EuraStudy
Samenvattingen/Griekse taal en cultuur/Vormleer (morfologie): het nominale en het verbale systeem
Samenvattingen · Griekse taal en cultuurNL · VWO

Vormleer (morfologie): het nominale en het verbale systeem

De morfologie beschrijft hoe Griekse woorden van vorm veranderen: naamwoorden verbuigen (declinatie) en werkwoorden vervoegen (conjugatie). Omdat het Grieks de functie van een woord met uitgangen aangeeft en niet met de woordvolgorde, is de vormleer de sleutel tot elke vertaling: wie de uitgangen en de stamtijden kent, leest de zin. Dit onderwerp frist het lidwoord, de drie declinaties, de adjectiva en pronomina, en het werkwoord met zijn wijzen, medium-passivum, contracta, stamtijden en aspecten op — de voorwaardelijke kennis voor het centraal examen.

4 Onderdelen·~19 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0111 / 16
Examenprofiel
Het lidwoord en de drie declinaties met hun naamvalsuitgangen (enkelvoud en meervoud) herkennen en reproducerenAdjectiva verbuigen, de trappen van vergelijking vormen en de pronomina determinerenHet werkwoord van de praesensstam vervoegen: de wijzen (indicativus, coniunctivus, optativus, imperativus), het medium-passivum en de contractaDe stamtijden en de aspecten (praesens, aoristus, perfectum) beheersen, inclusief de belangrijkste mi-verba
Operatoren:benoemdetermineervervoegverbuiggeef de naamvalgeef de vorm

basisniveau

De morfologie is geen apart toetsdomein maar voorwaardelijke kennis: je hebt de paradigma's en stamtijden nodig om elke examentekst te kunnen vertalen en de taalkundige vragen te beantwoorden.

verhoogd niveau

Wie de paradigma's en de stamtijden volledig automatiseert, herkent vormen zonder aarzelen en houdt zo tijd en denkruimte over voor de moeilijke zinsconstructies en de betekenisnuances.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Vormleer (morfologie): het nominale en het verbale systeem
    • 01Het nominale systeem: het lidwoord en de drie declinaties○
    • 02Adjectiva, comparatie en de pronomina◐
    • 03Het werkwoord: praesensstam, wijzen, medium-passivum en contracta◐
    • 04De stamtijden en de aspecten: aoristus, perfectum en mi-verba●
§ 01

Het nominale systeem: het lidwoord en de drie declinaties#

●○○BasisLPexamenblad-nl-grieks-vwo-domein-A-vormleer

Kernpunten

Een Grieks zelfstandig naamwoord verandert van uitgang naargelang zijn naamval (casus), getal (numerus) en — vast per woord — zijn geslacht (genus: mannelijk, vrouwelijk of onzijdig). Het Grieks kent vijf naamvallen: nominativus (onderwerp), genitivus (bezit, „van”), dativus (meewerkend voorwerp, „aan/voor”, plus middel en plaats), accusativus (lijdend voorwerp, richting) en de vocativus (aanspreekvorm). Onmisbaar is het lidwoord ὁ, ἡ, τό: het staat vrijwel altijd vóór het zelfstandig naamwoord, verraadt in één oogopslag naamval, getal én geslacht, en is daarmee je belangrijkste kompas in de zin. Afb. 1 geeft de volledige verbuiging. Wie het lidwoord uit het hoofd kent, herkent bij elk naamwoord de naamval, ook als de uitgang zelf dubbelzinnig is: ἡ χώρα en τῆς χώρας verschillen alleen door het lidwoord duidelijk in naamval.

Afb. 1 — Het lidwoord ὁ, ἡ, τό

Het lidwoord ho, he, toTabel met 4 kolommen en 8 rijen, Gegevens: Casus · m. · v. · o.; Nom. ev. · ho · hē · to; Gen. ev. · tou · tēs · tou; Dat. ev. · tōi · tēi · tōi; Acc. ev. · ton · tēn · to; Nom. mv. · hoi · hai · ta; Gen. mv. · tōn · tōn · tōn; Dat. mv. · tois · tais · tois; Acc. mv. · tous · tas · taCASUSM.V.O.Nom. ev.hohētoGen. ev.toutēstouDat. ev.tōitēitōiAcc. ev.tontēntoNom. mv.hoihaitaGen. mv.tōntōntōnDat. mv.toistaistoisAcc. mv.toustasta
Afb. 1Het lidwoord verraadt bij elk naamwoord de naamval, het getal en het geslacht — je belangrijkste kompas in de zin.
Het Grieks kent drie declinaties, elk met een eigen stam. De eerste declinatie (α-/η-stammen) is grotendeels vrouwelijk: ἡ χώρα (het land) en ἡ τιμή (de eer); een groep mannelijke woorden op -ης hoort er ook bij (ὁ πολίτης, de burger). De tweede declinatie (ο-stammen) is mannelijk op -ος (ὁ λόγος, het woord) of onzijdig op -ον (τὸ δῶρον, het geschenk). Voor élk onzijdig woord, in élke declinatie, geldt de ijzeren regel: de nominativus en de accusativus zijn gelijk, en in het meervoud eindigen ze op -α. De derde declinatie is de grootste en meest gevarieerde groep, met alle drie de geslachten en een onvoorspelbare nominativus, maar met vaste oblieke uitgangen die je aan de genitivus afleest. Afb. 2 zet vier kernwoorden volledig naast elkaar, zodat je de patronen vergelijkt.

