EuraStudy
Samenvattingen/Griekse taal en cultuur/Woordenschat en de CvTE-minimumlijst
Samenvattingen · Griekse taal en cultuurNL · VWO

Woordenschat en de CvTE-minimumlijst

Een goede woordenschat is de brandstof van het vertalen. De CvTE-minimumlijst legt vast welke Griekse woorden en stamtijden je bij het centraal examen bekend moet veronderstellen — die zoek je niet meer op, zodat je tijd overhoudt voor de moeilijke woorden. Dit onderwerp leert je de minimumlijst en de stamtijden efficiënt te beheersen, onbekende woorden te ontrafelen via stam, ablaut en woordvorming, de voorzetsels met hun naamvallen te kennen, en in context de juiste betekenis te kiezen.

4 Onderdelen·~16 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·0333 / 16
Examenprofiel
De woorden en stamtijden van de CvTE-minimumlijst reproduceren en herkennenOnbekende woorden analyseren via stam, ablaut, afleiding en samenstellingDe voorzetsels met de naamvallen die ze regeren en hun betekenissen beheersenIn context de juiste betekenis van een polyseem woord kiezen
Operatoren:geef de betekenisherleid tot het grondwoordverklaarkies de juiste betekenis

basisniveau

De minimumlijst mag bij het CE bekend worden verondersteld en hoef je dus niet op te zoeken; overige woorden zoek je in het woordenboek.

verhoogd niveau

Wie de stamtijden en de bouwstenen van de woordvorming beheerst, raadt de betekenis van veel onbekende woorden en bespaart zo kostbare opzoektijd.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Woordenschat en de CvTE-minimumlijst
    • 01De minimumlijst en de stamtijden○
    • 02Woordvorming: stam, ablaut, afleiding en samenstelling◐
    • 03Voorzetsels en functiewoorden◐
    • 04Semantiek: betekenisvelden en betekenis in context◐
§ 01

De minimumlijst en de stamtijden#

●○○BasisLPexamenblad-nl-grieks-vwo-domein-A-woordenschat

Kernpunten

De CvTE-minimumlijst is de lijst met Griekse woorden (en, bij werkwoorden, hun stamtijden) die het examen als bekend veronderstelt. Bij het centraal examen mag je die woorden niet opzoeken in het woordenboek — of beter: dat hoeft niet, want ze worden bekend geacht. Dat is een groot voordeel: elke minimumwoord dat je meteen kent, is een woord dat je niet hoeft na te slaan, en opzoektijd is in het drie uur durende examen schaars. Het loont dus zeer om de minimumlijst grondig te automatiseren: niet vaag „herkennen”, maar de betekenis (en bij werkwoorden de vier stamtijden) direct paraat hebben.
Bij de werkwoorden zijn juist de stamtijden het kritieke punt. Zoals in het vormleer-onderwerp bleek, kan een aoristus of perfectum een heel andere stam hebben dan het praesens (φέρω – οἴσω – ἤνεγκα – ἐνήνοχα). Wie alleen het praesens λαμβάνω kent maar niet de aoristus ἔλαβον, herkent die aoristus in de tekst niet en vindt het woord ook in het woordenboek niet terug, omdat woordenboeken lemma's onder het praesens ordenen. Afb. 1 zet de stamtijden van een aantal hoogfrequente, onregelmatige werkwoorden op een rij. Deze verdienen extra aandacht, omdat ze in bijna elke tekst voorkomen én omdat hun vormen het minst voorspelbaar zijn.

