EuraStudy
Samenvattingen/Frans/Examentraining leesvaardigheid
Samenvattingen · FransNL · VWO

Examentraining leesvaardigheid

Dit onderwerp behandelt de examentechniek bij het CE Frans: de vraagvormen (meerkeuze, open vraag, citeervraag, invoeg-/gatvraag), de antwoordconventies (in welke taal je antwoordt, hoe je exact citeert, de gevraagde omvang, de verwijzing naar regelnummers), de tijdsindeling en het gebruik van het woordenboek. Het is CE-leesvaardigheidsstof (domein A) — bij Frans het enige centrale-examendomein. Waar de andere onderwerpen over het lezen zelf gaan, gaat dit over het slim beantwoorden van de vragen.

4 Onderdelen·~20 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0888 / 16
Examenprofiel
De vraagvormen van het CE herkennen (meerkeuze, open vraag, citeervraag, invoeg-/gatvraag) en weten wat elke vorm toetstMeerkeuzevragen oplossen door de tekstplaats te lokaliseren en afleiders systematisch uit te sluitenDe antwoordconventies toepassen: de juiste taal, exact citeren, de gevraagde omvang en de regelverwijzingDe examentijd indelen en het woordenboek doelmatig gebruiken
Operatoren:kiesciteerbeantwoord in het Nederlandsvul inverwijs naar de regelleg uit

basisniveau

Je kent de vraagvormen en de antwoordconventies van het CE Frans en past ze correct toe.

verhoogd niveau

Wie routine opbouwt, wint tijd met een vaste aanpak per vraagvorm en houdt zo ruimte over voor de lastigste vragen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Examentraining leesvaardigheid
    • 01De vraagvormen van het CE in overzicht○
    • 02Meerkeuzevragen: afleiders systematisch uitsluiten◐
    • 03Open vragen en citeervragen: precies en in de juiste taal◐
    • 04Invoeg-/gatvragen, tijdsindeling en woordenboekgebruik●
§ 01

De vraagvormen van het CE in overzicht#

●○○BasisLPexamenblad-nl-frans-vwo-domein-A

Kernpunten

Het centraal examen Frans is een leestoets: je krijgt een aantal authentieke Franse teksten met vragen die je tekstbegrip toetsen. Afb. 1 zet de vier vraagvormen op een rij: de meerkeuzevraag, de open vraag (te beantwoorden in het Nederlands), de citeervraag (waarbij je in het Frans citeert) en de invoeg-/gatvraag (die de samenhang toetst). Elke vorm toetst iets anders en vraagt een eigen aanpak. Het examen bestaat uit een tekstboekje en een antwoordblad; de meeste vragen zijn meerkeuze of kort open. Wie de vraagvormen kent, weet bij elke vraag meteen wat er van hem verwacht wordt — en dat scheelt fouten en tijd. Deze sectie geeft het overzicht; de volgende secties werken elke vorm uit.

