EuraStudy
Samenvattingen/Lichamelijke opvoeding/Bewegen en gezondheid: fitheid, belasting en blessurepreventie
Samenvattingen · Lichamelijke opvoedingNL · VWO

Bewegen en gezondheid: fitheid, belasting en blessurepreventie

Domein D is de trainingsleer van het vak: hoe bewegen je gezondheid en fitheid beïnvloedt en hoe je verantwoord traint. Je leert de fitheidscomponenten, belasting en belastbaarheid, de trainingsprincipes en supercompensatie, het opzetten van een training met FITT en hartslagzones, de energiesystemen (ATP-CP, anaeroob, aeroob), en blessurepreventie met eerste hulp (RICE) en een gezonde leefstijl.

5 Onderdelen·~21 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3 · Verdieping 1

T·111111 / 12
Examenprofiel
De fitheidscomponenten en de relatie tussen bewegen en gezondheid begrijpen (domein D)De trainingsprincipes en supercompensatie uitleggen en toepassen op een trainingMet FITT en hartslagzones een verantwoorde training opzetten (HRmax- en %HRR-schatting)De energiesystemen koppelen aan duur en intensiteit; blessures voorkomen en EHBSO (RICE) toepassen
Operatoren:berekenleg uitverklaarpas toebeoordeelontwerp

basisniveau

In LO pas je deze kennis toe op je eigen bewegen: verantwoord opbouwen, opwarmen en blessures voorkomen.

verhoogd niveau

Binnen BSM wordt de trainingsleer numeriek getoetst: je rekent met hartslagzones, ontwerpt trainingen met FITT en verklaart adaptatie met supercompensatie en de energiesystemen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 5 onderdelen▾
  1. Bewegen en gezondheid: fitheid, belasting en blessurepreventie
    • 01Fitheid, belasting en belastbaarheid○
    • 02Trainingsprincipes en supercompensatie◐
    • 03FITT en hartslag-/trainingszones◐
    • 04Energiesystemen: ATP-CP, anaeroob en aeroob●
    • 05Blessurepreventie, EHBSO (RICE) en leefstijl◐
§ 01

Fitheid, belasting en belastbaarheid#

●○○BasisLPexamenblad-lo-domein-d-bewegen-en-gezondheid

Kernpunten

Fitheid is geen enkele eigenschap maar een samenspel van componenten; Afb. 1 zet ze op een rij. De belangrijkste zijn het uithoudingsvermogen (lang kunnen volhouden — aeroob en anaeroob), kracht (grote spierkracht kunnen leveren), snelheid (bewegingen snel kunnen uitvoeren), lenigheid (een grote bewegingsuitslag hebben) en coördinatie (bewegingen soepel op elkaar afstemmen). Iemand kan sterk zijn maar weinig uithoudingsvermogen hebben, of lenig maar niet snel. Fit zijn betekent dat de componenten die jouw activiteiten vragen, voldoende ontwikkeld zijn.

De fitheidscomponenten

FitheidscomponentenTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: component · wat het is · voorbeeld; uithoudingsvermogen · lang kunnen volhouden (aeroob/anaeroob) · hardlopen, wielrennen; kracht · grote spierkracht kunnen leveren · krachttraining, worstelen; snelheid · bewegingen snel kunnen uitvoeren · sprinten; lenigheid · een grote bewegingsuitslag hebben · turnen, yoga; coördinatie · bewegingen soepel op elkaar afstemmen · jongleren, complexe spelactiesCOMPONENTWAT HET ISVOORBEELDuithoudingsvermogenlang kunnen volhouden(aeroob/anaeroob)hardlopen, wielrennenkrachtgrote spierkracht kunnenleverenkrachttraining, worstelensnelheidbewegingen snel kunnenuitvoerensprintenlenigheideen grote bewegingsuitslaghebbenturnen, yogacoördinatiebewegingen soepel op elkaarafstemmenjongleren, complexespelacties
Afb. 1Afb. 1 — De fitheidscomponenten met een omschrijving en een voorbeeldsport.
De componenten hangen samen met gezondheid en met prestatie, en die twee zijn niet hetzelfde. Gezondheidsgerelateerde fitheid (vooral uithoudingsvermogen, kracht en een gezond gewicht) beschermt tegen ziekten en houdt je dagelijks functioneren op peil; prestatiegerichte fitheid (zoals snelheid en explosieve kracht) is nodig om te excelleren in een sport. Voor het vak LO gaat het vooral om de gezondheidskant: voldoende bewegen om gezond te blijven. Dat sluit aan bij de beweegrichtlijnen, die aanbevelen om regelmatig matig tot intensief te bewegen en spier- en botversterkende activiteiten te doen.
Om te begrijpen hoe training werkt, zijn twee begrippen onmisbaar: belasting en belastbaarheid. Belasting is wat je je lichaam oplegt (de training, de inspanning); belastbaarheid is hoeveel je lichaam op dat moment aankan. Een training is zinvol als de belasting goed is afgestemd op de belastbaarheid: genoeg om een prikkel te geven, niet zo veel dat je jezelf beschadigt. Is de belasting structureel groter dan de belastbaarheid, dan raak je overbelast (blessures, oververmoeidheid); is ze structureel kleiner, dan train je te licht en verbeter je niet.
De belastbaarheid is niet vast, maar verandert met je conditie, je herstel en je leeftijd. Na een zware training is je belastbaarheid tijdelijk verlaagd (je bent vermoeid); na goed herstel is ze weer op peil of zelfs hoger. Ook slaap, voeding, stress en ziekte beïnvloeden je belastbaarheid van dag tot dag. Een goede sporter (of coach) stemt de belasting daarop af: op een dag met lage belastbaarheid train je lichter. Dit dynamische evenwicht tussen belasting en belastbaarheid is de basis onder alle trainingsprincipes die in de volgende paragraaf aan bod komen.
Voor het schoolexamen moet je de fitheidscomponenten kunnen benoemen en herkennen in activiteiten, en het verschil tussen belasting en belastbaarheid kunnen uitleggen en toepassen. Een veelgevraagde redenering is: waarom leidt te zwaar trainen niet tot betere maar tot slechtere prestaties? Het antwoord — de belasting overschrijdt structureel de belastbaarheid, zodat er geen herstel en dus geen verbetering optreedt — is de opstap naar het begrijpen van supercompensatie.
Uitgewerkt voorbeeld

