EuraStudy
Samenvattingen/Frans/Kijk- en luistervaardigheid
Samenvattingen · FransNL · VWO

Kijk- en luistervaardigheid

Kijk- en luistervaardigheid (domein B) is de receptieve vaardigheid waarmee je gesproken en audiovisueel Frans begrijpt: je haalt er hoofdzaken, details, standpunten en de toon van sprekers uit. Deze vaardigheid wordt in het schoolexamen (SE) getoetst — meestal met een kijk- en luistertoets — en dus niet in het centraal examen, want het CE Frans toetst uitsluitend leesvaardigheid. De precieze vorm (aantal fragmenten, vraagtypen, hulpmiddelen en weging) legt je school vast in het Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA).

4 Onderdelen·~18 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0999 / 16
Examenprofiel
Beseffen dat kijk- en luistervaardigheid (domein B) in het schoolexamen wordt getoetst en niet in het CE — het centraal examen Frans toetst uitsluitend leesvaardigheidHoofdzaken, details en standpunten uit gesproken en audiovisueel Frans halen op streefniveau ERK B2Luisterstrategieën inzetten: voorspellen op grond van beeld en context, de hoofdlijn vasthouden en gericht naar details luisterenDe toon, bedoeling en impliciete betekenis van sprekers herkennen
Operatoren:beluisterbekijkbeantwoordkies het juiste antwoordleid afvat de hoofdlijn samen

basisniveau

Kijk- en luistervaardigheid is schoolexamenstof (domein B): je begrijpt de hoofdlijn en de belangrijkste details van duidelijk gesproken, audiovisueel Frans en beantwoordt daarover vragen.

verhoogd niveau

Wie naar B2/C1 reikt, volgt ook sneller, natuurlijk gesproken Frans met regionale kleuring, vat impliciete standpunten en ironie, en verliest de draad niet bij een enkel onbekend woord.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Kijk- en luistervaardigheid
    • 01Wat kijk- en luistervaardigheid toetst (domein B, schoolexamen)○
    • 02Luisterstrategieën: voorspellen, hoofdlijn, detail◐
    • 03Toon, bedoeling en impliciete betekenis van sprekers◐
    • 04De kijk- en luistertoets: aanpak en valkuilen●
§ 01

Wat kijk- en luistervaardigheid toetst (domein B, schoolexamen)#

●○○BasisLPexamenblad-nl-frans-vwo-domein-B

Kernpunten

Kijk- en luistervaardigheid vormt domein B van het examenprogramma Frans en is een receptieve vaardigheid: je begrijpt gesproken en audiovisueel Frans en haalt daar de relevante informatie uit. Anders dan bij lezen kun je het materiaal niet in je eigen tempo teruglezen — je luistert mee terwijl het geluid doorloopt. Afb. 1 laat zien welke soorten vragen daarbij horen: vragen naar de hoofdzaak, naar een detail, naar de toon of het gevoel, en naar de bedoeling van de spreker. Elke vraagsoort vraagt een andere luisterhouding. Het gaat er niet om dat je elk woord verstaat, maar dat je de informatie eruit haalt die de vraag verlangt — precies zoals een goede lezer niet elk woord van een tekst weegt.