Afb. 1 — De vraagvormen van het CE Frans

De vraagvormen van het CEBoomdiagram, 4 paden, Gegevens: Meerkeuze (afleiders); Open vraag (in het NL); Citeervraag (citer en français); Invoeg-/gatvraag (cohesie)CE-vraagvormenMeerkeuze (afleiders)Open vraag (in het NL)Citeervraag (citer en français)Invoeg-/gatvraag (cohesie)
Afb. 1De vier vraagvormen van het centraal examen. Elke vorm toetst iets anders en vraagt een eigen aanpak en antwoordconventie.
De meerkeuzevraag (la question à choix multiple) biedt meestal vier opties (A, B, C, D) waarvan er één juist is. Ze toetst of je een tekstgedeelte precies begrijpt, want de foute opties — de afleiders (les distracteurs) — zijn zo gemaakt dat ze op het eerste gezicht kloppen. De kunst is niet de „mooiste” optie te kiezen, maar de optie die de tekst daadwerkelijk steunt. Vaak verwijst de vraag naar een alinea of naar regelnummers, zodat je weet waar je moet zoeken. Meerkeuze is de meest voorkomende vorm in het examen; juist omdat de afleiders geraffineerd zijn, verdient deze vorm een systematische aanpak, die in de volgende sectie centraal staat.
De open vraag laat je zelf een antwoord formuleren, en bij Frans doe je dat vrijwel altijd in het Nederlands — tenzij de vraag uitdrukkelijk om een Frans citaat vraagt. De vraag kan zijn: „Wat bedoelt de auteur met …?”, „Waarom vindt de schrijver dat …?” of „Noem twee redenen die de tekst geeft voor …”. Het antwoord moet beknopt maar volledig zijn: precies wat gevraagd wordt, niet meer. Vraagt de opgave om twee redenen, dan geef je er twee — niet één en niet vier. Het antwoord staat altijd in de tekst; je eigen mening telt niet, tenzij er expliciet naar gevraagd wordt. De open vraag toetst dus of je de juiste informatie kunt vinden én bondig kunt weergeven.
De citeervraag vraagt je een tekstelement letterlijk in het Frans over te nemen (citer/relever): een woord, een zinsdeel of een hele zin. Hier telt exactheid: je schrijft precies over wat er staat, met de juiste spelling, en je blijft binnen de gevraagde omvang — vraagt de opgave één woord, dan citeer je één woord. De invoeg-/gatvraag ten slotte toetst de samenhang (la cohérence): uit de tekst is een zin of alinea weggehaald, en jij bepaalt welk van de gegeven fragmenten op de open plek hoort, of in welke volgorde losse alinea's staan. Deze vorm toetst of je de logische en grammaticale draad van een tekst kunt volgen. Beide vormen komen in de volgende secties uitgebreid aan bod.
Eén principe geldt bij alle vraagvormen: lees eerst de vraag, dan de tekst. Wie weet wat gevraagd wordt, leest gericht en vindt sneller de juiste tekstplaats. Bepaal bij elke vraag eerst welke vorm het is en dus wat er van je verwacht wordt: een keuze, een Nederlands antwoord, een Frans citaat of een ordening. Let ook op de vraagtaal — een vraag in het Nederlands vraagt (meestal) een Nederlands antwoord, een instructie als „citez” of „relevez” vraagt een Frans citaat. Het antwoord komt altijd uit de tekst, nooit uit je voorkennis of mening. Deze paar gewoontes — vraag eerst, vorm herkennen, tekst als bron — vormen het fundament van alle examentechniek in dit onderwerp.
Uitgewerkt voorbeeld

De vraagvorm herkennen en de aanpak kiezen

Een vraag luidt: „Citez le mot (l. 12) qui montre que l'auteur n'est pas d'accord.” Welke vraagvorm is dit, en wat verwacht men van je antwoord?

  1. 01Het signaalwoord lezen

    „Citez … le mot” (citeer het woord) maakt het een citeervraag: je moet letterlijk uit de tekst overnemen.

  2. 02De omvang en plaats bepalen

    Er wordt om één woord gevraagd, en de regelverwijzing „(l. 12)” wijst de precieze plaats aan: regel 12.

  3. 03Het antwoord vormen

    Zoek in regel 12 het ene Franse woord dat de afkeuring van de auteur uitdrukt en neem het exact, met de juiste spelling, over — niet vertaald, niet meer dan één woord.

Resultaat: Het is een citeervraag. Je neemt exact één Frans woord uit regel 12 over — de gevraagde omvang (één woord) en de regelverwijzing bepalen het antwoord, dat letterlijk en in het Frans moet zijn.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de vier vraagvormen van het CE (Afb. 1) herkennen en per vorm weten wat er getoetst wordt en wat voor antwoord verwacht wordt.
  • Examendoel: bij elke vraag eerst de vraag lezen en de vorm bepalen, en het antwoord altijd uit de tekst halen.

Veelgemaakte fouten

  • De tekst eerst helemaal intensief lezen en dan pas de vragen bekijken. Lees eerst de vraag, zodat je gericht in de tekst kunt zoeken.
  • Je eigen mening of voorkennis in het antwoord verwerken. Het antwoord staat in de tekst, tenzij er uitdrukkelijk naar een eigen mening gevraagd wordt.