Afb. 2 — De drie declinaties naast elkaar

chora, logos, doron, phulaxTabel met 5 kolommen en 8 rijen, Gegevens: Casus · chōra (1e, v.) · logos (2e, m.) · dōron (2e, o.) · phulax (3e, m.); Nom. ev. · chōra · logos · dōron · phulax; Gen. ev. · chōras · logou · dōrou · phulakos; Dat. ev. · chōrāi · logōi · dōrōi · phulaki; Acc. ev. · chōran · logon · dōron · phulaka; Nom. mv. · chōrai · logoi · dōra · phulakes; Gen. mv. · chōrōn · logōn · dōrōn · phulakōn; Dat. mv. · chōrais · logois · dōrois · phulaxi(n); Acc. mv. · chōrās · logous · dōra · phulakasCASUSCHŌRA (1E, V.)LOGOS (2E, M.)DŌRON (2E, O.)PHULAX (3E, M.)Nom. ev.chōralogosdōronphulaxGen. ev.chōraslogoudōrouphulakosDat. ev.chōrāilogōidōrōiphulakiAcc. ev.chōranlogondōronphulakaNom. mv.chōrailogoidōraphulakesGen. mv.chōrōnlogōndōrōnphulakōnDat. mv.chōraislogoisdōroisphulaxi(n)Acc. mv.chōrāslogousdōraphulakas
Afb. 2Vier modelwoorden volledig verbogen. Let op de onzijdige regel bij doron: nom. = acc., meervoud op -a.
Bij de derde declinatie is de genitivus enkelvoud het onfeilbare herkenningsteken, precies zoals bij het Latijn: uit ὁ φύλαξ, φύλακος lees je de stam φυλακ-, waaraan alle andere naamvallen worden gebouwd (dativus φύλακι, accusativus φύλακα, meervoud φύλακες, φυλάκων, φύλαξι(ν), φύλακας). Daarom staat een Grieks woord in het woordenboek altijd met twee vormen: de nominativus én de genitivus. Twee subtypes moet je apart kennen omdat ze zo vaak voorkomen. De onzijdige stammen op -ματ- als τὸ σῶμα, σώματος (het lichaam) volgen de onzijdige regel (nom. = acc., meervoud σώματα). De vrouwelijke i-stammen als ἡ πόλις, πόλεως (de stad) hebben een afwijkende genitivus op -εως en een meervoud πόλεις — een hoogfrequent en dus examenrelevant patroon.
De kracht — en de valkuil — van dit systeem is dat één en dezelfde uitgang meerdere dingen kan betekenen. De uitgang -ου is genitivus enkelvoud (2e declinatie) én komt terug in werkwoordsvormen; -οις is dativus meervoud; -α is nominativus enkelvoud (1e declinatie) maar ook nominativus/accusativus meervoud onzijdig én accusativus enkelvoud (3e declinatie). Zulke dubbelzinnige uitgangen los je nooit geïsoleerd op, maar altijd met behulp van het lidwoord en de context: met welk lidwoord staat het woord, met welk ander woord congrueert het, welke functie is in de zin nog vrij? De vormleer levert de kandidaten; de syntaxis kiest. Dat samenspel van vorm en functie is de kern van het Grieks lezen en keert bij elk volgend onderwerp terug.
Uitgewerkt voorbeeld

Een naamval determineren met het lidwoord

Determineer de vorm „τῇ πόλει” in de zin „ὁ στρατηγὸς τῇ πόλει ἐβοήθησεν” (De veldheer hielp de stad) en geef de zinsfunctie.

  1. 01Het lidwoord lezen

    Het lidwoord „τῇ” is dativus enkelvoud vrouwelijk. De naamval staat dus al vast vóór je naar de uitgang van het naamwoord kijkt.

  2. 02Het naamwoord thuisbrengen

    „πόλει” hoort bij „ἡ πόλις, πόλεως” (derde declinatie, i-stam, vrouwelijk). De dativus enkelvoud is „πόλει”, wat met het lidwoord „τῇ” klopt.

  3. 03De functie bepalen

    Het werkwoord „βοηθέω” (te hulp komen) regeert de dativus: je komt „iemand/iets” te hulp met een dativus. „τῇ πόλει” is dus meewerkend voorwerp: „de stad (te hulp)”.

Resultaat: „τῇ πόλει” is dativus enkelvoud vrouwelijk van „ἡ πόλις, πόλεως” en fungeert als meewerkend voorwerp bij „βοηθέω”: „(hij hielp) de stad”. Het lidwoord „τῇ” gaf de naamval meteen prijs; het werkwoord bepaalde de functie.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: van een gegeven zelfstandig naamwoord de naamval, het getal en de declinatie determineren, met behulp van het lidwoord en de genitivus.
  • Examendoel: een dubbelzinnige uitgang (bijv. -α, -ου, -οις, -ων) met de context (lidwoord, congruentie, zinsfunctie) correct oplossen.