Afb. 1 — Stamtijden van hoogfrequente werkwoorden

Stamtijden van frequente werkwoordenTabel met 5 kolommen en 7 rijen, Gegevens: Praesens · Futurum · Aoristus · Perfectum · Betekenis; legō · erō · eipon · eirēka · zeggen; horaō · opsomai · eidon · heoraka · zien; erchomai · eleusomai / eimi · ēlthon · elēlutha · gaan / komen; pherō · oisō · ēnenka · enēnocha · dragen / brengen; lambanō · lēpsomai · elabon · eilēpha · nemen; gignōskō · gnōsomai · egnōn · egnōka · (leren) kennen; agō · axō · ēgagon · ēcha · leiden / voerenPRAESENSFUTURUMAORISTUSPERFECTUMBETEKENISlegōerōeiponeirēkazeggenhoraōopsomaieidonheorakazienerchomaieleusomai / eimiēlthonelēluthagaan / komenpherōoisōēnenkaenēnochadragen / brengenlambanōlēpsomaielaboneilēphanemengignōskōgnōsomaiegnōnegnōka(leren) kennenagōaxōēgagonēchaleiden / voeren
Afb. 1Onregelmatige stamtijden om uit het hoofd te kennen: hun vormen zijn onvoorspelbaar én ze komen in bijna elke tekst voor.
Efficiënt woorden leren betekent slim prioriteren. Begin met de hoogfrequente functiewoorden (voegwoorden, voorzetsels, partikels, voornaamwoorden) en de meest voorkomende werkwoorden en zelfstandige naamwoorden: een klein aantal woorden dekt een groot deel van elke tekst. Leer werkwoorden altijd mét hun stamtijden en zelfstandige naamwoorden mét hun genitivus en lidwoord (dat verraadt declinatie en geslacht). Verdeel het leren over veel korte sessies (herhalen op afstand werkt beter dan één lange sessie), en toets jezelf actief — van het Grieks naar het Nederlands én andersom — in plaats van alleen te herlezen.
De minimumlijst is geen doel op zich maar een middel: hij bestaat om het vertalen sneller en zekerder te maken. Daarom leer je woorden het best niet geïsoleerd, maar in verband — met verwante woorden (dezelfde stam), met hun stamtijden, en met een typische voorbeeldzin. Zo bouw je een netwerk waarin een onbekende vorm je aan een bekende herinnert. En wat níet op de minimumlijst staat, zoek je bij het examen gericht op in het woordenboek: de kunst is te wéten wat je kent en wat je moet nakijken, zodat je je opzoektijd bewaart voor de woorden die het echt vragen.
Uitgewerkt voorbeeld

Een onregelmatige aoristus in het woordenboek terugvinden

Je komt in de tekst de vorm „ἤνεγκαν” tegen. Bepaal het grondwoord en de betekenis, en beschrijf hoe je het opzoekt.

  1. 01De vorm herkennen

    „ἤνεγκαν” is een 3e persoon meervoud aoristus indicatief actief („zij droegen/brachten”). De stam ἐνεγκ- is een aparte aoristusstam, geen praesensstam.

  2. 02De stamtijd koppelen

    Uit de geleerde stamtijden weet je: φέρω – οἴσω – ἤνεγκα – ἐνήνοχα. De aoristus ἤνεγκα hoort dus bij het praesens φέρω (dragen, brengen).

  3. 03Het lemma bepalen

    Woordenboeken ordenen op het praesens. Je zoekt dus onder „φέρω”, niet onder „ἤνεγκα”. Zonder de geleerde stamtijd zou je het lemma niet vinden.

Resultaat: „ἤνεγκαν” is de aoristus van „φέρω” (dragen, brengen): „zij droegen/brachten”. Alleen door de stamtijd φέρω – ἤνεγκα te kennen, herleid je de onregelmatige vorm tot het lemma dat het woordenboek gebruikt.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de minimumwoorden en de stamtijden zó beheersen dat je ze bij het CE niet hoeft op te zoeken.
  • Examendoel: een werkwoordsvorm via de stamtijden tot het grondwoord (praesens) herleiden, zodat je het in het woordenboek kunt terugvinden.

Veelgemaakte fouten

  • Werkwoorden alleen in het praesens leren en de aoristus- en perfectumstammen verwaarlozen, waardoor je onregelmatige vormen (ἔλαβον, ἦλθον, ἤνεγκα) niet herkent.
  • Zelfstandige naamwoorden zonder genitivus en lidwoord leren, zodat je de declinatie en het geslacht mist die je voor de verbuiging nodig hebt.