Belasting en belastbaarheid vergelijken

Een getrainde hardloper en een beginner doen dezelfde training: 5 km in 25 minuten. Leg met belasting en belastbaarheid uit waarom deze training voor de een verantwoord en voor de ander overbelastend kan zijn.

  1. 01Benoem de belasting

    De belasting (5 km in 25 minuten) is voor beiden hetzelfde in absolute zin.

  2. 02Vergelijk de belastbaarheid

    De getrainde loper heeft een hoge belastbaarheid: dit tempo is voor hem matig. De beginner heeft een lage belastbaarheid: hetzelfde tempo is voor hem zwaar.

  3. 03Trek de conclusie

    Voor de loper past de belasting binnen zijn belastbaarheid (verantwoorde prikkel); voor de beginner overschrijdt de belasting zijn belastbaarheid, met kans op overbelasting en blessures.

Resultaat: Dezelfde absolute belasting is verantwoord voor wie een hoge belastbaarheid heeft en overbelastend voor wie een lage heeft — daarom stem je de belasting altijd af op de belastbaarheid van de persoon.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de fitheidscomponenten (uithoudingsvermogen, kracht, snelheid, lenigheid, coördinatie) benoemen en herkennen in bewegingsactiviteiten.
  • Examendoel: het onderscheid tussen belasting en belastbaarheid uitleggen en toepassen op verantwoord en op overbelast trainen.

Veelgemaakte fouten

  • Fitheid als één eigenschap zien; het is een samenspel van componenten, en je kunt op de ene sterk en op de andere zwak zijn.
  • Belasting en belastbaarheid verwarren: belasting is wat je je lichaam oplegt, belastbaarheid is wat je lichaam op dat moment aankan.

Actieve herhaling

Kies drie sporten en benoem per sport welke fitheidscomponent het belangrijkst is. Leg daarna uit waarom dezelfde training voor een fitte en een ongetrainde persoon een heel andere belasting-belastbaarheidverhouding oplevert.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein D (Bewegen en gezondheid) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 02

Trainingsprincipes en supercompensatie#

●●○StandaardLPexamenblad-lo-domein-d-bewegen-en-gezondheid

De cyclus van belasting en adaptatie

Belasting → herstel → supercompensatie → adaptatieGraaf, Belasting: een trainingsprikkel breekt tijdelijk af → Herstel: rust, slaap en voeding herstellen het lichaam, Herstel: rust, slaap en voeding herstellen het lichaam → Supercompensatie: tijdelijk boven het uitgangsniveau, Supercompensatie: tijdelijk boven het uitgangsniveau → Belasting: een trainingsprikkel breekt tijdelijk af, Supercompensatie: tijdelijk boven het uitgangsniveau → Adaptatie: blijvende verbetering bij herhalingBelasting: eentrainingsprikkelbreekt tijdelij…Herstel: rust,slaap en voedingherstellen het …Supercompensatie:tijdelijk bovenhet uitgangsniv…Adaptatie:blijvendeverbetering bij…vermoeidheidextra opbouwnieuwe prikkelop de topbij herhaling
Afb. 4Afb. 4 — De cyclus: een prikkel leidt via herstel tot supercompensatie; bij herhaald goed getimede training tot blijvende adaptatie.

