EuraStudy
Samenvattingen/Filosofie/CE-thema: De mens en techniek
Samenvattingen · FilosofieNL · VWO

CE-thema: De mens en techniek

Het examenthema van het centraal examen (in deze editie „De mens en techniek”) past de wijsgerige vaardigheden van domein A toe op de filosofische reflectie op techniek: wat is techniek, hoe verhouden mens en techniek zich (instrumentalisme, substantivisme, mediatietheorie), en welke vragen roept techniek op over vrijheid, verantwoordelijkheid en het mensbeeld. Let op: het thema en de bijbehorende syllabus/leeslijst wisselen per examenperiode — raadpleeg altijd de actuele syllabus op Examenblad.nl.

4 Onderdelen·~18 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·141414 / 14
Examenprofiel
Techniekopvattingen onderscheiden (instrumentalisme, substantivisme, mediatietheorie)De klassieke techniekfilosofie (Heidegger) uitleggen en beoordelenDe empirische wending en de mediatietheorie (Verbeek, Ihde) uitleggenEthische vragen rond techniek (autonomie, verantwoordelijkheid, mensbeeld) analyseren
Operatoren:leg uitonderscheidanalyseerbeoordeelbeargumenteer

basisniveau

Ken het onderscheid instrumentalisme/substantivisme/mediatietheorie en Heideggers das Gestell.

verhoogd niveau

Kun je de mediatietheorie (Verbeek) toepassen op een casus en de vragen over mensverbetering en verantwoordelijkheid wegen — steeds getoetst aan de actuele syllabus.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. CE-thema: De mens en techniek
    • 01Wat is techniek? Van werktuig tot systeem○
    • 02Klassieke techniekfilosofie: instrumentalisme en substantivisme◐
    • 03De empirische wending: mediatietheorie (Verbeek, Ihde)◐
    • 04Techniek, vrijheid, verantwoordelijkheid en mensbeeld●
§ 01

Wat is techniek? Van werktuig tot systeem#

●○○BasisLPexamenblad-filosofie-vwo-examenthema

Kernpunten

Het examenthema van het centraal examen past de wijsgerige vaardigheden (domein A) toe op één afgebakend onderwerp; in deze editie is dat „De mens en techniek”. Voordat we naar de filosofische visies gaan, is het zaak het begrip techniek te analyseren. Afb. 1 schetst de ontwikkeling ervan door de geschiedenis. Het woord gaat terug op het Griekse technè: de kunde of vaardigheid om iets voort te brengen, van het maken van een pot tot de kunst. Techniek is dus van oudsher verbonden met het menselijke vermogen om de wereld doelgericht te bewerken en om te vormen.