Afb. 1 — Soorten luistervragen

Soorten luistervragenBoomdiagram, 4 paden, Gegevens: Hoofdzaak — waar gaat het over; Detail — een specifiek gegeven; Toon/gevoel — houding van de spreker; Bedoeling spreker — zijn doelLuistervragenHoofdzaak — waar gaat het overDetail — een specifiek gegevenToon/gevoel — houding van de sprekerBedoeling spreker — zijn doel
Afb. 1De vier soorten vragen bij een kijk- en luistertoets. Elke vraag vraagt een andere luisterhouding: de hoofdzaak vraagt globaal luisteren, een detail vraagt gericht luisteren.
Het is belangrijk te weten wáár deze vaardigheid getoetst wordt. Het centraal examen (CE) Frans toetst uitsluitend leesvaardigheid (domein A); kijk- en luistervaardigheid hoort tot het schoolexamen (SE) en komt dus niet in het CE voor. Je school toetst domein B met een eigen kijk- en luistertoets en legt de precieze vorm — het aantal fragmenten, de vraagtypen, de toegestane hulpmiddelen en de weging — vast in het Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA). In de praktijk gebruikt men vaak authentiek audiovisueel materiaal (een reportage, interview of nieuwsitem) met meerkeuzevragen. Omdat de vorm per school verschilt, is het verstandig het PTA van je eigen school te raadplegen en te oefenen met het materiaal dat je docent aanreikt.
Het woord „kijk” in kijk- en luistervaardigheid is niet toevallig: bij audiovisueel materiaal ondersteunt het beeld je begrip. Wie in beeld ziet waar een gesprek zich afspeelt, wie de sprekers zijn en wat er gebeurt, verstaat het geluid gemakkelijker en kan ontbrekende woorden aanvullen. Gezichtsuitdrukkingen, gebaren, de setting en de beelden in een reportage dragen betekenis en verraden vaak de toon. Die visuele informatie is een strategisch hulpmiddel: gebruik haar bewust om te voorspellen wat je gaat horen en om je vermoeden te toetsen. Bij een puur auditief fragment (zonder beeld) valt die steun weg en moet je het volledig van het geluid hebben — van intonatie, klemtoon en contextwoorden. Weten of je toets met of zonder beeld werkt, bepaalt dus mede je strategie.
Het streefniveau voor het VWO is ERK-niveau B2, met uitschieters naar C1. Concreet betekent dit dat je duidelijk gesproken, redelijk vlot Frans over vertrouwde en wat abstractere onderwerpen kunt volgen: nieuwsberichten, interviews, reportages, documentaires en fragmenten uit films of series. Je begrijpt niet alleen wat er letterlijk gezegd wordt, maar ook de hoofdlijn van een betoog en de standpunten van de sprekers. De onderwerpen sluiten aan bij de gangbare examenthema's — maatschappij, milieu, jongeren, media en de Franstalige wereld — dus het loont om je woordenschat rond die thema's op peil te houden. Authentiek luistermateriaal (Franse podcasts, TV5MONDE, het journaal) is de beste voorbereiding, omdat het tempo en de natuurlijke uitspraak realistisch zijn.
Uitgewerkt voorbeeld

Welke soort luistervraag is dit?

Bij een reportage over stadslandbouw luidt een vraag: „Welke houding heeft de geïnterviewde boer tegenover het project?” Bepaal welke soort luistervraag dit is (Afb. 1) en welke luisterhouding erbij past.

  1. 01De vraag ontleden

    De vraag gaat niet over een feit of getal, maar over de houding van de spreker — enthousiast, sceptisch, neutraal? Het draait om gevoel en toon.

  2. 02De soort bepalen

    Dit is een toon-/gevoelsvraag (Afb. 1), geen hoofdzaak- of detailvraag: je zoekt geen los feit maar een attitude.

  3. 03De luisterhouding kiezen

    Let bewust op intonatie, woordkeuze en (bij beeld) gezichtsuitdrukking: verraadt de boer enthousiasme („C'est formidable !”), twijfel of kritiek?

Resultaat: Het is een toon-/gevoelsvraag: je let op intonatie, woordkeuze en mimiek om de houding van de spreker te bepalen, niet op een los feit.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: beseffen dat kijk- en luistervaardigheid (domein B) in het schoolexamen wordt getoetst en niet in het CE, dat uitsluitend leesvaardigheid toetst.
  • Examendoel: uit een gesproken of audiovisueel fragment de gevraagde informatie halen — hoofdzaak, detail, toon of bedoeling — zonder elk woord te hoeven verstaan.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat kijk- en luistervaardigheid in het centraal examen zit. Het CE Frans toetst alleen leesvaardigheid; domein B is schoolexamenstof en de school bepaalt de vorm in het PTA.
  • Willen álles verstaan. Je hoeft niet elk woord te begrijpen — je haalt de informatie eruit die de vraag verlangt, net als bij een leestekst.

Actieve herhaling

Bekijk een kort Frans nieuwsfragment (bijvoorbeeld van TV5MONDE of het journaal) van hooguit twee minuten. Formuleer bij het fragment zelf vier vragen: één naar de hoofdzaak, één naar een detail, één naar de toon van een spreker en één naar diens bedoeling. Wissel de vragen uit met een klasgenoot en controleer elkaars antwoorden.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans VWO — domein B (schoolexamen) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Luisterstrategieën: voorspellen, hoofdlijn, detail#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-frans-vwo-domein-B

Kernpunten

Goede luisteraars luisteren niet passief; ze doorlopen een proces. Afb. 2 zet dat proces op een rij: je voorspelt eerst wat je gaat horen, luistert dan globaal naar de hoofdlijn, leest de vraag, luistert vervolgens gericht naar precies het gevraagde gegeven en kiest ten slotte je antwoord. De benadrukte stap is het gericht luisteren: dát is het moment waarop je het antwoord vindt, doordat je gericht zoekt naar de informatie die de vraag verlangt. Het is dezelfde tweetrapsbeweging als bij lezen — eerst globaal (survoler), dan gericht (scanner) — maar dan onder tijdsdruk, want het geluid loopt door. Wie deze route bewust volgt, verspilt geen aandacht en raakt de draad minder snel kwijt.