Veelgemaakte fouten

  • De declinatie of naamval afleiden uit de nominativus in plaats van uit de genitivus en het lidwoord — juist de genitivus verraadt de stam van de derde declinatie (φύλαξ → stam φυλακ-).
  • Vergeten dat bij onzijdige woorden nominativus en accusativus altijd gelijk zijn en het meervoud op -α eindigt, waardoor je een onzijdig meervoud (σώματα) voor een vrouwelijk enkelvoud aanziet.

Actieve herhaling

Determineer van elk van de volgende vormen de naamval, het getal en de declinatie, en noem met behulp van het lidwoord een mogelijke zinsfunctie: (1) τῷ λόγῳ, (2) τὰς χώρας, (3) τῶν φυλάκων, (4) τῇ πόλει, (5) τὰ δῶρα. Geef bij (5) aan waarom er meerdere mogelijkheden zijn en hoe je die oplost.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Griekse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: vormleer) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Adjectiva, comparatie en de pronomina#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-grieks-vwo-domein-A-vormleer

Kernpunten

Een bijvoeglijk naamwoord (adjectivum) richt zich in naamval, getal én geslacht naar het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort: het congrueert. De grootste groep, de adjectiva op -ος, -η, -ον (ἀγαθός, ἀγαθή, ἀγαθόν — goed), gebruikt voor het mannelijke en onzijdige de tweede declinatie en voor het vrouwelijke de eerste; ze verbuigen dus precies als λόγος, δῶρον en τιμή. Daarnaast zijn er adjectiva van het type met een derde-declinatiestam, zoals ἀληθής, ἀληθές (waar) en het veel voorkomende σώφρων, σῶφρον (bezonnen). Congruentie betekent niet dat het adjectief altijd dezelfde uitgang heeft als zijn naamwoord: in ἡ ἀγαθὴ πόλις congrueren „ἀγαθή” (1e declinatie) en „πόλις” (3e declinatie) in naamval, getal en geslacht, hoewel hun uitgangen uit verschillende declinaties komen. Laat je dus leiden door de drievoudige overeenkomst, niet door gelijkluidende klanken.
Naast de gewone vorm (de positief) kent het adjectief twee trappen van vergelijking. De comparativus (vergrotende trap) voegt aan de stam meestal -τερος, -τερα, -τερον toe, de superlativus (overtreffende trap) -τατος, -τατη, -τατον: σοφός → σοφώτερος → σοφώτατος (wijs → wijzer → wijst). Afb. 3 vat dit samen. Let op de dubbele vertaalmogelijkheid, precies als bij het Latijn: de comparativus betekent „wijzer” maar ook „tamelijk/nogal wijs”, en de superlativus „het wijst” maar ook „zeer wijs” — de context beslist. Een tweede, veelvoorkomend type vormt de trappen op -ίων / -ιστος (ἡδίων, ἥδιστος bij ἡδύς, aangenaam). Een handvol hoogfrequente adjectiva vergelijkt onregelmatig (suppletief) en moet je uit het hoofd kennen: ἀγαθός – ἀμείνων/βελτίων – ἄριστος/βέλτιστος (goed – beter – best), κακός – κακίων/χείρων – κάκιστος (slecht), πολύς – πλείων – πλεῖστος (veel), μέγας – μείζων – μέγιστος (groot).

Afb. 3 — De trappen van vergelijking

Trappen van vergelijkingTabel met 4 kolommen en 7 rijen, Gegevens: Trap / type · Vorming · Voorbeeld · Vertaling; Positief · grondvorm (-os, -ē, -on) · sophos · wijs; Comparativus · stam + -teros, -tera, -teron · sophōteros · wijzer / tamelijk wijs; Superlativus · stam + -tatos, -tatē, -taton · sophōtatos · wijst / zeer wijs; type -iōn / -istos · stam + -iōn / -istos · hēdiōn, hēdistos · aangenamer / aangenaamst; onregelmatig · suppletief · agathos – ameinōn/beltiōn – aristos · goed – beter – best; onregelmatig · suppletief · megas – meizōn – megistos · groot – groter – grootst; onregelmatig · suppletief · polus – pleiōn – pleistos · veel – meer – meestTRAP / TYPEVORMINGVOORBEELDVERTALINGPositiefgrondvorm (-os, -ē, -on)sophoswijsComparativusstam + -teros, -tera, -teronsophōteroswijzer / tamelijk wijsSuperlativusstam + -tatos, -tatē, -tatonsophōtatoswijst / zeer wijstype -iōn / -istosstam + -iōn / -istoshēdiōn, hēdistosaangenamer / aangenaamstonregelmatigsuppletiefagathos – ameinōn/beltiōn –aristosgoed – beter – bestonregelmatigsuppletiefmegas – meizōn – megistosgroot – groter – grootstonregelmatigsuppletiefpolus – pleiōn – pleistosveel – meer – meest
Afb. 3De regelmatige vorming van comparativus en superlativus, met de belangrijkste onregelmatige reeksen.
Voornaamwoorden (pronomina) verwijzen naar personen of zaken en houden de draad van „wie doet wat aan wie” vast. De persoonlijke voornaamwoorden zijn ἐγώ (ik), σύ (jij), ἡμεῖς (wij) en ὑμεῖς (jullie); voor de derde persoon springt in de oblieke naamvallen αὐτός, αὐτή, αὐτό („hem, haar, het”) in. Datzelfde αὐτός heeft drie betekenissen die je uit elkaar moet houden: predicatief „zelf” (αὐτὸς ὁ βασιλεύς — de koning zelf), met lidwoord ὁ αὐτός „dezelfde”, en in de oblieke naamvallen „hem/haar/het”. Het wederkerende (reflexieve) voornaamwoord ἑαυτόν (zich(zelf)) verwijst terug naar het onderwerp. Afb. 4 zet de belangrijkste pronomina met hun kenmerkende genitivus op een rij.

