EuraStudy
Samenvattingen/Frans/Woordenschat
Samenvattingen · FransNL · VWO

Woordenschat

Woordenschat is geen apart examendomein maar een voorwaardelijke, ondersteunende vaardigheid — toch is ze doorslaggevend, want het centraal examen Frans is een leesexamen waarin je tekstbegrip vrijwel volledig op je woordkennis steunt. Dit onderwerp leert je de betekenis van onbekende woorden af te leiden uit de context en de woordvorm, en het waarschuwt voor collocaties, idioom en faux amis. Veel van de basiswoordenschat is (herhaling van) onderbouwstof; de nadruk ligt hier op de strategieën die op B2-niveau het verschil maken.

4 Onderdelen·~17 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0666 / 16
Examenprofiel
Beseffen dat woordenschat een voorwaardelijke (ondersteunende) vaardigheid is — geen apart toetsdomein — maar doorslaggevend in het CE-leesexamen en in de productieve vaardigheden van het SEDe betekenis van onbekende woorden afleiden uit contextsignalen (definitie, voorbeeld, contrast, herhaling of synoniem)Woordvorming (préfixe, radical, suffixe) en woordfamilies (les familles de mots) benutten om betekenis te reconstruerenCollocaties, idioom en faux amis herkennen en polyseme woorden contextueel de juiste betekenis geven
Operatoren:leid af uit de contextkies de juiste betekenisontleed in préfixe/radical/suffixeverklaarvertaal

basisniveau

Woordenschat ondersteunt de hele examentraining: hoe meer woorden je herkent en hoe beter je de rest uit de context afleidt, hoe vlotter en preciezer je het CE-leesexamen maakt.

verhoogd niveau

Wie naar C1 reikt, bouwt niet alleen een grotere receptieve woordenschat op, maar beheerst ook idioom, collocaties en register actief — en kiest bij het schrijven bewust het precieze, idiomatisch juiste woord.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Woordenschat
    • 01Waarom woordenschat: geen apart toetsdomein, wel doorslaggevend○
    • 02Betekenis afleiden uit de context◐
    • 03Woordvorming: préfixes, suffixes en woordfamilies (les familles de mots)◐
    • 04Collocaties, idioom en faux amis●
§ 01

Waarom woordenschat: geen apart toetsdomein, wel doorslaggevend#

●○○BasisLPexamenblad-nl-frans-vwo-domein-A

Kernpunten

Woordenschat (le vocabulaire) is bij Frans geen apart examendomein en er is geen los woordenschattoetsonderdeel; het is een voorwaardelijke, ondersteunende vaardigheid. Toch is ze in de praktijk doorslaggevend: het centraal examen Frans is een leesexamen (domein A), en of je een tekst begrijpt, hangt bijna volledig af van hoeveel woorden je herkent en hoe goed je de rest kunt afleiden. Waar grammatica je helpt de zinsstructuur te ontleden, bepaalt je woordkennis of je de inhoud überhaupt vat. Woordenschat is dus geen doel op zich met eigen puntenaftrek, maar de motor onder alle vaardigheden — lezen, luisteren, spreken en schrijven — en juist daarom loont het om haar systematisch uit te bouwen.
Voor het CE is vooral je receptieve woordenschat van belang: de woorden die je herkent wanneer je ze leest, ook al zou je ze zelf niet actief gebruiken. Het streefniveau is ERK B2, wat neerkomt op een woordenschat van enkele duizenden woordfamilies. Een woordenboek (Frans-Nederlands) is bij het CE toegestaan, maar de examentijd is beperkt: wie elk onbekend woord opzoekt, komt niet rond. De kunst is daarom te kiezen — de meeste onbekende woorden leid je uit de context of de woordvorm af, en alleen een sleutelwoord dat je echt nodig hebt om de vraag te beantwoorden, zoek je op. Zo wordt het woordenboek een gericht hulpmiddel en geen tijdvreter.
Een groot deel van je woordenschat is opgebouwd in de onderbouw (herhaling): de hoogfrequente woorden, de basiswerkwoorden en de dagelijkse thema's ken je in principe al. In de bovenbouw verschuift de nadruk naar minder frequente, abstractere en idiomatische woorden, en naar de woorden die horen bij de gangbare examenthema's — maatschappij, milieu, media, jongeren en de frankofone wereld. Het loont om je woordenschat thematisch uit te breiden en woorden niet los, maar in netwerken te leren: een nieuw woord onthoud je beter naast zijn synoniem, zijn tegenstelling en zijn woordfamilie. Zo groeit je woordkennis mee met het soort teksten dat het examen je voorlegt.
De verstandigste examenstrategie is een combinatie van context en woordvorm, met het woordenboek als sluitstuk. Lees eerst de zin (en zo nodig de alinea) rond het onbekende woord en vraag je af welke woordsoort en welke betekenis logisch passen; kijk daarna naar de vorm van het woord — herken je een préfixe, een bekende stam of een suffixe? Pas als beide je niet verder helpen én het woord cruciaal is voor het antwoord, sla je het op. Bouw daarnaast bewust aan je actieve woordenschat voor het schoolexamen (spreken en schrijven): daar telt niet herkenning maar correcte productie, inclusief het juiste voorzetsel en de juiste collocatie.
Uitgewerkt voorbeeld