Afb. 2 — Het luisterproces

Het luisterprocesGraaf, Voorspellen (beeld & context) → Globaal luisteren (hoofdlijn), Globaal luisteren (hoofdlijn) → Vraag lezen, Vraag lezen → Gericht luisteren, Gericht luisteren → Antwoord kiezenVoorspellen(beeld &context)Globaalluisteren(hoofdlijn)Vraag lezenGerichtluisterenAntwoord kiezen
Afb. 2Het luisterproces als route: je voorspelt, luistert eerst globaal, leest dan de vraag en luistert gericht naar precies dat gegeven. Gericht luisteren (benadrukt) is de stap waarin je het antwoord vindt.
Voorspellen is de eerste en meest onderschatte stap. Nog voordat het fragment begint, activeer je je voorkennis: de titel, het onderwerp, het beeld en de eerste zinnen roepen een woordveld op. Als je weet dat een reportage over het klimaat gaat, verwacht je woorden als „le réchauffement”, „les émissions”, „l'environnement” en „durable”. Die verwachting maakt je gevoeliger voor precies die woorden wanneer ze klinken. Voorspellen is top-down luisteren: je begrip wordt gestuurd door verwachting, niet alleen door het binnenkomende geluid. Gebruik daarom elk stukje context vooraf — het beeld, de vraagstelling, de bron — om een hypothese te vormen over wat komen gaat. Die hypothese toets je vervolgens tijdens het luisteren en stel je zo nodig bij.
Globaal en gericht luisteren zijn twee verschillende houdingen. Bij globaal luisteren laat je het fragment over je heen komen en vang je de hoofdlijn op: waar gaat het over, wie spreekt, wat is de strekking? Details laat je bewust los. Bij gericht luisteren zoek je juist één bepaald gegeven — een naam, een getal, een reden — en negeer je de rest. De kunst is de juiste houding te kiezen bij de vraag: een hoofdzaakvraag vraagt globaal luisteren, een detailvraag vraagt gericht luisteren. Omdat het fragment doorloopt, moet je snel kunnen schakelen. Lees daarom, als het mag, de vragen vóór het luisteren: dan weet je waarnaar je gericht moet luisteren en verspil je geen aandacht aan wat niet gevraagd wordt.
Onbekende woorden zijn onvermijdelijk, maar zelden fataal. Gesproken taal zit vol redundantie: sprekers herhalen, herformuleren, benadrukken en vullen aan met intonatie en (op beeld) gebaren. Eén onbekend woord hoeft je dus niet uit koers te brengen, mits je de hoofdlijn vasthoudt. De grootste fout is blijven hangen bij een woord dat je niet verstaat: terwijl je erover nadenkt, loopt het fragment door en mis je de rest. Laat het los, blijf de draad volgen en leid de betekenis zo nodig af uit de context, net als bij het lezen. Bij een kijk- en luistertoets wordt het fragment bovendien meestal één of twee keer aangeboden (je school bepaalt dit): gebruik de eerste keer voor de hoofdlijn en de tweede keer om gericht de details in te vullen.
Uitgewerkt voorbeeld

Het luisterproces toepassen

Je krijgt een fragment te zien met als titel „Les jeunes et les réseaux sociaux” en een vraag naar hoeveel uur per dag de geïnterviewde jongere online is. Loop het luisterproces van Afb. 2 door.

  1. 01Voorspellen

    De titel activeert het woordveld sociale media: „les réseaux”, „en ligne”, „le smartphone”, „les heures”. Je verwacht dat er een tijdsduur genoemd wordt.

  2. 02Globaal luisteren

    Bij de eerste beluistering vang je de hoofdlijn: een jongere vertelt over zijn mediagebruik. Je onthoudt de strekking, niet elk woord.

