EuraStudy
Samenvattingen/Griekse taal en cultuur/Syntaxis en zinsleer: naamvallen, participia en constructies
Samenvattingen · Griekse taal en cultuurNL · VWO

Syntaxis en zinsleer: naamvallen, participia en constructies

De syntaxis beschrijft hoe woorden zich tot zinsdelen en zinnen verbinden. Waar de vormleer de kandidaat-betekenissen van een vorm levert, kiest de syntaxis de juiste: welke functie heeft deze naamval, welk woord hoort bij welk, waar begint en eindigt de bijzin? Dit onderwerp behandelt de naamvalsfuncties, het veelzijdige gebruik van het lidwoord en het participium (met het participium coniunctum), de genitivus absolutus, de AcI en de AcP, en de bijzinnen met hun wijzen en partikels — samen de motor van elke Griekse vertaling.

4 Onderdelen·~17 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0222 / 16
Examenprofiel
De functies van de naamvallen (nominativus, genitivus, dativus, accusativus) in de zin bepalenHet participium in zijn standen herkennen: attributief, gesubstantiveerd en het participium coniunctumDe genitivus absolutus, de accusativus met infinitivus (AcI) en de accusativus met participium (AcP) ontleden en vertalenBijzinnen afbakenen en de functie van de wijzen en de partikels benoemen
Operatoren:ontleedbenoem de functieleg uitverklaarvertaaltoon aan

basisniveau

Syntactische ontleding is de kern van tekstbegrip en vertaling: je bepaalt voortdurend de functie van naamvallen en de grenzen van bijzinnen.

verhoogd niveau

Wie de participium- en infinitivusconstructies vlot herkent, ontwart ook lange, samengestelde Griekse volzinnen en houdt overzicht over de hoofd- en bijzinnen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Syntaxis en zinsleer: naamvallen, participia en constructies
    • 01De functies van de naamvallen○
    • 02Het lidwoord en het participium: het participium coniunctum◐
    • 03De genitivus absolutus, de AcI en de AcP●
    • 04Bijzinnen, de wijzen en de partikels◐
§ 01

De functies van de naamvallen#

●○○BasisLPexamenblad-nl-grieks-vwo-domein-A-syntaxis

Kernpunten

Het Grieks geeft de functie van een woord in de zin met zijn naamval aan, niet met zijn plaats. Daarom is de eerste vraag bij elke vertaling: welke functie heeft deze naamval hier? Afb. 1 zet de kernfuncties op een rij. De nominativus is de naamval van het onderwerp en van het naamwoordelijk deel van het gezegde (bij εἰμί, „zijn”). De accusativus is vóór alles de naamval van het lijdend voorwerp, maar geeft ook richting („naar”) en tijdsduur aan. De vocativus is de aanspreekvorm, vaak met ὦ ervoor (ὦ Σώκρατες). Zo verdeelt het naamvalsysteem de rollen die het Nederlands met woordvolgorde en voorzetsels regelt.