Actieve herhaling

Neem een set oefenvragen bij een Franse tekst en deel de vragen in naar de vier vormen van Afb. 1 (meerkeuze, open, citeer, invoeg/gat). Noteer per vraag in één woord wat de vorm van je verlangt: kiezen, formuleren, citeren of ordenen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans VWO — domein A Leesvaardigheid (CvTE / Examenblad)

§ 02

Meerkeuzevragen: afleiders systematisch uitsluiten#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-frans-vwo-domein-A

Kernpunten

De meerkeuzevraag valt of staat bij een systematische aanpak, want de afleiders zijn met opzet verleidelijk. Afb. 2 toont het beslismodel: lees eerst de vraag, lokaliseer de tekstplaats, vergelijk elke optie met de tekst, streep de afleiders weg, en kies dan pas het best passende antwoord. De kern — de benadrukte stap in het model — is: vergelijk elke optie met de tekst. Niet de optie die het mooist klinkt of het meest waar lijkt, wint, maar de optie die de tekst daadwerkelijk ondersteunt. Wie de opties met elkaar vergelijkt in plaats van met de tekst, laat zich leiden door zijn eigen redenering en trapt precies in de val die de afleiders spannen. Het model dwingt je terug naar de tekst.

Afb. 2 — Beslismodel bij een meerkeuzevraag

Beslismodel bij een meerkeuzevraagGraaf, Lees de vraag → Lokaliseer de tekstplaats, Lokaliseer de tekstplaats → Vergelijk elke optie met de tekst, Vergelijk elke optie met de tekst → Streep afleiders weg, Streep afleiders weg → Kies het best passende antwoordLees de vraagLokaliseer detekstplaatsVergelijk elkeoptie met detekstStreep afleiderswegKies het bestpassendeantwoord
Afb. 2Het beslismodel voor meerkeuze. De kern (benadrukt) is: vergelijk elke optie met de tekst — niet de opties met elkaar. Zo prik je door de afleiders heen.
De eerste concrete stap na het lezen van de vraag is de tekstplaats lokaliseren. Vaak helpt de vraag je met een verwijzing naar een alinea of naar regelnummers („d'après le deuxième paragraphe”, „selon les lignes 20-25”); zo niet, dan scan je op een sleutelwoord uit de vraag. Lees die tekstplaats vervolgens nauwkeurig, want daar — en nergens anders — staat het antwoord. Een veelgemaakte fout is de vraag uit het hoofd of op gevoel beantwoorden, zonder terug te gaan naar de tekst. Bij meerkeuze is dat fataal, want de afleiders zijn juist gebouwd op wat je „ongeveer” denkt te weten. De tekstplaats is je enige betrouwbare bron; je voorkennis en intuïtie zijn dat niet.
De centrale stap, benadrukt in Afb. 2, is elke optie afzonderlijk met de tekst vergelijken. Neem de opties niet en bloc door, maar stuk voor stuk: klopt wat optie A beweert met wat er in de tekst staat? En optie B? Zet als het ware een vinkje of een kruisje bij elke optie op grond van tekstbewijs. Deze discipline voorkomt dat je te snel de eerste plausibele optie aanklikt. Vaak lijken twee opties allebei te kunnen; door beide woord voor woord tegen de tekst te leggen, ontdek je het detail waarop de ene wél en de andere níét klopt. Het antwoord op een meerkeuzevraag is nooit een kwestie van smaak, maar van precieze overeenkomst met de tekst.
Afleiders komen in herkenbare soorten, en wie de soorten kent, prikt er sneller doorheen. Een afleider kan te ruim of te algemeen zijn (hij beweert meer dan de tekst); te specifiek of te absoluut (met woorden als „altijd”, „nooit”, „iedereen”, terwijl de tekst nuanceert); waar-maar-niet-gevraagd (de bewering klopt met de tekst, maar geeft geen antwoord op déze vraag); of niet-in-de-tekst (aannemelijk, maar nergens gesteund door de tekst, vaak gebaseerd op algemene kennis). Vooral de laatste twee zijn gemeen: de bewering voelt juist, maar is het antwoord niet. Vraag je daarom bij elke overgebleven optie af: staat dit écht in de tekst, en is dit het antwoord op wat er gevraagd wordt?
Na het vergelijken volgt het wegstrepen. Elimineer de opties die je met tekstbewijs kunt weerleggen; wat overblijft, toets je nog één keer aan de vraag. Kies het best passende antwoord — bij het CE is er één antwoord dat het beste bij de tekst past, ook als een andere optie „ook wel iets” heeft. Twijfel je tussen twee opties, ga dan terug naar de exacte tekstplaats en zoek het onderscheidende detail. Let ten slotte op één valkuil: een optie die letterlijk woorden uit de tekst herhaalt, is niet daarom juist — de examenmakers gebruiken woordelijke overlap vaak juist als lokaas. Laat de betekenis beslissen, niet de toevallige woordgelijkenis. Zo maak je van meerkeuze een controleerbare, bijna mechanische procedure.
Uitgewerkt voorbeeld