  3. 03Vraag lezen en gericht luisteren

    De vraag zoekt een getal (uren per dag). Je luistert de tweede keer gericht naar een getal met „heures”, bijvoorbeeld „environ trois heures par jour”.

Resultaat: Door te voorspellen, globaal te luisteren en dan gericht naar het getal te zoeken, vind je het antwoord („trois heures”) zonder je te verliezen in de rest van het fragment.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het luisterproces (Afb. 2) bewust doorlopen — voorspellen, globaal luisteren, de vraag lezen en gericht luisteren — en per vraag de juiste luisterhouding kiezen.
  • Examendoel: de hoofdlijn vasthouden en de betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context in plaats van bij één woord te blijven hangen.

Veelgemaakte fouten

  • Blijven stilstaan bij één onbekend woord terwijl het fragment doorloopt, waardoor je de daaropvolgende informatie mist.
  • Meteen op details jagen zonder eerst de hoofdlijn te pakken; zonder globaal beeld verlies je het overzicht en de samenhang.

Actieve herhaling

Kies een Frans audiofragment van twee à drie minuten. Luister de eerste keer alleen naar de hoofdlijn en noteer in één Nederlandse zin waar het over gaat. Formuleer daarna drie detailvragen en luister een tweede keer gericht om die te beantwoorden. Merk op hoe anders je de tweede keer luistert.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans VWO — domein B (schoolexamen) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Toon, bedoeling en impliciete betekenis van sprekers#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-frans-vwo-domein-B

Kernpunten

De toon van een spreker is de houding die in zijn manier van spreken doorklinkt. Terwijl je bij een leestekst alleen op woorden afgaat, geeft gesproken taal je extra signalen: de intonatie (stijgend of dalend), de stemhoogte, het tempo, de nadruk en de pauzes. Een enthousiaste spreker gaat vaak sneller en hoger; een geïrriteerde of kritische spreker legt nadruk en laat stiltes vallen. Ook de woordkeuze verraadt de toon: „C'est magnifique !” klinkt anders dan een vlak „C'est… intéressant.” Herken de gangbare tonen — enthousiast, kritisch, ironisch, bezorgd, neutraal, geamuseerd — en koppel ze aan concrete signalen. Bij een audiovisueel fragment bevestigt de mimiek dit vaak: een opgetrokken wenkbrauw of een glimlach onderstreept wat de stem al aangaf.
De bedoeling (l'intention) is wat de spreker met zijn woorden wíl bereiken. Dezelfde informatie kan dienen om te informeren, te overtuigen, te waarschuwen, te amuseren of te ontroeren. Vraag je bij een spreker steeds af: waarom zegt hij dit, en wat moet ik ermee? Een deskundige in een reportage die cijfers noemt, wil vooral informeren; een activist die dezelfde cijfers met klem herhaalt, wil overtuigen of alarmeren. Signaalwoorden helpen: „il faut absolument”, „je vous conseille de” en „attention à” wijzen op overtuigen of waarschuwen, terwijl een neutrale opsomming eerder informeert. De bedoeling herkennen vraagt dat je verder kijkt dan de letterlijke inhoud, naar de functie van het spreken — een stap die in het schoolexamen vaak expliciet wordt getoetst.
Niet alles wat een spreker bedoelt, zegt hij letterlijk. Impliciete betekenis lees je tussen de regels: uit de toon, de context en wat juist niet gezegd wordt. Ironie is het scherpste voorbeeld — de woorden zeggen het tegenovergestelde van wat bedoeld wordt, en alleen de toon verraadt het. Wie op een regenachtige dag zucht „Ah, quel temps magnifique !” meent het omgekeerde. Ook understatement („Ce n'est pas mal du tout” voor iets heel goeds) en suggestie vragen dat je de toon meeweegt. Juist hier is luisteren rijker dan lezen: de intonatie draagt de dubbele bodem die op papier verborgen zou blijven. Let dus op een botsing tussen de letterlijke woorden en de manier waarop ze gezegd worden — dat is hét signaal van ironie of impliciete kritiek.
In een interview of discussie met meerdere sprekers moet je uit elkaar houden wie welk standpunt inneemt. Luister naar wie het met wie eens is en waar de meningen botsen. Franse signaalwoorden verraden de verhoudingen: „pourtant”, „en revanche” en „au contraire” markeren een tegenstelling, terwijl „en effet” en „justement” instemming aangeven. Nuance klinkt in „à vrai dire”, „en quelque sorte” en „cela dépend”. Een spreker die zegt „Je comprends votre point de vue, mais…” kondigt beleefd verzet aan. Het gaat er niet alleen om wát er gezegd wordt, maar wie het zegt en hoe de standpunten zich tot elkaar verhouden. Houd de sprekers en hun posities in je hoofd (of noteer ze kort), zodat je een vraag naar „wie vindt wat” trefzeker beantwoordt.
Uitgewerkt voorbeeld