Afb. 4 — De belangrijkste pronomina

PronominaTabel met 5 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Voornaamwoord · m. · v. · o. · gen. ev.; autos (zelf; hem/haar/het) · autos · autē · auto · autou / autēs; houtos (deze/die, terugwijzend) · houtos · hautē · touto · toutou / tautēs; hode (deze hier, aankondigend) · hode · hēde · tode · toude / tēsde; ekeinos (die/dat daar) · ekeinos · ekeinē · ekeino · ekeinou; hos (betrekk.: die/dat) · hos · hē · ho · hou / hēs; tis / ti (vragend / onbepaald) · tis · tis · ti · tinosVOORNAAMWOORDM.V.O.GEN. EV.autos (zelf; hem/haar/het)autosautēautoautou / autēshoutos (deze/die,terugwijzend)houtoshautētoutotoutou / tautēshode (deze hier,aankondigend)hodehēdetodetoude / tēsdeekeinos (die/dat daar)ekeinosekeinēekeinoekeinouhos (betrekk.: die/dat)hoshēhohou / hēstis /ti (vragend /onbepaald)tististitinos
Afb. 4De pronomina met hun kenmerkende genitivus. Let op de drie betekenissen van autos (zelf / dezelfde / hem-haar-het).
De aanwijzende voornaamwoorden (demonstrativa) zijn talrijk en betekenisrijk. ὅδε, ἥδε, τόδε betekent „deze/dit (hier bij mij)” en kondigt vaak iets aan wat volgt; οὗτος, αὕτη, τοῦτο is het neutrale „deze/dit, die/dat” en verwijst vaak terug; ἐκεῖνος, ἐκείνη, ἐκεῖνο betekent „die/dat (daar)”. Het betrekkelijke voornaamwoord ὅς, ἥ, ὅ (die, dat, welke) verbindt een bijzin met een woord in de hoofdzin (het antecedent). De regel die alles stuurt, is dezelfde als in het Latijn: een betrekkelijk voornaamwoord neemt naamval, getal en geslacht van het antecedent alleen wat getal en geslacht betreft over, terwijl zijn eigen naamval afhangt van zijn functie in de bijzin. Vraag- en onbepaald voornaamwoord τίς; / τις (wie?; iemand) verschillen alleen door hun accent en hun rol. Wie het gemeenschappelijke patroon van deze woorden herkent, verandert een lijst losse vormen in één samenhangend systeem.
Uitgewerkt voorbeeld

De drie betekenissen van αὐτός onderscheiden

Vertaal en verklaar het gebruik van „αὐτ-” in (a) „αὐτὸς ὁ βασιλεὺς ἦλθεν”, (b) „ὁ αὐτὸς βασιλεύς” en (c) „εἶδον αὐτόν”.

  1. 01Predicatieve positie: „zelf”

    In (a) staat „αὐτός” buiten de lidwoordgroep (predicatief), vóór „ὁ βασιλεύς”. Dan betekent het „zelf”: „de koning zelf kwam”.

  2. 02Attributieve positie: „dezelfde”

    In (b) staat „αὐτός” tussen lidwoord en naamwoord (attributief: ὁ αὐτὸς βασιλεύς). Dan betekent het „dezelfde”: „dezelfde koning”.

  3. 03Oblieke naamval zonder lidwoord: „hem”

    In (c) staat „αὐτόν” als accusativus zonder lidwoord, als lijdend voorwerp bij „εἶδον” (ik zag). Dan is het het persoonlijk voornaamwoord: „ik zag hem”.

Resultaat: (a) „de koning zelf” (predicatief „zelf”), (b) „dezelfde koning” (attributief „dezelfde”), (c) „ik zag hem” (persoonlijk voornaamwoord). De positie ten opzichte van het lidwoord beslist telkens welke van de drie betekenissen geldt.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: vaststellen bij welk zelfstandig naamwoord een adjectief hoort (congruentie in naamval, getal en geslacht), ook als de uitgangen verschillen.
  • Examendoel: een voornaamwoord determineren (soort, naamval, getal, geslacht), de drie betekenissen van αὐτός onderscheiden en het antecedent van een betrekkelijk voornaamwoord aanwijzen.

