelt wanneer en waar), scheidsrechters en tijdwaarneming, materiaal en veiligheid, en een eerlijke indeling van de poules (bijvoorbeeld op sterkte gemengd). Ook een plan B voor als iets uitloopt of een team uitvalt hoort erbij. Organiseren is daarmee vooruitdenken en overzicht houden: je bedenkt van tevoren wat er kan gebeuren en zorgt dat alles klaarstaat, zodat de deelnemers alleen maar hoeven te spelen.
Voor het examen moet je een activiteit of toernooi kunnen plannen: een geschikte toernooivorm kiezen, het aantal wedstrijden berekenen, een haalbaar schema maken en de organisatie (scheidsrechters, tijd, ruimte, veiligheid) regelen. Je onderbouwt je keuzes met het aantal teams, de tijd en de ruimte. Zo laat je zien dat je niet alleen kunt meedoen, maar ook een sportactiviteit voor een hele groep mogelijk kunt maken — de meest zelfstandige regelrol.
m=n(n−1)2m = \dfrac{n(n-1)}{2}m=2n(n−1)​

Aantal wedstrijden in een halve competitie

m is het totale aantal wedstrijden en n het aantal teams; elk team speelt één keer tegen elk ander team. De formule volgt uit het aantal paren dat je uit n teams kunt kiezen.

Uitgewerkt voorbeeld

Past dit toernooi in de tijd?

Je organiseert een halve competitie voor 5 teams. Elke wedstrijd duurt 10 minuten en er zijn 2 velden beschikbaar. Bereken het aantal wedstrijden en de minimale speelduur.

  1. 01Bereken het aantal wedstrijden

    m = n(n − 1)/2 = 5 · 4 / 2 = 10 wedstrijden.

  2. 02Verdeel over de velden

    Met 2 velden kunnen er 2 wedstrijden tegelijk: 10 ÷ 2 = 5 wedstrijdronden.

  3. 03Reken de tijd uit

    5 ronden × 10 minuten = 50 minuten pure speeltijd; met wisseltijd erbij reken je op ongeveer 60 minuten.

Resultaat: Bij 5 teams zijn er 10 wedstrijden; verdeeld over 2 velden zijn dat 5 ronden, dus minstens 50 minuten speeltijd (met wisseltijd ~60 minuten). Zo weet je vooraf of het in je lesuur past.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een geschikte toernooivorm (halve competitie of afvalschema) kiezen met de voor- en nadelen, passend bij het aantal teams, de tijd en de ruimte.
  • Examendoel: het aantal wedstrijden in een halve competitie berekenen met m = n(n − 1)/2 en daarmee de benodigde tijd en velden inschatten.

Veelgemaakte fouten

  • Onderschatten hoe snel het aantal wedstrijden oploopt bij een halve competitie; door de kwadratische groei past een grote poule vaak niet in de beschikbare tijd.
  • Geen wisseltijd of plan B inplannen, waardoor het toernooischema in de praktijk uitloopt en vastloopt.

Actieve herhaling

Je organiseert een toernooi voor 6 teams. Bereken het aantal wedstrijden bij een halve competitie, schat de benodigde tijd bij wedstrijden van 8 minuten op 2 velden, en beoordeel of dat in een dubbel lesuur (90 minuten) past.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — regelen: organiseren (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01De regelrollen en verantwoordelijkheid nemen○
    • 02Instructeur en coach: begeleiden en aansturen◐
    • 03Scheidsrechter/official: arbitreren en fair play◐
    • 04Organisator: een toernooi plannen en roosteren●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Bewegen regelen: de regelrollen

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~16
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

College voor Toetsen en Examens (CvTE)

  • Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein C (Bewegen en regelen)

Vorig onderwerp

Door de kandidaat gekozen nieuwe bewegingsactiviteiten

Volgend onderwerp

Bewegen en gezondheid: fitheid, belasting en blessurepreventie

EuraStudy·Samenvattingen T·10·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.