EuraStudy
Samenvattingen/Filosofie/Wetenschap en samenleving
Samenvattingen · FilosofieNL · VWO

Wetenschap en samenleving

Wetenschap staat niet los van de maatschappij. Dit onderwerp (domein E) behandelt de these van de waardevrijheid van wetenschap en de kritiek daarop, de maatschappelijke inbedding van onderzoek, de verantwoordelijkheid van de wetenschapper (dual use, Jonas) en de verhouding tussen wetenschap, beleid en publiek vertrouwen — met steeds het onderscheid tussen wat wetenschap kan vaststellen en welke waardekeuzes de samenleving maakt.

4 Onderdelen·~16 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Standaard 3 · Verdieping 1

T·131313 / 14
Examenprofiel
De these van de waardevrijheid van wetenschap uitleggen en bekritiserenDe rol van waarden in de keuze, methode en toepassing van onderzoek analyserenDe maatschappelijke verantwoordelijkheid van de wetenschapper beoordelenDe verhouding tussen wetenschap, beleid en vertrouwen analyseren
Operatoren:leg uitanalyseerbeoordeelberedeneerweeg af

basisniveau

Ken de waardevrijheidsthese, het feiten-waardenonderscheid en het begrip dual use.

verhoogd niveau

Kun je de waardevrijheid genuanceerd bekritiseren en de verantwoordelijkheid van de wetenschapper en de rol van expertise in beleid wegen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Wetenschap en samenleving
    • 01Is wetenschap waardevrij?◐
    • 02De maatschappelijke inbedding van wetenschap◐
    • 03De verantwoordelijkheid van de wetenschapper◐
    • 04Wetenschap, beleid en vertrouwen●
§ 01

Is wetenschap waardevrij?#

●●○StandaardLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-E

Kernpunten

Een klassiek ideaal van de wetenschap is haar waardevrijheid (Duits: Werturteilsfreiheit): de gedachte dat wetenschappelijke kennis objectief is en onafhankelijk van de persoonlijke waarden, voorkeuren en belangen van de onderzoeker. Max Weber gaf dit ideaal zijn scherpste vorm. Volgens hem kan de wetenschap vaststellen wát het geval is en welke middelen tot welke doelen leiden, maar zij kan niet uitmaken welke doelen of waarden nagestreefd moeten worden — dat is een keuze, geen wetenschap. Afb. 1 laat zien waar in het onderzoeksproces waarden een rol spelen en waar de wetenschap naar waardevrijheid streeft.

Waar spelen waarden een rol in het onderzoek?

Feiten en waarden in het onderzoekGraaf, Keuze van de vraag (waardebetrokken) → Onderzoek & toetsing (ideaal: waardevrij), Onderzoek & toetsing (ideaal: waardevrij) → Toepassing & gevolgen (waardegeladen)Keuze van devraag(waardebetrokke…Onderzoek &toetsing(ideaal: waarde…Toepassing &gevolgen(waardegeladen)
Afb. 1Afb. 1 — Waarden omringen het onderzoek (keuze en toepassing); de toetsing zelf streeft naar waardevrijheid.
Achter de waardevrijheidsthese ligt het feiten-waardenonderscheid (verwant aan de is-hoort-kwestie uit de ethiek): descriptieve, feitelijke uitspraken zijn iets anders dan normatieve waardeoordelen, en de wetenschap zou zich tot het eerste moeten beperken. De wetenschapper mag zijn eigen politieke of morele voorkeuren niet als wetenschappelijk resultaat presenteren; hij moet, aldus Weber, feiten en waardeoordelen zuiver gescheiden houden, juist om de objectiviteit en het gezag van de wetenschap te beschermen. Wetenschap kan een debat van betrouwbare feiten voorzien, maar de uiteindelijke waardekeuze ligt bij de burger en de politiek.
Toch is dit ideaal grondig bekritiseerd. Waarden blijken op meerdere plaatsen onvermijdelijk aanwezig. Ten eerste bij de keuze van het onderzoeksthema: wat de moeite van het onderzoeken waard is, welke vragen worden gesteld en welk onderzoek wordt gefinancierd, is een waardekwestie (Weber noemde dit de „waardebetrokkenheid” die aan het onderzoek voorafgaat). Ten tweede bij de aanvaarding van hypothesen: omdat resultaten nooit volledig zeker zijn, weegt bij het aanvaarden of verwerpen van een hypothese altijd mee hoe erg de gevolgen van een fout zijn — een afweging die waarden bevat („inductief risico”). Ten derde bij de begripsvorming en de duiding: begrippen als „intelligentie”, „gezondheid” of „normaal” zijn zelden waardeneutraal.
Een nuttig hulpmiddel is het onderscheid tussen de context van ontdekking en de context van rechtvaardiging. In de context van ontdekking (hoe men op een idee of vraag komt) spelen psychologische, sociale en waardegebonden factoren onmiskenbaar een rol. De waardevrijheidsthese richt zich vooral op de context van rechtvaardiging (de toetsing en onderbouwing), waar men wél naar objectiviteit en onafhankelijkheid van persoonlijke waarden streeft. De kritiek luidt dat ook die scheiding niet volledig houdbaar is: waarneming is theoriegeladen (zie de kennisleer) en zelfs de standaarden van bewijs zijn niet volstrekt waardevrij. Volledige waardevrijheid is dan eerder een regulatief ideaal dan een bereikbare toestand.
Voor het examen moet je de waardevrijheidsthese van Weber kunnen uitleggen (feiten/waarden scheiden; wetenschap stelt feiten en middelen vast, niet de einddoelen), de belangrijkste kritiek kunnen geven (waarden bij keuze, aanvaarding en duiding) en een afgewogen standpunt kunnen innemen. Een verdedigbaar oordeel erkent dat volledige waardevrijheid onhaalbaar is, maar houdt vast aan het streven naar objectiviteit en aan het cruciale onderscheid tussen wat de wetenschap kán vaststellen (feiten, gevolgen) en welke waardekeuzes de samenleving moet maken.
Uitgewerkt voorbeeld