Tijdlijn van de techniek en de techniekfilosofie

De techniek door de tijdTijdlijn van -400 tot 2040, -350: Aristoteles: technè, 1784: Industrialisering, 1954: Heidegger: das Gestell, 1990: Ihde: postfenomenologie, 2011: Verbeek: mediatietheorie, -400–300: Klassiek: technè, 1900–1970: Klassieke techniekfilosofie, 1980–2030: Empirische wending−4002040jaarKlassiek: technèKlassieketechniekfilosofieEmpirische wending−350Aristoteles:technè1784Industrialisering1954Heidegger: dasGestell1990Ihde:postfenomenolog…2011Verbeek:mediatietheorie
Afb. 1Afb. 1 — Van technè en werktuig naar de moderne systemen, en de filosofische reflectie daarop.
Dat vermogen ontwikkelt zich van het eenvoudige werktuig (de hamer, de ploeg) via de machine (de stoommachine, de fabriek) tot omvattende technische systemen en infrastructuren (het elektriciteitsnet, het internet, de logistieke keten). Bij die overgang verandert de aard van de techniek: een los gereedschap gebruik je naar believen, maar een technisch systeem waarin je bent opgenomen — het verkeer, het betalingsverkeer, het digitale netwerk — vormt je hele leefwereld en laat zich niet zomaar aan- of uitzetten. Techniek is dan niet langer iets wat de mens tegenover zich heeft, maar de omgeving waarin en waardoor hij leeft.
Techniek is bovendien wezenlijk verbonden met wat de mens is. In de wijsgerige antropologie zagen we Gehlens gedachte dat de mens een Mängelwesen is: een instinctarm, biologisch onvoltooid wezen dat juist daardom zijn wereld met werktuigen, taal en instituties zelf moet inrichten. In dat licht is techniek geen bijkomstigheid maar een wezenskenmerk van de mens: de mens is van nature een technisch, wereld-vormend wezen. „Homo faber” — de makende mens — is een even oude aanduiding als „homo sapiens”, de wetende mens.
Deze analyse maakt meteen zichtbaar waarom techniek een filosofisch probleem is en niet louter een praktische kwestie. Als techniek onze leefwereld vormt én verbonden is met wat we als mens zijn, dan raakt de vraag naar de techniek aan alle grote thema's: aan de kennisleer (techniek bemiddelt onze waarneming van de wereld), aan de ethiek (techniek verruimt onze macht en dus onze verantwoordelijkheid), aan de vrijheid (maakt techniek ons vrijer of afhankelijker?) en aan het mensbeeld (verandert de techniek wat het is om mens te zijn?). Het thema bundelt zo de hele cursus.
Voor het examen moet je het begrip techniek kunnen analyseren (van technè en werktuig tot systeem en leefwereld), de verbinding met het mens-zijn (homo faber, Gehlens Mängelwesen) kunnen leggen, en de filosofische reikwijdte van het thema kunnen benoemen. Houd daarbij goed voor ogen dat het examenthema en de precieze leeslijst per periode door het CvTE worden vastgesteld: de systematische begrippen en denkers hieronder blijven bruikbaar, maar de exacte teksten en accenten van jouw examenjaar vind je in de actuele syllabus op Examenblad.nl.
Uitgewerkt voorbeeld

De mens als technisch wezen

Leg met Gehlens begrip Mängelwesen uit waarom techniek volgens sommige filosofen een wezenskenmerk van de mens is, en niet slechts een handig hulpmiddel.

  1. 01Vat het tekort samen

    De mens is instinctarm en niet gespecialiseerd: de natuur legt hem geen vaste leefwijze op en rust hem niet volledig toe om te overleven.

  2. 02Leg de noodzaak uit

    Om te bestaan moet de mens zijn omgeving zelf beheersbaar maken; werktuigen en techniek compenseren het biologische tekort.

  3. 03Trek de conclusie

    Techniek is daarmee geen extraatje bij een verder complete mens, maar de manier waarop dit onvoltooide wezen überhaupt kan bestaan — een wezenskenmerk (homo faber).

Resultaat: Omdat de mens biologisch onvoltooid is, is techniek de manier waarop hij zijn wereld en zichzelf vormgeeft; techniek is dus wezenlijk menselijk, geen loutere bijkomstigheid.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het begrip techniek analyseren (technè, werktuig, machine, systeem, leefwereld).
  • Examendoel: de verbinding tussen techniek en het mens-zijn leggen (homo faber, Gehlens Mängelwesen).

Veelgemaakte fouten

  • Techniek gelijkstellen aan „apparaten”: het gaat ook om systemen, methoden en de leefwereld die ze vormen.
  • Vergeten dat het examenthema en de leeslijst per periode wisselen; controleer altijd de actuele CvTE-syllabus.

Actieve herhaling

Leg uit hoe de overgang van los werktuig naar omvattend technisch systeem de verhouding tussen mens en techniek verandert.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — examenthema (syllabus per periode) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 02