Afb. 1 — De functies van de naamvallen

NaamvalsfunctiesTabel met 4 kolommen en 5 rijen, Gegevens: Naamval · Kernfunctie(s) · Voorbeeld · Vertaling; Nominativus · onderwerp; naamwoordelijk deel · ho anēr legei · de man spreekt; Genitivus · bezit; deel (partitivus); vergelijking; bij ww./voorz. · hē oikia tou andros · het huis van de man; Dativus · meewerkend vw.; middel; tijd; plaats; bij ww./voorz. · graphō tēi cheiri · ik schrijf met de hand; Accusativus · lijdend vw.; richting; tijdsduur · horō ton andra · ik zie de man; Vocativus · aanspreekvorm · ō Sōkrates · o SocratesNAAMVALKERNFUNCTIE(S)VOORBEELDVERTALINGNominativusonderwerp; naamwoordelijkdeelho anēr legeide man spreektGenitivusbezit; deel (partitivus);vergelijking; bij ww./voorz.hē oikia tou androshet huis van de manDativusmeewerkend vw.; middel;tijd; plaats; bij ww./voorz.graphō tēi cheiriik schrijf met de handAccusativuslijdend vw.; richting;tijdsduurhorō ton andraik zie de manVocativusaanspreekvormō Sōkrateso Socrates
Afb. 1De naamvalsfuncties in één oogopslag. De genitivus en de dativus dekken elk meerdere functies — bepaal telkens het type.
De genitivus is de veelzijdigste naamval. Zijn grondbetekenis is „van”: bezit (ἡ οἰκία τοῦ ἀνδρός — het huis van de man), maar ook het geheel waarvan een deel wordt genomen (de genitivus partitivus: πολλοὶ τῶν πολιτῶν — velen van de burgers), oorsprong, en de vergelijking („dan”: μείζων τοῦ ἀδελφοῦ — groter dan zijn broer). Bovendien regeren veel werkwoorden en voorzetsels een genitivus, waar het Nederlands een ander voorzetsel gebruikt (ἄρχω + genitivus — heersen óver; ἀκούω + genitivus — luisteren náár). De genitivus is dus zelden zomaar „van”: bepaal telkens welk soort genitivus het is.
De dativus vervult drie soorten functies die je uit elkaar moet houden. Als „echte” dativus is hij het meewerkend voorwerp: „aan/voor” wie iets gebeurt (δίδωμι τῷ παιδί — ik geef aan het kind). Daarnaast dekt hij functies die andere talen met een voorzetsel uitdrukken: het middel of instrument (de dativus instrumentalis: γράφω τῇ χειρί — ik schrijf met de hand), de wijze, de tijd wanneer (τῇ τρίτῃ ἡμέρᾳ — op de derde dag) en, met een voorzetsel als ἐν, de plaats. Veel werkwoorden regeren bovendien een dativus (πείθομαι τῷ νόμῳ — ik gehoorzaam aan de wet). Bij het vertalen kies je dus eerst het type dativus, en pas daarna het passende Nederlandse voorzetsel.
Het bepalen van de naamvalsfunctie is nooit een losse handeling, maar altijd een zaak van de hele zin. De aanpak is: zoek eerst de persoonsvorm (die geeft het aantal verwachte aanvullingen: een onderwerp, misschien een lijdend of meewerkend voorwerp), en pas dan de naamvallen in die rollen. Zo voorkom je dat je een accusativus die richting aangeeft voor een lijdend voorwerp aanziet, of een genitivus bij een werkwoord voor een bezitsgenitivus. De functie van een naamval volgt uit het samenspel met de persoonsvorm en de overige zinsdelen — precies het punt waarop vormleer en syntaxis in elkaar grijpen.
Uitgewerkt voorbeeld

Naamvalsfuncties bepalen vanuit de persoonsvorm

Ontleed „οἱ πολῖται τῷ στρατηγῷ δῶρα τῆς νίκης ἔδοσαν” (De burgers gaven de veldheer geschenken voor/van de overwinning) en benoem de functie van elke naamval.

  1. 01De persoonsvorm zoeken

    „ἔδοσαν” (aoristus van δίδωμι, „zij gaven”) is de persoonsvorm. „Geven” verwacht drie rollen: een onderwerp, een lijdend voorwerp en een meewerkend voorwerp.

  2. 02De rollen invullen

    „οἱ πολῖται” (nominativus) is het onderwerp. „δῶρα” (accusativus, onzijdig meervoud) is het lijdend voorwerp. „τῷ στρατηγῷ” (dativus) is het meewerkend voorwerp.

  3. 03De resterende genitivus duiden

    „τῆς νίκης” (genitivus) hoort bij „δῶρα”: de geschenken „van/voor de overwinning” — een bepaling bij het naamwoord, geen aanvulling van het werkwoord.