De waardevrijheid genuanceerd beoordelen

„Wetenschap over klimaatverandering is politiek en dus niet objectief.” Beoordeel deze redenering met het onderscheid feiten/waarden en de contexten van ontdekking en rechtvaardiging.

  1. 01Scheid feit en waarde

    Dat de aarde opwarmt en dat menselijke uitstoot daaraan bijdraagt, zijn feitelijke, toetsbare claims; wat we eraan moeten doen, is een waardekwestie (politiek).

  2. 02Pas de contexten toe

    Dat het thema politiek relevant is en met waarden gekozen wordt (context van ontdekking), maakt de toetsing van de feiten (context van rechtvaardiging) niet vanzelf onbetrouwbaar.

  3. 03Weeg de redenering

    De redenering springt van „politiek relevant/waardebetrokken” naar „niet objectief” — een onterechte sprong. Waarden sturen wél de vraag en de toepassing, maar de feitelijke bevindingen kunnen niettemin objectief getoetst zijn.

Resultaat: De redenering verwart waardebetrokkenheid (bij vraag en toepassing) met onbetrouwbaarheid van de bevindingen; de feiten kunnen objectief zijn, ook al is het thema politiek geladen.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de waardevrijheidsthese (Weber) en het feiten-waardenonderscheid uitleggen.
  • Examendoel: de kritiek op de waardevrijheid geven (waarden bij keuze, aanvaarding, duiding) en een afgewogen oordeel formuleren.

Veelgemaakte fouten

  • Waardevrijheid opvatten als „de wetenschapper heeft geen waarden”; het gaat erom dat hij zijn waardeoordelen niet als wetenschappelijk resultaat presenteert.
  • Van „waarden spelen een rol” meteen „wetenschap is puur subjectief” maken; dat is dezelfde sprong als bij het relativisme.

Actieve herhaling

Leg uit hoe waarden een rol kunnen spelen bij de keuze van een onderzoeksthema zonder dat de resultaten daardoor onbetrouwbaar hoeven te zijn.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein E (waardevrijheid) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 02