Klassieke techniekfilosofie: instrumentalisme en substantivisme#

●●○StandaardLPexamenblad-filosofie-vwo-examenthema

Drie visies op de mens-techniekrelatie

Visies op techniekTabel met 4 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Visie · Kernstelling · Techniek is · Denker; Instrumentalisme · techniek is een neutraal middel · waardevrij gereedschap · gangbare opvatting; Substantivisme · techniek is een autonome macht die ons vormt · een systeem (das Gestell) · Heidegger, Ellul; Mediatietheorie · techniek bemiddelt mens en wereld · medebepalend, niet neutraal · Verbeek, Ihde, gemarkeerde cel: techniek bemiddelt mens en wereldVISIEKERNSTELLINGTECHNIEK ISDENKERINSTRUMENTALISMEtechniek is een neutraalmiddelwaardevrij gereedschapgangbare opvattingSUBSTANTIVISMEtechniek is een autonomemacht die ons vormteen systeem (das Gestell)Heidegger, EllulMEDIATIETHEORIEtechniek bemiddelt mens enwereldmedebepalend, niet neutraalVerbeek, IhdeMiddel, macht of bemiddeling?
Afb. 2Afb. 1 — Techniek als neutraal middel (instrumentalisme), autonome macht (substantivisme) of bemiddeling (mediatietheorie).

Kernpunten

Op de vraag hoe mens en techniek zich verhouden, bestaan enkele grondposities die Afb. 1 vergelijkt. De eerste, meest gangbare, is het instrumentalisme: techniek is een neutraal middel, een gereedschap dat op zichzelf waardevrij is. Een hamer is goed noch slecht; alles hangt af van wat de mens ermee doet. In deze opvatting — samengevat in de leus „niet het wapen doodt, maar de mens die het gebruikt” — ligt alle verantwoordelijkheid bij de gebruiker en heeft de techniek zelf geen eigen morele of maatschappelijke betekenis.
Het instrumentalisme heeft een kern van waarheid (techniek dient inderdaad menselijke doelen) maar wordt bekritiseerd omdat het de techniek te neutraal en te passief voorstelt. Een techniek is zelden louter een neutraal middel: ze maakt bepaalde handelingen mogelijk en andere onmogelijk, ze maakt sommige dingen makkelijk en gewoon en andere moeilijk, en ze stuurt zo — ook zonder dat iemand dat kiest — wat mensen doen en willen. De aanwezigheid van een snelweg nodigt uit tot autorijden; sociale media zijn ontworpen om aandacht vast te houden. Techniek is niet neutraal, maar medebepalend voor het gedrag.
De tegenpositie is het substantivisme (vaak techniekpessimistisch): techniek is geen neutraal middel maar een autonome macht met een eigen logica, die de mens en de samenleving vormt en beheerst. Martin Heidegger gaf hiervan de invloedrijkste analyse. Volgens hem is het wezen van de moderne techniek zélf niets technisch: het is een manier waarop de werkelijkheid zich aan ons toont — het „Ge-stell” (gestel). In dat technische zien verschijnt alles als „Bestand”: als voorraad, grondstof, iets dat op afroep beschikbaar, meetbaar en optimaliseerbaar is. De rivier wordt een energiebron, het bos wordt houtopbrengst, en de mens dreigt zelf tot „human resource” te worden.
Heideggers punt is niet simpel dat techniek slecht is (hij is geen machinestormer), maar dat het gevaar erin schuilt dat deze technische manier van zien de énige wordt en andere verhoudingen tot de wereld — die van de kunst, de dankbaarheid, het laten-zijn — verdringt. Zijn hoop, met een woord van Hölderlin, is dat „waar het gevaar is, ook het reddende groeit”: door het wezen van de techniek te doorzien, kunnen we er een vrijere verhouding (Gelassenheit) toe vinden. Jacques Ellul werkte een verwante gedachte uit: „la technique” als een zichzelf voortstuwend systeem, gedreven door efficiëntie, dat zich aan menselijke controle onttrekt.
Het substantivisme corrigeert het instrumentalisme door te tonen dat techniek niet neutraal is en dat ze de mens vormt. Maar het wordt op zijn beurt bekritiseerd als te pessimistisch, te abstract en te deterministisch: het behandelt „de Techniek” als één monolithische, bijna noodlottige macht, terwijl techniek in werkelijkheid veelvormig en concreet is, en mensen er wel degelijk keuzes in maken. Precies deze kritiek leidde tot de empirische wending van de volgende paragraaf. Voor het examen moet je instrumentalisme en substantivisme kunnen onderscheiden, Heideggers das Gestell/Bestand kunnen uitleggen, en beide posities kunnen beoordelen.
Uitgewerkt voorbeeld

Instrumentalisme of substantivisme?

