EuraStudy
Samenvattingen/Frans/Grammatica en taalverzorging
Samenvattingen · FransNL · VWO

Grammatica en taalverzorging

Grammatica is bij Frans geen apart examendomein maar een voorwaardelijke, ondersteunende vaardigheid: ze wordt vooral binnen de schrijfvaardigheid (schoolexamen, domein D) beoordeeld als onderdeel van de taalverzorging, en ze ondersteunt daarnaast het tekstbegrip in het CE. Een groot deel van de kerngrammatica is (herhaling van) onderbouwstof; dit onderwerp frist die kern op en richt zich op de constructies die op B2-niveau het verschil maken: de werkwoordstijden, de subjonctif en de voornaamwoorden. De nadruk ligt daarbij op de contrastieve valkuilen tussen het Nederlands en het Frans.

4 Onderdelen·~18 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 1 · Verdieping 2

T·0777 / 16
Examenprofiel
Beseffen dat grammatica een voorwaardelijke (ondersteunende) vaardigheid is — geen apart toetsdomein — die vooral binnen de schrijfvaardigheid (SE, domein D) wordt beoordeeld en deels herhaling van de onderbouw isDe Franse werkwoordstijden correct kiezen en vormen, met bijzondere nadruk op passé composé versus imparfaitDe subjonctif herkennen en vormen na de gangbare triggers (wens, gevoel, twijfel, noodzaak, bepaalde voegwoorden)Voornaamwoorden (COD/COI, y, en, betrekkelijk qui/que/dont/où), woordvolgorde, ontkenning en accord correct toepassen
Operatoren:vervoegvul inverbeterkies de juiste tijd/wijsherschrijfvervang door een voornaamwoord

basisniveau

Grammatica ondersteunt de hele examentraining: correct Frans helpt je bij het lezen in het CE en is een voorwaarde voor het schrijven in het SE, waar taalverzorging als apart aspect meetelt.

verhoogd niveau

Wie naar C1 reikt, beheerst niet alleen de vormen maar ook de fijnere betekenisverschillen (passé composé versus imparfait, de nuance van de subjonctif) en past ze bewust en foutloos toe in de eigen productie.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Grammatica en taalverzorging
    • 01Waarom grammatica: ondersteunend, geen apart toetsdomein○
    • 02Werkwoordstijden op een tijdas (présent, passé composé, imparfait, futur, plus-que-parfait)◐
    • 03De subjonctif: wanneer en waarom●
    • 04Voornaamwoorden, woordvolgorde en veelgemaakte fouten●
§ 01