De maatschappelijke inbedding van wetenschap#

●●○StandaardLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-E

Kernpunten

De klassieke wetenschapsfilosofie (Popper, het positivisme) beschouwde wetenschap vooral als een logische aangelegenheid: een verzameling theorieën en toetsen. Kuhn liet echter zien dat wetenschap in de eerste plaats een sociale onderneming is: ze wordt bedreven door gemeenschappen met gedeelde paradigma's, opleidingen, tijdschriften en gezaghebbende figuren. Wat als kennis geldt, wordt mede bepaald door de gemeenschap die het beoordeelt — via mechanismen als collegiale toetsing (peer review), replicatie en wetenschappelijke consensus. Wetenschap is dus geen bezigheid van eenzame genieën maar een collectief, geïnstitutionaliseerd proces.
Die maatschappelijke inbedding heeft een positieve keerzijde: juist doordat vele onderzoekers elkaars werk controleren, bekritiseren en proberen te herhalen, kan de wetenschap individuele fouten en vooroordelen corrigeren. De objectiviteit van de wetenschap berust niet op de onfeilbaarheid van de enkeling maar op de kritische wisselwerking binnen de gemeenschap — de intersubjectiviteit uit de kennisleer, hier institutioneel vormgegeven. Openheid, transparantie en de bereidheid resultaten te delen en te laten toetsen zijn daarom kernwaarden van de wetenschappelijke praktijk.
Tegelijk staat de wetenschap onder invloed van belangen en machten buiten haar. Onderzoek wordt gefinancierd door overheden en bedrijven, die keuzes over thema's en prioriteiten sturen; publicatiedruk en concurrentie kunnen de kwaliteit onder druk zetten; en gefinancierde belangen (denk aan tabaks- of farmaceutisch onderzoek) kunnen resultaten kleuren. Deze factoren maken de wetenschap niet vanzelf onbetrouwbaar, maar ze tonen dat wetenschap een menselijke, maatschappelijke praktijk is die waakzaamheid en institutionele waarborgen (onafhankelijkheid, transparantie over financiering) vereist om betrouwbaar te blijven.
Sommige denkers hebben de verwevenheid van kennis en macht sterk benadrukt. Michel Foucault sprak van „macht/kennis”: wat in een samenleving als waarheid geldt, hangt samen met heersende machtsstructuren en manieren van spreken (discoursen). De feministische en postkoloniale wetenschapsfilosofie wees erop dat schijnbaar neutrale wetenschap soms de aannames en belangen van dominante groepen weerspiegelt. Deze kritiek is waardevol als correctie op naïef vertrouwen, maar in haar sterkste vorm — waarheid is niets dan macht — vervalt ze in het zelfweerleggende relativisme dat we eerder tegenkwamen. Een evenwichtige positie erkent de sociale inbedding én de reële, corrigerende toetsing aan de werkelijkheid.
Voor het examen moet je kunnen uitleggen dat en waarom wetenschap een sociale, geïnstitutionaliseerde onderneming is, welke rol de gemeenschap (peer review, consensus) speelt in de objectiviteit, en welke externe invloeden (financiering, belangen, macht) de betrouwbaarheid kunnen bedreigen. Het gaat om een genuanceerd oordeel: de maatschappelijke inbedding is zowel de bron van de zelfcorrigerende kracht van de wetenschap als een mogelijke bron van vertekening — afhankelijk van hoe de instituties zijn ingericht.
Uitgewerkt voorbeeld

Objectiviteit als sociaal proces

Leg uit waarom de objectiviteit van de wetenschap volgens veel wetenschapsfilosofen niet berust op de onfeilbaarheid van de individuele onderzoeker.

  1. 01Erken de individuele feilbaarheid

    Elke onderzoeker heeft vooroordelen, blinde vlekken en belangen; waarneming is bovendien theoriegeladen. De enkeling is niet onfeilbaar objectief.

  2. 02Wijs op de gemeenschap

    Andere onderzoekers controleren, bekritiseren en herhalen het werk (peer review, replicatie); fouten en vertekeningen komen zo aan het licht en worden gecorrigeerd.

  3. 03Trek de conclusie

    De objectiviteit ontstaat op het niveau van de gemeenschap, uit de kritische wisselwerking (intersubjectiviteit), niet uit de onfeilbaarheid van één persoon.

Resultaat: Objectiviteit is een sociale prestatie: ze berust op de wederzijdse, kritische controle binnen de wetenschappelijke gemeenschap, niet op de onfeilbaarheid van de individuele wetenschapper.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de wetenschap als sociale, geïnstitutionaliseerde onderneming uitleggen (gemeenschap, peer review, consensus).
  • Examendoel: de externe invloeden (financiering, belangen, macht) op de wetenschap benoemen en wegen.

