EuraStudy
Samenvattingen/Filosofie/Vrijheid en verantwoordelijkheid
Samenvattingen · FilosofieNL · VWO

Vrijheid en verantwoordelijkheid

Zijn wij werkelijk vrij, of is alles wat we doen door voorafgaande oorzaken bepaald? En als we niet vrij zijn, kunnen we dan nog verantwoordelijk zijn? Dit onderwerp behandelt het vrije-wilprobleem, de drie klassieke posities (hard determinisme, libertarisme, compatibilisme), de voorwaarden voor morele verantwoordelijkheid en het onderscheid tussen negatieve en positieve vrijheid (Berlin).

4 Onderdelen·~16 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0777 / 14
Examenprofiel
Het vrije-wilprobleem als spanning tussen determinisme en vrijheid formulerenHard determinisme, libertarisme en compatibilisme onderscheiden en beoordelenDe voorwaarden voor morele verantwoordelijkheid analyserenNegatieve en positieve vrijheid onderscheiden
Operatoren:leg uitonderscheidbeoordeelberedeneervergelijk

basisniveau

Ken het determinisme en de drie posities, en het verband tussen vrijheid en verantwoordelijkheid.

verhoogd niveau

Kun je het consequentie-argument reconstrueren, het compatibilisme (Frankfurt) verdedigen en Berlins twee vrijheidsbegrippen toepassen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Vrijheid en verantwoordelijkheid
    • 01Het vrije-wilprobleem: determinisme en vrijheid○
    • 02Drie posities: hard determinisme, libertarisme en compatibilisme◐
    • 03Vrijheid en morele verantwoordelijkheid◐
    • 04Negatieve en positieve vrijheid●
§ 01

Het vrije-wilprobleem: determinisme en vrijheid#

●○○BasisLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-C

Kernpunten

Je ervaart jezelf als vrij: je kiest wat je eet, wat je zegt, hoe je handelt, en het voelt alsof je echt anders had kunnen kiezen. Tegelijk leert de wetenschap dat alles wat gebeurt een oorzaak heeft. Als ook jouw keuzes en beslissingen gebeurtenissen in de wereld zijn, dan hebben ook zij oorzaken — in je hersenen, je genen, je opvoeding, je omgeving. Het vrije-wilprobleem is de botsing tussen deze twee: de ervaring van vrijheid en het beeld van een door oorzaken beheerste werkelijkheid.
De uitdaging heet determinisme: de opvatting dat elke gebeurtenis, inclusief elke menselijke beslissing, de noodzakelijke uitkomst is van voorafgaande oorzaken samen met de natuurwetten. Laplace vatte het scherp: een intelligentie die de precieze toestand van elk deeltje in het heelal en alle natuurwetten kende, zou de hele toekomst — ook jouw keuze van morgen — met zekerheid kunnen berekenen. Determinisme komt in vele vormen: fysisch/causaal (natuurwetten), biologisch (genen, hersenen), psychologisch (onbewuste drijfveren), sociaal (opvoeding, cultuur) en theologisch (goddelijke voorbeschikking). Steeds is de gedachte: het kon niet anders lopen dan het liep.
Als het determinisme waar is, lijkt de vrije wil in het gedrang. Vrije wil betekent doorgaans dat je, gegeven precies dezelfde omstandigheden, ook werkelijk anders had kunnen kiezen — dat de keuze in laatste instantie aan jou lag en niet al vastlag. Maar als je keuze de noodzakelijke uitkomst is van oorzaken die ver vóór jouw geboorte begonnen, hoe kon je dan werkelijk anders? De vraag is dus of het determinisme verenigbaar is met de vrije wil, en of we zonder vrije wil nog van morele verantwoordelijkheid kunnen spreken.
Hierdoor ontstaan twee kernvragen die de posities in de volgende paragraaf ordenen. De eerste is metafysisch: ís het determinisme waar? De tweede is conceptueel: is vrijheid verenigbaar met het determinisme, of sluiten ze elkaar uit? Wie meent dat vrijheid en determinisme elkaar uitsluiten heet incompatibilist; wie meent dat ze samen kunnen gaan, compatibilist. Deze twee vragen combineren tot de drie klassieke antwoorden.
Het probleem is niet louter theoretisch. Onze hele praktijk van prijzen en straffen, van schuld, spijt en verontwaardiging, veronderstelt dat mensen verantwoordelijk zijn voor wat ze doen — en dat lijkt vrijheid te vereisen. Als de neurowetenschap zou aantonen dat onze beslissingen al in de hersenen vastliggen voordat we ze bewust nemen, wat betekent dat dan voor schuld en straf? Het vrije-wilprobleem raakt zo aan de kern van ons zelfbeeld, ons recht en onze moraal, en verbindt de wijsgerige antropologie met de ethiek.
Uitgewerkt voorbeeld