Kernpunten

Waarom word je van trainen beter? Het antwoord is supercompensatie, weergegeven in Afb. 2. Een trainingsprikkel (belasting) breekt je lichaam tijdelijk af: direct na de training is je belastbaarheid verlaagd, je bent vermoeid. Tijdens het herstel dat volgt, herstelt je lichaam niet alleen tot het oude niveau, maar bouwt het iets extra op — als voorbereiding op een volgende, vergelijkbare belasting. Dat tijdelijk verhoogde niveau is de supercompensatie: je bent even fitter dan voor de training. Train je opnieuw op het moment dat je in die verhoogde fase zit, dan bouw je stap voor stap op naar een blijvend hoger niveau.

De supercompensatiecurve

SupercompensatieSchaubild von belastbaarheid, Tiefpunkt bei (1.448, 77.923), Hochpunkt bei (5.375, 105.585), y-Achsenabschnitt bei y = 100, im Bereich x von 0 bis 92468708090100110vermoeidheid /hersteluitgangsniveausupercompensatie:nieuwe prikkelbelastbaarheidbelastbaarheid (%)tijd na de training
Afb. 2Afb. 2 — Na een prikkel daalt de belastbaarheid (vermoeidheid), herstelt tot boven het uitgangsniveau (supercompensatie) en zakt weer terug; de volgende prikkel plaats je op de top.
De timing van de volgende prikkel is daarbij cruciaal, zoals de curve in Afb. 2 laat zien. Kom je te vroeg (nog vermoeid, vóór het herstel), dan stapel je vermoeidheid op zonder verbetering en dreigt overtraining. Kom je te laat (nadat de supercompensatie alweer is weggeëbd naar het oude niveau), dan train je telkens vanaf hetzelfde punt en verbeter je niet. Alleen bij een goede timing — een nieuwe prikkel op de top van de supercompensatie — bouw je op. Dit verklaart waarom zowel te veel als te weinig herstel de vooruitgang remt.
Supercompensatie werkt alleen als je aan de trainingsprincipes voldoet; Afb. 3 vat ze samen. Het overloadprincipe zegt dat de prikkel groter moet zijn dan wat je gewend bent, anders is er geen reden voor het lichaam om te verbeteren. Het progressieprincipe zegt dat je de belasting geleidelijk moet opvoeren naarmate je belastbaarheid stijgt (anders wordt de prikkel op den duur te klein). Het specificiteitsprincipe zegt dat je verbetert in wat je traint: wie duurloopt, verbetert vooral het uithoudingsvermogen, niet de maximale kracht.

De trainingsprincipes

TrainingsprincipesTabel met 2 kolommen en 6 rijen, Gegevens: principe · betekenis; overload · de prikkel moet groter zijn dan je gewend bent; progressie · voer de belasting geleidelijk op naarmate je fitter wordt; specificiteit · je verbetert vooral in datgene wat je traint; herstel · rust, slaap en voeding: de winst ontstaat tijdens het herstel; reversibiliteit · stop je met trainen, dan verdwijnt de winst (use it or lose it); variatie · wissel af om te blijven verbeteren en overbelasting te voorkomenPRINCIPEBETEKENISoverloadde prikkel moet groter zijndan je gewend bentprogressievoer de belastinggeleidelijk op naarmate jefitter wordtspecificiteitje verbetert vooral indatgene wat je traintherstelrust, slaap en voeding: dewinst ontstaat tijdens hetherstelreversibiliteitstop je met trainen, danverdwijnt de winst (use itor lose it)variatiewissel af om te blijvenverbeteren en overbelastingte voorkomen
Afb. 3Afb. 3 — De trainingsprincipes die bepalen of een training tot verbetering leidt.
Drie andere principes maken het beeld compleet. Het herstelprincipe zegt dat rust (en goede voeding en slaap) even belangrijk is als de training zelf: de verbetering ontstaat tijdens het herstel, niet tijdens de belasting. Het reversibiliteitsprincipe (of „use it or lose it”) zegt dat winst verdwijnt als je stopt met trainen — de supercompensatie ebt weg en je zakt terug. Het variatieprincipe zegt dat je de trainingen moet afwisselen om te blijven verbeteren en verveling of blessures door eenzijdige belasting te voorkomen. Samen bepalen deze principes of een training werkt.
Voor het examen moet je supercompensatie kunnen uitleggen en tekenen, en de trainingsprincipes kunnen benoemen en toepassen. Een klassieke examenvraag is: waarom leidt elke dag zwaar trainen tot slechtere in plaats van betere prestaties? Het antwoord verbindt supercompensatie (te vroeg, geen herstel) met de trainingsprincipes (het herstelprincipe wordt geschonden). Dit is de theoretische kern van de trainingsleer en de basis voor het opstellen van een verantwoord trainingsschema in de volgende paragraaf.
Uitgewerkt voorbeeld

Waarom werkt elke dag maximaal trainen niet?

Een leerling traint zeven dagen per week maximaal en wordt juist slechter in plaats van beter. Verklaar dit met supercompensatie en de trainingsprincipes.