Veelgemaakte fouten

  • Uit „wetenschap is een sociaal proces” concluderen dat wetenschap „maar een mening” is; de sociale controle versterkt juist de objectiviteit.
  • De kennis-machtthese (Foucault) in haar sterkste vorm klakkeloos overnemen; „waarheid is niets dan macht” is zelfweerleggend.

Actieve herhaling

Leg uit hoe onafhankelijke financiering en transparantie de betrouwbaarheid van wetenschappelijk onderzoek beschermen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein E (wetenschap als sociale praktijk) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 03

De verantwoordelijkheid van de wetenschapper#

●●○StandaardLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-E

Kernpunten

Wetenschappelijke kennis geeft macht — om te genezen én te doden, te voeden én te vernietigen. Daarmee rijst de vraag naar de verantwoordelijkheid van de wetenschapper. Men onderscheidt een interne en een externe verantwoordelijkheid. De interne verantwoordelijkheid betreft de wetenschappelijke integriteit: eerlijk onderzoek doen, niet frauderen of plagiëren, resultaten niet mooier maken dan ze zijn. De externe of maatschappelijke verantwoordelijkheid betreft de gevolgen van het onderzoek voor de samenleving: mag je álles onderzoeken en publiceren, ongeacht wat ermee gebeurt?
Het scherpst wordt deze vraag bij de dubbele bruikbaarheid (dual use) van kennis: dezelfde kennis kan voor goede en kwade doeleinden worden gebruikt. De kernfysica maakt kernenergie én kernwapens mogelijk; de biotechnologie levert geneesmiddelen én mogelijke biowapens; de kunstmatige intelligentie brengt zowel diagnostiek als surveillance en autonome wapens. De wetenschapper die zulke kennis ontwikkelt, kan het gebruik ervan meestal niet controleren. Is hij dan medeverantwoordelijk voor het misbruik, of ligt de verantwoordelijkheid geheel bij wie de kennis toepast?
Historische voorbeelden hebben deze vraag urgent gemaakt. De natuurkundigen van het Manhattanproject hielpen de atoombom ontwikkelen; Robert Oppenheimer verwoordde het schuldbesef dat velen achteraf voelden. Zulke gevallen tonen dat de klassieke scheiding — de wetenschapper levert neutrale kennis, de politiek beslist over het gebruik — te gemakkelijk is: de keuze om bepaald onderzoek wél of niet te doen, is zelf al een morele keuze met gevolgen. Tegelijk zou een wetenschapper die elk mogelijk misbruik moet voorzien, nauwelijks nog kunnen werken; de gevolgen van kennis zijn vaak onvoorspelbaar en liggen mede in handen van anderen.
De filosoof Hans Jonas formuleerde hiervoor een nieuwe ethiek van de verantwoordelijkheid. Omdat de moderne techniek en wetenschap een ongekende macht geven, met gevolgen die zich uitstrekken tot verre generaties en de hele biosfeer, volstaat de traditionele ethiek (gericht op het hier en nu, op naaste medemensen) niet meer. Jonas' „imperatief van de verantwoordelijkheid” luidt dat we zó moeten handelen dat de gevolgen verenigbaar zijn met het voortbestaan van echt menselijk leven op aarde. Dit legt een vooruitziende zorgplicht op de schouders van wie over deze macht beschikt — en verbindt de verantwoordelijkheid van de wetenschapper rechtstreeks met het examenthema over techniek.
Voor het examen moet je het onderscheid tussen interne en externe verantwoordelijkheid en het begrip dual use kunnen uitleggen, de vraag naar de medeverantwoordelijkheid van de wetenschapper kunnen analyseren met de ethische theorieën (weegt hier het gevolg, de plicht of het karakter?), en Jonas' verantwoordelijkheidsethiek kunnen weergeven. Merk op hoe dit onderwerp de wetenschapsfilosofie met de ethiek (vrijheid en verantwoordelijkheid) en met het techniekthema verbindt.
Uitgewerkt voorbeeld

Dual use en verantwoordelijkheid

Een bioloog ontdekt hoe een virus besmettelijker gemaakt kan worden; publicatie kan de wetenschap dienen maar ook bioterroristen. Analyseer de verantwoordelijkheid met twee ethische theorieën.

  1. 01Consequentialistisch

    Weeg de gevolgen: dient de kennis (bijv. vaccinontwikkeling) een groter welzijn dan het risico op misbruik? Zo niet, dan pleit het utilisme voor niet-publiceren of beperkte deling.