Resultaat: Onderwerp „οἱ πολῖται” (nom.), lijdend voorwerp „δῶρα” (acc.), meewerkend voorwerp „τῷ στρατηγῷ” (dat.), bijvoeglijke genitivus „τῆς νίκης” bij „δῶρα”. Door eerst de persoonsvorm te lezen wijs je elke naamval zijn rol toe.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: van een gegeven naamval de functie in de zin benoemen (bijv. genitivus partitivus, dativus instrumentalis, accusativus van richting).
  • Examendoel: herkennen dat een werkwoord of voorzetsel een bepaalde naamval regeert en die correct in het Nederlands weergeven.

Veelgemaakte fouten

  • Elke genitivus als „van” en elke dativus als „aan” vertalen, zonder het specifieke type (partitivus, instrumentalis, tijd, of naamval-bij-werkwoord) te bepalen.
  • Een accusativus automatisch als lijdend voorwerp lezen, terwijl hij ook richting of tijdsduur kan aangeven — de persoonsvorm bepaalt hoeveel voorwerpen er passen.

Actieve herhaling

Benoem de functie van elke onderstreepte naamval en vertaal: (1) „ἀκούω τῶν διδασκάλων”, (2) „τῇ νυκτὶ ἔφυγον”, (3) „οἱ πολλοὶ τῶν στρατιωτῶν”, (4) „ἔπεμψαν πρέσβεις εἰς τὴν πόλιν”. Geef bij (1) en (3) aan om welk type genitivus het gaat.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Griekse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: syntaxis) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Het lidwoord en het participium: het participium coniunctum#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-grieks-vwo-domein-A-syntaxis

Kernpunten

Het lidwoord is in het Grieks veel meer dan een woordje vóór een naamwoord: het is een grammaticaal gereedschap. Met het lidwoord kun je vrijwel elk woord of elke woordgroep tot een zelfstandig naamwoord maken (substantiveren): οἱ σοφοί betekent „de wijzen”, τὸ καλόν „het schone/de schoonheid”, οἱ νῦν „de mensen van nu”, τὰ τῆς πόλεως „de zaken van de stad”. De plaats van het lidwoord bepaalt bovendien de betekenis van een bijvoeglijke bepaling. Staat een bepaling tussen lidwoord en naamwoord (attributief: ὁ ἀγαθὸς ἀνήρ), dan hoort ze er attributief bij („de goede man”). Staat ze erbuiten (predicatief: ὁ ἀνὴρ ἀγαθός), dan vormt ze een gezegde („de man is goed”). Dit onderscheid attributief–predicatief is een van de sleutels van de Griekse zinsbouw.
Datzelfde onderscheid stuurt het gebruik van het participium, het „deelwoord” dat in het Grieks alomtegenwoordig is. Een participium mét lidwoord is attributief of gesubstantiveerd: ὁ λέγων ἀνήρ is „de sprekende man”, en ὁ λέγων (zonder naamwoord) „degene die spreekt, de spreker”. Zo comprimeert het Grieks een hele betrekkelijke bijzin tot één woordgroep, en dat gebeurt voortdurend. Bij het vertalen ontvouw je zo'n gesubstantiveerd participium meestal tot een bijzin: οἱ φεύγοντες → „zij die vluchten / de vluchtelingen”. Herken je het lidwoord + participium, dan herken je meteen deze constructie.
Een participium zónder lidwoord dat congrueert met een naamwoord in de zin, is een participium coniunctum (verbonden deelwoord): het beschrijft een omstandigheid bij dat naamwoord en is los te vertalen als een bijzin. Afb. 2 toont de constructie. In ταῦτα ἰδὼν ὁ ἀνὴρ ἀπῆλθεν congrueert het participium ἰδών (aoristus) met het onderwerp ὁ ἀνήρ; samen betekenen ze „nadat/toen de man dit had gezien”. Het aspect van het participium regelt de tijdsverhouding: een aoristus-participium duidt op iets dat vóór de hoofdhandeling gebeurde („nadat”), een praesens-participium op iets gelijktijdigs („terwijl”). De vertaler kiest bovendien de nuance — temporeel (toen), causaal (omdat), concessief (hoewel) of modaal (door te) — die het best bij de context past.