Een afleider herkennen en wegstrepen

Bij een tekst die zegt dat „veel jongeren, maar lang niet allemaal” sociale media kritisch gebruiken, luidt een optie: „Tous les jeunes utilisent les réseaux sociaux de manière critique.” Waarom is dit een afleider, en van welk type?

  1. 01De optie tegen de tekst leggen

    De optie beweert „tous les jeunes” (alle jongeren), terwijl de tekst zegt „veel, maar lang niet allemaal”.

  2. 02Het type afleider bepalen

    De optie is te absoluut: het woord „tous” maakt de bewering algemener en stelliger dan de tekst, die juist nuanceert.

  3. 03De conclusie trekken

    Omdat de tekst de bewering niet in deze absolute vorm steunt, streep je de optie weg — ondanks de herkenbare woorden „réseaux sociaux” en „de manière critique”.

Resultaat: Het is een te-absolute afleider: „tous” botst met de nuance („lang niet allemaal”) in de tekst. De woordelijke overlap („réseaux sociaux”, „critique”) maakt hem verleidelijk, maar de betekenis klopt niet — dus wegstrepen.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het beslismodel voor meerkeuze (Afb. 2) toepassen — lokaliseren, elke optie met de tekst vergelijken, afleiders wegstrepen, het best passende antwoord kiezen.
  • Examendoel: de soorten afleiders (te ruim, te absoluut, waar-maar-niet-gevraagd, niet-in-de-tekst) herkennen en op grond van tekstbewijs uitsluiten.

Veelgemaakte fouten

  • De opties met elkaar vergelijken in plaats van met de tekst, en zo de eigen redenering laten winnen van het tekstbewijs. Ga altijd terug naar de tekstplaats.
  • Een optie kiezen omdat ze woorden uit de tekst letterlijk herhaalt. Woordelijke overlap is vaak juist een lokaas; de betekenis moet kloppen, niet de woordgelijkenis.

Actieve herhaling

Neem drie meerkeuzevragen bij een Franse tekst en los ze op volgens het model van Afb. 2. Schrijf per vraag bij elke afleider op waaróm hij fout is (te ruim, te absoluut, waar-maar-niet-gevraagd of niet-in-de-tekst) en met welke regel je de juiste optie kunt bewijzen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans VWO — domein A Leesvaardigheid (CvTE / Examenblad)

§ 03

Open vragen en citeervragen: precies en in de juiste taal#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-frans-vwo-domein-A