Kiezen: afleiden of opzoeken?

Je leest: „Le réchauffement climatique menace la biodiversité; de nombreuses espèces risquent de disparaître.” Je kent „menace” en „espèces” niet zeker. Wat doe je?

  1. 01De context lezen

    Het thema is klimaat en biodiversiteit. „Le réchauffement climatique” (de opwarming van het klimaat) is het onderwerp; de tweede zinshelft zegt dat „de nombreuses espèces” het risico lopen te „disparaître” (verdwijnen).

  2. 02„espèces” afleiden

    Naast „biodiversité” en „disparaître” past maar één betekenis: soorten (dier- of plantensoorten). Afleiden uit de context volstaat; niet opzoeken.

  3. 03„menace” afleiden

    Het werkwoord „menacer” verbindt het probleem met de biodiversiteit; samen met de dreigende toon betekent het bedreigt. Ook hier is opzoeken overbodig.

Resultaat: Beide woorden zijn uit de context af te leiden: „menacer” = bedreigen, „espèces” = (dier)soorten. Je hoeft niets op te zoeken en houdt tijd over voor de vraag. Kernzin: de klimaatopwarming bedreigt de biodiversiteit; veel soorten dreigen te verdwijnen.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: beseffen dat woordenschat geen apart toetsonderdeel is, maar de doorslaggevende voorwaarde voor het CE-leesexamen en voor de productieve vaardigheden van het SE.
  • Examendoel: onbekende woorden strategisch aanpakken — eerst uit context en woordvorm afleiden, en het woordenboek alleen inzetten voor cruciale sleutelwoorden.

Veelgemaakte fouten

  • Bij het CE elk onbekend woord opzoeken. Dat kost te veel tijd; de meeste woorden hoef je niet exact te kennen om de vraag te beantwoorden, en de echte sleutelwoorden mis je dan door tijdgebrek.
  • Woorden los uit het hoofd leren zonder context, collocatie of woordfamilie. Losse woorden zakken snel weg en leveren bij het schrijven vaak het verkeerde voorzetsel of de verkeerde combinatie op.

Actieve herhaling

Neem een Franstalige tekst van ongeveer een halve pagina (bijvoorbeeld een kort krantenartikel) en onderstreep alle woorden die je niet meteen kent. Bepaal per woord of je de betekenis uit de context of de woordvorm kunt afleiden, of dat je het zou moeten opzoeken. Streef ernaar dat je er hooguit drie hoeft op te zoeken.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans VWO — woordenschat als voorwaardelijke vaardigheid (domein A, Leesvaardigheid) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Betekenis afleiden uit de context#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-frans-vwo-domein-A

Kernpunten

De belangrijkste woordenschatstrategie voor het examen is de contextraadstrategie: de betekenis van een onbekend woord afleiden uit zijn omgeving. Afb. 1 zet de vijf soorten contextaanwijzingen op een rij die je daarbij helpen — een definitie of uitleg, een voorbeeld, een contrast, een herhaling of synoniem, en de woordvorm zelf. Een tekst „verraadt” de betekenis van een moeilijk woord namelijk vaak in de directe omgeving, omdat de schrijver begrepen wil worden. Wie leert deze signalen te herkennen, hoeft veel minder op te zoeken en leest sneller. De vaardigheid bestaat uit twee stappen: eerst het signaal in de zin herkennen, en dan de betekenis die het signaal oplevert invullen en op logica controleren.