  1. 01Beschrijf de prikkel

    Elke maximale training verlaagt de belastbaarheid en veroorzaakt vermoeidheid (de dip in de supercompensatiecurve).

  2. 02Analyseer het herstel

    Zonder rustdagen is er geen tijd voor herstel; de volgende prikkel komt telkens vóór het herstel (te vroeg), dus de vermoeidheid stapelt.

  3. 03Koppel aan de principes

    Het herstelprincipe wordt geschonden: er is geen supercompensatie, alleen ophopende vermoeidheid (overtraining), waardoor de prestaties dalen.

Resultaat: Zonder herstel bereikt de leerling nooit de supercompensatiefase; hij stapelt vermoeidheid in plaats van op te bouwen. De oplossing is voldoende rust tussen de prikkels (het herstelprincipe respecteren).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: supercompensatie beschrijven en tekenen, en uitleggen waarom de timing van de volgende trainingsprikkel bepalend is.
  • Examendoel: de trainingsprincipes (overload, progressie, specificiteit, herstel, reversibiliteit, variatie) benoemen en toepassen op een trainingsschema.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat je van trainen zelf beter wordt; de verbetering ontstaat tijdens het herstel (supercompensatie), niet tijdens de belasting.
  • Herstel onderschatten en te vaak zwaar trainen, waardoor je vermoeidheid stapelt (overtraining) in plaats van op te bouwen.

Actieve herhaling

Teken de supercompensatiecurve en markeer het uitgangsniveau, de vermoeidheidsfase en de supercompensatie. Geef aan wanneer de volgende training het beste kan plaatsvinden en leg uit wat er gebeurt als je te vroeg of te laat traint.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — trainingsleer: supercompensatie (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 03

FITT en hartslag-/trainingszones#

●●○StandaardLPexamenblad-lo-domein-d-bewegen-en-gezondheid

Kernpunten

Om een verantwoorde training te ontwerpen gebruik je het FITT-principe: vier knoppen waaraan je draait. F staat voor frequentie (hoe vaak je traint), I voor intensiteit (hoe zwaar), T voor tijd (hoe lang per keer) en de tweede T voor type (welke soort training). Door aan deze knoppen te draaien, stem je de belasting af op je doel en je belastbaarheid, en pas je het overload- en progressieprincipe toe: wil je verbeteren, dan verhoog je geleidelijk de frequentie, intensiteit of tijd. FITT maakt de abstracte trainingsprincipes concreet en planbaar.
De lastigste knop om te doseren is de intensiteit, en daarvoor gebruik je je hartslag. Je maximale hartslag (HRmax) schat je met een formule, want echt maximaal testen is zwaar en niet zonder risico. Een veelgebruikte schatting is HRmax ≈ 208 − 0,7 × leeftijd; de oudere vuistregel 220 − leeftijd is eenvoudiger maar minder nauwkeurig. Afb. 5 laat beide schattingen zien: ze geven bij ongeveer 40 jaar dezelfde waarde en lopen daarbuiten uiteen. Belangrijk is te beseffen dat het schattingen zijn: de werkelijke HRmax kan per persoon tientallen slagen afwijken.

Twee schattingen van de maximale hartslag

HRmax-schattingenSchaubild von 220 − leeftijd, fallend, im Bereich x von 10 bis 70, Schaubild von 208 − 0,7·leeftijd, fallend, im Bereich x von 10 bis 7010203040506070150160170180190200210220gelijk rond 40jaar220 − leeftijd208 −0,7·leeftijdgeschatte HFmax (slagen/min)leeftijd (jaar)
Afb. 5Afb. 5 — Twee HRmax-schattingen tegen de leeftijd; ze zijn gelijk rond 40 jaar en lopen daarbuiten uiteen. Het zijn schattingen.
Om de intensiteit nauwkeuriger op de persoon af te stemmen, gebruik je de hartslagreserve (HRR) en de formule van Karvonen. De hartslagreserve is het verschil tussen je maximale en je rusthartslag; die reserve is de ruimte waarbinnen je hartslag kan variëren. De doelhartslag voor een gewenste intensiteit bereken je dan als de rusthartslag plus een percentage van de reserve. Deze methode houdt rekening met je rusthartslag (die bij fitte mensen lager is) en geeft daarom een persoonlijker trainingszone dan een simpel percentage van de HRmax.
Op basis van de hartslag verdeel je de training in zones, samengevat in Afb. 6. Lage zones (rond 50–70% van de HRmax) trainen het basisuithoudingsvermogen en de vetverbranding en zijn goed vol te houden; middenzones (70–85%) verbeteren het aerobe uithoudingsvermogen; hoge zones (85–100%) trainen de anaerobe capaciteit en de topsnelheid maar zijn maar kort vol te houden. Welke zone je kiest, hangt af van je doel: wie zijn duurvermogen wil verbeteren traint vooral in de lagere en middenzones, wie sneller wil worden doet intervallen in de hoge zones. Zo koppel je de intensiteit direct aan het beoogde effect.