Kernpunten

De open vraag beantwoord je bij Frans in de regel in het Nederlands: de vraag staat in het Nederlands en peilt of je de Franse tekst begrijpt, niet of je goed Frans schrijft. Antwoord dus in helder Nederlands, tenzij de opgave uitdrukkelijk om een Frans citaat vraagt. De belangrijkste eis is precisie: geef antwoord op de vraag die gesteld wordt, en op niets anders. Lees de vraag daarom nauwkeurig — „waarom”, „hoe”, „met welk doel” en „waaruit blijkt” vragen elk om een ander soort antwoord. Een antwoord dat naast de vraag valt, levert geen punten op, ook al staat er iets waars. De open vraag toetst gericht tekstbegrip; jouw taak is de gevraagde informatie exact te vinden en bondig weer te geven.
Beknopt én volledig — dat is de balans bij de open vraag. Beknopt betekent: geen omhaal, geen overbodige inleiding, geen extra informatie die de vraag niet vraagt. Volledig betekent: alle gevraagde elementen. Vraagt de opgave „noem twee redenen”, dan geef je er precies twee, elk apart en herkenbaar; geef je er één, dan mis je punten, geef je er vier, dan loop je het risico dat er een foute bij zit die je goede antwoord ondermijnt. Schrijf je antwoord zo dat de nakijker de gevraagde elementen meteen ziet. Bij het CE geldt bovendien: een antwoord in steekwoorden mag vaak, mits de bedoelde informatie ondubbelzinnig is — maar zorg dat het antwoord op zichzelf te begrijpen is.
De citeervraag (herkenbaar aan „citez”, „relevez” of „welk woord/welke zinsnede …”) vraagt je een tekstelement letterlijk in het Frans over te nemen. Hier is exactheid alles: schrijf precies over wat er staat, met dezelfde woorden, dezelfde volgorde en de juiste spelling inclusief accenten (é, è, ç). Verander niets, vertaal niets en vat niets samen. Blijf binnen de gevraagde omvang: vraagt de opgave één woord (un mot), citeer dan één woord; vraagt ze een zinsnede (une expression) of een zin (une phrase), citeer dan precies dat. Te veel citeren is net zo fout als te weinig. In het Frans staan citaten vaak tussen guillemets (« … »); je hoeft die zelf niet per se te plaatsen, maar neem de aangehaalde tekst nauwkeurig over.
Veel vragen bevatten een regelverwijzing (une référence aux lignes), zoals „(l. 15)” of „(lignes 20-25)”, die je precies naar de juiste plaats leidt. Bij een citeervraag is die verwijzing dubbel nuttig: ze bakent af waar het gevraagde element staat, zodat je niet de hele tekst hoeft af te zoeken. Let goed op de grenzen van de verwijzing — staat er „regel 15”, zoek dan in regel 15 en niet in 14 of 16. Andersom vraagt een opgave soms van jóu een regelnummer als antwoord („in welke regel staat …?”); geef dan het exacte nummer. De regelnummers zijn een precisie-instrument: gebruik ze om je zoektocht te versnellen en je antwoord ondubbelzinnig te verankeren in de tekst.
De klassieke fouten bij open en citeervragen zijn te vermijden met discipline. Antwoord niet in het Frans als er een Nederlands antwoord wordt gevraagd, en citeer niet in het Nederlands (vertaald) als er een Frans citaat wordt gevraagd — de taal van het antwoord is een harde conventie. Vat een citaat niet samen en breid het niet uit; neem het exact over. Beantwoord de vraag die er staat, niet de vraag die je verwacht. En verwerk je eigen mening alleen als er expliciet naar gevraagd wordt. Wie deze conventies kent en toepast, verspeelt geen punten aan vormfouten en kan zijn aandacht richten op waar het echt om gaat: de juiste informatie in de tekst vinden.
Uitgewerkt voorbeeld

Een open vraag precies beantwoorden

De vraag luidt: „Noem twee redenen die de auteur geeft waarom steden autoluw moeten worden.” De tekst noemt luchtvervuiling, verkeersveiligheid en meer ruimte voor voetgangers. Hoe beantwoord je de vraag correct?

  1. 01Het gevraagde aantal lezen

    De vraag vraagt om twee redenen; je geeft er dus precies twee, niet één en niet alle drie.

  2. 02De redenen uit de tekst kiezen

    Kies twee redenen die de tekst noemt, bijvoorbeeld de luchtvervuiling en de verkeersveiligheid; ze moeten uit de tekst komen, niet uit je eigen hoofd.

  3. 03Beknopt en in het Nederlands formuleren

    Antwoord in helder Nederlands zonder omhaal: (1) minder luchtvervuiling; (2) meer verkeersveiligheid. Elk element apart en herkenbaar.