De toon van een spreker bepalen

Een spreker zegt met een zucht en dalende intonatie: „Ah oui, c'est vraiment une idée géniale…”, gevolgd door een stilte. Bepaal de werkelijke toon en bedoeling.

  1. 01Woorden en toon vergelijken

    De woorden („une idée géniale”) zijn lovend, maar de zucht, de dalende intonatie en de stilte spreken dat tegen. Er is een botsing tussen woord en toon.

  2. 02De ironie herkennen

    Die botsing is het signaal van ironie: de spreker bedoelt het omgekeerde van wat hij zegt — hij vindt het idee juist niet goed.

  3. 03De bedoeling benoemen

    De bedoeling is kritiek of afkeuring, verpakt in schijnbare lof. Een letterlijke lezing zou de betekenis volledig missen.

Resultaat: De toon is ironisch en de bedoeling kritisch: ondanks de lovende woorden keurt de spreker het idee af — herkenbaar aan de botsing tussen woord en intonatie.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de toon en de bedoeling van een spreker herkennen aan intonatie, nadruk, woordkeuze en (bij beeld) mimiek.
  • Examendoel: impliciete betekenis en ironie afleiden uit de botsing tussen de letterlijke woorden en de manier waarop ze gezegd worden, en in een discussie de standpunten van de sprekers onderscheiden.

Veelgemaakte fouten

  • Ironie letterlijk nemen: „Quel temps magnifique !” op een regendag opvatten als een compliment aan het weer in plaats van als spot.
  • In een discussie de standpunten verwisselen doordat je alleen op losse woorden let en niet bijhoudt wie wat zegt.

Actieve herhaling

Beluister een kort Frans interview met twee sprekers die het niet eens zijn. Noteer per spreker in één zin diens standpunt en onderstreep het Franse signaalwoord (bijvoorbeeld „pourtant” of „en revanche”) waaraan je de tegenstelling herkende. Bepaal daarna de toon van elke spreker.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans VWO — domein B (schoolexamen) (CvTE / Examenblad)

§ 04

De kijk- en luistertoets: aanpak en valkuilen#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-frans-vwo-domein-B

Kernpunten

De kijk- en luistertoets is de gebruikelijke manier waarop de school domein B in het schoolexamen toetst. Meestal krijg je een reeks audiovisuele fragmenten — reportages, interviews, nieuwsitems — met bijbehorende (vaak meerkeuze-)vragen; de precieze vorm, het aantal fragmenten en de weging staan in het PTA van je school. Kenmerkend is dat je, anders dan bij een leestekst, het materiaal niet vrij kunt teruglezen: het fragment loopt door en wordt doorgaans één of twee keer aangeboden. Vaak mag je de vragen vooraf inzien en tussen de fragmenten aantekeningen maken. Weten hoe jóuw toets is ingericht, is het halve werk: vraag je docent naar de vorm en oefen met vergelijkbaar materiaal, zodat de opzet je op de toetsdag niet verrast.
De aanpak begint vóór het fragment. Lees, als dat mag, eerst de vragen: ze vertellen je waarnaar je gericht moet luisteren en welke soort informatie telt (een feit, een reden, een toon). Gebruik de titel en het beeld om te voorspellen. Luister de eerste keer vooral naar de hoofdlijn en vul bij een tweede beluistering de details in. Maak korte, doelgerichte aantekeningen — trefwoorden, getallen, namen — en geen volzinnen, want schrijven kost luistertijd. Beantwoord bij meerkeuze eerst de vragen waarvan je zeker bent en markeer de twijfelgevallen. Verdeel je aandacht bewust: blijf niet hangen bij een gemist woord, maar zorg dat je de dráád niet kwijtraakt, want die kun je niet terugspoelen.
Meerkeuzevragen bij luisteren hebben eigen valkuilen. De bekendste is de woordval: een antwoordoptie herhaalt een woord dat letterlijk in het fragment klonk, maar geeft toch een fout antwoord — het juiste alternatief parafraseert de inhoud vaak juist. Laat je dus niet verleiden door een optie alleen omdat je het woord „herkende”. Een tweede valkuil is antwoorden vanuit je eigen kennis of logica in plaats van vanuit het fragment: het gaat om wat de spreker zégt, niet om wat waar is of wat jij zou verwachten. Een derde is de afleider die net te ruim of net te specifiek is. Sluit afleiders systematisch uit, net als bij een leesexamen, en kies het alternatief dat het dichtst bij de daadwerkelijk gehoorde inhoud ligt — niet het alternatief dat het bekendst klinkt.
Het grote verschil met leesvaardigheid is dat je de „tekst” niet kunt vasthouden: gesproken taal is vluchtig. Daarom is aandacht je schaarste. Zorg dat je uitgerust en geconcentreerd bent en richt je volledig op het fragment in plaats van alvast te schrijven. Benut de kijk-component: het beeld toont je de context, de sprekers en hun emoties en helpt je woorden aan te vullen die je auditief mist. Als een fragment twee keer klinkt, verdeel dan je doelen — hoofdlijn eerst, details daarna. En bewaak je tijd tussen de fragmenten: laat een onzeker antwoord niet je concentratie voor het volgende fragment opeten. Deze discipline — voorspellen, gericht luisteren, afleiders wegstrepen en de kijk-informatie benutten — maakt het verschil tussen begrijpen en gokken.
Uitgewerkt voorbeeld

