EuraStudy
Samenvattingen/Filosofie/Kennisleer: centrale begrippen en toonaangevende visies
Samenvattingen · FilosofieNL · VWO

Kennisleer: centrale begrippen en toonaangevende visies

De kennisleer of epistemologie (domein D) onderzoekt wat kennis is en hoe zij mogelijk is. Dit onderwerp behandelt de klassieke definitie van kennis als ware, gerechtvaardigde overtuiging, het Gettierprobleem, de grote tegenstelling tussen rationalisme en empirisme, en het scepticisme met Descartes' antwoord daarop (de methodische twijfel en het cogito).

4 Onderdelen·~16 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0888 / 14
Examenprofiel
De klassieke definitie van kennis (ware, gerechtvaardigde overtuiging) uitleggenHet Gettierprobleem herkennen en de betekenis ervan uitleggenRationalisme en empirisme onderscheiden en vergelijkenScepticische argumenten en het cartesiaanse antwoord reconstrueren
Operatoren:leg uitonderscheidvergelijkreconstrueerbeoordeel

basisniveau

Ken de drie voorwaarden voor kennis en het onderscheid rationalisme/empirisme.

verhoogd niveau

Kun je het Gettierprobleem uitleggen als bewijs dat JTB niet voldoende is, en Descartes' twijfel en cogito reconstrueren.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Kennisleer: centrale begrippen en toonaangevende visies
    • 01Wat is kennis? De klassieke definitie○
    • 02Het Gettierprobleem◐
    • 03Rationalisme versus empirisme◐
    • 04Scepticisme en het antwoord daarop●
§ 01

Wat is kennis? De klassieke definitie#

●○○BasisLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-D

Kernpunten

De kennisleer begint met een begripsanalyse: wat betekent het eigenlijk dat iemand iets weet? Het gaat daarbij niet om vaardigheidskennis („weten hoe je moet fietsen”) of kennismaking („ik ken Amsterdam”), maar om propositionele kennis: weten dát iets het geval is. De klassieke definitie, die teruggaat op Plato's dialoog Theaetetus, luidt: kennis is ware, gerechtvaardigde overtuiging (in het Engels: justified true belief, JTB). Afb. 1 geeft haar weer als drie voorwaarden die elk noodzakelijk zijn en die men lange tijd samen voldoende achtte; kennis is precies het gebied waar alle drie samenvallen.

Kennis als ware, gerechtvaardigde overtuiging

Ware, gerechtvaardigde overtuigingVenndiagram met 3 verzamelingen, waar, gerechtvaardigd, overtuigingwaargerechtvaardigdovertuigingkennis
Afb. 1Afb. 1 — De klassieke definitie: kennis is het gebied waar waarheid, rechtvaardiging en overtuiging samenvallen.
De eerste voorwaarde is overtuiging (belief): om te weten dat p, moet je p geloven. Je kunt niet weten dat de aarde rond is als je het niet gelooft. Kennis is een houding tegenover een propositie, en die houding is minstens het voor waar houden. Wie iets weet maar zegt het niet te geloven, spreekt zichzelf tegen. De overtuiging is dus de subjectieve, psychologische kant van kennis.
De tweede voorwaarde is waarheid (truth): om te weten dat p, moet p waar zijn. Je kunt niet weten dat er leven op Mars is als dat niet zo is — je kunt het hooguit ten onrechte menen te weten. Dit onderscheidt kennis van louter overtuiging: overtuigingen kunnen onwaar zijn, kennis niet. Als iemand vol vertrouwen iets gelooft dat onjuist blijkt, zeggen we achteraf niet „hij wist het”, maar „hij dacht dat hij het wist”. De waarheidsvoorwaarde verbindt de kennis met de wereld.
De derde voorwaarde is rechtvaardiging (justification): om te weten dat p, moet je goede gronden voor p hebben. Deze voorwaarde onderscheidt kennis van een gelukkige gok. Stel dat je zonder enige reden gokt dat het morgen regent, en het regent inderdaad: je overtuiging is waar, maar het was toeval — je wíst het niet. Pas als je goede redenen hebt (een betrouwbare weersvoorspelling), is je ware overtuiging kennis. De rechtvaardiging maakt van een toevallig-juiste mening een verantwoorde vorm van weten.
Dat elk van de drie voorwaarden noodzakelijk is, blijkt uit wat er misgaat als er één ontbreekt: zonder overtuiging is er geen kennis (je weet niet wat je niet gelooft), zonder waarheid evenmin (een onware overtuiging is geen kennis), en zonder rechtvaardiging heb je hooguit een gelukkige gok. Lange tijd gold de JTB-definitie daarom als de sluitende analyse van kennis. In 1963 liet Edmund Gettier echter zien dat de drie voorwaarden samen tóch niet voldoende zijn — het onderwerp van de volgende paragraaf. Voor het examen moet je de drie voorwaarden kunnen uitleggen, motiveren waarom elk noodzakelijk is, en het onderscheid tussen kennis en louter (ware) overtuiging kunnen maken.
Uitgewerkt voorbeeld