Het determinisme scherp stellen

Leg met het voorbeeld van Laplace uit waarom het determinisme een bedreiging voor de vrije wil vormt.

  1. 01Formuleer het determinisme

    Elke gebeurtenis is de noodzakelijke uitkomst van voorafgaande oorzaken en de natuurwetten.

  2. 02Pas het toe op keuzes

    Ook een beslissing is een gebeurtenis (in de hersenen); dus is ook zij de noodzakelijke uitkomst van eerdere oorzaken.

  3. 03Trek de conclusie

    Laplace' demon zou je keuze van morgen nu al kunnen berekenen; dan lag die keuze al vast en had je, gegeven dezelfde omstandigheden, niet anders kunnen kiezen — precies wat vrije wil lijkt te vereisen.

Resultaat: Omdat het determinisme ook keuzes als noodzakelijke uitkomsten van eerdere oorzaken opvat, lijkt het uit te sluiten dat je werkelijk anders had kunnen kiezen — de kern van de vrije wil.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het determinisme en het vrije-wilprobleem helder formuleren.
  • Examendoel: verschillende vormen van determinisme (fysisch, biologisch, psychologisch, sociaal) onderscheiden.

Veelgemaakte fouten

  • Determinisme verwarren met fatalisme: fatalisme zegt dat het lot komt wat je ook doet; determinisme zegt dat je handelingen zélf oorzaken hebben en juist deel zijn van de keten.
  • Denken dat het toeval (indeterminisme) meteen vrijheid oplevert: een willekeurige, ongeoorzaakte keuze is niet duidelijk „van jou”.

Actieve herhaling

Leg het verschil uit tussen determinisme en fatalisme, en waarom alleen het eerste een echte uitdaging voor de vrije wil vormt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein C (vrije wil) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 02

Drie posities: hard determinisme, libertarisme en compatibilisme#

●●○StandaardLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-C

Kernpunten

Op het vrije-wilprobleem bestaan drie klassieke antwoorden, die Afb. 1 ordent aan de hand van twee vragen: is het determinisme waar, en is er vrije wil? Twee van de drie posities zijn incompatibilistisch (ze menen dat vrijheid en determinisme elkaar uitsluiten) maar trekken tegengestelde conclusies; de derde is compatibilistisch. Het examen vraagt je deze posities te onderscheiden, uit te leggen en te beoordelen.