Afb. 1 — Contextaanwijzingen

ContextaanwijzingenBoomdiagram, 5 paden, Gegevens: Definitie/uitleg; Voorbeeld; Contrast (mais, au contraire); Herhaling/synoniem; WoordvormContextaanwijzingenDefinitie/uitlegVoorbeeldContrast (mais, au contraire)Herhaling/synoniemWoordvorm
Afb. 1De vijf soorten contextaanwijzingen waarmee je de betekenis van een onbekend woord kunt afleiden.
Het duidelijkste signaal is een definitie of uitleg vlak bij het woord, vaak ingeleid door „c'est-à-dire” (dat wil zeggen), „autrement dit”, een dubbele punt of een bijstelling tussen komma's. In „La canicule, c'est-à-dire une période de chaleur extrême, a duré deux semaines” legt de tekst „canicule” (hittegolf) zelf uit. Een tweede signaal is het voorbeeld, ingeleid door „par exemple”, „comme” of „tel que”: in „des félins comme le chat, le lion et le tigre” leid je uit de voorbeelden af dat „félins” katachtigen zijn. Bij beide signalen hoef je het woord niet te kennen — je leest de betekenis rechtstreeks af uit wat ernaast staat. Let dus altijd op deze inleidende woorden en leestekens.
Een derde, iets lastiger signaal is het contrast: de tekst zet het onbekende woord tegenover iets bekends, ingeleid door „mais” (maar), „au contraire” (integendeel), „cependant”, „pourtant” (echter, toch), „en revanche” (daarentegen) of „alors que” (terwijl). De truc is dan dat het onbekende woord ongeveer het tégengestelde betekent van het bekende. In „Il n'est pas avare, au contraire, il est très généreux” signaleert „au contraire” dat „avare” het tegenovergestelde is van „généreux” (vrijgevig): „avare” betekent dus gierig. Let goed op: als je het contrastsignaal over het hoofd ziet, kies je juist de verkeerde, tegengestelde betekenis. Het signaalwoord vertelt je niet alleen dát er een tegenstelling is, maar ook wélke kant je op moet denken.
Ten slotte helpen herhaling en woordvorm. Teksten hernemen een begrip vaak met een synoniem of een omschrijving: staat er verderop een bekend woord op de plek van het onbekende, dan zijn ze meestal (bijna) synoniem. In „Ce roman est captivant; on ne peut pas le lâcher” verheldert de tweede zinshelft dat „captivant” boeiend betekent. Daarnaast is de woordvorm zelf een aanwijzing (zie ook Afb. 2 in het volgende onderdeel): een préfixe, een herkenbare stam of een suffixe verraadt de woordsoort en de richting van de betekenis. Combineer deze signalen altijd met je gezond verstand — controleer of de afgeleide betekenis logisch past in de hele zin, want een gok die niet met de context klopt is bijna altijd fout.
Uitgewerkt voorbeeld

Betekenis afleiden via een contrastsignaal

Wat betekent „éphémère” in: „Contrairement aux montagnes, éternelles, le bonheur est souvent éphémère.”?

  1. 01Het signaal herkennen

    „Contrairement à” (in tegenstelling tot) kondigt een contrast aan tussen de bergen en „le bonheur” (het geluk).

  2. 02Het bekende deel bepalen

    De bergen worden „éternelles” (eeuwig) genoemd. Door het contrast moet „éphémère” ongeveer het tegenovergestelde van eeuwig betekenen.

  3. 03De betekenis invullen en controleren

    Het tegengestelde van eeuwig is kortstondig, vluchtig. „Le bonheur est souvent éphémère” = het geluk is vaak vluchtig — dat past logisch in de zin.

Resultaat: „éphémère” betekent kortstondig, vluchtig. Het contrastsignaal „contrairement à” plus het bekende „éternelles” (eeuwig) wijst rechtstreeks naar de tegengestelde betekenis.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de betekenis van een onbekend woord afleiden uit contextsignalen — definitie of uitleg, voorbeeld, contrast en herhaling of synoniem.
  • Examendoel: Franse signaalwoorden (c'est-à-dire, par exemple, mais, au contraire) herkennen als sleutels tot de betekenis en de afleiding op logica controleren.

Veelgemaakte fouten

  • De betekenis wild raden zonder op signaalwoorden en leestekens te letten. Een gok die niet met de context klopt, levert bijna altijd het foute antwoord op.
  • Een contrastsignaal (mais, au contraire, pourtant) negeren en daardoor juist de tegengestelde betekenis kiezen — precies de valkuil die zulke signaalwoorden zouden moeten voorkomen.