Kennis of louter ware overtuiging?

Marit gelooft zonder enige reden dat haar lot uit de loterij zal winnen; het wint. Wist zij dat ze zou winnen? Analyseer met de drie voorwaarden.

  1. 01Overtuiging

    Ja: Marit gelooft dat haar lot zal winnen.

  2. 02Waarheid

    Ja: haar lot wint inderdaad, dus de overtuiging is waar.

  3. 03Rechtvaardiging

    Nee: ze heeft geen enkele goede grond; het was een blinde gok. Aan de rechtvaardigingsvoorwaarde is niet voldaan.

  4. 04Conclusie

    Omdat de rechtvaardiging ontbreekt, had Marit slechts een ware overtuiging, geen kennis — het was geluk, geen weten.

Resultaat: Marit wist het niet: haar ware overtuiging miste rechtvaardiging en was dus een gelukkige gok, geen kennis.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de drie voorwaarden voor kennis (waar, gerechtvaardigd, overtuiging) uitleggen en motiveren waarom elk noodzakelijk is.
  • Examendoel: het onderscheid tussen kennis en louter (ware) overtuiging maken.

Veelgemaakte fouten

  • De waarheidsvoorwaarde vergeten: een sterk gerechtvaardigde overtuiging die onwaar blijkt, is geen kennis.
  • Rechtvaardiging verwarren met zekerheid: goede gronden hoeven niet absoluut zeker te zijn, maar een blinde gok telt niet.

Actieve herhaling

Leg met de drie voorwaarden uit waarom iemand die op een stilstaande klok kijkt en toevallig de juiste tijd afleest, de tijd niet echt „weet”.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein D (definitie van kennis) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 02

Het Gettierprobleem#

●●○StandaardLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-D

Kernpunten

In 1963 publiceerde Edmund Gettier een kort artikel dat de eeuwenoude JTB-definitie op losse schroeven zette. Zijn strategie: bedenk gevallen waarin iemand een overtuiging heeft die zowel waar als gerechtvaardigd is, maar die we tóch geen kennis willen noemen. Als zulke gevallen bestaan, dan zijn de drie voorwaarden samen niet voldoende voor kennis — precies de conclusie die Gettier trok. Deze gevallen heten Gettiergevallen, en het probleem dat ze blootleggen het Gettierprobleem.
Het patroon is telkens hetzelfde: iemand leidt uit een goed gerechtvaardigde maar toevallig onware overtuiging een conclusie af die door een tweede toeval tóch waar blijkt. Een helder voorbeeld: je kijkt op een klok die de juiste tijd aanwijst en concludeert dat het tien uur is. Je overtuiging is waar (het ís tien uur) en gerechtvaardigd (klokken zijn doorgaans betrouwbaar). Maar de klok blijkt stil te staan — hij bleef precies om tien uur stilstaan. Je hebt dan een ware, gerechtvaardigde overtuiging, maar door louter geluk: het is geen kennis, want je zou net zo goed het verkeerde tijdstip hebben afgelezen als de klok op een ander moment was blijven staan.
Wat de Gettiergevallen gemeen hebben, is dat de waarheid van de overtuiging en de gronden ervoor door toeval samenvallen in plaats van op de juiste manier samen te hangen. De rechtvaardiging is „ontkoppeld” van wat de overtuiging waar maakt. Dat toont dat kennis méér vraagt dan dat je goede gronden hebt en dat de propositie toevallig waar is: de gronden moeten op de juiste, niet-toevallige wijze met de waarheid verbonden zijn. Kennis verdraagt geen geluk op de verkeerde plaats.
Filosofen hebben verschillende vierde voorwaarden voorgesteld om het gat te dichten. Volgens de „geen-valse-premisse”-oplossing mag je conclusie niet steunen op een onware tussenstap (in het klokvoorbeeld: „deze lopende klok geeft de tijd aan”). Volgens betrouwbaarheidstheorieën (reliabilism) is kennis een ware overtuiging die is voortgebracht door een betrouwbaar proces — en een stilstaande klok is geen betrouwbaar proces. Andere voorstellen eisen dat er geen „ondergravers” (defeaters) zijn, of dat je overtuiging de waarheid „zou volgen” (had het anders gelegen, dan had je het niet geloofd). Geen van deze oplossingen wordt algemeen aanvaard; het Gettierprobleem heeft de epistemologie decennialang beziggehouden.
Voor het examen moet je een Gettiergeval kunnen herkennen of construeren, kunnen aanwijzen dat aan alle drie de JTB-voorwaarden is voldaan én uitleggen waarom het tóch geen kennis is (het toeval), en de strekking van het probleem kunnen benoemen: de klassieke definitie is niet voldoende, er is een extra voorwaarde nodig. Dit onderwerp is ook een mooie oefening in de vaardigheden van domein A: een Gettiergeval is in feite een tegenvoorbeeld tegen een definitie, precies de methode van de begripsanalyse.
Uitgewerkt voorbeeld