Hartslag-/trainingszones

TrainingszonesTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: zone · % van HFmax · energiesysteem / doel; herstel / heel licht · 50–60% · actief herstel, vetverbranding; extensieve duur · 60–70% · aeroob; basisuithoudingsvermogen; intensieve duur / tempo · 70–80% · aeroob; uithoudingsvermogen verbeteren; drempel · 80–90% · overgang aeroob/anaeroob; wedstrijdtempo; maximaal / interval · 90–100% · anaeroob; snelheid en VO2maxZONE% VAN HFMAXENERGIESYSTEEM / DOELherstel / heel licht50–60%actief herstel,vetverbrandingextensieve duur60–70%aeroob;basisuithoudingsvermogenintensieve duur / tempo70–80%aeroob; uithoudingsvermogenverbeterendrempel80–90%overgang aeroob/anaeroob;wedstrijdtempomaximaal / interval90–100%anaeroob; snelheid en VO2max
Afb. 6Afb. 6 — Trainingszones met het percentage van de HRmax en het bijbehorende doel (indicatieve waarden).
Voor het examen moet je met FITT een training kunnen opzetten en met de hartslagformules een trainingszone kunnen berekenen — waarbij je de formules eerlijk als schattingen benoemt. Een veelgevraagde berekening is: bepaal met de Karvonen-formule de doelhartslag voor een bepaalde intensiteit. Wie dat kan, kan een verantwoorde, op zichzelf afgestemde training ontwerpen — precies de toegepaste trainingsleer die op examenniveau (BSM) wordt gevraagd.
HFmax≈208−0,7⋅leeftijdHF_{max} \approx 208 - 0{,}7 \cdot \text{leeftijd}HFmax​≈208−0,7⋅leeftijd

Schatting van de maximale hartslag

Een veelgebruikte schatting (naar Tanaka). De oudere vuistregel is HFmax ≈ 220 − leeftijd. Beide zijn schattingen; de werkelijke waarde verschilt per persoon.

HFdoel=HFrust+i⋅(HFmax−HFrust)HF_{doel} = HF_{rust} + i \cdot (HF_{max} - HF_{rust})HFdoel​=HFrust​+i⋅(HFmax​−HFrust​)

Doelhartslag volgens Karvonen (%HRR)

HFrust is de rusthartslag, i de gewenste intensiteit als breuk (bijv. 0,70 voor 70%) en (HFmax − HFrust) de hartslagreserve (HRR). De formule geeft een op de persoon afgestemde doelhartslag.

Uitgewerkt voorbeeld

Een trainingszone berekenen (Karvonen)

Bereken voor een 16-jarige met een rusthartslag van 60 slagen/min de doelhartslag bij een intensiteit van 70%. Gebruik HFmax ≈ 208 − 0,7 × leeftijd.

  1. 01Schat de HFmax

    HFmax ≈ 208 − 0,7 × 16 = 208 − 11,2 = 196,8 ≈ 197 slagen/min.

    HFmax≈208−0,7⋅16≈197HF_{max} \approx 208 - 0{,}7 \cdot 16 \approx 197HFmax​≈208−0,7⋅16≈197
  2. 02Bereken de hartslagreserve

    HRR = HFmax − HFrust = 197 − 60 = 137 slagen/min.

  3. 03Pas Karvonen toe

    HFdoel = 60 + 0,70 × 137 = 60 + 95,9 = 155,9 ≈ 156 slagen/min.

    HFdoel=60+0,70⋅137≈156HF_{doel} = 60 + 0{,}70 \cdot 137 \approx 156HFdoel​=60+0,70⋅137≈156

Resultaat: De doelhartslag bij 70% intensiteit is ongeveer 156 slagen/min. Merk op dat dit een schatting is: de werkelijke HFmax (en dus de zone) kan per persoon afwijken.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: met het FITT-principe (frequentie, intensiteit, tijd, type) een verantwoorde training opzetten.
  • Examendoel: een trainingszone berekenen met de HRmax-schatting en de Karvonen-formule (%HRR), en de formules als schattingen benoemen.

Veelgemaakte fouten

  • De HRmax-formules als exacte waarden gebruiken; het zijn schattingen die per persoon tientallen slagen kunnen afwijken.
  • Een percentage van de HRmax verwarren met een percentage van de hartslagreserve (Karvonen); de laatste houdt rekening met de rusthartslag en geeft een andere doelhartslag.