Actieve herhaling

Leid de betekenis van de cursieve woorden af en benoem het contextsignaal dat je gebruikt: (1) „Il était morose, autrement dit de mauvaise humeur.” (2) „Contrairement à son frère bavard, Léa est plutôt taciturne.” (3) „Les édifices, comme les églises et les palais, dominent la vieille ville.” Schrijf per zin op welk signaal (definitie, contrast of voorbeeld) je op het spoor zette.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans VWO — woordenschat als voorwaardelijke vaardigheid (domein A, Leesvaardigheid) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Woordvorming: préfixes, suffixes en woordfamilies (les familles de mots)#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-frans-vwo-domein-A

Kernpunten

Woordvorming (la formation des mots) is een krachtig middel om de betekenis van een onbekend woord te reconstrueren. Afb. 2 laat de drie bouwstenen zien: een woord bestaat uit een radical (de stam of kern), eventueel voorafgegaan door een préfixe (voorvoegsel) en gevolgd door een suffixe (achtervoegsel). Ken je de stam en weet je wat het voor- en achtervoegsel doen, dan kun je de betekenis vaak zelf afleiden zonder woordenboek. „Refaire” is bijvoorbeeld re- (opnieuw) + faire (doen, maken) = opnieuw doen, en „inutile” is in- (niet) + utile (nuttig) = nutteloos. Deze techniek werkt bovendien in twee richtingen: uit een bekend grondwoord voorspel je afleidingen, en uit een onbekende afleiding herleid je het grondwoord.

Afb. 2 — Woordvorming (la formation des mots)

WoordvormingBoomdiagram, 3 paden, Gegevens: Préfixe (in-, dé-, re-); Radical (stam); Suffixe (-tion, -ment, -eur)Woordvorming (la formation des mots)Préfixe (in-, dé-, re-)Radical (stam)Suffixe (−tion, −ment, −eur)
Afb. 2Een woord is opgebouwd uit een préfixe, een radical (stam) en een suffixe; samen wijzen ze de betekenis en de woordsoort aan.
De préfixes dragen een vaste betekenis. De belangrijkste groep zijn de ontkennende voorvoegsels „in-” en zijn varianten „im-” (voor b, m, p), „il-” (voor l) en „ir-” (voor r): „inconnu” (onbekend), „impossible”, „illisible” (onleesbaar), „irréel” (onwerkelijk). Daarnaast betekent „mal-” slecht of verkeerd („malheureux” = ongelukkig, „malhonnête” = oneerlijk), duidt „dé-”/„dés-” een omkering of het ongedaan maken aan („défaire” = losmaken, „désordre” = wanorde), en drukt „re-”/„ré-” een herhaling uit („refaire” = opnieuw doen, „revenir” = terugkomen). Ook „pré-” (voor-, vooraf) en „sous-” (onder-) komen vaak voor. Wie „in-”, „dé-” of „mal-” herkent, weet meteen dat de betekenis ontkennend of negatief gekleurd is — een grote hulp bij het snel inschatten van een onbekend woord.
De suffixes verraden vooral de woordsoort. „-tion” en „-ment” vormen zelfstandige naamwoorden: „la création” (de schepping), „le changement” (de verandering). Let op dat „-ment” óók de gewone uitgang is van bijwoorden, afgeleid van een bijvoeglijk naamwoord: „lent” (langzaam) → „lentement” (langzaam, bijwoord), „heureux” → „heureusement” (gelukkig, gelukkigerwijs). Het suffixe „-eur”/„-euse” (en „-teur”/„-trice”) duidt vaak de uitvoerder aan: „chanteur/chanteuse” (zanger/zangeres), „vendeur/vendeuse” (verkoper/verkoopster). En „-able”/„-ible” drukt een mogelijkheid uit, te vergelijken met het Nederlandse „-baar”: „mangeable” (eetbaar), „lisible” (leesbaar), „incroyable” (ongelooflijk). Herken je het suffixe, dan weet je of je met een zelfstandig naamwoord, een bijwoord of een bijvoeglijk naamwoord te maken hebt.
De derde bouwsteen zijn de woordfamilies (les familles de mots): groepen woorden die dezelfde stam delen en dus betekenisverwant zijn. Herken je de stam, dan ontsluit je meteen een hele familie. Neem de stam „terr-” (van „la terre”, de aarde of grond): daaruit komen „le terrain” (het terrein), „souterrain” (ondergronds), „atterrir” (landen), „le territoire” (het grondgebied) en „terrestre” (aards). Ook al ken je „atterrir” niet, via „terre” en het voorvoegsel raad je „naar de grond gaan”, dus landen. Zo werkt het bij veel families, bijvoorbeeld rond „jour” („la journée”, „le journal”, „le séjour”) of „porter” („apporter”, „emporter”, „le transport”). Bouw je woordenschat daarom rond stammen op: één stam levert vaak vijf of meer woorden tegelijk.
Uitgewerkt voorbeeld