Drie posities in het vrije-wildebat

Drie antwoorden op het vrije-wilprobleemTabel met 4 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Positie · Determinisme waar? · Vrije wil? · Kernidee; Hard determinisme · ja · nee · vrijheid is een illusie; Libertarisme · nee (niet bij keuzes) · ja · de mens kan echt anders kiezen; Compatibilisme · kan waar zijn · ja · vrij = zonder dwang je eigen wil volgen, gemarkeerde cel: vrij = zonder dwang je eigen wil volgenPOSITIEDETERMINISME WAAR?VRIJE WIL?KERNIDEEHARD DETERMINISMEjaneevrijheid is eenillusieLIBERTARISMEnee (niet bijkeuzes)jade mens kan echtanders kiezenCOMPATIBILISMEkan waar zijnjavrij = zonderdwang je eigen wilvolgenHet vrije-wiltrilemma
Afb. 1Afb. 1 — De drie posities geordend naar hun antwoord op „is determinisme waar?” en „is er vrije wil?”.
Het hard determinisme aanvaardt het determinisme én de onverenigbaarheid met vrijheid, en concludeert dus: er is geen vrije wil. Onze ervaring vrij te zijn is een illusie; in werkelijkheid worden al onze keuzes door voorafgaande oorzaken bepaald. Consequente hard-deterministen (in de moderne tijd bijvoorbeeld Derk Pereboom) trekken de radicale conclusie dat niemand in de diepste zin morele verantwoordelijkheid draagt: schuld en verdienste in de zin van „echt verdiend loon of straf” verliezen hun grond, wat vergaande gevolgen heeft voor ons denken over straf en wraak.
Het libertarisme (in metafysische zin — niet de politieke stroming!) aanvaardt eveneens de onverenigbaarheid, maar draait de conclusie om: omdat er wél echte vrije wil is — dat ervaren we en het is de grondslag van onze verantwoordelijkheid — kan het determinisme niet volledig waar zijn, althans niet op het niveau van onze keuzes. De mens kan, gegeven precies dezelfde omstandigheden, werkelijk anders kiezen; hij is een echte bron van zijn daden (soms „agent-veroorzaking” genoemd). Het bezwaar: als een keuze niet door voorafgaande oorzaken is bepaald, lijkt ze willekeurig of toevallig — en een toevallige keuze is niet duidelijker „vrij” of „van mij” dan een bepaalde. Loutere onbepaaldheid levert nog geen vrijheid op.
Het compatibilisme (of zacht determinisme) verwerpt de gemeenschappelijke aanname van de eerste twee posities: het meent dat vrijheid en determinisme heel goed samen kunnen gaan. De truc zit in wat je onder „vrij” verstaat. Vrij zijn betekent volgens de compatibilist niet dat je keuze ongeoorzaakt is, maar dat je handelt volgens je eigen wil en verlangens, zónder externe dwang of belemmering. Wie doet wat hij wil (koffie kiezen omdat hij koffie verkiest) is vrij, ook al is dat verlangen zelf veroorzaakt; onvrij is wie met een pistool op het hoofd of door verslaving of dwang handelt. Hume verdedigde deze positie al; Harry Frankfurt verfijnde haar met het idee dat je vrij bent wanneer je op een hoger niveau instemt met de verlangens waarnaar je handelt (je wílt willen wat je wilt).
Elke positie ruilt sterke tegen zwakke punten. Het hard determinisme is consequent maar botst hard met onze diepe ervaring van keuze en verantwoordelijkheid. Het libertarisme redt die ervaring maar worstelt met de vraag hoe een niet-bepaalde keuze méér dan toeval kan zijn. Het compatibilisme verzoent vrijheid en wetenschap elegant, maar krijgt het verwijt dat het „van onderwerp verandert”: het redt een alledaags vrijheidsbegrip (doen wat je wilt) terwijl het de diepere vraag — of je die wil zelf had kunnen vormen — onbeantwoord laat. Voor het examen moet je de posities zuiver kunnen plaatsen op de twee assen van Afb. 1 en hun sterke en zwakke punten kunnen wegen.
Uitgewerkt voorbeeld

Een positie herkennen en beoordelen

„Natuurlijk zijn je verlangens door je hersenen bepaald — maar zolang je doet wat je zélf wilt en niemand je dwingt, ben je vrij en verantwoordelijk.” Welke positie is dit, en geef een sterk en een zwak punt.

  1. 01Herken de positie

    Determinisme wordt aanvaard (verlangens bepaald) én vrijheid behouden (doen wat je wilt, zonder dwang): dit is compatibilisme.

  2. 02Geef een sterk punt

    Het verzoent de wetenschappelijke bepaaldheid met onze praktijk van verantwoordelijkheid en met het duidelijke verschil tussen vrij handelen en handelen onder dwang.

  3. 03Geef een zwak punt

    Het laat de diepere vraag open: als ook je verlangens volledig bepaald zijn en je die wil niet zelf koos, ben je dan „echt” vrij, of alleen vrij in een afgezwakte zin?

Resultaat: Het is compatibilisme; sterk is de verzoening van determinisme en verantwoordelijkheid, zwak is dat het de bron van je verlangens onbepaald-vrij laat.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: hard determinisme, libertarisme en compatibilisme onderscheiden aan hun antwoord op de twee kernvragen.
  • Examendoel: van een standpunt de positie bepalen en er een sterk en een zwak punt van geven.

Veelgemaakte fouten

  • Het (metafysische) libertarisme verwarren met de politieke stroming libertarisme (kleine overheid): het gaat hier om vrije wil.
  • Compatibilisme lezen als „determinisme is onwaar”: de compatibilist kán het determinisme aanvaarden en toch vrijheid handhaven.