Resultaat: Een correct antwoord noemt precies twee door de tekst genoemde redenen (bijvoorbeeld minder luchtvervuiling en meer verkeersveiligheid), beknopt en in het Nederlands. Meer of minder dan twee, of een eigen reden, kost punten.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: open vragen beknopt en volledig in het Nederlands beantwoorden — precies de gevraagde elementen, uit de tekst, zonder eigen mening (tenzij gevraagd).
  • Examendoel: citeervragen exact en in het Frans beantwoorden, binnen de gevraagde omvang, met correcte spelling en gebruik van de regelverwijzing.

Veelgemaakte fouten

  • In de verkeerde taal antwoorden: een open vraag in het Frans beantwoorden, of een citaat vertaald in het Nederlands geven. De gevraagde taal is een harde conventie.
  • Bij een citeervraag te veel of te weinig overnemen, of het citaat samenvatten of aanpassen. Citeer exact en binnen de gevraagde omvang (één woord = één woord).

Actieve herhaling

Beantwoord bij een Franse oefentekst twee open vragen (in het Nederlands, beknopt en volledig) en één citeervraag (exact in het Frans, binnen de gevraagde omvang). Controleer daarna: heb je in de juiste taal geantwoord, precies de gevraagde elementen gegeven, en bij het citaat niets veranderd?

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans VWO — domein A Leesvaardigheid (CvTE / Examenblad)

§ 04

Invoeg-/gatvragen, tijdsindeling en woordenboekgebruik#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-frans-vwo-domein-A

Kernpunten

De invoeg- of gatvraag toetst of je de samenhang van een tekst doorziet. Er zijn twee varianten. Bij de gatvraag is uit de tekst een zin of alinea verwijderd en kies je uit enkele fragmenten het fragment dat op de open plek hoort. Bij de ordeningsvraag staan alinea's of zinnen door elkaar en zet je ze in de juiste volgorde. In beide gevallen los je de vraag op met de logica en de grammatica van de tekst: welk fragment sluit inhoudelijk én grammaticaal aan op wat ervoor en erna staat? De samenhang (la cohérence) is je gereedschap; je leest niet zozeer op losse feiten, maar op de draad die de zinnen verbindt.
Bij het invoegen en ordenen zijn twee soorten aanwijzingen goud waard. De eerste zijn de verbindingswoorden (les connecteurs logiques): „donc” en „par conséquent” (dus, gevolg), „cependant”, „pourtant” en „en revanche” (echter, tegenstelling), „en effet” (immers, bevestiging), „d'abord … ensuite … enfin” (eerst … dan … ten slotte). Ze verraden hoe een fragment zich verhoudt tot zijn buren. De tweede zijn de verwijswoorden (les mots de reprise): een „celui-ci”, „ce phénomène” of „cette idée” verwijst naar iets wat eraan vooraf móét gaan, en een lidwoord („le”, „la”) bij een voor het eerst genoemd begrip veronderstelt dat het al is geïntroduceerd. Door deze signalen te volgen, reconstrueer je de enige logische volgorde.
Het CE Frans duurt een vast aantal uren, en de kunst is je tijd te verdelen over alle teksten en vragen. Verdeel de beschikbare tijd ruwweg naar het aantal teksten en het aantal vragen, en houd tijd achter de hand voor het overschrijven op het antwoordblad en een slotcontrole. Blijf niet te lang op één moeilijke vraag hangen: markeer haar, ga door, en kom later terug — een vraag die je even overslaat is minder erg dan tijdnood aan het eind, waardoor je makkelijke punten aan de laatste tekst misloopt. Een vuistregel is elke tekst eerst globaal te lezen (survoler) voor de hoofdlijn en dan pas de vragen aan te pakken. Wie zijn tijd bewaakt, laat achteraan geen punten liggen.
Bij het CE moderne vreemde talen is een woordenboek toegestaan — een verklarend of vertalend Frans woordenboek (papieren exemplaar), volgens de regels van je school en het examenreglement. Gebruik het doelmatig: het woordenboek is een noodrem, geen leesmethode. Sla alleen woorden op die je écht nodig hebt om een vraag te beantwoorden en die je niet uit de context kunt afleiden; elk opzoekwoord kost kostbare tijd. Wie halverwege elke zin het woordenboek pakt, komt nooit klaar. Bedenk ook dat een woord meerdere betekenissen kan hebben: kies de betekenis die in de context past, niet zomaar de eerste. Het woordenboek dient je begrip te ondersteunen op de paar plaatsen waar het er echt toe doet, niet je hele leesproces te vervangen.
Alles samen vormt één examenstrategie. Lees eerst de vraag, dan gericht de tekst; herken de vraagvorm en pas de bijbehorende conventie toe (kiezen, in het Nederlands formuleren, in het Frans citeren, ordenen); bewaak je tijd en gebruik het woordenboek spaarzaam. Begin bij de teksten of vragen die je het makkelijkst afgaan, zodat je zeker punten binnenhaalt, en bewaar de lastigste voor het laatst. Controleer aan het eind of je alle vragen hebt beantwoord, in de juiste taal, en of je citaten exact zijn overgeschreven. Deze routine maakt van het examen geen gok maar een beheersbare taak: je weet bij elke vraag wat je moet doen, en je verdeelt je energie waar ze het meeste oplevert.
Uitgewerkt voorbeeld