Actieve herhaling

Ontwerp met FITT een duurtraining voor iemand die zijn uithoudingsvermogen wil verbeteren. Bereken daarna met de Karvonen-formule de doelhartslag bij 70% intensiteit voor een 17-jarige met een rusthartslag van 65 slagen per minuut.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — trainingsleer: FITT en intensiteit (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 04

Energiesystemen: ATP-CP, anaeroob en aeroob#

●●●VerdiepingLPexamenblad-lo-domein-d-bewegen-en-gezondheid

Kernpunten

Alle spierbeweging draait op één energiedrager: ATP (adenosinetrifosfaat). Als een spier samentrekt, splitst ATP af tot ADP en komt er energie vrij. De voorraad ATP in de spier is echter piepklein — genoeg voor slechts een paar seconden. Om te blijven bewegen, moet ATP dus continu opnieuw worden aangemaakt (geresynthetiseerd). Daarvoor beschikt het lichaam over drie energiesystemen, weergegeven in Afb. 7, die alle drie ADP weer tot ATP opladen, maar met een heel verschillende snelheid en duurzaamheid.

De drie energiesystemen leveren ATP

Energiesystemen en ATPGraaf, ATP-CP (creatinefosfaat): zeer snel, geen zuurstof → ATP: de energiedrager voor de spier, Anaerobe glycolyse: snel, levert melkzuur → ATP: de energiedrager voor de spier, Aeroob (met zuurstof): langzaam maar duurzaam → ATP: de energiedrager voor de spier, ATP: de energiedrager voor de spier → Spiercontractie: bewegingATP-CP(creatinefosfaat):zeer snel, geen…Anaerobeglycolyse: snel,levert melkzuurAeroob (metzuurstof):langzaam maar d…ATP: deenergiedragervoor de spierSpiercontractie:beweging0–10 s10 s – 2 min> 2 minenergie
Afb. 7Afb. 7 — Drie routes vullen voortdurend ATP aan, dat de spiercontractie aandrijft; ze verschillen in snelheid en duurzaamheid.
Het eerste en snelste systeem is het ATP-CP-systeem (fosfaatsysteem, alactisch). Het gebruikt creatinefosfaat in de spier om razendsnel ATP aan te vullen, zonder zuurstof en zonder afvalstoffen. Het levert het hoogste vermogen (kracht per tijd), maar de voorraad creatinefosfaat is klein: het domineert alleen de eerste circa 10 seconden van een maximale inspanning — een sprint, een sprong, een worp. Daarna is de creatinefosfaatvoorraad uitgeput en moet een ander systeem het overnemen.
Het tweede systeem is de anaerobe glycolyse (het melkzuur- of lactisch systeem). Het breekt glucose (suiker) af zonder zuurstof en levert snel veel ATP, maar produceert daarbij melkzuur (lactaat). Dit systeem domineert bij inspanningen van ongeveer 10 seconden tot 2 minuten — denk aan een 400 meter sprint of een intensieve rally. De opeenhoping van melkzuur veroorzaakt het „verzuurde”, brandende gevoel in de spieren en dwingt je uiteindelijk om af te remmen. Het is dus krachtig maar niet lang vol te houden.
Het derde systeem is het aerobe systeem (oxidatief, verbranding met zuurstof). Het verbrandt koolhydraten en vetten mét zuurstof en levert veruit de meeste ATP, met alleen koolstofdioxide en water als afvalstoffen. Het vermogen is lager (het gaat langzamer), maar het is vrijwel onbeperkt vol te houden. Dit systeem domineert bij alle inspanningen langer dan enkele minuten: duurlopen, fietsen, langdurig spel. Afb. 8 vergelijkt de drie systemen op brandstof, duur, vermogen, zuurstof en bijproduct. In werkelijkheid werken de systemen altijd samen; welk systeem overheerst, hangt af van de duur en intensiteit van de inspanning.

De energiesystemen vergeleken

EnergiesystemenTabel met 6 kolommen en 3 rijen, Gegevens: systeem · brandstof · duur (dominant) · vermogen · zuurstof · bijproduct; ATP-CP (alactisch) · creatinefosfaat · 0–10 s · zeer hoog · nee · —; anaeroob-lactisch · glucose / glycogeen · 10 s – 2 min · hoog · nee · melkzuur (lactaat); aeroob · koolhydraten en vetten · > 2 min · lager (duurzaam) · ja · CO₂ en waterSYSTEEMBRANDSTOFDUUR (DOMINANT)VERMOGENZUURSTOFBIJPRODUCTATP-CP (alactisch)creatinefosfaat0–10 szeer hoognee—anaeroob-lactischglucose / glycogeen10 s – 2 minhoogneemelkzuur (lactaat)aeroobkoolhydraten en vetten> 2 minlager (duurzaam)jaCO₂ en water
Afb. 8Afb. 8 — De drie energiesystemen vergeleken op brandstof, duur, vermogen, zuurstof en bijproduct.
Dat samenspel over de tijd zie je in Afb. 9: bij het begin van een inspanning leveren de anaerobe systemen het grootste deel van de energie, maar naarmate de inspanning langer duurt, neemt de aerobe bijdrage toe en wordt die dominant (rond een minuut zijn ze ongeveer gelijk). Voor het examen moet je de drie systemen kunnen benoemen en aan duur en intensiteit kunnen koppelen, en kunnen bepalen welk systeem bij een gegeven inspanning domineert. Dit verklaart ook waarom je een sprint en een duurloop zo verschillend traint (specificiteit): ze spreken andere energiesystemen aan.