Waarom grammatica: ondersteunend, geen apart toetsdomein#

●○○BasisLPexamenblad-nl-frans-vwo-domein-D

Kernpunten

Grammatica is bij Frans geen apart examendomein en er is geen los grammaticatoetsonderdeel; het is een voorwaardelijke, ondersteunende vaardigheid. Waar zij expliciet wordt beoordeeld, is binnen de schrijfvaardigheid van het schoolexamen (domein D): daar telt taalverzorging — correcte werkwoordstijden, zinsbouw, spelling en congruentie — als een apart beoordelingsaspect mee. Bij het centraal examen (leesvaardigheid) wordt grammatica niet los getoetst, maar je hebt haar wél nodig om ingewikkelde zinnen te ontleden: wie de tijd, de verwijzing van een voornaamwoord of de ontkenning verkeerd leest, mist de betekenis en dus het antwoord. Grammatica leren is dus geen doel op zich, maar een investering die zich in álle vaardigheden uitbetaalt.
Een groot deel van de kerngrammatica is herhaling van de onderbouw (herhaling): de vervoeging van de présent, de vorming van de passé composé, de lidwoorden en de congruentie van het bijvoeglijk naamwoord ken je in principe al. In de bovenbouw ligt de nadruk op verfijning en op de constructies die op B2-niveau het verschil maken: het scherpe onderscheid tussen passé composé en imparfait, de plus-que-parfait, de subjonctif, de voornaamwoorden en hun volgorde, en de betrekkelijke bijzinnen. Het loont om die onderbouwbasis eerst kort op te frissen, want een fout in de basis — een verkeerde vervoeging of een ontbrekende accord — weegt in de beoordeling net zo zwaar als een fout in een complexe constructie.
De meeste fouten van Nederlandstalige leerlingen zijn contrastief: ze ontstaan doordat het Frans nét iets anders werkt dan het Nederlands en de leerling het Nederlandse patroon overneemt. Klassiek is „je suis 16 ans” naar „ik ben 16 jaar”, terwijl het Frans voor leeftijd het werkwoord „avoir” eist: „j'ai 16 ans”. Andere voorbeelden zijn de plaats van het voornaamwoord (in het Frans vóór het werkwoord: „je le vois”), het verkeerde hulpwerkwoord bij de passé composé („j'ai allé” in plaats van „je suis allé”), en de keuze tussen passé composé en imparfait. Wie weet wáár het Frans van het Nederlands afwijkt, kan gericht op die punten letten en de meeste fouten voorkomen.
Omdat taalverzorging binnen het schrijven wordt beoordeeld, is de revisiefase de plek waar je grammaticakennis punten oplevert. Een effectieve aanpak is een persoonlijke foutenchecklist: noteer de drie of vier fouten die jíj systematisch maakt — bijvoorbeeld passé composé versus imparfait, de accord van het voltooid deelwoord, of het geslacht van zelfstandige naamwoorden — en loop die lijst bij het nalezen bewust af. Deze gerichte zelfcontrole is efficiënter dan hopen dat je fouten „vanzelf” opvallen, en ze sluit precies aan bij de manier waarop taalverzorging in het SE wordt gewogen. Behandel grammatica dus als gereedschap voor je eigen productie, niet als een verzameling losse regels.
Uitgewerkt voorbeeld

Een contrastieve fout verklaren

Waarom is „Je suis seize ans” fout, en hoe hoort het? Verklaar de contrastieve oorzaak.

  1. 01De Nederlandse bron herkennen

    De zin is een letterlijke vertaling van „Ik ben zestien jaar”, waarin het Nederlands het werkwoord „zijn” gebruikt.

  2. 02De Franse regel toepassen

    Voor leeftijd gebruikt het Frans niet „être” (zijn) maar „avoir” (hebben): je „hebt” zoveel jaar. Het telwoord schrijf je bovendien voluit als „seize”.

  3. 03Corrigeren

    De juiste vorm is „J'ai seize ans.” — letterlijk „ik heb zestien jaar”.

Resultaat: „Je suis seize ans” (fout) tegenover „J'ai seize ans” (correct). De fout is contrastief: het Nederlandse „zijn” bij leeftijd wordt ten onrechte op het Frans geplakt, terwijl het Frans daarvoor „avoir” eist.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: beseffen dat grammatica een ondersteunende vaardigheid is en dat taalverzorging vooral binnen de schrijfvaardigheid (SE, domein D) wordt beoordeeld — niet als apart toetsonderdeel.
  • Examendoel: de eigen systematische (contrastieve) fouten kennen en er bij het reviseren van geschreven Frans gericht op controleren.

Veelgemaakte fouten

  • Grammatica als los weetje leren in plaats van als middel. De vormen tellen pas mee als je ze correct toepast in je eigen schrijven en spreken.
  • De onderbouwbasis onderschatten. Een vervoegings- of accordfout weegt in de beoordeling even zwaar als een fout in een ingewikkelde constructie als de subjonctif.

Actieve herhaling

Verzamel drie eigen geschreven Franse teksten (bijvoorbeeld oude SE-oefeningen) en noteer welke grammaticale fouten terugkeren. Stel op basis daarvan je persoonlijke taalverzorgingschecklist van maximaal vier punten op en gebruik die bij je volgende schrijfopdracht.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans VWO — taalverzorging binnen domein D / voorwaardelijke vaardigheid (CvTE / Examenblad)

§ 02

Werkwoordstijden op een tijdas (présent, passé composé, imparfait, futur, plus-que-parfait)#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-frans-vwo-domein-D