Veelgemaakte fouten

  • De drie functies van αὐτός verwarren: predicatief „zelf”, met lidwoord „dezelfde”, oblieke naamval „hem/haar/het” — telkens beslist de positie ten opzichte van het lidwoord.
  • De naamval van een betrekkelijk voornaamwoord klakkeloos gelijkstellen aan die van het antecedent, terwijl de naamval juist door de functie in de bijzin wordt bepaald.

Actieve herhaling

Bepaal in „οὗτος ὁ ἀνήρ, ὃν ὁρῶμεν, σοφώτατός ἐστιν” (Deze man, die wij zien, is zeer wijs) de soort, naamval, getal en het geslacht van „οὗτος” en „ὅν”, en geef aan waarnaar elk verwijst. Vertaal „σοφώτατος” op twee manieren en verklaar waarom „ὅν” accusativus is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Griekse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: vormleer) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Het werkwoord: praesensstam, wijzen, medium-passivum en contracta#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-grieks-vwo-domein-A-vormleer

Kernpunten

Een Grieks werkwoord vervoegt: het verandert van vorm naar persoon, getal, tijd (tempus), wijs (modus), aspect en genus (actief, medium of passief). Het modelwerkwoord λύω (losmaken) laat het regelmatige, „thematische” patroon zien: tussen de stam en de persoonsuitgang staat een bindklinker (de themavocaal ο/ε). De persoonsuitgangen van het actief zijn -ω, -εις, -ει, -ομεν, -ετε, -ουσι(ν); Afb. 5 zet ze naast het medium-passivum. Het praesens drukt een handeling in het heden uit, of — belangrijker nog — een handeling in haar dúúr of herhaling (het imperfectieve aspect). Uit dezelfde praesensstam wordt ook het imperfectum gevormd, met een augment ἐ- vooraan: ἔλυον (ik was aan het losmaken, ik maakte los).

Afb. 5 — Praesens indicatief: actief en medium-passivum van λύω

Praesens indicatief van luoTabel met 3 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Persoon · Actief · Medium-passivum; 1 ev. · luō · luomai; 2 ev. · lueis · luēi (luei); 3 ev. · luei · luetai; 1 mv. · luomen · luometha; 2 mv. · luete · luesthe; 3 mv. · luousi(n) · luontaiPERSOONACTIEFMEDIUM-PASSIVUM1 ev.luōluomai2 ev.lueisluēi (luei)3 ev.lueiluetai1 mv.luomenluometha2 mv.lueteluesthe3 mv.luousi(n)luontai
Afb. 5Actief en medium-passivum naast elkaar. In het praesens vallen medium en passief samen; de context beslist welke betekenis geldt.
Het Grieks onderscheidt naast actief en passief een derde genus: het medium. In het medium voert het onderwerp de handeling uit met betrekking tot zichzelf of in zijn eigen belang: λούω betekent „ik was (iets)”, λούομαι „ik was mij”. In het praesens- en imperfectumsysteem zijn de medium- en passiefvormen identiek (λύομαι kan „ik maak voor mijzelf los” of „ik word losgemaakt” zijn); pas in de aoristus en het futurum lopen ze uiteen. De medium-passieve uitgangen zijn -ομαι, -ῃ (-ει), -εται, -όμεθα, -εσθε, -ονται. Bij het vertalen is de kernvraag dus telkens: is deze -μαι/-ται-vorm hier medium (voor zichzelf) of passief (ondergaat de handeling)? De context — is er een handelende persoon in de dativus of met ὑπό + genitivus? — geeft de doorslag.
Het Grieks heeft, anders dan het Nederlands, vier wijzen die je in élke tijd van de praesensstam terugvindt. De indicativus stelt een feit vast (λύει — hij maakt los). De coniunctivus, herkenbaar aan de verlengde bindklinker (λύῃ, λύωμεν), drukt aansporing, doel en verwachting uit en staat in veel bijzinnen. De optativus, herkenbaar aan de -οι-/-ι-klank (λύοι, λύοιμεν), drukt een wens of mogelijkheid uit en verschijnt in bijzinnen na een verleden tijd. De imperativus geeft een bevel (λῦε — maak los!, λύετε — maakt los!). Daarnaast staan de infinitivus (λύειν — (het) losmaken) en het participium (λύων, λύουσα, λῦον — losmakend), de twee „naamvormen” die het hele Griekse zinsbouwsysteem dragen. Afb. 6 zet deze wijzen en naamvormen overzichtelijk bij elkaar.