Actieve herhaling

Leg uit waarom zowel de hard determinist als de libertariër incompatibilist is, en waarin ze precies verschillen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein C (posities vrije wil) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 03

Vrijheid en morele verantwoordelijkheid#

●●○StandaardLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-C

Het consequentie-argument

Geen controle bij determinismeGraaf, P1: handelingen zijn gevolgen van verleden + natuurwetten → C: dus onze handelingen liggen niet in onze macht, P2: verleden en natuurwetten liggen niet in onze macht → C: dus onze handelingen liggen niet in onze machtP1: handelingenzijn gevolgenvan verleden + …P2: verleden ennatuurwettenliggen niet in …C: dus onzehandelingenliggen niet in …
Afb. 2Afb. 1 — Het consequentie-argument (van Inwagen): als het determinisme waar is, hebben we geen controle over onze handelingen.

Kernpunten

De inzet van het hele debat is de morele verantwoordelijkheid. We houden mensen verantwoordelijk voor wat ze doen: we prijzen, verwijten, straffen en vergeven. Maar verantwoordelijkheid lijkt vrijheid te veronderstellen — je kunt iemand alleen iets kwalijk nemen als hij anders had kunnen handelen. Afb. 1 reconstrueert het scherpste argument dat het determinisme deze verantwoordelijkheid ondergraaft: het consequentie-argument (Peter van Inwagen).
Het argument loopt zo. Premisse 1: als het determinisme waar is, dan zijn onze handelingen de noodzakelijke gevolgen van gebeurtenissen in het verre verleden (van vóór onze geboorte) en de natuurwetten. Premisse 2: die gebeurtenissen in het verre verleden en de natuurwetten liggen niet in onze macht — we kunnen ze niet veranderen. Conclusie: dan liggen ook de noodzakelijke gevolgen ervan, onze handelingen, niet in onze macht. Als het determinisme waar is, hebben we dus geen controle over wat we doen, en zonder controle geen echte verantwoordelijkheid. Dit is een krachtig argument voor het incompatibilisme.
Filosofen die verantwoordelijkheid willen redden binnen een deterministisch wereldbeeld — de compatibilisten — reageren op verschillende manieren. Ze wijzen erop dat we in de praktijk verantwoordelijkheid niet toekennen op grond van metafysische onbepaaldheid, maar op grond van de vraag of iemand handelde vanuit zijn eigen wil, met de juiste vermogens, zonder dwang. Harry Frankfurt betoogde bovendien met beroemde gedachte-experimenten dat verantwoordelijkheid niet eens vereist dat je anders had kunnen doen: als iemand precies doet wat hij zelf wil, is hij verantwoordelijk, ook al zou een verborgen mechanisme hem hebben tegengehouden mocht hij anders willen. Wat telt is dat het je eigen wil is, niet dat er alternatieven openlagen.
Los van het diepe metafysische debat kent de ethiek concrete voorwaarden voor verantwoordelijkheid. De vrijheids- of controlevoorwaarde: je bent alleen verantwoordelijk voor wat je vrijwillig deed, niet voor wat onder dwang of door overmacht gebeurde. De kennisvoorwaarde: je bent alleen verantwoordelijk als je wist (of had kunnen weten) wat je deed en wat de gevolgen waren. Op deze voorwaarden berusten onze verontschuldigingen: „ik werd gedwongen”, „ik kon het niet weten”, „ik kon er niets aan doen”. Ook het recht werkt hiermee: dwang, ontoerekeningsvatbaarheid en verschoonbare onwetendheid verminderen of heffen de schuld op.
Voor het examen moet je het consequentie-argument kunnen reconstrueren en beoordelen, de compatibilistische reactie kunnen weergeven, en de voorwaarden voor verantwoordelijkheid op een casus kunnen toepassen. Let op de verbinding met de wijsgerige antropologie (welk mensbeeld ondersteunt vrijheid?) en met de ethiek (verantwoordelijkheid is de grond onder prijzen en straffen). Merk ook op hoe veel er praktisch van afhangt: neurowetenschappelijke en psychologische inzichten over hoe sterk gedrag bepaald is, dwingen ons voortdurend te herzien wat we mensen redelijkerwijs kunnen aanrekenen.
Uitgewerkt voorbeeld

De voorwaarden voor verantwoordelijkheid toepassen

Een automobilist rijdt door rood en veroorzaakt een ongeluk. Beoordeel zijn verantwoordelijkheid in twee gevallen: (a) hij was afgeleid door zijn telefoon; (b) hij kreeg plotseling een onvoorspelbare hartstilstand.