Actieve herhaling

Geef van elk van de volgende aoristusvormen het praesens (grondwoord) en de betekenis, en controleer of je ze zonder woordenboek kent: (1) εἶδον, (2) ἔλαβον, (3) ἤνεγκα, (4) ἔγνων, (5) ἦλθον. Bedenk bij elke vorm hoe je hem in een woordenboek zou terugvinden.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Griekse taal en cultuur VWO — domein A (woordenschat en minimumlijst) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Woordvorming: stam, ablaut, afleiding en samenstelling#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-grieks-vwo-domein-A-woordenschat

Kernpunten

Grieks is een taal die woorden bouwt uit herkenbare onderdelen. Wie de bouwstenen kent, kan de betekenis van een onbekend woord vaak afleiden zonder woordenboek. Afb. 2 geeft de belangrijkste procedés. De kern is de stam of wortel, die de grondbetekenis draagt (γραφ- schrijven, λεγ-/λογ- spreken/verzamelen, φερ- dragen). Aan die stam koppelt het Grieks voor- en achtervoegsels om er nieuwe woorden mee te maken. Herken je de stam van een onbekend woord, dan herken je zijn betekenisfamilie: γραφή (het schrijven, geschrift), γραφεύς (schrijver), γράμμα (letter, geschrift) en ἐπιγραφή (opschrift) horen zichtbaar bij elkaar.

Afb. 2 — De bouwstenen van de woordvorming

WoordvormingBoomdiagram, 7 paden, Gegevens: Stam / wortel (grondbetekenis) → graph- (schrijven); Stam / wortel (grondbetekenis) → ablaut e/o/nul: leipo, leloipa, elipon; Afleiding (achtervoegsel) → -tes = persoon (poietes); Afleiding (achtervoegsel) → -sis = handeling (poiesis); Afleiding (achtervoegsel) → -ma = resultaat (poiema); Samenstelling (voorvoegsel) → preverbium: ek-baino, kata-baino; Samenstelling (voorvoegsel) → a-privativum: a-dikos (onrechtvaardig)Stam / wortel (grondbetekenis)Afleiding (achtervoegsel)Samenstelling (voorvoegsel)Woordvorminggraph- (schrijven)ablaut e/o/nul: leipo, leloipa, elipon−tes = persoon (poietes)−sis = handeling (poiesis)−ma = resultaat (poiema)preverbium: ek-baino, kata-bainoa-privativum: a-dikos (onrechtvaardig)
Afb. 2Uit stam, ablaut, achtervoegsels en voorvoegsels bouwt het Grieks zijn woordenschat — en een groot deel van de onze.
Een typisch Grieks (en Indo-Europees) verschijnsel is de ablaut of trapwisseling: dezelfde wortel verschijnt met een wisselende klinker, meestal e / o / niets (nulgraad). Zo staat de e-trap in λείπω (ik laat achter), de o-trap in het perfectum λέλοιπα (ik heb achtergelaten) en de nulgraad in de aoristus ἔλιπον (ik liet achter) en in het naamwoord λοιπός (overig). Dezelfde wisseling zie je in λέγω (spreken) naast λόγος (woord, rede). Wie de ablaut herkent, ziet dat sterk uiteenlopende vormen tot één wortel horen — precies de kennis die de onregelmatige stamtijden begrijpelijk maakt in plaats van willekeurig.
Het Grieks maakt volop gebruik van afleiding (met achtervoegsels) en samenstelling (met voorvoegsels). Achtervoegsels geven de woordsoort en de betekeniscategorie aan: -της maakt een persoon (ποιητής — maker, dichter, van ποιέω), -σις een handeling of proces (ποίησις — het maken, poëzie), -μα een resultaat (ποίημα — gedicht), -ικος een bijvoeglijk „behorend bij” (πολιτικός — de staat betreffend, van πόλις). Samenstelling koppelt vooral voorzetsels (als preverbia) aan werkwoorden en verandert daarmee de betekenis: βαίνω (gaan) wordt ἐκβαίνω (uitgaan), εἰσβαίνω (ingaan), ἀναβαίνω (opgaan), καταβαίνω (afdalen). Het α-privativum (α-/ἀν-) ontkent: δίκαιος (rechtvaardig) → ἄδικος (onrechtvaardig), zoals in ons „a-symmetrisch”.
Deze woordvorming is niet alleen een leerbesparing maar ook een venster op de doorwerking in onze eigen taal. Een enorme hoeveelheid Nederlandse en internationale woorden is uit Griekse bouwstenen samengesteld: bio- (leven), geo- (aarde), -logie (leer), -graaf/-grafie (schrijven), tele- (ver), auto- (zelf), poly- (veel), mono- (één). Wie „biografie” ziet als βίος + γράφω (levensbeschrijving), begrijpt het woord én oefent tegelijk de Griekse stammen. Deze band tussen de Griekse woordvorming en het moderne vocabulaire maakt het analyseren van woorden dubbel nuttig: het helpt bij het vertalen én laat de blijvende invloed van het Grieks zien.
Uitgewerkt voorbeeld

Een onbekend woord via de bouwstenen ontleden

Beredeneer de betekenis van „ἀναγιγνώσκω” uit zijn onderdelen.