Een Gettiergeval analyseren

Tim ziet in de wei wat eruitziet als een schaap en gelooft „er is een schaap in de wei”. Het is echter een als schaap vermomde hond — maar achter een heuvel, buiten zicht, staat wél een echt schaap. Is dit kennis? Analyseer met de JTB-voorwaarden.

  1. 01Overtuiging

    Ja: Tim gelooft dat er een schaap in de wei is.

  2. 02Waarheid

    Ja: er ís een schaap in de wei (achter de heuvel), dus de overtuiging is waar.

  3. 03Rechtvaardiging

    Ja: Tim baseert zich op wat er precies uitziet als een schaap; dat is een normaal goede grond.

  4. 04Waarom toch geen kennis?

    De grond (het schaapachtige ding) is niet het schaap dat de overtuiging waar maakt; waarheid en rechtvaardiging vallen toevallig samen. Dit is een Gettiergeval: JTB is vervuld, maar het is geen kennis.

Resultaat: Tim heeft een ware, gerechtvaardigde overtuiging, maar door toeval (hij kijkt naar een vermomde hond, terwijl elders een echt schaap staat); het is een Gettiergeval en dus geen kennis.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een Gettiergeval herkennen en aantonen dat aan alle JTB-voorwaarden is voldaan.
  • Examendoel: uitleggen waarom het geval tóch geen kennis is en welke conclusie dat over de JTB-definitie oplevert.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat in een Gettiergeval een van de drie voorwaarden ontbreekt: juist alle drie zijn vervuld — dat is de pointe.
  • Het toeval over het hoofd zien: kennis ontbreekt omdat waarheid en rechtvaardiging niet op de juiste wijze samenhangen.

Actieve herhaling

Construeer zelf een Gettiergeval en leg uit waarom het aantoont dat ware, gerechtvaardigde overtuiging niet voldoende is voor kennis.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein D (Gettierprobleem) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 03

Rationalisme versus empirisme#

●●○StandaardLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-D

Rationalisme versus empirisme

Rationalisme vs. empirismeTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: Aspect · Rationalisme · Empirisme; Bron van kennis · de rede (het denken) · de zintuiglijke ervaring; Aard van de kennis · a priori (vóór ervaring) · a posteriori (na ervaring); Aangeboren ideeën · ja · nee — tabula rasa; Modelwetenschap · de wiskunde · de natuurwetenschap; Denkers · Descartes, Spinoza, Leibniz · Locke, Berkeley, Hume, gemarkeerde cel: de rede (het denken)ASPECTRATIONALISMEEMPIRISMEBRON VAN KENNISde rede (hetdenken)de zintuiglijkeervaringAARD VAN DE KENNISa priori (vóórervaring)a posteriori (naervaring)AANGEBOREN IDEEËNjanee — tabula rasaMODELWETENSCHAPde wiskundedenatuurwetenschapDENKERSDescartes,Spinoza, LeibnizLocke, Berkeley,HumeRede of ervaring als kenbron
Afb. 2Afb. 1 — De twee grote kentheoretische stromingen op vijf onderscheidende punten.