Kernpunten

De Franse werkwoordstijden laten zich het best ordenen op een tijdas, van verleden via heden naar toekomst. Afb. 1 plaatst de belangrijkste tijden op zo'n as: links, het verst in het verleden, staat de plus-que-parfait; dichter bij „nu” liggen de imparfait en de passé composé in het gewone verleden; op nul staat de présent; en rechts, in de toekomst, de futur simple. Elke tijd heeft een eigen rol: de présent voor het heden en algemene waarheden, de passé composé voor afgeronde handelingen, de imparfait voor achtergrond, gewoonte en beschrijving, de plus-que-parfait voor wat nóg eerder gebeurde, en de futur simple voor de toekomst. Het Frans onderscheidt deze verledentijden scherper dan het Nederlands, en juist daar ontstaan de meeste fouten.

Afb. 1 — De werkwoordstijden op een tijdas

Verleden — nu — toekomstGetallenlijn, plus-que-parfait, imparfait & passé composé, présent (nu), futur simple−10−50510plus-que-parfaitimparfait & passécomposéprésent (nu)futur simple
Afb. 1De belangrijkste Franse werkwoordstijden op een tijdas: verleden links, nu op nul, toekomst rechts. De imparfait (achtergrond) en de passé composé (afgeronde handeling) delen het gewone verleden.
De vorming in het kort. De présent volgt de bekende patronen op „-er”, „-ir” en „-re” („je parle”, „je finis”, „je vends”). De passé composé bestaat uit een hulpwerkwoord („avoir” of, bij een groep bewegings- en toestandswerkwoorden, „être”) plus het voltooid deelwoord: „j'ai parlé”, „je suis allé(e)”. De imparfait neem je van de „nous”-vorm van de présent, min „-ons”, plus de uitgangen „-ais, -ais, -ait, -ions, -iez, -aient”: „nous parlons” → „je parlais”. De plus-que-parfait is de imparfait van het hulpwerkwoord plus het deelwoord: „j'avais parlé”, „j'étais allé(e)”. En de futur simple vorm je uit de infinitief plus „-ai, -as, -a, -ons, -ez, -ont”: „je parlerai”. Onthoud vooral welke werkwoorden „être” als hulpwerkwoord nemen.
Het belangrijkste — en het meest getoetste — is het onderscheid tussen passé composé en imparfait, twee verledentijden waar het Nederlands er maar één tegenover zet. De passé composé gebruik je voor een afgeronde handeling: iets wat één keer of een afgebakend aantal keren gebeurde en het verhaal vooruithelpt („Hier, j'ai visité le musée”; „Soudain, il a crié”). De imparfait gebruik je voor de achtergrond: een beschrijving, een toestand of een gewoonte zonder duidelijk eindpunt („Quand j'étais petit, j'allais souvent à la mer”; „Il faisait beau”). Vaak werken ze samen: de imparfait schildert het decor, de passé composé brengt de gebeurtenis die dat decor onderbreekt — „Je regardais la télé quand le téléphone a sonné.” Signaalwoorden helpen: „soudain” en „un jour” wijzen op de passé composé; „souvent”, „toujours” en „d'habitude” op de imparfait.
De overige tijden verfijnen de tijdrelatie. De plus-que-parfait drukt uit dat iets al gebeurd was vóór een ander moment in het verleden: „Quand nous sommes arrivés, le film avait déjà commencé” — het beginnen ligt vóór het aankomen. De futur simple gebruik je voor de toekomst: „L'année prochaine, je passerai mon examen.” Daarnaast bestaat de futur proche met „aller” + infinitief voor de nabije toekomst („Je vais partir”), en de conditionnel („je voudrais”, „j'aimerais”) voor beleefdheid en hypothese. Voor het examen volstaat dat je per zin de juiste tijdrelatie kiest: gebeurt iets vóór, tijdens of na een ander moment, en is het afgerond of niet? Die vraag stuurt bijna al je tijdkeuzes.
Uitgewerkt voorbeeld

Passé composé of imparfait?

Kies de juiste tijd en licht toe: „Quand je ___ (être) jeune, nous ___ (habiter) à Paris, mais un jour mon père ___ (trouver) un travail à Lyon.”