  1. 01Pas de controlevoorwaarde toe

    In (a) had hij controle: hij koos ervoor zich te laten afleiden. In (b) had hij geen controle: de hartstilstand was overmacht, geen vrije handeling.

  2. 02Pas de kennisvoorwaarde toe

    In (a) wist of kon hij weten dat telefoongebruik gevaarlijk is. In (b) kon hij de hartstilstand niet voorzien.

  3. 03Trek de conclusie

    In (a) is aan beide voorwaarden voldaan: hij is verantwoordelijk. In (b) ontbreekt de controle (en de voorzienbaarheid): hij is niet moreel verantwoordelijk, hoezeer het ongeluk ook betreurenswaardig is.

Resultaat: Verantwoordelijkheid vereist controle én kennis; in geval (a) zijn beide aanwezig (wel verantwoordelijk), in geval (b) ontbreken ze (niet verantwoordelijk).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het consequentie-argument reconstrueren en beoordelen.
  • Examendoel: de controle- en kennisvoorwaarde voor morele verantwoordelijkheid op een casus toepassen.

Veelgemaakte fouten

  • Verantwoordelijkheid gelijkstellen aan „het gedaan hebben”: er is ook vrijheid (controle) en kennis nodig.
  • Aannemen dat compatibilisme verantwoordelijkheid automatisch redt; het consequentie-argument daagt juist die aanname uit en verdient een echt weerwoord.

Actieve herhaling

Reconstrueer het consequentie-argument in premissen en conclusie en geef aan welke premisse een compatibilist het beste kan aanvallen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein C (verantwoordelijkheid) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 04

Negatieve en positieve vrijheid#

●●●VerdiepingLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-C

Kernpunten

Naast het metafysische vrije-wilprobleem staat een tweede, meer politiek-morele vraag: wat is het om als mens in de samenleving vrij te zijn? Isaiah Berlin maakte hier een klassiek onderscheid tussen twee vrijheidsbegrippen. Negatieve vrijheid is vrijheid ván: de afwezigheid van uitwendige belemmering of dwang. Je bent negatief vrij voor zover niemand — geen mens, geen staat — je verhindert te doen wat je zou kunnen doen. Deze vrijheid gaat over de omvang van het gebied waarin je met rust wordt gelaten; ze is de kernwaarde van het klassieke liberalisme.
Positieve vrijheid is vrijheid tót: het vermogen om zelf meester over je leven te zijn, jezelf te verwerkelijken, je eigen ware doelen te bepalen en te bereiken. Hier gaat het niet om de afwezigheid van hindernissen, maar om aanwezige zelfbeschikking en zelfontplooiing. Iemand kan negatief vrij zijn (niemand belet hem iets) en toch positief onvrij (hij is verslaafd, onwetend of arm en dus geen echte meester over zichzelf). Positieve vrijheid vraagt daarom vaak om voorwaarden — onderwijs, bestaanszekerheid, zelfbeheersing — die het individu in staat stellen werkelijk zelf te beschikken.
Berlin waarschuwde dat juist de positieve vrijheid gevaarlijk kan ontsporen. Als vrijheid „meester zijn over jezelf” betekent, en men onderscheidt een „hoger, ware zelf” (het redelijke) van een „lager zelf” (de driften), dan ligt de gedachte op de loer dat mensen tot hun ware vrijheid gedwongen mogen worden — „gedwongen om vrij te zijn”. Zo kan een staat of ideologie onderdrukking rechtvaardigen als bevrijding: men dwingt mensen tot wat volgens de machthebbers hun echte belang is. De twintigste-eeuwse totalitaire regimes lieten dit gevaar zien. Daarom hechtte Berlin sterk aan de negatieve vrijheid als bescherming van het individu.
Tegelijk is een louter negatieve vrijheid ook onbevredigend. Wie honger lijdt of niet kan lezen, heeft aan de formele afwezigheid van dwang weinig; „de vrijheid om onder een brug te slapen” is een schrale vrijheid. Critici van links betogen daarom dat echte vrijheid ook de reële mogelijkheden en middelen vereist om je leven vorm te geven — een gedachte die aansluit bij de positieve vrijheid en bij noties als de „capabilities” (reële vermogens) van Amartya Sen en Martha Nussbaum. Het debat tussen negatieve en positieve vrijheid loopt zo dwars door de politieke filosofie: hoeveel moet de staat zich onthouden, en hoeveel moet hij mogelijk maken?
Voor het examen moet je de twee vrijheidsbegrippen scherp kunnen onderscheiden, ze op concrete situaties kunnen toepassen (is dit een geval van negatieve of positieve (on)vrijheid?), en het gevaar dat Berlin in de positieve vrijheid zag kunnen uitleggen én wegen tegen het bezwaar dat negatieve vrijheid te mager is. Merk op hoe dit onderwerp de brug slaat naar de sociale en politieke filosofie: de vraag naar vrijheid is niet alleen „ben ik door oorzaken bepaald?”, maar ook „welke ruimte en welke middelen heb ik om mijn eigen leven te leiden, en wat mag de gemeenschap daarvoor van mij en voor mij doen?”.
Uitgewerkt voorbeeld