  1. 01De stam isoleren

    De kern is „γιγνώσκω” (leren kennen, herkennen), stam γνω-. Dat is een bekend minimumwoord.

  2. 02Het preverbium duiden

    Vooraan staat het voorzetsel-preverbium „ἀνα-”, dat onder meer „opnieuw, terug, op” betekent. Bij een woord voor „kennen” geeft „weer-kennen” de gedachte „(voor)lezen”: de letters telkens opnieuw herkennen.

  3. 03De betekenis samenstellen

    De vaste betekenis van „ἀναγιγνώσκω” is dan ook „lezen, voorlezen” — precies de combinatie „opnieuw herkennen (van de letters)”.

Resultaat: „ἀναγιγνώσκω” = ἀνα- (opnieuw) + γιγνώσκω (herkennen) → „lezen, voorlezen”. Door stam en preverbium te scheiden beredeneer je de betekenis van een woord dat niet op de minimumlijst hoeft te staan.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een onbekend woord ontleden in stam en af-/samenstellingselementen en zo de betekenis beredeneren.
  • Examendoel: verwante woorden aan een gemeenschappelijke stam herkennen, ook wanneer de ablaut de klinker verandert (λείπω / λέλοιπα / ἔλιπον).

Veelgemaakte fouten

  • De ablaut niet herkennen en verwante vormen (λέγω / λόγος; λείπω / ἔλιπον) als losse, onverbonden woorden behandelen.
  • De betekenis van een preverbium negeren, waardoor ἐκβαίνω en καταβαίνω allebei simpelweg als „gaan” worden vertaald in plaats van „uitgaan” en „afdalen”.

Actieve herhaling

Ontleed elk woord in zijn bouwstenen en beredeneer de betekenis: (1) „ἀθάνατος”, (2) „συμμαχία”, (3) „γεωγραφία”, (4) „ἀναγιγνώσκω”. Geef bij elk aan welk voor- of achtervoegsel de betekenis bepaalt en welke Nederlandse woorden dezelfde stam bevatten.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Griekse taal en cultuur VWO — domein A (woordvorming) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Voorzetsels en functiewoorden#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-grieks-vwo-domein-A-woordenschat

Kernpunten

Voorzetsels zijn kleine, hoogfrequente woorden met een grote invloed op de betekenis, en ze verdienen speciale aandacht omdat het Grieks ze aan een naamval koppelt. Elk voorzetsel regeert een of meer naamvallen, en bij meerdere naamvallen verschilt de betekenis. Afb. 3 geeft de belangrijkste. Sommige voorzetsels regeren één naamval: ἐν + dativus (in), εἰς + accusativus (naar, in), ἐκ/ἐξ + genitivus (uit), ἀπό + genitivus (vandaan van). Andere regeren er twee of drie, telkens met een eigen betekenis: μετά + genitivus („met, samen met”), maar μετά + accusativus („na”); διά + genitivus („door(heen)”), maar διά + accusativus („vanwege”).