  1. 01„être” — een toestand

    „Quand j'étais jeune” beschrijft een toestand in het verleden zonder eindpunt: imparfait. Dus „j'étais jeune”.

  2. 02„habiter” — een gewoonte of duur

    Wonen in Parijs was een langdurige, voortdurende situatie: opnieuw imparfait. Dus „nous habitions à Paris”.

  3. 03„trouver” — een afgeronde gebeurtenis

    „un jour” wijst op één afgerond moment dat het verhaal vooruithelpt: passé composé. Dus „mon père a trouvé un travail”.

Resultaat: „Quand j'étais jeune, nous habitions à Paris, mais un jour mon père a trouvé un travail à Lyon.” Twee imparfaits (toestand en gewoonte) tegenover één passé composé (de afgeronde gebeurtenis bij „un jour”).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de juiste verledentijd kiezen — passé composé voor de afgeronde handeling tegenover imparfait voor achtergrond, beschrijving en gewoonte.
  • Examendoel: plus-que-parfait en futur simple correct vormen en inzetten voor de juiste tijdrelatie (wat gebeurde eerder, tegelijk of later).

Veelgemaakte fouten

  • Passé composé en imparfait door elkaar halen, bijvoorbeeld een beschrijving of gewoonte in de passé composé zetten in plaats van in de imparfait.
  • Het verkeerde hulpwerkwoord bij de passé composé kiezen: „j'ai allé”, „j'ai resté” in plaats van „je suis allé”, „je suis resté” (bewegings- en toestandswerkwoorden nemen „être”).

Actieve herhaling

Vul de juiste verledentijd in (passé composé of imparfait) en verantwoord je keuze: (1) „Quand je ___ (être) jeune, nous ___ (habiter) à Nice.” (2) „Soudain, un orage ___ (éclater) et les promeneurs ___ (rentrer) vite.” (3) „Elle lisait tranquillement quand quelqu'un ___ (frapper) à la porte.” Benoem per gat of het om achtergrond of gewoonte, dan wel om een afgeronde handeling gaat.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans VWO — taalverzorging binnen domein D / voorwaardelijke vaardigheid (CvTE / Examenblad)

§ 03

De subjonctif: wanneer en waarom#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-frans-vwo-domein-D

Kernpunten

De subjonctif (de aanvoegende wijs) is geen tijd maar een wijs (un mode): hij drukt niet een feit uit, maar een subjectieve houding tegenover een handeling — een wens, een gevoel, een twijfel of een noodzaak. Waar de indicatif (de aantonende wijs) vaststelt wat is („Il vient” — hij komt), zet de subjonctif de handeling in het licht van wat iemand wil, vreest of betwijfelt. Hij staat vrijwel altijd in een bijzin die met „que” begint, ná een uitdrukking die hem oproept. Afb. 2 groepeert die triggers in vijf soorten: wens of wil, gevoel, twijfel of ontkenning, noodzaak, en bepaalde voegwoorden. Je hoeft de subjonctif dus niet „aan te voelen”: je herkent de trigger, en die trigger dwingt de subjonctif af.

Afb. 2 — Wanneer de subjonctif?