Afb. 6 — De wijzen en naamvormen van de praesensstam

Wijzen en naamvormenTabel met 4 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Wijs / vorm · Voorbeeld (luo) · Herkenningsteken · Functie; Indicativus · luei · gewone bindklinker · feit: hij maakt los; Coniunctivus · luēi / luōmen · verlengde bindklinker ē/ō · aansporing, doel, verwachting; Optativus · luoi / luoimen · -oi- / -i- · wens, mogelijkheid, bijzin na verleden tijd; Imperativus · lue / luete · kale stam of -te · bevel: maak los!; Infinitivus · luein · -ein · (het) losmaken; Participium · luōn, luousa, luon · -nt- / -ous- · losmakendWIJS / VORMVOORBEELD (LUO)HERKENNINGSTEKENFUNCTIEIndicativuslueigewone bindklinkerfeit: hij maakt losConiunctivusluēi / luōmenverlengde bindklinker ē/ōaansporing, doel,verwachtingOptativusluoi / luoimen-oi- / -i-wens, mogelijkheid, bijzinna verleden tijdImperativuslue / luetekale stam of -tebevel: maak los!Infinitivusluein-ein(het) losmakenParticipiumluōn, luousa, luon-nt- / -ous-losmakend
Afb. 6Elke wijs heeft een eigen herkenningsteken: de verlengde bindklinker bij de coniunctivus, de -oi-klank bij de optativus.
Een grote groep veelgebruikte werkwoorden heeft een stam die op een klinker eindigt: de contracta. Bij hen versmelt de stamklinker met de bindklinker tot één lange klank, volgens vaste regels. Er zijn drie typen (Afb. 7): de α-stammen (τιμάω → τιμῶ, ik eer), de ε-stammen (ποιέω → ποιῶ, ik maak/doe) en de ο-stammen (δηλόω → δηλῶ, ik maak duidelijk). In het woordenboek staan ze meestal in de ongecontraheerde vorm (τιμάω), maar in de tekst kom je de gecontraheerde vorm tegen (τιμῶσι — zij eren). Wie de contractieregels kent (α + ε → α, ε + ε → ει, ο + iedere klank → ου/ω), herkent achter een gecontraheerde vorm meteen het grondwoord — onmisbaar om het in het woordenboek terug te vinden.

Afb. 7 — De drie typen contracta

De contractaTabel met 4 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Type · Ongecontraheerd · Gecontraheerd · Vertaling (1 ev.); alfa-stam (-aō) · timaō · timō · ik eer; epsilon-stam (-eō) · poieō · poiō · ik maak / doe; omicron-stam (-oō) · dēloō · dēlō · ik maak duidelijkTYPEONGECONTRAHEERDGECONTRAHEERDVERTALING (1 EV.)alfa-stam (-aō)timaōtimōik eerepsilon-stam (-eō)poieōpoiōik maak / doeomicron-stam (-oō)dēloōdēlōik maak duidelijk
Afb. 7De contracta versmelten stamklinker en bindklinker. Ken de ongecontraheerde vorm om het woord in het woordenboek terug te vinden.
Uitgewerkt voorbeeld

Een medium-passieve vorm in context duiden

Determineer „παύεται” en bepaal in de twee zinnen of het medium of passief is: (a) „ὁ στρατηγὸς τὸν πόλεμον παύεται”, (b) „ὁ πόλεμος ὑπὸ τοῦ στρατηγοῦ παύεται”.

  1. 01De vorm determineren

    „παύεται” is 3e persoon enkelvoud praesens indicatief medium-passivum van „παύω” (doen ophouden). Vorm alleen beslist nog niet tussen medium en passief.

  2. 02Zin (a) analyseren

    Er is een onderwerp („ὁ στρατηγός”) én een lijdend voorwerp („τὸν πόλεμον”). Medium „παύομαι” betekent „ik houd op met, ik staak”: „de veldheer staakt de oorlog” — mediale betekenis (in eigen belang).

  3. 03Zin (b) analyseren

    Nu is „ὁ πόλεμος” onderwerp en staat er „ὑπὸ τοῦ στρατηγοῦ” (door de veldheer): een handelende persoon bij een passief. „de oorlog wordt door de veldheer beëindigd” — passieve betekenis.

Resultaat: Dezelfde vorm „παύεται” is in (a) medium („de veldheer staakt de oorlog”) en in (b) passief („de oorlog wordt beëindigd door de veldheer”). De aanwezigheid van een lijdend voorwerp tegenover een „ὑπό + genitivus”-bepaling geeft de doorslag.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een werkwoordsvorm van de praesensstam volledig determineren (persoon, getal, tijd, wijs, genus) en het grondwoord noemen.
  • Examendoel: een medium-passieve vorm in context als medium óf passief interpreteren, en achter een gecontraheerde vorm het grondwoord (contractum) herkennen.

Veelgemaakte fouten

  • De coniunctivus (verlengde bindklinker, λύῃ/λύωμεν) niet onderscheiden van de indicativus, waardoor je een aansporing of doelzin als een gewoon feit vertaalt.
  • Een medium-passieve vorm automatisch passief vertalen en de mediale betekenis (de handeling in het eigen belang of aan zichzelf) over het hoofd zien.

Actieve herhaling

Determineer volledig en geef het grondwoord: (1) λύομεθα, (2) ποιοῦσι, (3) λύῃς, (4) τιμᾷ, (5) λῦε. Geef bij (1) de twee mogelijke betekenissen (medium en passief) en leg uit hoe de context zou beslissen; herleid bij (2) en (4) de gecontraheerde vorm tot het grondwoord.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Griekse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: vormleer) (CvTE / Examenblad)

§ 04

De stamtijden en de aspecten: aoristus, perfectum en mi-verba#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-grieks-vwo-domein-A-vormleer

Kernpunten

Het hart van het Griekse werkwoordssysteem zijn de stamtijden: een vaste reeks hoofdvormen waaruit je álle vormen van een werkwoord kunt afleiden. Voor λύω zijn dat λύω (praesens), λύσω (futurum), ἔλυσα (aoristus), λέλυκα (perfectum actief), λέλυμαι (perfectum medium-passivum) en ἐλύθην (aoristus passief); Afb. 8 zet ze met hun stam en functie op een rij. Elke stamtijd hoort bij een eigen stam, en juist bij onregelmatige werkwoorden verschillen die stammen sterk (bijvoorbeeld φέρω – οἴσω – ἤνεγκα, „dragen”). Daarom is het leren van de stamtijden van de minimumlijstwerkwoorden geen bijzaak maar de kern: wie ze paraat heeft, herkent ἤνεγκα onmiddellijk als de aoristus van φέρω en vindt het woord in het woordenboek terug.