Afb. 3 — Voorzetsels en de naamvallen die zij regeren

Voorzetsels en naamvalTabel met 3 kolommen en 10 rijen, Gegevens: Voorzetsel · + naamval · Betekenis; en · + dat. · in (plaats, rust); eis · + acc. · naar, in (richting); ek / ex · + gen. · uit; apo · + gen. · (vandaan) van; pros · + acc. · naar, tegen, bij; dia · + gen. / + acc. · door(heen) / vanwege; meta · + gen. / + acc. · met, samen met / na; para · + gen. / dat. / acc. · van…vandaan / bij, naast / naar…toe, langs; kata · + gen. / + acc. · omlaag, tegen / volgens, langs, gedurende; hupo · + gen. / + acc. · door (bij passief) / onderVOORZETSEL+ NAAMVALBETEKENISen+ dat.in (plaats, rust)eis+ acc.naar, in (richting)ek / ex+ gen.uitapo+ gen.(vandaan) vanpros+ acc.naar, tegen, bijdia+ gen. / + acc.door(heen) / vanwegemeta+ gen. / + acc.met, samen met / napara+ gen. / dat. / acc.van…vandaan /bij, naast /naar…toe, langskata+ gen. / + acc.omlaag, tegen /volgens,langs, gedurendehupo+ gen. / + acc.door (bij passief) / onder
Afb. 3De naamval bepaalt de betekenis: bij dia, meta, para, kata en hupo verandert de betekenis met de naamval.
Bij de voorzetsels met meerdere naamvallen is de naamval dus geen bijzaak maar de sleutel tot de betekenis. Een berucht voorbeeld is παρά: παρά + genitivus („van … vandaan, afkomstig van”), παρά + dativus („bij, naast”, rust), παρά + accusativus („naar … toe, langs, in strijd met”). Wie alleen „παρά = bij” onthoudt, vertaalt de helft van de gevallen verkeerd. De juiste aanpak is dus altijd: bepaal eerst de naamval van het woord dat achter het voorzetsel staat, en kies dan de betekenis die bij die naamval hoort. Zo werkt het voorzetselstelsel als een klein, systematisch geheel in plaats van een lijst losse betekenissen.
Bijzonder belangrijk voor het vertalen is ὑπό: met de genitivus geeft het bij een passieve constructie de handelende persoon aan („door”), zoals in ὁ πόλεμος ὑπὸ τῶν Περσῶν ἐποιήθη („de oorlog werd door de Perzen gevoerd”). Met de accusativus betekent ὑπό „onder”. Deze functie van ὑπό + genitivus als „door” bij het passief moet je vlot herkennen, omdat ze een van de vaste signalen is dat een medium-passieve werkwoordsvorm hier passief en niet mediaal is. Datzelfde geldt voor andere functiewoorden die de zinsbouw sturen: de voegwoorden (ὅτι, ἵνα, εἰ, ἐπεί), de ontkenningen (οὐ voor een feit, μή voor een wens, gebod of voorwaarde) en de partikels.
Functiewoorden — voorzetsels, voegwoorden, ontkenningen en partikels — vormen samen een klein maar onmisbaar netwerk dat je vrijwel in elke zin nodig hebt. Ze zijn hoogfrequent (ze keren voortdurend terug) en dus rendabel om grondig te leren: elk correct herkend functiewoord bespaart een opzoekactie en voorkomt een structuurfout. Let vooral op de subtiele maar betekenisvolle verschillen: οὐ tegenover μή (feit tegenover niet-feit), ὡς dat zowel „zoals/als” als „opdat” en „dat” kan betekenen, en de voorzetsels die met een andere naamval een andere betekenis krijgen. Wie deze woordjes beheerst, leest de skeletstructuur van elke Griekse zin zonder te haperen.
Uitgewerkt voorbeeld

De naamval kiest de betekenis van het voorzetsel

Vertaal „μετά” in (a) „μετὰ τῶν συμμάχων ἐμάχοντο” en (b) „μετὰ τὴν μάχην ἀπῆλθον”, en verklaar het verschil.

  1. 01De naamval bepalen in (a)

    „τῶν συμμάχων” is genitivus meervoud. μετά + genitivus betekent „met, samen met”: „zij vochten samen met de bondgenoten”.

  2. 02De naamval bepalen in (b)

    „τὴν μάχην” is accusativus enkelvoud. μετά + accusativus betekent „na”: „na de slag gingen zij weg”.

  3. 03De regel vaststellen

    Hetzelfde voorzetsel μετά krijgt met de genitivus een comitatieve betekenis („met”) en met de accusativus een temporele („na”). De naamval, niet het voorzetsel alleen, bepaalt de vertaling.

Resultaat: (a) „samen met de bondgenoten” (μετά + gen.), (b) „na de slag” (μετά + acc.). De naamval achter het voorzetsel geeft telkens de juiste van de twee betekenissen; μετά op zichzelf is dubbelzinnig.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: bij een voorzetsel met meerdere naamvallen de juiste betekenis kiezen op grond van de naamval die het regeert.
  • Examendoel: ὑπό + genitivus als „door” (handelende persoon) bij een passieve constructie herkennen, en οὐ tegenover μή correct onderscheiden.