Subjonctif — wanneer?Boomdiagram, 5 paden, Gegevens: Wens/wil (vouloir que, souhaiter que); Gevoel (avoir peur que, être content que); Twijfel/ontkenning (douter que, ne pas penser que); Noodzaak (il faut que, il est nécessaire que); Voegwoorden (bien que, pour que, avant que)Subjonctif — wanneer?Wens/wil (vouloir que, souhaiter que)Gevoel (avoir peur que, être content qu…Twijfel/ontkenning (douter que, ne pas …Noodzaak (il faut que, il est nécessair…Voegwoorden (bien que, pour que, avant …
Afb. 2De vijf soorten triggers die in de que-bijzin de subjonctif oproepen.
De vorm van de présent du subjonctif is regelmatiger dan hij lijkt. Voor de meeste werkwoorden neem je de stam van de „ils”-vorm van de présent en voeg je de uitgangen „-e, -es, -e, -ions, -iez, -ent” toe: „ils parlent” → „que je parle, que nous parlions”. Een aantal veelgebruikte werkwoorden is echter onregelmatig, en die moet je uit het hoofd kennen: „être” → „que je sois”, „avoir” → „que j'aie”, „faire” → „que je fasse”, „aller” → „qu'il aille”, „pouvoir” → „que nous puissions”, „savoir” → „que je sache” en „vouloir” → „que je veuille”. In de zin staat de subjonctif altijd in de „que”-bijzin: „Il faut que je sois à l'heure” (het is nodig dat ik op tijd ben). Ken je de trigger en deze onregelmatige vormen, dan kom je een heel eind.
De triggers vallen in vijf groepen, precies zoals Afb. 2 ze ordent. Bij wens en wil: „vouloir que”, „souhaiter que”, „désirer que” — „Je veux que tu viennes” (ik wil dat je komt). Bij gevoel en emotie: „avoir peur que”, „être content/heureux/triste que”, „regretter que” — „Je suis content que tu sois là.” Bij twijfel en ontkenning: „douter que”, „ne pas penser que”, „ne pas croire que” — let op dat „penser que” bevestigend juist de indicatif krijgt, maar ontkend of vragend de subjonctif. Bij noodzaak: „il faut que”, „il est nécessaire que”, „il est important que” — „Il faut que tu fasses tes devoirs.” En na bepaalde voegwoorden: „bien que” en „quoique” (hoewel), „pour que” en „afin que” (opdat), „avant que” (voordat) en „à condition que” — „Bien qu'il soit malade, il travaille.”
Twee valkuilen bepalen of je goed scoort. Ten eerste: bij hetzelfde onderwerp in de hoofd- en de bijzin gebruik je géén subjonctif, maar de infinitief. Vergelijk „Je veux venir” (ik wil komen — ik wil dat ikzelf kom) met „Je veux que tu viennes” (ik wil dat jij komt): alleen bij twee verschillende onderwerpen komt de „que”-constructie met subjonctif. Ten tweede: niet elke „que”-zin krijgt de subjonctif. Na „espérer que” (hopen dat) staat de indicatif, meestal in de futur: „J'espère que tu viendras” — nooit „viennes”. En na de bevestigende „penser que”, „croire que” en „trouver que” volgt eveneens de indicatif, omdat je dan iets als feit voorstelt. De subjonctif hoort dus bij subjectiviteit; zodra je iets als zeker of gehoopt presenteert, kies je de indicatif.
Uitgewerkt voorbeeld

Twee triggers, twee onregelmatige subjonctifs

Vul de subjonctif in: „Bien qu'il ___ (avoir) peu de temps, il veut que tu ___ (venir) ce soir.”

  1. 01De eerste trigger: „bien que”

    Het voegwoord „bien que” (hoewel) eist de subjonctif. „avoir” wordt in de subjonctif „ait”: „Bien qu'il ait peu de temps”.

  2. 02De tweede trigger: „vouloir que”

    „il veut que” drukt een wil uit en heeft twee verschillende onderwerpen (il en tu), dus subjonctif. „venir” wordt „viennes”: „il veut que tu viennes”.

  3. 03Controleren

    Beide werkwoorden staan in een „que”-bijzin na een trigger, en beide onregelmatige vormen („ait”, „viennes”) horen bij de subjonctif présent.

Resultaat: „Bien qu'il ait peu de temps, il veut que tu viennes ce soir.” Twee triggers — het voegwoord „bien que” en de wilsuitdrukking „vouloir que” — dwingen elk een subjonctif af: „ait” (van „avoir”) en „viennes” (van „venir”).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de subjonctif herkennen en correct vormen na de gangbare triggers — wens of wil, gevoel, twijfel of ontkenning, noodzaak en bepaalde voegwoorden.
  • Examendoel: kiezen tussen subjonctif, indicatif en infinitief — zelfde onderwerp → infinitief; „espérer que” en bevestigend „penser que” → indicatif.