Bijdrage van anaeroob en aeroob over de tijd

Anaerobe versus aerobe bijdrageSchaubild von anaeroob, y-Achsenabschnitt bei y = 100, fallend, im Bereich x von 0 bis 240, Schaubild von aeroob, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 2405010015020020406080100≈ gelijk rond 1minanaeroobaeroobbijdrage (%)duur van de inspanning (s)
Afb. 9Afb. 9 — Schematische weergave: naarmate de inspanning langer duurt, neemt de aerobe bijdrage toe en de anaerobe af; rond een minuut zijn ze ongeveer gelijk (indicatief).
Uitgewerkt voorbeeld

Welk energiesysteem domineert?

Bepaal welk energiesysteem domineert bij (a) een kogelstoot, (b) een 400 meter sprint van ongeveer 55 seconden, en (c) een uur hardlopen. Verklaar telkens je antwoord.

  1. 01Kogelstoot

    De inspanning duurt minder dan 2 seconden en is maximaal explosief: het ATP-CP-systeem (alactisch) domineert.

  2. 02400 meter sprint

    Ongeveer 55 seconden maximale inspanning valt in het gebied 10 s – 2 min: de anaerobe glycolyse (melkzuursysteem) domineert — vandaar de sterke verzuring op het eind.

  3. 03Uur hardlopen

    Een inspanning van een uur duurt veel langer dan enkele minuten en is matig van intensiteit: het aerobe systeem domineert.

Resultaat: De kogelstoot draait op het ATP-CP-systeem, de 400 meter op de anaerobe glycolyse (met verzuring), en het uur hardlopen op het aerobe systeem — de duur en intensiteit bepalen telkens het dominante systeem.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de drie energiesystemen (ATP-CP, anaeroob-lactisch, aeroob) benoemen met hun brandstof, tijdsduur, vermogen en bijproduct.
  • Examendoel: bij een gegeven inspanning bepalen welk energiesysteem domineert, op basis van duur en intensiteit.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat er bij een inspanning maar één systeem werkt; de drie systemen werken altijd samen, en de duur en intensiteit bepalen welk systeem overheerst.
  • Het melkzuursysteem (anaeroob-lactisch, verzuring) verwarren met het ATP-CP-systeem (alactisch, geen afvalstoffen); alleen het eerste produceert melkzuur.

Actieve herhaling

Bepaal voor drie inspanningen — een kogelstoot, een 400 meter sprint en een uur hardlopen — welk energiesysteem domineert, en verklaar je antwoord met de duur en intensiteit.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — trainingsleer: energiesystemen (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 05

Blessurepreventie, EHBSO (RICE) en leefstijl#

●●○StandaardLPexamenblad-lo-domein-d-bewegen-en-gezondheid

Kernpunten

Verantwoord bewegen betekent ook blessures voorkomen. De belangrijkste maatregelen volgen direct uit de trainingsleer: een goede warming-up (de spieren, gewrichten en het hart geleidelijk op temperatuur en toeren brengen), een verstandige opbouw (het progressieprincipe: niet te snel te veel), een goede techniek (verkeerde bewegingen overbelasten pezen en gewrichten), voldoende herstel, en afwisseling om eenzijdige overbelasting te voorkomen. Ook een cooling-down en aandacht voor materiaal en ondergrond horen erbij. De meeste sportblessures zijn overbelastingsblessures — en die zijn met een goede opbouw grotendeels te voorkomen.
De warming-up verdient bijzondere aandacht omdat ze meerdere effecten heeft. Door geleidelijk op te warmen stijgt de spiertemperatuur, waardoor spieren soepeler en krachtiger worden en minder snel scheuren; het hart en de bloedsomloop komen op gang, zodat de spieren beter van zuurstof worden voorzien; en de coördinatie en oplettendheid verbeteren, wat ongelukken voorkomt. Een goede warming-up is specifiek (hij lijkt op de activiteit die volgt) en loopt op in intensiteit. Zo bereid je lichaam én geest voor op de belasting die komt.
Gaat het toch mis met een acute blessure (een verstuiking, kneuzing of verrekking), dan pas je de eerste hulp toe volgens RICE, samengevat in Afb. 10. RICE staat voor Rust, IJs, Compressie en Elevatie: je stopt de activiteit en belast niet verder (Rust), je koelt de plek (IJs) om zwelling en pijn te remmen, je legt een drukverband aan (Compressie) om de zwelling te beperken, en je legt het lichaamsdeel omhoog (Elevatie) om de bloedtoevoer en zwelling te verminderen. Deze eerste hulp in de eerste uren beperkt de schade; bij ernstige of aanhoudende klachten schakel je medische hulp in.