Afb. 2 — Het participium coniunctum

Participium coniunctumGraaf, ho anēr — naamwoord (nom.) → idōn — participium (nom., aor.), idōn — participium (nom., aor.) → → bijzin: nadat de man dit had gezien, → bijzin: nadat de man dit had gezien → apēlthen — persoonsvorm (hoofdzin)ho anēr —naamwoord (nom.)idōn —participium(nom., aor.)→ bijzin: nadatde man dit hadgezienapēlthen —persoonsvorm(hoofdzin)congrueren(nom.)los tevertalen alsomstandigheidbij
Afb. 2Het participium congrueert met een naamwoord in de zin en levert een los te vertalen bijzin op — hier temporeel (nadat).
Het participium coniunctum is de meest voorkomende bijzin-vervanger van het Grieks, en het vergt een vaste leesstrategie. Zoek eerst het naamwoord waarmee het participium congrueert (dezelfde naamval, hetzelfde getal en geslacht); bepaal dan het aspect (aoristus = ervoor, praesens = gelijktijdig) en kies een passende voegwoordelijke nuance; en houd ten slotte het hoofdwerkwoord van de zin apart, want dát is de persoonsvorm. Een klassieke fout is het participium als persoonsvorm te lezen; maar een participium heeft geen eigen onderwerp en past zich in naamval aan een ander woord aan — precies daaraan herken je het. Zo houd je in een lange Griekse volzin het onderscheid tussen hoofdhandeling en begeleidende omstandigheid scherp.
Uitgewerkt voorbeeld

Een participium coniunctum ontleden en vertalen

Ontleed „ταῦτα ἀκούσας ὁ βασιλεὺς ὠργίσθη” (Toen de koning dit had gehoord, werd hij boos) en verklaar de vertaling van het participium.

  1. 01Het participium vinden

    „ἀκούσας” is een aoristus-participium actief, nominativus enkelvoud mannelijk, van „ἀκούω” (horen). Het heeft geen eigen onderwerp — dus geen persoonsvorm.

  2. 02De congruentie bepalen

    „ἀκούσας” congrueert met het onderwerp „ὁ βασιλεύς” (nominativus enkelvoud mannelijk). Het is dus een participium coniunctum bij de koning.

  3. 03Het aspect en de nuance kiezen

    Als aoristus-participium beschrijft het iets dat vóór de hoofdhandeling gebeurde: „nadat/toen hij had gehoord”. „ταῦτα” is het lijdend voorwerp bij het participium. De persoonsvorm van de zin is „ὠργίσθη” (hij werd boos).

Resultaat: „ἀκούσας” is een participium coniunctum bij „ὁ βασιλεύς”, los te vertalen als de temporele bijzin „toen/nadat de koning dit had gehoord”. Het aoristus-aspect rechtvaardigt de voortijdigheid („nadat”); „ὠργίσθη” blijft de hoofdpersoonsvorm.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een participium determineren en de stand ervan benoemen (attributief, gesubstantiveerd of participium coniunctum).
  • Examendoel: een participium coniunctum los vertalen als een bijzin en daarbij de tijdsverhouding (aspect) en een passende nuance (temporeel, causaal, concessief) kiezen.

Veelgemaakte fouten

  • Een participium coniunctum voor de persoonsvorm aanzien; een participium heeft geen eigen onderwerp en congrueert in naamval met een ander woord, terwijl de persoonsvorm apart in de zin staat.
  • Een gesubstantiveerd participium (ὁ λέγων) letterlijk als deelwoord vertalen in plaats van als een betrekkelijke bijzin („degene die spreekt”).