Kernpunten

Na de vraag wát kennis is, komt de vraag wááruit kennis voortkomt: uit ons denken of uit onze zintuigen? Op deze vraag staan twee grote antwoorden tegenover elkaar, die Afb. 1 systematisch vergelijkt. Het rationalisme houdt de rede voor de belangrijkste kenbron; het empirisme de zintuiglijke ervaring. Dit debat, dat de vroegmoderne filosofie (17e–18e eeuw) beheerste, is niet louter historisch: het raakt de grondslag van álle kennis, ook de wetenschappelijke.
Het rationalisme (Descartes, Spinoza, Leibniz) stelt dat de zekerste en fundamenteelste kennis a priori is: onafhankelijk van de zintuiglijke ervaring, verworven door het zuivere denken. Sommige ideeën en beginselen zijn aangeboren (aangeboren ideeën) of door de rede kenbaar, zoals de wiskundige waarheden en de logische principes. De wiskunde is het modelvoorbeeld: dat de som van de hoeken van een driehoek gelijk is aan twee rechte hoeken weet je niet door driehoeken op te meten, maar door te redeneren, en het geldt met noodzaak en zekerheid. De rationalist wantrouwt de zintuigen, die immers kunnen bedriegen, en zoekt vastheid in het verstand.
Het empirisme (Locke, Berkeley, Hume) stelt daartegenover dat álle kennis uiteindelijk uit de ervaring stamt. De geest is bij de geboorte een „onbeschreven blad” (tabula rasa, Locke): er zijn geen aangeboren ideeën; alles wat we weten, komt via de zintuigen binnen en wordt daarna door de geest bewerkt. Kennis is dus a posteriori, ná en op grond van de ervaring. Het modelvoorbeeld is de natuurwetenschap, die door waarneming en experiment tot haar inzichten komt. De empirist wantrouwt juist de „zuivere rede” die zonder ervaring meent iets over de wereld te kunnen weten, en vraagt bij elk idee: van welke waarneming is dit afgeleid?
Beide posities lopen tegen grenzen aan. Het rationalisme moet uitleggen hoe zuiver denken, zonder ervaring, iets over de werkelijke wereld kan zeggen in plaats van alleen over onze begrippen — en het beroep op „aangeboren ideeën” is omstreden. Het empirisme, consequent doorgedacht door Hume, leidt tot scepticisme: als álle kennis uit ervaring komt, kunnen we noodzakelijke verbanden (oorzaak en gevolg) en algemene wetten niet rechtvaardigen, want we nemen alleen losse gebeurtenissen waar, nooit de noodzaak zelf (het inductieprobleem, dat terugkeert in de wetenschapsfilosofie). Zo ondergraaft het strenge empirisme bijna de wetenschap die het wilde funderen.
Kant zou beide stromingen verzoenen met de stelling dat kennis begint met de ervaring maar geordend wordt door a priori vormen van het verstand: „gedachten zonder inhoud zijn leeg, aanschouwingen zonder begrippen zijn blind” (uitgewerkt in het onderwerp over de contextualiteit van kennis). Voor het examen moet je rationalisme en empirisme scherp kunnen onderscheiden op de assen van Afb. 1 (kenbron, a priori/a posteriori, aangeboren ideeën, modelwetenschap, denkers), een tekst of standpunt kunnen plaatsen, en de sterke en zwakke punten van beide kunnen wegen.
Uitgewerkt voorbeeld

Een standpunt kentheoretisch plaatsen

„In de geest zit niets wat er niet eerst via de zintuigen is binnengekomen.” Bij welke stroming hoort deze uitspraak, en hoe zou een rationalist reageren?

  1. 01Herken de stroming

    De uitspraak (een klassieke empiristische formule) maakt de zintuiglijke ervaring tot enige bron van de inhoud van de geest: dit is empirisme (tabula rasa).