Veelgemaakte fouten

  • De subjonctif gebruiken na „espérer que” of na bevestigend „penser/croire que”, waar juist de indicatif hoort („J'espère que tu viendras”, niet „viennes”).
  • Bij hetzelfde onderwerp een „que”-bijzin met subjonctif maken in plaats van de infinitief: „je veux que je vienne” in plaats van „je veux venir”.

Actieve herhaling

Zet het werkwoord in de juiste wijs (subjonctif, indicatif of infinitief): (1) „Il faut que nous ___ (partir) tout de suite.” (2) „J'espère qu'il ___ (venir) demain.” (3) „Je suis heureuse que tu ___ (être) là.” (4) „Nous voulons ___ (réussir) notre examen.” Leg per zin uit welke trigger — of het gelijke onderwerp — je keuze bepaalt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans VWO — taalverzorging binnen domein D / voorwaardelijke vaardigheid (CvTE / Examenblad)

§ 04

Voornaamwoorden, woordvolgorde en veelgemaakte fouten#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-frans-vwo-domein-D

Kernpunten

Voornaamwoorden vervangen een eerder genoemd woord en houden je zinnen bondig, maar hun soort en plaats luisteren nauw. Afb. 3 geeft het overzicht: onderwerpsvormen („je, tu, il”), lijdend-voorwerpvormen (COD: „me, te, le, la, les”), meewerkend-voorwerpvormen (COI: „me, te, lui, leur”), de bijzondere „y” en „en”, en de betrekkelijke voornaamwoorden. Het COD (complément d'objet direct) vervangt een lijdend voorwerp zonder voorzetsel: „Tu vois Marie? — Oui, je la vois.” Het COI (complément d'objet indirect) vervangt een voorwerp met „à”: „Tu parles à Paul? — Oui, je lui parle.” Cruciaal en anders dan het Nederlands: het voornaamwoord staat vóór de vervoegde werkwoordsvorm, niet erna — „je le vois”, niet „je vois le”.

Afb. 3 — De voornaamwoorden

VoornaamwoordenBoomdiagram, 5 paden, Gegevens: Onderwerp (je, tu, il); COD (me, te, le, la, les); COI (me, te, lui, leur); y & en; Betrekkelijk (qui, que, dont, où)VoornaamwoordenOnderwerp (je, tu, il)COD (me, te, le, la, les)COI (me, te, lui, leur)y & enBetrekkelijk (qui, que, dont, où)
Afb. 3De belangrijkste soorten Franse voornaamwoorden, met hun vormen.
„Y” en „en” zijn twee bijzondere voornaamwoorden. „Y” vervangt „à” + een zaak of een plaats: „Je pense à mes vacances” → „J'y pense”; „Je vais à Paris” → „J'y vais.” „En” vervangt „de” + een zaak, en ook een hoeveelheid of een partitief: „Je parle de ce livre” → „J'en parle”; „Tu veux du café? — Oui, j'en veux”; „Combien de frères as-tu? — J'en ai deux.” Staan er meer voornaamwoorden samen, dan geldt een vaste volgorde: „me/te/se/nous/vous” vóór „le/la/les” vóór „lui/leur” vóór „y” vóór „en”. Zo wordt het „Il me le donne”, „Je lui en parle” en „Il y en a” (er is of zijn er). Deze volgorde leer je het best aan de hand van een paar vaste voorbeeldzinnen.
De betrekkelijke voornaamwoorden (les pronoms relatifs) verbinden een bijzin aan een zelfstandig naamwoord. „Qui” is het onderwerp van de bijzin („L'homme qui parle est mon professeur” — de man die praat), en „que” het lijdend voorwerp („Le livre que je lis est passionnant” — het boek dat ik lees). „Dont” vervangt een woordgroep met „de” en vertaalt vaak als „waarvan”, „over wie” of „wiens”: „Le film dont je parle” (de film waarover ik praat, van „parler de”), „la femme dont le fils est médecin” (de vrouw wier zoon arts is). „Où” verwijst naar een plaats of een tijd: „la ville où j'habite” (de stad waar ik woon), „le jour où il est parti” (de dag waarop hij vertrok). Kies „qui” of „que” op grond van de functie in de bijzin, niet op grond van personen versus dingen.
Twee laatste punten vragen bij het schrijven precisie: de ontkenning en de accord. De ontkenning zet „ne … pas” om de vervoegde vorm heen: „Je ne comprends pas.” Varianten drukken andere betekenissen uit: „ne … jamais” (nooit), „ne … rien” (niets), „ne … personne” (niemand), „ne … plus” (niet meer) en „ne … que” (slechts). In de passé composé staat het tweede deel meestal tussen het hulpwerkwoord en het deelwoord („Je n'ai rien vu”), behalve „personne”, dat erna komt („Je n'ai vu personne”). De accord ten slotte: bijvoeglijke naamwoorden richten zich in geslacht en getal naar hun zelfstandig naamwoord, het voltooid deelwoord met „être” richt zich naar het onderwerp („elle est partie”, „ils sont allés”), en dat met „avoir” naar een eventueel voorafgaand lijdend voorwerp („les lettres que j'ai écrites”).
Uitgewerkt voorbeeld