„Sociale media zijn gewoon een gereedschap; of ze goed of slecht zijn, hangt volledig af van hoe je ze gebruikt.” Welke positie is dit, en welk tegenargument geeft het substantivisme?

  1. 01Herken de positie

    Techniek als neutraal, waardevrij gereedschap waarvan de betekenis louter van de gebruiker afhangt: dit is het instrumentalisme.

  2. 02Geef het substantivistische tegenargument

    Sociale media zijn niet neutraal: ze zijn ontworpen om de aandacht maximaal vast te houden en sturen zo — ook zonder bewuste keuze van de gebruiker — gedrag, emoties en zelfs de publieke discussie.

  3. 03Trek de les

    De techniek zelf heeft een richting en een logica die de gebruiker meebeweegt; ze is medebepalend, niet slechts een passief middel. Het instrumentalisme onderschat dit.

Resultaat: De uitspraak is instrumentalistisch; het substantivisme werpt tegen dat de techniek zelf, door haar ontwerp en logica, het gedrag stuurt en dus niet neutraal is.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: instrumentalisme en substantivisme onderscheiden en op een casus toepassen.
  • Examendoel: Heideggers begrippen das Gestell en Bestand uitleggen en beoordelen.

Veelgemaakte fouten

  • Substantivisme lezen als „techniek is slecht”: Heidegger wil vooral een vrije verhouding tot de techniek, geen afwijzing ervan.
  • Het instrumentalisme voetstoots aannemen; de neutrale-middelopvatting miskent dat techniek gedrag stuurt.

Actieve herhaling

Leg uit wat Heidegger bedoelt met das Gestell en waarom hij meent dat het gevaar niet in de machines zelf schuilt maar in een manier van zien.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — examenthema (klassieke techniekfilosofie) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 03

De empirische wending: mediatietheorie (Verbeek, Ihde)#

●●○StandaardLPexamenblad-filosofie-vwo-examenthema

Technische bemiddeling: mens — techniek — wereld

Mediatie (Verbeek, Ihde)Graaf, Mens → Techniek (bemiddelt), Techniek (bemiddelt) → WereldMensTechniek(bemiddelt)Wereldhandelenwaarneming
Afb. 3Afb. 1 — Verbeeks mediatietheorie: techniek staat tussen mens en wereld en bemiddelt waarneming én handelen.