Afb. 8 — De stamtijden van λύω

De stamtijden van luoTabel met 4 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Stamtijd · Vorm (1 ev.) · Stam · Functie / aspect; Praesens · luō · lu- (praesensstam) · heden / duur (imperfectief); Futurum · lusō · lus- · toekomst; Aoristus · elusa · lus- + augment · verleden, eenmalig (perfectief); Perfectum act. · leluka · lelu-k- (reduplicatie) · voltooid, resultaat nu; Perfectum m/p · lelumai · lelu- · voltooid, medium-passief; Aoristus passief · eluthēn · lu- + -thē- · eenmalig passief, verledenSTAMTIJDVORM (1 EV.)STAMFUNCTIE / ASPECTPraesensluōlu- (praesensstam)heden / duur (imperfectief)Futurumlusōlus-toekomstAoristuselusalus- + augmentverleden, eenmalig(perfectief)Perfectum act.lelukalelu-k- (reduplicatie)voltooid, resultaat nuPerfectum m/plelumailelu-voltooid, medium-passiefAoristus passiefeluthēnlu- + -thē-eenmalig passief, verleden
Afb. 8De stamtijden zijn de sleutel tot alle vormen. Ken ze uit het hoofd voor de minimumlijstwerkwoorden.
Het beslissende begrip achter de stamtijden is het aspect: níet wánneer een handeling plaatsvindt, maar hóe de spreker haar bekijkt. Afb. 9 zet de drie aspectstammen tegenover elkaar. De praesensstam geeft het imperfectieve aspect: een handeling in haar duur, herhaling of gewoonte („bezig zijn te…”, „telkens…”). De aoristusstam geeft het perfectieve (of: constaterende) aspect: de handeling als één geheel, één punt, zonder aandacht voor de duur („(één keer) doen”). De perfectumstam geeft het resultatieve aspect: de blijvende toestand ná een voltooide handeling („hij heeft losgemaakt en het is nu los”). Dit verschil is voor het Nederlands vaak lastig, omdat wij het niet met aparte vormen uitdrukken; bij het vertalen kies je daarom bewust of het duur (imperfectum: „hij was bezig te…”) of eenmaligheid (aoristus: „hij deed…”) betreft.

Afb. 9 — Het aspectsysteem: de drie aspectstammen

De drie aspectstammenBoomdiagram, 6 paden, Gegevens: Praesensstam — imperfectief (duur/herhaling) → praesens: luō; Praesensstam — imperfectief (duur/herhaling) → imperfectum: eluon; Aoristusstam — perfectief (eenmalig) → aoristus: elusa; Aoristusstam — perfectief (eenmalig) → sterk: elabon, ēlthon; Perfectumstam — resultatief (toestand nu) → perfectum: leluka; Perfectumstam — resultatief (toestand nu) → plusquamperf.: elelukēPraesensstam — imperfectief (duur/herha…Aoristusstam — perfectief (eenmalig)Perfectumstam — resultatief (toestand n…Aspectstammenpraesens: luōimperfectum: eluonaoristus: elusasterk: elabon, ēlthonperfectum: lelukaplusquamperf.: elelukē
Afb. 9Het aspect — niet de tijd — is de kern van het Griekse werkwoord: hoe bekijkt de spreker de handeling?
De aoristus en het perfectum hebben elk een herkenbaar bouwplan. De aoristus van de indicativus krijgt, net als het imperfectum, een augment ἐ- vooraan, plus meestal het teken -σα- (de „sigmatische” aoristus: ἔ-λυ-σα). Een groep veelvoorkomende werkwoorden heeft een „sterke” (thematische) aoristus zonder -σα-, met een eigen stam en de uitgangen van het imperfectum: ἔλαβον (ik nam, van λαμβάνω), εἶδον (ik zag, van ὁράω), ἦλθον (ik ging, van ἔρχομαι). Het perfectum krijgt vooraan een reduplicatie: de beginmedeklinker wordt met ε herhaald (λέ-λυκα, γέ-γραφα). Buiten de indicativus (in coniunctivus, optativus, infinitivus en participium) vervalt het augment, maar niet het aspectverschil: een aoristus-participium (λύσας) betekent nog steeds „nadat/toen hij had losgemaakt”, tegenover een praesens-participium (λύων) „terwijl hij losmaakt”.
Naast de thematische werkwoorden op -ω staat een oudere, „athematische” groep: de mi-verba, die de persoonsuitgangen rechtstreeks aan de stam hechten, zonder bindklinker. De vier die je moet kennen zijn δίδωμι (geven), τίθημι (plaatsen, maken), ἵστημι (doen staan; intransitief: gaan staan) en δείκνυμι (tonen); Afb. 10 geeft hun praesens. Ze vallen op door de wisseling van een lange en een korte stamklinker (δίδω-μι tegenover δίδο-μεν) en door bijzondere aoristusvormen (ἔδωκα, ἔθηκα, ἔστην). Vooral ἵστημι is berucht omdat het twee aoristi heeft met verschillende betekenis: de zwakke ἔστησα („ik deed staan”, transitief) tegenover de sterke ἔστην („ik ging staan”, intransitief). Wie deze frequente werkwoorden beheerst, struikelt niet over de vormen die in bijna elke examentekst opduiken.