Actieve herhaling

Bepaal in „οἱ στρατιῶται, τὸν ποταμὸν διαβάντες, τοῖς πολεμίοις προσέβαλον” de stand en de functie van „διαβάντες” en vertaal de zin, waarbij je het participium coniunctum als bijzin weergeeft. Verklaar met het aspect waarom je „nadat” en niet „terwijl” kiest.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Griekse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: syntaxis) (CvTE / Examenblad)

§ 03

De genitivus absolutus, de AcI en de AcP#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-grieks-vwo-domein-A-syntaxis

Kernpunten

Naast het participium coniunctum kent het Grieks een losse participiumconstructie: de genitivus absolutus. Hier staan een naamwoord én een participium samen in de genitivus, zonder dat ze met een ander woord in de zin congrueren — de constructie staat „los” (absolutus) van de rest en beschrijft een begeleidende omstandigheid. Afb. 3 toont het. In τούτων γενομένων οἱ πολῖται ἔφυγον betekent τούτων γενομένων „nadat dit was gebeurd”; het is een eigen mini-zin met een eigen onderwerp (τούτων) dat verder in de hoofdzin geen rol speelt. Je herkent de genitivus absolutus dus aan twee dingen tegelijk in de genitivus (naamwoord + participium) die met niets in de hoofdzin congrueren. Vertaal hem als een bijzin, met dezelfde keuze van nuance (temporeel, causaal, concessief) als bij het participium coniunctum.

Afb. 3 — De genitivus absolutus

Genitivus absolutusGraaf, toutōn — naamwoord (gen.) → genomenōn — participium (gen., aor.), genomenōn — participium (gen., aor.) → → bijzin: nadat dit was gebeurd, → bijzin: nadat dit was gebeurd → hoi politai ephugon — hoofdzintoutōn —naamwoord (gen.)genomenōn —participium(gen., aor.)→ bijzin: nadatdit was gebeurdhoi politaiephugon —hoofdzincongrueren(gen.), los v…los tevertalen alsomstandigheidbij
Afb. 3Naamwoord én participium staan in de genitivus, los van de rest van de zin: een zelfstandige omstandigheidsbijzin.
Het verschil met het participium coniunctum is precies dat woordje „los”. Bij het participium coniunctum hoort het participium bij een woord dat óók in de hoofdzin een functie heeft (het onderwerp of een voorwerp); bij de genitivus absolutus heeft het naamwoord in de genitivus géén andere functie in de zin. Vergelijk: ταῦτα ἰδὼν ὁ ἀνὴρ ἀπῆλθεν (participium coniunctum: „de man” is óók onderwerp) tegenover τοῦ ἀνδρὸς ταῦτα ἰδόντος οἱ ἄλλοι ἀπῆλθον (genitivus absolutus: „de man” zag, maar „de anderen” gingen weg). Deze test — heeft het naamwoord elders in de zin een rol? — beslist onmiddellijk welke van de twee constructies je voor je hebt.
Een tweede grote constructie draait om de infinitivus: de accusativus met infinitivus (AcI). Werkwoorden van zeggen, menen, willen en vinden (λέγω, νομίζω, βούλομαι, φημί) worden gevolgd door een accusativus + een infinitivus, samen te vertalen met een dat-zin. Afb. 4 toont de bouw. In νομίζω τὸν ἄνδρα σοφὸν εἶναι is τὸν ἄνδρα de „accusativus subjecti” (het onderwerp van de infinitivus, in de accusativus) en εἶναι de infinitivus; samen: „ik meen dat de man wijs is”. Belangrijk: wat in het Nederlands het onderwerp van de dat-zin wordt, staat in het Grieks in de accusativus. Het aspect van de infinitivus regelt weer de tijd (praesens = gelijktijdig, aoristus = voortijdig, futurum = natijdig ten opzichte van het hoofdwerkwoord).