Veelgemaakte fouten

  • Bij een voorzetsel met meerdere naamvallen één vaste betekenis onthouden (bijv. „παρά = bij”) en de naamval negeren die de betekenis eigenlijk bepaalt.
  • ὑπό + genitivus niet als het passieve „door” herkennen, waardoor je de handelende persoon van een passieve zin over het hoofd ziet.

Actieve herhaling

Geef bij elk voorzetsel de betekenis die bij de naamval hoort en vertaal: (1) „διὰ τῆς χώρας”, (2) „διὰ τὸν πόλεμον”, (3) „μετὰ τῶν φίλων”, (4) „μετὰ τὴν μάχην”, (5) „ὑπὸ τῶν πολεμίων ἐνικήθησαν”. Verklaar bij (5) waarom de vorm passief is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Griekse taal en cultuur VWO — domein A (functiewoorden) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Semantiek: betekenisvelden en betekenis in context#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-grieks-vwo-domein-A-woordenschat

Kernpunten

Veel Griekse woorden hebben niet één maar een heel veld van samenhangende betekenissen (polysemie), en juist die veelzijdigheid maakt het vertalen tot denkwerk in plaats van invullen. Afb. 4 geeft enkele beruchte voorbeelden. Het woord λόγος betekent onder meer „woord”, „rede/redevoering”, „verhaal”, „reden/argument”, „verhouding/ratio” en „het denken” — welke betekenis geldt, hangt volledig van de context af. Zo dekt δίκη „recht”, „gerechtigheid”, „proces” én „straf”; en ἀρετή „voortreffelijkheid”, „deugd”, „moed” en „bekwaamheid”. Een woordenboek geeft al deze betekenissen; jouw taak is de betekenis te kiezen die in déze zin klopt.

Afb. 4 — Betekenisvelden en valse vrienden

BetekenisveldenTabel met 3 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Grieks · Betekenisveld in het Grieks · Valkuil / valse vriend; logos · woord, rede, verhaal, reden, verhouding · niet alleen ‘logica/logo’; aretē · voortreffelijkheid, deugd, moed, bekwaamheid · niet alleen morele ‘deugd’; kalos · mooi én goed, edel, voortreffelijk · meer dan ‘mooi’; dikē · recht, gerechtigheid, proces, straf · context beslist; nomos · wet, gewoonte, zede · wet én ongeschreven gewoonte; polis · stadstaat, gemeenschap van burgers · niet zomaar ‘stad’GRIEKSBETEKENISVELD IN HETGRIEKSVALKUIL / VALSE VRIENDlogoswoord, rede, verhaal, reden,verhoudingniet alleen ‘logica/logo’aretēvoortreffelijkheid, deugd,moed, bekwaamheidniet alleen morele ‘deugd’kalosmooi én goed, edel,voortreffelijkmeer dan ‘mooi’dikērecht, gerechtigheid,proces, strafcontext beslistnomoswet, gewoonte, zedewet én ongeschreven gewoontepolisstadstaat, gemeenschap vanburgersniet zomaar ‘stad’
Afb. 4Kernwoorden met een breed betekenisveld. De context, niet de eerste woordenboekbetekenis, beslist.
De betekenis van een woord kies je dus altijd in context, en die context is meerlaags. Op zinsniveau bepalen het onderwerp, het werkwoord en de bijbehorende naamvallen welke betekenis past; op tekstniveau sturen het onderwerp van de passage, het genre en de gedachtegang de keuze. Bij een filosofische tekst zal λόγος eerder „de rede” of „het argument” zijn, bij een redevoering eerder „de redevoering”, bij een verhaal „het woord/verhaal”. De vaardigheid die het examen hier vraagt, is: uit het aanbod van het woordenboek niet de eerste, maar de juiste betekenis kiezen — en die keuze zo nodig te kunnen verantwoorden.
Let bij het kiezen van een betekenis op valse vrienden: Griekse woorden die op een Nederlands of internationaal woord lijken maar iets anders betekenen, of die veel breder zijn dan hun moderne afstammeling. Het woord καλός betekent niet alleen „mooi” maar ook „goed, edel, voortreffelijk” (de Griekse combinatie καλὸς κἀγαθός — „mooi én goed” — is een ideaal van de aristocratie). νόμος is niet alleen de geschreven „wet” maar ook de ongeschreven „gewoonte, zede”. πόλις is niet zomaar „stad” maar de „stadstaat” als gemeenschap van burgers. Wie zulke woorden te smal (of te modern) opvat, mist de kern van de tekst.
Betekenissen zijn bovendien niet statisch: woorden kunnen door de tijd of per auteur van betekenis verschuiven. Een woord kan zijn betekenis verruimen, versmallen, of een positieve of negatieve kleur krijgen. Bij poëzie speelt bovendien de connotatie mee — de bijklank en de emotionele lading van een woord, naast de letterlijke betekenis. Een dichter kan een gewoon woord op een geladen plaats zetten en het zo extra gewicht geven. Voor het examen betekent dit: lees een woord niet mechanisch als „de” betekenis, maar weeg welke betekenis en welke bijklank in deze passage, bij deze auteur, in dit genre, het meest op hun plaats zijn. Zo wordt woordkennis pas echt vertaalkunst.
Uitgewerkt voorbeeld