Een fragment invoegen met de cohesie

In een tekst is een zin weggehaald; op de open plek volgt de zin „En revanche, les partisans du projet insistent sur ses avantages économiques.” Welk soort zin moet eraan voorafgaan, en hoe weet je dat?

  1. 01De connecteur wegen

    „En revanche” (daarentegen) markeert een tegenstelling: wat volgt, staat tegenover wat eraan voorafgaat.

  2. 02De verwijzing lezen

    „Les partisans du projet” (de voorstanders van het project) impliceert dat er eerder tegenstanders of bezwaren zijn genoemd.

  3. 03De voorafgaande zin bepalen

    De ontbrekende voorafgaande zin moet dus over de tégenstanders of de nadelen van het project gaan; alleen een fragment met die inhoud sluit logisch aan.

Resultaat: Er moet een zin aan voorafgaan over de tegenstanders of de nadelen van het project. De connecteur „en revanche” (tegenstelling) en de verwijzing „les partisans” (tegenover eerdere tegenstanders) leggen dat samen vast — de cohesie wijst het juiste fragment aan.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: invoeg-/gat- en ordeningsvragen oplossen met behulp van de cohesie — de connecteurs logiques (donc, cependant, en effet) en de verwijswoorden.
  • Examendoel: de examentijd bewust indelen over teksten en vragen en het woordenboek doelmatig (spaarzaam, contextgericht) gebruiken.

Veelgemaakte fouten

  • Bij een gat- of ordeningsvraag alleen op de inhoud letten en de connecteurs en verwijswoorden negeren; juist die signaalwoorden leggen de logische volgorde vast.
  • Te lang op één moeilijke vraag blijven zitten of bij elk onbekend woord het woordenboek pakken, waardoor je aan het eind in tijdnood komt en makkelijke punten misloopt.

Actieve herhaling

Doe een oefentekst met een gat- of ordeningsvraag en let bewust op de signaalwoorden: onderstreep de connecteurs (donc, cependant, en effet) en de verwijswoorden en beredeneer daarmee de volgorde. Neem daarna de tijd op en bepaal hoeveel minuten je per tekst nodig had — en stel op grond daarvan je tijdsindeling bij.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans VWO — domein A Leesvaardigheid (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01De vraagvormen van het CE in overzicht○
    • 02Meerkeuzevragen: afleiders systematisch uitsluiten◐
    • 03Open vragen en citeervragen: precies en in de juiste taal◐
    • 04Invoeg-/gatvragen, tijdsindeling en woordenboekgebruik●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Examentraining leesvaardigheid

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~20
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Frans VWO — domein A Leesvaardigheid

Vorig onderwerp

Grammatica en taalverzorging

Volgend onderwerp

Kijk- en luistervaardigheid

EuraStudy·Samenvattingen T·08·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.