Afb. 4 — De accusativus met infinitivus (AcI)

Accusativus met infinitivusGraaf, nomizō — hoofdww. (menen/zeggen) → ton andra — accusativus subjecti, ton andra — accusativus subjecti → einai — infinitivus (+ predicaat sophon), einai — infinitivus (+ predicaat sophon) → → dat-zin: dat de man wijs isnomizō —hoofdww. (menen/zeggen)ton andra —accusativussubjectieinai —infinitivus (+predicaat sopho…→ dat-zin: datde man wijs isregeert eenAcIacc. = onderwerp van…samen tevertalen als
Afb. 4Bij zeg- en meenwerkwoorden: de accusativus is het onderwerp van de infinitivus, samen een dat-zin.
Verwant, maar met een participium in plaats van een infinitivus, is de accusativus met participium (AcP). Die verschijnt na werkwoorden van waarnemen en (aan)tonen — ὁρῶ (zien), ἀκούω (horen), αἰσθάνομαι (bemerken), οἶδα (weten) — en na sommige werkwoorden van weten en tonen. In ὁρῶ τὸν ἄνδρα προσιόντα betekent de accusativus τὸν ἄνδρα + het participium προσιόντα samen „ik zie dat de man nadert / ik zie de man naderen”. De AcP en de AcI onderscheiden zich vooral door het regerende werkwoord: waarnemingswerkwoorden vragen een participium (AcP), zeg- en meenwerkwoorden een infinitivus (AcI). Wie deze twee constructies en de genitivus absolutus vlot herkent, ontwart ook de langste Griekse volzinnen, want ze zijn de bouwstenen waarmee het Grieks bijzinnen inbouwt.
Uitgewerkt voorbeeld

Genitivus absolutus of participium coniunctum?

Bepaal de constructie in „τοῦ ἡγεμόνος κελεύοντος οἱ στρατιῶται ἐπορεύοντο” (Toen de aanvoerder het bevel gaf, trokken de soldaten op) en vertaal.

  1. 01De twee genitiven signaleren

    „τοῦ ἡγεμόνος” (naamwoord, genitivus) en „κελεύοντος” (praesens-participium, genitivus) staan samen in de genitivus — een aanwijzing voor een genitivus absolutus.

  2. 02De congruentietest doen

    Heeft „ὁ ἡγεμών” elders in de zin een functie? Nee: het onderwerp van de hoofdzin is „οἱ στρατιῶται”. De aanvoerder speelt in de hoofdzin geen rol. Dus: genitivus absolutus, niet participium coniunctum.

  3. 03Aspect en vertaling

    Het praesens-participium „κελεύοντος” geeft gelijktijdigheid: „terwijl/toen de aanvoerder bevel gaf”. De hoofdzin is „οἱ στρατιῶται ἐπορεύοντο” (de soldaten trokken op).

Resultaat: Het is een genitivus absolutus: „τοῦ ἡγεμόνος κελεύοντος” = „toen/terwijl de aanvoerder bevel gaf”. De congruentietest (de aanvoerder heeft in de hoofdzin geen rol) sluit het participium coniunctum uit; het praesens-aspect geeft gelijktijdigheid.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een genitivus absolutus herkennen (naamwoord + participium in de genitivus, los van de zin) en als bijzin vertalen, onderscheiden van het participium coniunctum.
  • Examendoel: een AcI of een AcP ontleden — de accusativus subjecti en de infinitivus/participium aanwijzen — en met een dat-zin vertalen, met het juiste aspect.

Veelgemaakte fouten

  • Een genitivus absolutus verwarren met het participium coniunctum: de test is of het naamwoord in de genitivus elders in de zin nog een functie heeft (dan is het geen genitivus absolutus).
  • Bij een AcI de accusativus subjecti als lijdend voorwerp van het hoofdwerkwoord lezen in plaats van als onderwerp van de infinitivus (νομίζω τὸν ἄνδρα … is niet „ik meen de man”, maar „ik meen dat de man …”).