Een onbekend woord ontleden: „atterrir”

Leid de betekenis van „atterrir” af zonder woordenboek, in: „L'avion va atterrir dans dix minutes.”

  1. 01De stam zoeken

    In „atterrir” herken je de stam „terr-”, van „la terre” (de aarde, de grond).

  2. 02Voor- en achtervoegsel duiden

    Het voorvoegsel „a(t)-” (van „à”, naar) geeft een richting aan, en „-ir” is een werkwoorduitgang. Samen: een werkwoord dat „naar de grond (gaan)” betekent.

  3. 03Controleren met de context

    Het onderwerp is „l'avion” (het vliegtuig). „Naar de grond gaan” van een vliegtuig is landen — dat past perfect.

Resultaat: „atterrir” betekent landen. De familie rond „terre” („terrain”, „souterrain”, „territoire”, „terrestre”) bevestigt de stam, en de context (een vliegtuig) maakt de betekenis zeker: het vliegtuig gaat over tien minuten landen.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de betekenis van een onbekend woord reconstrueren via préfixe, radical en suffixe.
  • Examendoel: woordfamilies (les familles de mots) rond een gedeelde stam herkennen om afleidingen te ontsluiten.

Veelgemaakte fouten

  • Een ontkennend préfixe over het hoofd zien en de betekenis omdraaien: „inconnu” lezen als „bekend” of „malhonnête” als „eerlijk”. Het voorvoegsel „in-”/„mal-” keert de betekenis juist om.
  • De woordsoort die het suffixe aangeeft negeren, bijvoorbeeld een bijwoord op „-ment” („rapidement”) aanzien voor een zelfstandig naamwoord, waardoor de zin niet meer klopt.

Actieve herhaling

Ontleed de volgende woorden in préfixe + radical + suffixe en leid de betekenis af: (1) „reconstruire” (2) „impensable” (3) „le refroidissement” (4) „déboiser”. Noem daarna bij minstens één woord nog twee andere leden van dezelfde woordfamilie.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans VWO — woordenschat als voorwaardelijke vaardigheid (domein A, Leesvaardigheid) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Collocaties, idioom en faux amis#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-frans-vwo-domein-A