Kernpunten

Vanaf de jaren tachtig maakt de techniekfilosofie een empirische wending: weg van „de Techniek” als één abstracte, noodlottige macht (Heidegger, Ellul), en toe naar concrete technologieën en hoe ze feitelijk werken in het menselijk leven. Techniek is niet één ding en niet louter goed of kwaad, maar veelvormig, concreet en te onderzoeken. Deze wending combineert de correctie van het substantivisme (techniek is niet neutraal) met een genuanceerder, minder pessimistisch en minder deterministisch beeld dan dat van Heidegger.
De Amerikaanse filosoof Don Ihde analyseert in zijn postfenomenologie de concrete relaties tussen mens, techniek en wereld. Techniek staat volgens hem meestal tússen de mens en de wereld, en bemiddelt zo onze ervaring. Bij belichaming wordt de techniek als het ware deel van ons lichaam en ervaren we de wereld erdóór (een bril, een blindenstok, waardoor je voelt of ziet). Bij de hermeneutische relatie lezen we de wereld áf aan de techniek (een thermometer, een MRI-scan geven ons toegang tot wat we niet direct waarnemen). Steeds geldt: elke techniek versterkt bepaalde aspecten van de werkelijkheid en verzwakt tegelijk andere — techniek is nooit een neutraal venster.
De Nederlandse filosoof Peter-Paul Verbeek werkt dit uit tot een mediatietheorie, die Afb. 1 in beeld brengt. Techniek bemiddelt de relatie tussen mens en wereld op twee manieren: ze vormt onze waarneming (hoe de wereld aan ons verschijnt) én ons handelen (wat we doen). Cruciaal is dat deze bemiddeling ook moreel is: technische artefacten sturen mede wat wij als goed, normaal of wenselijk zien, en welke keuzes zich aan ons opdringen. Verbeeks bekende voorbeeld is de echoscopie: de echo bemiddelt hoe aanstaande ouders het ongeboren kind ervaren (als patiënt, als drager van mogelijke afwijkingen) en welke beslissingen zich aandienen. De techniek „doet” dus iets moreels — ze is een medespeler in het handelen, niet een passief middel.
Uit deze analyse trekt Verbeek een praktische, constructieve conclusie: als techniek onvermijdelijk ons gedrag en onze moraal mede vormt, kunnen we die bemiddeling maar beter bewust en verantwoord vormgeven in plaats van haar te ontkennen (instrumentalisme) of te betreuren (substantivisme). Hij pleit voor een ethiek van het ontwerp: ontwerpers zouden vooraf moeten nadenken over hoe hun artefacten gedrag zullen sturen — de „moraal” die in dingen wordt ingebouwd (denk aan de snelheidsbegrenzer, de verzuipbeveiliging, het ontwerp dat tot duurzaam gedrag verleidt). Techniek moraliseren betekent hier: de onvermijdelijke sturende werking van techniek erkennen en er verantwoordelijkheid voor nemen.
Voor het examen moet je de empirische wending kunnen uitleggen (van abstract naar concreet), de mediatietheorie van Verbeek (techniek bemiddelt waarneming én handelen, ook moreel) en Ihdes relaties kunnen toepassen op een voorbeeld, en de mediatietheorie kunnen afwegen tegen het instrumentalisme en het substantivisme. Merk op dat de mediatietheorie een middenweg biedt: techniek is niet neutraal (tegen het instrumentalisme) maar ook geen almachtige, autonome macht (tegen het substantivisme) — ze is een bemiddelaar die mens en wereld verbindt en die wij mede vormgeven.
Uitgewerkt voorbeeld

De mediatietheorie toepassen

Analyseer met Verbeeks mediatietheorie hoe de smartphone met stappenteller de relatie tussen mens en wereld bemiddelt, ook moreel.

  1. 01Bemiddeling van de waarneming

    Door de stappenteller ga je je eigen lichaam en dag anders zien: als een reeks meetbare stappen en doelen. De techniek vormt hoe de wereld (en je gezondheid) aan je verschijnt.

  2. 02Bemiddeling van het handelen

    De app stuurt je gedrag: je neemt de trap om je doel te halen, je loopt een extra rondje. De techniek nodigt uit tot bepaald handelen.

  3. 03Morele bemiddeling

    Zo vormt de techniek mede wat je als „goed” of „gezond” gedrag ziet en welke keuzes zich opdringen — de app moraliseert je dag, zonder dat iemand dat expliciet oplegt.

  4. 04Conclusie

    De smartphone is geen neutraal middel (instrumentalisme) en geen almachtige macht (substantivisme), maar een bemiddelaar die je waarneming, handelen én moraal mede vormgeeft — die je bewust kunt ontwerpen en gebruiken.

Resultaat: De stappenteller bemiddelt hoe je je lichaam waarneemt, hoe je handelt en wat je als goed gedrag ziet; de mediatietheorie toont techniek als niet-neutrale, mede-morele bemiddelaar tussen mens en wereld.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de empirische wending en de mediatietheorie (techniek bemiddelt waarneming en handelen, ook moreel) uitleggen.
  • Examendoel: de mediatietheorie toepassen op een concrete techniek en afwegen tegen instrumentalisme en substantivisme.

Veelgemaakte fouten

  • De mediatietheorie gelijkstellen aan het instrumentalisme: bij mediatie is techniek juist niet neutraal maar medevormend.
  • Mediatie verwarren met determinisme (substantivisme): techniek stuurt gedrag, maar de mens houdt keuzevrijheid en kan de bemiddeling mede vormgeven.