  2. 02Deontologisch

    Vraag naar plichten: de wetenschapper heeft een plicht tot openheid én een plicht anderen niet aan ernstig gevaar bloot te stellen. Bij botsing weegt de plicht om ernstige schade te voorkomen mogelijk zwaarder.

  3. 03Formuleer een oordeel

    Beide theorieën wijzen hier naar terughoudendheid; verantwoord handelen betekent de kennis niet klakkeloos vrijgeven maar de dual-userisico's vooraf te wegen (mede met Jonas' vooruitziende zorgplicht).

Resultaat: Zowel het utilisme (grotere schade dan nut) als de deontologie (plicht ernstige schade te voorkomen) pleiten voor terughoudendheid; de wetenschapper draagt medeverantwoordelijkheid voor voorzienbaar misbruik.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: interne en externe verantwoordelijkheid en het begrip dual use uitleggen.
  • Examendoel: de medeverantwoordelijkheid van de wetenschapper analyseren met de ethische theorieën en Jonas' verantwoordelijkheidsethiek.

Veelgemaakte fouten

  • De verantwoordelijkheid volledig bij „de gebruiker” leggen: ook de keuze om bepaald onderzoek te doen of te publiceren is een morele keuze.
  • De wetenschapper verantwoordelijk houden voor élk denkbaar toekomstig misbruik; verantwoordelijkheid vereist ook voorzienbaarheid (zie de voorwaarden uit het onderwerp over vrijheid).

Actieve herhaling

Leg uit waarom Jonas meent dat de macht van de moderne techniek en wetenschap een nieuwe, op de toekomst gerichte ethiek van verantwoordelijkheid vereist.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein E (verantwoordelijkheid van de wetenschapper) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 04

Wetenschap, beleid en vertrouwen#

●●●VerdiepingLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-E

Kernpunten

In een moderne samenleving speelt wetenschappelijke expertise een sleutelrol bij het beleid: bij een pandemie, de klimaatcrisis of de veiligheid van producten leunen politici en burgers op wat de wetenschap vaststelt. Hier keert het feiten-waardenonderscheid praktisch terug. De wetenschap kan vaststellen wát het geval is (het virus verspreidt zich zó, deze maatregel heeft díé gevolgen), maar zij kan niet uitmaken welke gevolgen we bereid zijn te aanvaarden — dat is een politieke, normatieve keuze waarin waarden als vrijheid, veiligheid, welvaart en rechtvaardigheid tegen elkaar worden afgewogen. „De wetenschap” schrijft geen beleid voor; ze levert de feitelijke bouwstenen waarmee de samenleving haar waardekeuzes maakt.
Twee tegengestelde fouten liggen daarbij op de loer, en beide ondermijnen zowel de democratie als het vertrouwen in de wetenschap. De eerste is het technocratisch verhullen van waardekeuzes achter „de wetenschap”: een politieke keuze presenteren alsof ze rechtstreeks uit de feiten volgt (een is-hoort-sprong), waardoor de democratische afweging wordt overgeslagen. De tweede is het politiseren of wegwuiven van feiten: onwelgevallige wetenschappelijke bevindingen verdacht maken of naast je neerleggen omdat ze niet in het gewenste beleid passen. Een gezonde verhouding houdt beide gescheiden: de feiten serieus nemen én de waardekeuze open en democratisch maken.
Een bijzondere moeilijkheid is de omgang met onzekerheid. Wetenschappelijke kennis is, zoals de wetenschapsfilosofie leert, altijd voorlopig en zelden absoluut zeker; toch moet er beleid worden gemaakt. Het voorzorgsbeginsel stelt dat men bij dreigende ernstige, onomkeerbare schade ook mag (of moet) handelen zónder volledige zekerheid — maar hoeveel onzekerheid rechtvaardigt hoeveel ingrijpen, is opnieuw een waardeafweging. Eerlijk beleid vraagt dat wetenschappers de onzekerheid transparant communiceren in plaats van een schijnzekerheid te suggereren, en dat beleidsmakers erkennen dat ze onder onzekerheid een keuze maken.
Ten slotte is er de kwestie van het publieke vertrouwen in de wetenschap. Dat vertrouwen is geen blind geloof maar berust op goede gronden: de zelfcorrigerende, intersubjectieve methode, de onafhankelijkheid en de transparantie van de wetenschap. Het wordt echter bedreigd door desinformatie, door belangenverstrengeling, door het uitvergroten van (normale) wetenschappelijke onenigheid tot „de wetenschap is het oneens”, en door het verwarren van wetenschappelijke consensus met politieke onderdrukking van kritiek. Het herstellen en behouden van gerechtvaardigd vertrouwen vraagt van de wetenschap eerlijkheid over wat ze wel en niet weet, en van de samenleving het vermogen om betrouwbare van onbetrouwbare bronnen te onderscheiden — een kernvaardigheid die teruggrijpt op domein A.
Voor het examen moet je kunnen uitleggen hoe het feiten-waardenonderscheid doorwerkt in de verhouding tussen wetenschap en beleid, de twee tegengestelde fouten (technocratie en het wegwuiven van feiten) kunnen benoemen, de rol van onzekerheid en het voorzorgsbeginsel kunnen analyseren, en de gronden van gerechtvaardigd vertrouwen in de wetenschap kunnen wegen. Dit onderwerp bundelt de hele wetenschapsfilosofie tot een maatschappelijke vraag en vormt de brug naar het examenthema over de mens en de techniek, waar wetenschap, macht en verantwoordelijkheid opnieuw samenkomen.
Uitgewerkt voorbeeld