Een afleider bij een meerkeuzevraag uitsluiten

In een fragment zegt een spreker: „Je ne prends jamais la voiture pour aller au travail ; je préfère le vélo.” Bij de vraag „Comment se rend-il au travail ?” is optie A „en voiture” en optie B „à vélo”. Kies en verklaar.

  1. 01De woordval herkennen

    Optie A („en voiture”) herhaalt het gehoorde woord „voiture”, maar de spreker zei juist „je ne prends jamais la voiture” — een ontkenning. De woordval lokt je naar het herkende woord.

  2. 02De inhoud volgen

    De spreker zegt dat hij de fiets verkiest: „je préfère le vélo”. Dat is de daadwerkelijke inhoud, los van welk woord het bekendst klonk.

  3. 03Kiezen op grond van het fragment

    Het juiste antwoord is B („à vélo”), omdat het klopt met wat de spreker zegt; A is een afleider die op de woordherkenning speelt.

Resultaat: Antwoord B („à vélo”). De ontkenning „ne… jamais” maakt „voiture” tot een woordval; kies altijd op grond van de inhoud, niet van een herkend woord.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de vragen doelgericht aanpakken — vooraf lezen, voorspellen, gericht luisteren en beknopte aantekeningen maken — binnen de beperkte kijk- en luistertijd.
  • Examendoel: afleiders bij meerkeuzevragen herkennen en uitsluiten, met name de woordval, en antwoorden op grond van het fragment en niet van eigen kennis.

Veelgemaakte fouten

  • Een antwoordoptie kiezen omdat er een woord in staat dat letterlijk in het fragment klonk (de woordval), terwijl het juiste alternatief de inhoud parafraseert.
  • Antwoorden vanuit eigen kennis of wat logisch lijkt in plaats van vanuit wat de spreker daadwerkelijk zegt.

Actieve herhaling

Neem een Frans audiovisueel fragment met meerkeuzevragen (bijvoorbeeld uit oefenmateriaal van je docent). Streep bij elke vraag eerst de duidelijk foute afleiders weg en let bewust op de woordval — een optie die een gehoord woord herhaalt maar toch fout is. Verantwoord na afloop per vraag waarom de gekozen optie beter bij het fragment past dan de afleiders.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans VWO — domein B (schoolexamen) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Wat kijk- en luistervaardigheid toetst (domein B, schoolexamen)○
    • 02Luisterstrategieën: voorspellen, hoofdlijn, detail◐
    • 03Toon, bedoeling en impliciete betekenis van sprekers◐
    • 04De kijk- en luistertoets: aanpak en valkuilen●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Kijk- en luistervaardigheid

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~18
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Frans VWO — domein B (schoolexamen)

Vorig onderwerp

Examentraining leesvaardigheid

Volgend onderwerp

Gesprekken voeren

EuraStudy·Samenvattingen T·09·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.