Actieve herhaling

Kies een alledaagse techniek (bijv. de auto-navigatie) en leg met de mediatietheorie uit hoe zij zowel je waarneming als je handelen bemiddelt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — examenthema (empirische wending, mediatietheorie) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 04

Techniek, vrijheid, verantwoordelijkheid en mensbeeld#

●●●VerdiepingLPexamenblad-filosofie-vwo-examenthema

Kernpunten

Het thema „De mens en techniek” bundelt de vaardigheden en de systematische domeinen tot enkele grote ethische en antropologische vragen. De eerste betreft de vrijheid. Techniek verruimt onmiskenbaar onze mogelijkheden — we reizen, communiceren, genezen en scheppen op ongekende schaal. Maar diezelfde techniek kan de vrijheid ook inperken: we worden afhankelijk van systemen die we niet doorzien, ons gedrag wordt gestuurd door ontwerpen en algoritmen (nudging, verslavende apps, filterbubbels), en digitale technologie maakt ongekende controle en surveillance mogelijk. De vraag „maakt techniek ons vrijer of onvrijer?” is dus niet in één richting te beantwoorden — het hangt af van hóé de bemiddeling is vormgegeven, en verbindt zich met het onderscheid tussen negatieve en positieve vrijheid.
De tweede vraag betreft de verantwoordelijkheid. Zoals Hans Jonas betoogde (zie het onderwerp wetenschap en samenleving), geeft de moderne techniek een macht met gevolgen die zich uitstrekken tot verre generaties en de hele biosfeer, zodat de traditionele, op het hier en nu gerichte ethiek tekortschiet. Bovendien maakt techniek verantwoordelijkheid diffuus: in een complex technisch systeem (denk aan een zelfrijdende auto of een algoritme dat over kredieten beslist) is vaak onduidelijk wie verantwoordelijk is voor de uitkomst — het „probleem van de vele handen”. Wie draagt de schuld als niemand de hele keten overziet? De mediatietheorie scherpt dit aan: als ook dingen mede „handelen”, moeten we verantwoordelijkheid niet alleen bij mensen maar ook in het ontwerp van de techniek zoeken.
De derde en diepste vraag betreft het mensbeeld. Techniek verandert niet alleen wat we doen maar mogelijk ook wat we zijn. Het transhumanisme bepleit het gebruik van techniek om de mens te „verbeteren” — door genetische modificatie, hersen-computerinterfaces, levensverlenging — en ziet daarin de logische voortzetting van de menselijke zelfvormgeving. Bio-conservatieven (zoals Michael Sandel, Jürgen Habermas of Francis Fukuyama) waarschuwen juist dat zulke mensverbetering de gegevenheid, de kwetsbaarheid en de gelijkheid aantast die bij het mens-zijn horen; Sandel spreekt van het verlies van het besef dat het leven een „gave” is die we niet volledig moeten willen beheersen.
Deze discussie grijpt terug op de wijsgerige antropologie. Als de mens met Gehlen altijd al een technisch, zichzelf vormend wezen is, dan is mensverbetering geen breuk maar een radicalisering van wat de mens altijd deed — en verliest het bezwaar „dit is tegen de menselijke natuur” kracht (er is immers geen vaste natuur, zou de existentialist zeggen). Maar juist omdat de techniek nu tot in ons lichaam en brein reikt, dringt de vraag zich op of er grenzen zijn: bestaat er een kern van menszijn die we niet mogen of moeten willen overschrijden, of is de mens principieel een open, door hemzelf te herontwerpen wezen? Hier ontmoeten techniekfilosofie, antropologie en ethiek elkaar.
Voor het examen — en met de actuele CvTE-syllabus in de hand — moet je deze vragen kunnen analyseren met de vaardigheden van domein A en de systematische begrippen uit de andere domeinen: een argument over techniek reconstrueren en beoordelen, de ethische theorieën (deugd, plicht, gevolg) op een technologische casus toepassen, de is-hoort-drogreden herkennen (van „het kan technisch” volgt niet „dus moeten we het doen”), en een beargumenteerd, afgewogen standpunt innemen waarin je een tegenwerping weerlegt. Het examenthema is zo geen los hoofdstuk maar de proef op de som van de hele filosofieopleiding: het filosoferen zelf, toegepast op een van de meest ingrijpende vraagstukken van onze tijd.
Uitgewerkt voorbeeld

Mensverbetering beargumenteerd beoordelen

„Als we met techniek ziekten kunnen uitbannen en het leven kunnen verlengen, dan moeten we dat ook doen.” Beoordeel deze stelling met behulp van het is-hoort-onderscheid en twee ethische theorieën.