Kernpunten

Woorden leven zelden alleen: ze vormen vaste combinaties, de collocaties. Dat zijn woordparen die een moedertaalspreker „nu eenmaal zo zegt”, en die je daarom niet woord voor woord uit het Nederlands kunt vertalen. Zo gebruikt het Frans het werkwoord „prendre” (nemen) waar het Nederlands een ander werkwoord kiest: „prendre une décision” is letterlijk „een beslissing nemen”, maar „prendre le petit-déjeuner” is ontbijten. Andere vaste combinaties zijn „poser une question” (een vraag stellen — niet „faire”), „faire attention” (opletten), „avoir raison” (gelijk hebben) en „avoir tort” (ongelijk hebben). Leer zulke combinaties als één geheel, inclusief het bijbehorende voorzetsel, want juist bij het schrijven (SE) maakt de verkeerde collocatie je zin onidiomatisch — ook al klopt elk los woord.
Nog een stap verder gaan de idiomatische uitdrukkingen (les expressions idiomatiques): vaste zegswijzen waarvan de betekenis niet uit de losse woorden volgt. „Il pleut des cordes” betekent niet „het regent touwen”, maar het regent pijpenstelen; „avoir le cafard” (letterlijk „de kakkerlak hebben”) betekent in de put zitten, en „poser un lapin à quelqu'un” (letterlijk „iemand een konijn voorzetten”) betekent iemand laten zitten. Zulke uitdrukkingen moet je als geheel kennen — letterlijk vertalen levert onzin op. In examenteksten herken je een idioom vaak doordat de letterlijke lezing niet past bij de context; dat is dan het signaal om naar de figuurlijke, vaste betekenis te zoeken (of, als het echt nodig is, het op te zoeken).
De beruchtste valkuil zijn de faux amis (valse vrienden): Franse woorden die sterk op een Nederlands of Engels woord lijken, maar iets anders betekenen. Een paar klassiekers die je moet kennen: „actuellement” betekent op dit moment, momenteel (niet „actueel”; dat is „d'actualité”); „sensible” betekent gevoelig (niet „verstandig”; dat is „raisonnable” of „sensé”); „la librairie” is de boekwinkel (niet de bibliotheek; dat is „la bibliothèque”); „attendre” is wachten (op) (niet „verwachten”; dat is „s'attendre à”); „rester” is blijven (niet „rusten”; dat is „se reposer”); en „la journée” is de (hele) dag — niet te verwarren met het Engelse „journey” (reis), dat in het Frans „le voyage” heet. Extra examengevaarlijk is „passer un examen”: dat betekent een examen afleggen, niet slagen — slagen is „réussir (à) un examen”.
Ten slotte vragen polysemie en register aandacht. Veel Franse woorden hebben meer dan één betekenis (polyseme woorden), en pas de context bepaalt welke geldt: „le temps” is zowel de tijd als het weer, „voler” betekent zowel vliegen als stelen, en „une glace” is zowel ijs(je) als spiegel. Kies dus nooit automatisch de eerste betekenis die je kent, maar de betekenis die in de zin past. Daarnaast draagt woordkeuze register: „bosser” en „un bouquin” zijn informele woorden voor „travailler” (werken) en „un livre” (een boek), en in een formele brief (SE, domein D) horen juist de neutrale of formele varianten. Wie let op polysemie en register, kiest bij het lezen de juiste betekenis en schrijft bij het produceren in de juiste toon.
Uitgewerkt voorbeeld

Twee valse vrienden in één zin

Vertaal correct: „Actuellement, je cherche un cadeau dans la librairie du centre.”

  1. 01„Actuellement” herkennen

    Dit lijkt op „actueel” of „daadwerkelijk”, maar „actuellement” betekent op dit moment, momenteel. „Actueel” zou „d'actualité” zijn.

  2. 02„la librairie” herkennen

    Dit lijkt op „bibliotheek”, maar „la librairie” is de boekwinkel. Een bibliotheek is „la bibliothèque”. De context (een „cadeau” kopen) bevestigt dat het om een winkel gaat.

  3. 03De zin opbouwen

    Met beide correcties wordt de zin logisch: iemand zoekt momenteel een cadeau in de boekwinkel.

Resultaat: „Op dit moment zoek ik een cadeau in de boekwinkel in het centrum.” De twee faux amis „actuellement” (niet „actueel”) en „la librairie” (niet „bibliotheek”) zijn allebei correct vertaald.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: collocaties en idiomatische uitdrukkingen als geheel interpreteren en niet woord voor woord vertalen.
  • Examendoel: faux amis herkennen en polyseme woorden in hun context de juiste betekenis geven — niet de schijnbetekenis kiezen.

Veelgemaakte fouten

  • Faux amis letterlijk vertalen: „actuellement” als „actueel”, „la librairie” als „bibliotheek” of „passer un examen” als „slagen voor een examen”.
  • Een collocatie of idioom woord voor woord vertalen, zoals „faire attention” als „aandacht maken” of „il pleut des cordes” als „het regent touwen”.

Actieve herhaling

Vertaal de gemarkeerde woorden correct en let op de valse vrienden: (1) „Actuellement, elle habite à Lyon.” (2) „J'ai acheté ce roman dans une petite librairie.” (3) „Nous avons attendu le bus pendant vingt minutes.” (4) „Il est très sensible à la critique.” Leg bij elke zin uit waarom de voor de hand liggende vertaling fout zou zijn.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans VWO — woordenschat als voorwaardelijke vaardigheid (domein A, Leesvaardigheid) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Waarom woordenschat: geen apart toetsdomein, wel doorslaggevend○
    • 02Betekenis afleiden uit de context◐
    • 03Woordvorming: préfixes, suffixes en woordfamilies (les familles de mots)◐
    • 04Collocaties, idioom en faux amis●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Woordenschat

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~17
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Frans VWO — woordenschat als voorwaardelijke vaardigheid (domein A, Leesvaardigheid)

Vorig onderwerp

Complexe teksten lezen op niveau B2

Volgend onderwerp

Grammatica en taalverzorging

EuraStudy·Samenvattingen T·06·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.