Feiten en waarden in het beleid scheiden

Tijdens een pandemie zegt een politicus: „De wetenschap schrijft voor dat we alles moeten sluiten.” Analyseer wat er mis is met deze formulering.

  1. 01Scheid feit en waarde

    De wetenschap kan vaststellen hoe het virus zich verspreidt en welk effect sluiting op besmettingen heeft (feiten); of de baten van sluiten opwegen tegen de kosten (economie, welzijn, vrijheid) is een waardeafweging.

  2. 02Wijs de sprong aan

    „De wetenschap schrijft voor” maakt van een feitelijke bevinding een normatieve conclusie — een is-hoort-sprong die de politieke waardekeuze verhult als wetenschappelijk feit.

  3. 03Formuleer de zuivere versie

    Correcter is: „De wetenschap laat zien dat sluiting de besmettingen sterk vermindert; gegeven de waarde die wij aan het beschermen van levens hechten ten opzichte van andere belangen, kiezen wij ervoor te sluiten.” Feit en waardekeuze blijven zo gescheiden en democratisch verantwoord.

Resultaat: De formulering verhult een politieke waardekeuze als wetenschappelijk voorschrift (is-hoort-sprong); zuiver is het scheiden van de wetenschappelijke feiten en de expliciete, democratische waardeafweging.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: uitleggen hoe het feiten-waardenonderscheid de verhouding tussen wetenschap en beleid structureert.
  • Examendoel: de rol van onzekerheid, het voorzorgsbeginsel en de gronden van publiek vertrouwen in de wetenschap analyseren.

Veelgemaakte fouten

  • „De wetenschap” beleidskeuzes laten voorschrijven: wetenschap levert feiten en gevolgen, de waardekeuze is politiek.
  • Wetenschappelijke onzekerheid of normale onenigheid uitleggen als bewijs dat „de wetenschap onbetrouwbaar is”; voorlopigheid hoort bij wetenschap en ondermijnt haar betrouwbaarheid niet.

VWO-verdieping

Verdieping: analyseer een actueel debat (bijv. klimaatbeleid of vaccinatie) waarin wetenschap en waardekeuzes verstrengeld raken. Laat zien waar de feiten ophouden en de waardeafweging begint, en betoog hoe wetenschap in een democratie haar gezag kan behouden zonder de politieke afweging over te nemen.

Actieve herhaling

Leg uit waarom zowel het verhullen van een waardekeuze achter „de wetenschap” als het wegwuiven van wetenschappelijke feiten het vertrouwen in de wetenschap schaadt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein E (wetenschap, beleid en vertrouwen) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Is wetenschap waardevrij?◐
    • 02De maatschappelijke inbedding van wetenschap◐
    • 03De verantwoordelijkheid van de wetenschapper◐
    • 04Wetenschap, beleid en vertrouwen●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Wetenschap en samenleving

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~16
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

College voor Toetsen en Examens (CvTE)

  • Examenprogramma filosofie VWO — domein E (waardevrijheid)

Vorig onderwerp

Wetenschappelijke kennis

Volgend onderwerp

CE-thema: De mens en techniek

EuraStudy·Samenvattingen T·13·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.