Afb. 10 — De mi-verba (praesens indicatief actief)

De mi-verbaTabel met 4 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Persoon · didōmi (geven) · tithēmi (plaatsen) · histēmi (doen staan); 1 ev. · didōmi · tithēmi · histēmi; 2 ev. · didōs · tithēs · histēs; 3 ev. · didōsi(n) · tithēsi(n) · histēsi(n); 1 mv. · didomen · tithemen · histamen; 2 mv. · didote · tithete · histate; 3 mv. · didoasi(n) · titheasi(n) · histāsi(n)PERSOONDIDŌMI (GEVEN)TITHĒMI (PLAATSEN)HISTĒMI (DOEN STAAN)1 ev.didōmitithēmihistēmi2 ev.didōstithēshistēs3 ev.didōsi(n)tithēsi(n)histēsi(n)1 mv.didomentithemenhistamen2 mv.didotetithetehistate3 mv.didoasi(n)titheasi(n)histāsi(n)
Afb. 10De mi-verba hechten de uitgang direct aan de stam. Let op de wisseling lange/korte stamklinker (didomi tegenover didomen).
Uitgewerkt voorbeeld

Aspect in de vertaling laten zien

Vertaal met aandacht voor het aspect: (a) „ὁ παῖς ἔγραφε τὴν ἐπιστολήν”, (b) „ὁ παῖς ἔγραψε τὴν ἐπιστολήν”. Beide gaan over „γράφω” (schrijven), maar de stamtijd verschilt.

  1. 01De vormen determineren

    „ἔγραφε” heeft de praesensstam γραφ- met augment: imperfectum (imperfectief aspect). „ἔγραψε” heeft de aoristusstam γραψ- (γραφ + σ) met augment: aoristus (perfectief aspect).

  2. 02Het aspect vertalen

    Het imperfectum (a) benadrukt de duur of het onvoltooide verloop: „de jongen was de brief aan het schrijven / schreef (op dat moment) de brief”. De aoristus (b) benadrukt de handeling als één voltooid geheel: „de jongen schreef de brief (en maakte hem af)”.

  3. 03Het verschil benoemen

    Alleen de stamtijd verschilt, maar het betekenisverschil is reëel: onvoltooid, durend proces tegenover eenmalige, afgeronde handeling.

Resultaat: (a) „de jongen was de brief aan het schrijven” (imperfectum, duur), (b) „de jongen schreef de brief (af)” (aoristus, eenmalig/voltooid). Het aspectverschil — niet een tijdverschil — bepaalt de nuance van de vertaling.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een werkwoordsvorm aan de juiste stamtijd toewijzen (aoristus, perfectum, futurum) en het grondwoord via de stamtijden herkennen, ook bij onregelmatige stammen.
  • Examendoel: het aspectverschil (duur/praesens versus eenmaligheid/aoristus versus resultaat/perfectum) in de vertaling correct tot uitdrukking brengen.

Veelgemaakte fouten

  • Een sterke (thematische) aoristus als ἔλαβον of ἦλθον voor een imperfectum aanzien omdat hij dezelfde uitgangen heeft — het is de aparte aoristusstam die het aspect (eenmaligheid) bepaalt.
  • Het aspect verwaarlozen en een aoristus routineus met een Nederlands imperfectum vertalen, terwijl de aoristus juist de eenmalige, voltooide handeling markeert.

Actieve herhaling

Geef van elke vorm de stamtijd, het aspect en het grondwoord, en vertaal met aandacht voor het aspect: (1) ἔλυον, (2) ἔλυσα, (3) λέλυκα, (4) ἔλαβον, (5) ἔδωκε. Leg bij (1) en (2) uit welk vertaalverschil het aspect oplevert.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Griekse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: vormleer) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Het nominale systeem: het lidwoord en de drie declinaties○
    • 02Adjectiva, comparatie en de pronomina◐
    • 03Het werkwoord: praesensstam, wijzen, medium-passivum en contracta◐
    • 04De stamtijden en de aspecten: aoristus, perfectum en mi-verba●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Vormleer (morfologie): het nominale en het verbale systeem

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~19
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Griekse taal en cultuur VWO — domein A (taalreflectie: vormleer)

Volgend onderwerp

Syntaxis en zinsleer: naamvallen, participia en constructies

EuraStudy·Samenvattingen T·01·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.