Negatieve of positieve vrijheid?

Beoordeel voor elk geval om welk vrijheidsbegrip het gaat: (a) de staat verbiedt een demonstratie; (b) iemand is zo verslaafd dat hij niet meer kan stoppen hoewel niets hem tegenhoudt.

  1. 01Analyseer geval (a)

    Er is een uitwendige belemmering (een verbod van de staat). Dit beperkt de negatieve vrijheid: de vrijheid ván inmenging.

  2. 02Analyseer geval (b)

    Er is geen uitwendige belemmering — niemand houdt hem tegen — maar hij is geen meester over zichzelf. Dit is een gebrek aan positieve vrijheid: het vermogen tot zelfbeschikking ontbreekt.

  3. 03Trek de les

    Iemand kan negatief vrij én positief onvrij zijn (de verslaafde), en omgekeerd; de twee begrippen meten verschillende dingen.

Resultaat: Geval (a) is een beperking van de negatieve vrijheid (uitwendige dwang); geval (b) een gebrek aan positieve vrijheid (geen zelfbeschikking) — ze meten verschillende soorten onvrijheid.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: negatieve en positieve vrijheid onderscheiden en op concrete situaties toepassen.
  • Examendoel: het gevaar dat Berlin in de positieve vrijheid ziet uitleggen en afwegen tegen het bezwaar dat negatieve vrijheid te mager is.

Veelgemaakte fouten

  • Negatieve vrijheid als „slechte” en positieve als „goede” vrijheid opvatten: het zijn twee soorten vrijheid, elk met eigen waarde en gevaar.
  • Positieve vrijheid gelijkstellen aan „doen wat je wilt”: het gaat om zelfbeschikking en zelfverwerkelijking, niet om grilligheid.

VWO-verdieping

Verdieping: verbind de twee vrijheidsbegrippen met het vrije-wildebat. Betoog of positieve vrijheid (zelfbeschikking, meester zijn over je verlangens) verwant is aan het compatibilistische vrijheidsbegrip van Frankfurt (instemmen met je eigen wil), en wat dit betekent voor de vraag of vrijheid vooral iets is dat je hébt of iets dat je moet vérwerven.

Actieve herhaling

Leg uit hoe het idee dat men iemand „dwingt om vrij te zijn” uit het begrip positieve vrijheid kan voortkomen, en waarom Berlin daarvoor waarschuwt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein C (negatieve en positieve vrijheid) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Het vrije-wilprobleem: determinisme en vrijheid○
    • 02Drie posities: hard determinisme, libertarisme en compatibilisme◐
    • 03Vrijheid en morele verantwoordelijkheid◐
    • 04Negatieve en positieve vrijheid●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Vrijheid en verantwoordelijkheid

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~16
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

College voor Toetsen en Examens (CvTE)

  • Examenprogramma filosofie VWO — domein C (vrije wil)

Vorig onderwerp

Het al dan niet universeel zijn van waarden

Volgend onderwerp

Kennisleer: centrale begrippen en toonaangevende visies

EuraStudy·Samenvattingen T·07·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.