Actieve herhaling

Ontleed en vertaal: (1) „τῶν πολεμίων προσιόντων οἱ πολῖται τὰς πύλας ἔκλεισαν”, (2) „λέγουσι τοὺς Πέρσας νικηθῆναι”, (3) „ἤκουσα αὐτὸν λέγοντα ταῦτα”. Benoem bij (1) de constructie, bij (2) de accusativus subjecti en het aspect van de infinitivus, en bij (3) waarom het een AcP is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Griekse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: syntaxis) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Bijzinnen, de wijzen en de partikels#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-grieks-vwo-domein-A-syntaxis

Kernpunten

Naast de participium- en infinitivusconstructies bouwt het Grieks bijzinnen met voegwoorden, en de wijs van het werkwoord in de bijzin draagt betekenis. De belangrijkste soorten zijn de betrekkelijke bijzin (met ὅς, ἥ, ὅ), de temporele (ἐπεί — toen/nadat, ὅτε — wanneer), de causale (ὅτι, διότι — omdat), de finale of doelzin (ἵνα, ὅπως, ὡς — opdat, met coniunctivus of optativus), de conditionele of voorwaardelijke zin (εἰ — als), en de indirecte vraag. Het afbakenen van de bijzin — waar begint ze (bij het voegwoord of betrekkelijk voornaamwoord) en waar eindigt ze (na haar eigen persoonsvorm)? — is de eerste stap om een lange volzin te ontwarren.
De wijs in de bijzin is geen willekeur. In een doelzin staat na een hoofdtijd de coniunctivus (ἵνα μάθῃ — opdat hij leert), na een verleden tijd de optativus (de „optativus obliquus”: ἦλθεν ἵνα μάθοι — hij kwam opdat hij zou leren). Bij de voorwaardelijke zinnen bepaalt de combinatie van wijs en partikel het type: de realis (εἰ + indicativus — als het zo is), de potentialis (εἰ + optativus … ἄν — als het zou zijn), en de irrealis (εἰ + indicativus van een verleden tijd … ἄν — als het zo zou zijn geweest, maar het is niet zo). Het modale partikel ἄν is daarbij de spil: het markeert in de hoofdzin de mogelijkheid (potentialis) of de onwerkelijkheid (irrealis). Wie ἄν ziet, weet dat de vertaling een „zou”-vorm vraagt.
Kenmerkend voor het Grieks is verder de rijkdom aan partikels: kleine, vaak onvertaalbare woordjes die de samenhang, de nuance en de toon van de zin regelen. Afb. 5 geeft de belangrijkste. Het paar μέν … δέ verdeelt een gedachte in twee delen die tegenover elkaar staan („enerzijds … anderzijds”), en is een van de meest voorkomende structuursignalen. γάρ geeft een verklaring of reden („want, immers”), οὖν een gevolg of hervatting („dus, welnu”), δέ (los) een eenvoudige verbinding of lichte tegenstelling („en, maar”). Deze partikels staan bijna altijd op de tweede plaats in hun zinsdeel (ze zijn „enclitisch” of „postpositief”), wat je helpt om de zinsdelen af te bakenen.

Afb. 5 — De belangrijkste partikels

PartikelsTabel met 3 kolommen en 8 rijen, Gegevens: Partikel · Betekenis / functie · Opmerking; men ... de · enerzijds ... anderzijds (tegenstelling) · belangrijkste structuursignaal; gar · want, immers (verklaring/reden) · postpositief (tweede plaats); oun · dus, daarom, welnu (gevolg/hervatting) · postpositief; de (los) · en, maar (verbinding/lichte tegenstelling) · postpositief; te ... kai · zowel ... als (verbinding) · verbindt woorden of zinnen; alla · maar (sterke tegenstelling) · staat vooraan; an · modaal partikel: potentialis / irrealis · + optativus of + ind. verleden; dē / toi / ge · nadruk, immers, althans (nuance) · nuancerende partikelsPARTIKELBETEKENIS / FUNCTIEOPMERKINGmen ... deenerzijds ... anderzijds(tegenstelling)belangrijkstestructuursignaalgarwant, immers (verklaring/reden)postpositief (tweede plaats)oundus, daarom, welnu (gevolg/hervatting)postpositiefde (los)en, maar (verbinding/lichtetegenstelling)postpositiefte ... kaizowel ... als (verbinding)verbindt woorden of zinnenallamaar (sterke tegenstelling)staat vooraananmodaal partikel: potentialis/irrealis+ optativus of + ind.verledendē / toi / genadruk, immers, althans(nuance)nuancerende partikels
Afb. 5Partikels dragen de samenhang en de toon van een tekst. Veel ervan staan op de tweede plaats in hun zinsdeel.
Partikels zijn geen bijkomstigheid maar dragen de argumentatieve structuur van een Griekse tekst — juist bij een prozaschrijver als Plato of een redenaar als Lysias. Ze markeren waar een tegenstelling begint (μέν … δέ), waar een bewijs volgt (γάρ), waar een conclusie wordt getrokken (οὖν, ἄρα), en waar de spreker nadruk of twijfel legt (δή, τοι, γε). Bij het vertalen kies je een Nederlands signaalwoord dat dezelfde functie vervult, of je laat het partikel weg wanneer het Nederlands de nuance al met de zinsbouw uitdrukt. Maar bij een tekstbegripvraag naar de structuur of de gedachtegang loont het altijd om eerst de partikels te lezen: zij zijn de wegwijzers door het betoog.
Uitgewerkt voorbeeld