RICE bij een acute blessure

RICETabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: stap · wat je doet · doel; Rust (Rest) · stop de activiteit, belast niet verder · voorkomt verergering van het letsel; IJs (Ice) · koelen, 10–20 min, niet direct op de huid · remt zwelling en pijn; Compressie (Compression) · een drukverband aanleggen · beperkt de zwelling; Elevatie (Elevation) · het lichaamsdeel omhoog leggen · vermindert bloedtoevoer en zwellingSTAPWAT JE DOETDOELRust (Rest)stop de activiteit, belastniet verdervoorkomt verergering van hetletselIJs (Ice)koelen, 10–20 min, nietdirect op de huidremt zwelling en pijnCompressie (Compression)een drukverband aanleggenbeperkt de zwellingElevatie (Elevation)het lichaamsdeel omhoogleggenvermindert bloedtoevoer enzwelling
Afb. 10Afb. 10 — De RICE-stappen voor de eerste hulp bij een acute (weke delen) blessure.
Naast training en blessurepreventie bepaalt je leefstijl je gezondheid en je herstel. Voldoende en gevarieerde voeding levert de brandstof (koolhydraten, vetten) en bouwstoffen (eiwitten) die je bij inspanning en herstel nodig hebt; genoeg drinken voorkomt uitdroging en prestatieverlies; en voldoende slaap is misschien wel de belangrijkste hersteller — juist tijdens de slaap vindt een groot deel van de supercompensatie plaats. Omgekeerd ondermijnen roken, overmatig alcoholgebruik en te weinig slaap je herstel en je gezondheid. Bewegen is dus één pijler van een gezonde leefstijl, naast voeding, rust en het vermijden van schadelijke gewoonten.
Voor het examen moet je blessures kunnen voorkomen en verklaren (met de trainingsprincipes), de functie van de warming-up kunnen uitleggen, RICE kunnen toepassen bij een acute blessure, en de rol van voeding, drinken en slaap voor herstel en gezondheid kunnen benoemen. Zo sluit domein D de cirkel: je gebruikt de trainingsleer niet alleen om beter te presteren, maar vooral om gezond, veilig en levenslang te kunnen blijven bewegen.
Uitgewerkt voorbeeld

Eerste hulp bij een verzwikte enkel

Tijdens een basketbalwedstrijd verzwikt een medespeler zijn enkel; die zwelt op en doet pijn. Beschrijf stap voor stap wat je doet volgens RICE.

  1. 01Rust

    Laat de speler direct stoppen en de enkel niet belasten; haal hem van het veld.

  2. 02IJs

    Koel de enkel met ijs (in een doek, niet direct op de huid) gedurende 10 tot 20 minuten om de zwelling en pijn te remmen.

  3. 03Compressie

    Leg een drukverband aan rond de enkel om de zwelling te beperken (niet te strak, de doorbloeding moet mogelijk blijven).

  4. 04Elevatie

    Leg de enkel omhoog (bijvoorbeeld op een stoel) om de bloedtoevoer en daarmee de zwelling te verminderen; bij aanhoudende of ernstige klachten medische hulp inschakelen.

Resultaat: Je past RICE toe: rust en niet belasten, koelen met ijs in een doek, een drukverband en de enkel omhoog — zo beperk je de zwelling en de schade in de eerste uren na de blessure.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: blessures voorkomen en verklaren met de trainingsprincipes, en de functie van een warming-up uitleggen.
  • Examendoel: RICE (Rust, IJs, Compressie, Elevatie) toepassen bij een acute blessure en de rol van voeding, drinken en slaap voor herstel benoemen.

Veelgemaakte fouten

  • De warming-up overslaan of alleen statisch rekken; een goede warming-up is oplopend en specifiek en verhoogt de spiertemperatuur en doorbloeding.
  • Bij een acute verstuiking warmte toepassen of doorgaan met sporten; RICE schrijft juist rust en koelen voor om de zwelling te beperken.

Actieve herhaling

Beschrijf een goede warming-up voor een voetbaltraining en leg uit welke effecten ze heeft. Beschrijf daarna wat je doet volgens RICE als een medespeler zijn enkel verzwikt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — gezondheid: blessurepreventie en leefstijl (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

Inhoud

Sectie -- / 05

    • 01Fitheid, belasting en belastbaarheid○
    • 02Trainingsprincipes en supercompensatie◐
    • 03FITT en hartslag-/trainingszones◐
    • 04Energiesystemen: ATP-CP, anaeroob en aeroob●
    • 05Blessurepreventie, EHBSO (RICE) en leefstijl◐

0/5 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Bewegen en gezondheid: fitheid, belasting en blessurepreventie

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~21
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

College voor Toetsen en Examens (CvTE)

  • Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein D (Bewegen en gezondheid)

Vorig onderwerp

Bewegen regelen: de regelrollen

Volgend onderwerp

Bewegen en samenleving: sportoriëntatie en maatschappelijke betekenis

EuraStudy·Samenvattingen T·11·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.