De juiste betekenis van een polyseem woord kiezen

Kies de betekenis van „λόγος” in „ὁ ῥήτωρ μακρὸν λόγον εἶπεν” (De redenaar hield een lange …) en verantwoord je keuze.

  1. 01De context lezen

    Het onderwerp is „ὁ ῥήτωρ” (de redenaar) en het werkwoord „εἶπεν” (hield/sprak). Het bijvoeglijk naamwoord „μακρόν” (lang) hoort bij „λόγον”.

  2. 02De betekenissen afwegen

    λόγος kan „woord”, „rede/redevoering”, „verhaal”, „reden” of „verhouding” zijn. Een redenaar die iets „langs” houdt, houdt een „redevoering”; „een lang woord” of „een lange verhouding” past niet.

  3. 03De keuze verantwoorden

    De combinatie redenaar + houden + lang wijst eenduidig op de betekenis „redevoering”. De context — het genre en de woordcombinatie — sluit de andere betekenissen uit.

Resultaat: Hier betekent „λόγος” „redevoering”: „de redenaar hield een lange redevoering”. De context (redenaar, „hield”, „lang”) selecteert die betekenis uit het brede betekenisveld en sluit „woord” of „verhouding” uit.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: uit de betekenissen van een polyseem woord de betekenis kiezen die in de gegeven context past, en die keuze zo nodig verantwoorden.
  • Examendoel: valse vrienden en te smalle vertalingen vermijden door de volle betekenisbreedte van een woord (καλός, νόμος, ἀρετή) mee te wegen.

Veelgemaakte fouten

  • Steeds de eerste (of meest bekende) betekenis uit het woordenboek kiezen, zonder te controleren of ze in de context van de zin en de passage klopt.
  • Een breed Grieks begrip te smal of te modern vertalen (bijv. ἀρετή als alleen „deugd”, καλός als alleen „mooi”), waardoor de kern van de gedachte verloren gaat.

Actieve herhaling

Kies bij elk woord de betekenis die in de context past en verantwoord je keuze: (1) „λόγος” in een redevoering versus in een wiskundige passage, (2) „ἀρετή” bij een held in een epos, (3) „νόμος” in een discussie over ongeschreven regels. Geef telkens een alternatieve, minder passende betekenis en leg uit waarom die hier niet klopt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Griekse taal en cultuur VWO — domein A (semantiek en betekenis in context) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01De minimumlijst en de stamtijden○
    • 02Woordvorming: stam, ablaut, afleiding en samenstelling◐
    • 03Voorzetsels en functiewoorden◐
    • 04Semantiek: betekenisvelden en betekenis in context◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Woordenschat en de CvTE-minimumlijst

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~16
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Griekse taal en cultuur VWO — domein A (woordenschat en minimumlijst)

Vorig onderwerp

Syntaxis en zinsleer: naamvallen, participia en constructies

Volgend onderwerp

Vertalen van een ongeziene authentieke passage (domein A1)

EuraStudy·Samenvattingen T·03·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.