  1. 01Herken de is-hoort-sprong

    „We kunnen het (technisch)” is descriptief; „we moeten het doen” is normatief. De stelling springt van kunnen naar moeten en heeft een verzwegen premisse nodig (bijv. „wat lijden vermindert, moeten we doen”).

  2. 02Consequentialistisch

    Het utilisme weegt de gevolgen: minder ziekte en langer leven vergroten het welzijn — maar weeg ook risico's, ongelijke toegang (alleen voor de rijken?) en onbedoelde gevolgen mee.

  3. 03Deontologisch / bio-conservatief

    Kijk naar plichten en grenzen: respecteren we de menselijke waardigheid en gelijkheid, of behandelen we het leven en toekomstige mensen louter als maakbaar materiaal (Sandels „gave”, Habermas over de autonomie van het ontworpen kind)?

  4. 04Formuleer een oordeel

    Een afgewogen standpunt erkent de sprong van kunnen naar moeten, weegt de winst aan welzijn tegen de risico's voor waardigheid, gelijkheid en gegevenheid, en bespreekt de sterkste tegenwerping in plaats van blind „ja” of „nee” te zeggen.

Resultaat: De stelling pleegt een is-hoort-sprong; een goed oordeel weegt de utilistische winst (minder lijden) tegen deontologische en bio-conservatieve bezwaren (waardigheid, gelijkheid, gegevenheid) en neemt beargumenteerd positie.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: ethische vragen rond techniek (vrijheid, verantwoordelijkheid, mensverbetering) analyseren met de vaardigheden en de ethische theorieën.
  • Examendoel: een beargumenteerd, afgewogen standpunt innemen over een technologisch vraagstuk, met bespreking van een tegenwerping.

Veelgemaakte fouten

  • Van „het is technisch mogelijk” meteen „dus moeten we het doen” maken (is-hoort-drogreden).
  • Het examenthema behandelen als losse meningen over techniek in plaats van als toepassing van de filosofische vaardigheden en begrippen — en de actuele syllabus negeren.

VWO-verdieping

Verdieping: verbind het transhumanisme-debat met de wijsgerige antropologie. Betoog of mensverbetering door techniek een breuk met de menselijke natuur is, dan wel — met Gehlen en Sartre — de voortzetting van de mens als een wezen dat zichzelf altijd al door techniek en keuze vormgeeft, en welke grenzen (indien enige) daaraan gesteld moeten worden. Toets je betoog aan de begrippen van de actuele examensyllabus.

Actieve herhaling

Kies een actuele technologie (bijv. gezichtsherkenning of AI-tekstgeneratie) en schrijf een kort betoog waarin je haar met de mediatietheorie én een ethische theorie beoordeelt, inclusief één tegenwerping die je weerlegt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — examenthema (techniek, ethiek en mensbeeld) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Wat is techniek? Van werktuig tot systeem○
    • 02Klassieke techniekfilosofie: instrumentalisme en substantivisme◐
    • 03De empirische wending: mediatietheorie (Verbeek, Ihde)◐
    • 04Techniek, vrijheid, verantwoordelijkheid en mensbeeld●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

CE-thema: De mens en techniek

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~18
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

College voor Toetsen en Examens (CvTE)

  • Examenprogramma filosofie VWO — examenthema (syllabus per periode)

Vorig onderwerp

Wetenschap en samenleving

EuraStudy·Samenvattingen T·14·MMXXVI

Laatste onderwerp van dit vak — terug naar het vakoverzicht.