  2. 02Geef de rationalistische reactie

    Een rationalist werpt tegen dat sommige kennis — wiskunde, logica, het idee van oorzaak — niet uit losse waarnemingen kan komen, omdat ze noodzakelijk en algemeen is; die moet (deels) uit de rede stammen.

  3. 03Wijs de kern van het geschil aan

    Het geschil betreft de oorsprong van noodzakelijke, algemene kennis: kan ervaring die leveren (empirisme) of vereist ze de rede en a priori beginselen (rationalisme)?

Resultaat: De uitspraak is empiristisch (tabula rasa); een rationalist wijst op noodzakelijke, algemene kennis (wiskunde, causaliteit) die de zintuigen niet kunnen leveren.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: rationalisme en empirisme onderscheiden op kenbron, a priori/a posteriori en aangeboren ideeën.
  • Examendoel: een standpunt bij de juiste stroming plaatsen en de sterke en zwakke punten wegen.

Veelgemaakte fouten

  • A priori en a posteriori verwisselen: a priori = vóór/onafhankelijk van ervaring, a posteriori = na/op grond van ervaring.
  • Denken dat de rationalist de zintuigen helemaal afwijst; hij ontkent alleen dat zij de bron van de zekerste, noodzakelijke kennis zijn.

Actieve herhaling

Leg uit waarom de wiskunde vaak als kroongetuige voor het rationalisme geldt en de natuurwetenschap voor het empirisme.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein D (rationalisme en empirisme) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 04

Scepticisme en het antwoord daarop#

●●●VerdiepingLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-D

Descartes' methodische twijfel en het cogito

Van twijfel naar cogitoGraaf, Zintuigen bedriegen soms → Radicale twijfel aan alles, Droomargument: misschien droom ik → Radicale twijfel aan alles, Boze genius misleidt me overal → Radicale twijfel aan alles, Radicale twijfel aan alles → Cogito ergo sum — het zekere puntZintuigenbedriegen somsDroomargument:misschien droomikBoze geniusmisleidt meoveralRadicale twijfelaan allesCogito ergo sum— het zekerepunttoch zeker
Afb. 3Afb. 1 — Drie twijfelargumenten leiden tot radicale twijfel; alleen het cogito blijft onbetwijfelbaar.

Kernpunten

Het scepticisme is de opvatting dat (zekere) kennis onmogelijk of onbereikbaar is. De scepticus daagt uit: hoe weet je dat je niet nu droomt, of dat je zintuigen je niet stelselmatig bedriegen? Als je die mogelijkheden niet kunt uitsluiten, hoe kun je dan van kennis spreken? Descartes maakte van deze twijfel geen doel maar een methode. Afb. 1 toont zijn methodische twijfel: hij verwerpt bewust alles wat ook maar in het minst te betwijfelen valt, niet om bij niets te eindigen, maar om een onwrikbaar fundament te vinden waarop hij de kennis opnieuw kan opbouwen.
De twijfel verloopt in stappen van toenemende radicaliteit. Ten eerste: de zintuigen bedriegen soms (een stok lijkt geknikt in water), dus ik kan ze niet blind vertrouwen. Ten tweede, sterker: het droomargument — er is geen zeker kenmerk om waken van dromen te onderscheiden, dus misschien droom ik nu en bestaat de buitenwereld niet zoals ik denk. Ten derde, het radicaalst: stel dat een almachtige „boze genius” (malin génie) mij stelselmatig misleidt, zelfs over de wiskunde, zodat 2 + 3 mij altijd 5 lijkt terwijl het dat niet is. Na deze stappen staat alles op losse schroeven — de wereld, mijn lichaam, zelfs de wiskunde.
En tóch, zegt Descartes, is er iets dat zelfs de boze genius niet kan wegnemen. Hoe grondig ik ook bedrogen word — juist óm bedrogen te kúnnen worden, moet ik bestaan. Zolang ik twijfel, denk ik, en zolang ik denk, ben ik. Dat is het beroemde cogito, ergo sum: „ik denk, dus ik ben.” Dit is de eerste onbetwijfelbare zekerheid, het punt van Archimedes waarop Descartes de rest van de kennis wil grondvesten. Het cogito is niet het besluit van een redenering met premissen, maar een inzicht dat zichzelf bewijst zodra ik het denk: de twijfel zelf bewijst de twijfelaar.
Vanuit dit ene zekere punt probeert Descartes de kennis te herbouwen: uit de idee van een volmaakt wezen leidt hij het bestaan van God af, en uit Gods volmaaktheid (God is geen bedrieger) de betrouwbaarheid van de heldere en duidelijke ideeën en zo van de buitenwereld. Precies deze wederopbouw is echter het zwakke punt. Critici wijzen op de „cartesiaanse cirkel”: Descartes gebruikt zijn heldere ideeën om Gods bestaan te bewijzen, terwijl hij Gods bestaan nodig heeft om die ideeën te vertrouwen. De sprong van het zekere „ik denk” terug naar een zekere kennis van de wereld blijkt veel moeilijker dan het vinden van het cogito zelf.
Descartes' antwoord is niet het enige. Het empirisme van Hume leidt juist tot een nieuw scepticisme (over causaliteit en inductie); Kant probeert het scepticisme te ontwapenen door te tonen dat het verstand de ervaring zelf structureert; en „common sense”-filosofen (Moore) verwerpen de scepticus met het argument dat we van gewone dingen (dat ik hier een hand heb) zekerder zijn dan van de abstracte premissen van het scepticische argument. Voor het examen moet je scepticische argumenten (droom, boze genius) kunnen reconstrueren, het cogito als antwoord kunnen uitleggen én het beoordelen, met aandacht voor de moeilijkheid om van het cogito terug naar de wereld te komen.
Cogito, ergo sum\textit{Cogito, ergo sum}Cogito, ergo sum