Een doelzin en het partikel ἄν herkennen

Analyseer de wijzen en partikels in „ταῦτα ἂν ἐποίησα, εἰ ἐδυνάμην” (Ik zou dit gedaan hebben, als ik het gekund had) en verklaar de vertaling.

  1. 01Het partikel ἄν lezen

    In de hoofdzin staat „ἄν” bij „ἐποίησα” (aoristus indicatief, een verleden tijd). ἄν + indicatief van een verleden tijd markeert de irrealis: iets wat níet werkelijk gebeurd is.

  2. 02De voorwaardelijke bijzin duiden

    „εἰ ἐδυνάμην” is de bijzin (εἰ = als) met een indicatief van een verleden tijd (imperfectum). De combinatie εἰ + verleden tijd in de bijzin, ἄν + verleden tijd in de hoofdzin, is de irrealis.

  3. 03De vertaling kiezen

    De irrealis vertaal je met „zou … hebben” in de hoofdzin en „als … had” in de bijzin: onwerkelijk in het verleden.

Resultaat: Het is een irrealis van het verleden: „ik zou dit gedaan hebben (ἄν + aoristus), als ik het gekund had (εἰ + imperfectum)”. Het partikel ἄν is het signaal dat de vertaling een onwerkelijke „zou”-vorm vraagt.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een bijzin afbakenen, haar soort benoemen (betrekkelijk, temporeel, causaal, finaal, conditioneel) en de wijs verklaren.
  • Examendoel: de functie van een partikel (μέν … δέ, γάρ, οὖν, ἄν) benoemen en de gedachtegang van een passage aan de partikels aflezen.

Veelgemaakte fouten

  • Het modale partikel ἄν over het hoofd zien, waardoor je een potentialis of irrealis („zou …”) als een gewoon feit vertaalt.
  • μέν … δέ niet als tegenstellend structuursignaal herkennen en de twee tegenover elkaar staande delen door elkaar halen.

Actieve herhaling

Benoem in „οἱ μὲν ἔφευγον, οἱ δὲ ἔμενον, ἵνα τὴν πόλιν σῴζοιεν” de bijzin, haar soort en de wijs, en verklaar de functie van „μέν … δέ” en van de optativus „σῴζοιεν”. Vertaal de hele zin.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Griekse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: syntaxis) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01De functies van de naamvallen○
    • 02Het lidwoord en het participium: het participium coniunctum◐
    • 03De genitivus absolutus, de AcI en de AcP●
    • 04Bijzinnen, de wijzen en de partikels◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Syntaxis en zinsleer: naamvallen, participia en constructies

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~17
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Griekse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: syntaxis)

Vorig onderwerp

Vormleer (morfologie): het nominale en het verbale systeem

Volgend onderwerp

Woordenschat en de CvTE-minimumlijst

EuraStudy·Samenvattingen T·02·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.