Voornaamwoord én accord: „Tu as vu Marie et Sophie?”

Beantwoord met een voornaamwoord: „Tu as vu Marie et Sophie? — Oui, je …”

  1. 01Het voorwerp bepalen

    „Marie et Sophie” is het lijdend voorwerp (COD), vrouwelijk meervoud. Het COD-voornaamwoord daarvoor is „les”.

  2. 02De plaats kiezen

    In de passé composé staat het voornaamwoord vóór het hulpwerkwoord: „je les ai …”, niet na het deelwoord.

  3. 03De accord toepassen

    Bij „avoir” richt het voltooid deelwoord zich naar een voorafgaand lijdend voorwerp. „les” (= Marie et Sophie, vrouwelijk meervoud) gaat eraan vooraf, dus „vu” wordt „vues”.

Resultaat: „Oui, je les ai vues.” Het COD „les” staat vóór het hulpwerkwoord, en omdat dit vrouwelijk-meervoudige voorwerp voorafgaat aan „avoir” + deelwoord, krijgt „vu” de accord „-es”: „vues”.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: COD, COI, „y” en „en” correct kiezen en op de juiste plaats (vóór de vervoegde vorm) en in de juiste onderlinge volgorde zetten.
  • Examendoel: de betrekkelijke voornaamwoorden „qui”, „que”, „dont” en „où” kiezen op grond van hun functie, en de ontkenning en de accord correct toepassen.

Veelgemaakte fouten

  • Het voornaamwoord op de Nederlandse plaats zetten, ná het werkwoord: „je vois le” in plaats van „je le vois”.
  • „qui” en „que” verwarren (onderwerp versus lijdend voorwerp), of de accord van het voltooid deelwoord vergeten: „les lettres que j'ai écrit” in plaats van „écrites”.

Actieve herhaling

Herschrijf en vervang de onderstreepte woordgroep door een voornaamwoord, of vul het juiste betrekkelijke voornaamwoord in: (1) „Je donne le cadeau à ma sœur.” (vervang beide voorwerpen) (2) „Tu penses à l'examen?” (3) „C'est le livre ___ je t'ai parlé.” (4) „Voilà la maison ___ nous avons habité.” Benoem bij (1) de volgorde van de voornaamwoorden.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans VWO — taalverzorging binnen domein D / voorwaardelijke vaardigheid (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Waarom grammatica: ondersteunend, geen apart toetsdomein○
    • 02Werkwoordstijden op een tijdas (présent, passé composé, imparfait, futur, plus-que-parfait)◐
    • 03De subjonctif: wanneer en waarom●
    • 04Voornaamwoorden, woordvolgorde en veelgemaakte fouten●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Grammatica en taalverzorging

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~18
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Frans VWO — taalverzorging binnen domein D / voorwaardelijke vaardigheid

Vorig onderwerp

Woordenschat

Volgend onderwerp

Examentraining leesvaardigheid

EuraStudy·Samenvattingen T·07·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.