Descartes

„Ik denk, dus ik ben.” Zelfs de radicaalste twijfel veronderstelt een twijfelaar die bestaat — het eerste onbetwijfelbare punt.

Uitgewerkt voorbeeld

Waarom het cogito de twijfel overleeft

Leg uit waarom Descartes meent dat zelfs een almachtige boze genius het „ik denk, dus ik ben” niet kan ondergraven.

  1. 01Stel de radicale twijfel

    Neem aan dat een boze genius mij over alles misleidt — de wereld, mijn lichaam, zelfs de wiskunde.

  2. 02Merk de voorwaarde op

    Om misleid te worden, moet er iemand zijn die misleid wordt: het bedrog veronderstelt een denkend subject.

  3. 03Trek de conclusie

    Dus telkens wanneer ik denk of twijfel — ook als álles wat ik denk onwaar is — sta het vast dat ik, als denkend wezen, besta. Het cogito bewijst zichzelf in het denken ervan.

Resultaat: Elke misleiding vooronderstelt een denkende die misleid wordt; daarom overleeft „ik denk, dus ik ben” zelfs de boze genius — het is de onbetwijfelbare basis.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: scepticische argumenten (droomargument, boze genius) reconstrueren en de methodische twijfel uitleggen.
  • Examendoel: het cogito als antwoord op het scepticisme uitleggen en beoordelen (incl. het probleem van de wederopbouw).

Veelgemaakte fouten

  • Descartes' twijfel voor echt scepticisme aanzien: het is methodische twijfel — een middel om zekerheid te vinden, geen doel.
  • Het cogito als gewone syllogistische redenering behandelen; het is een zelf-bevestigend inzicht dat in het denken zelf zeker wordt.

VWO-verdieping

Verdieping: vergelijk Descartes' cartesiaanse cirkel met het probleem van het funderingsdenken in het algemeen. Bespreek of kennis wel een absoluut zeker fundament nodig heeft (funderingsdenken) of dat zij ook kan berusten op een samenhangend geheel van overtuigingen (coherentisme) — en verbind dit met de coherentietheorie van waarheid uit het volgende onderwerp.

Actieve herhaling

Reconstrueer het droomargument als redenering en leg uit welke conclusie de scepticus eruit trekt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein D (scepticisme en cogito) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Wat is kennis? De klassieke definitie○
    • 02Het Gettierprobleem◐
    • 03Rationalisme versus empirisme◐
    • 04Scepticisme en het antwoord daarop●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Kennisleer: centrale begrippen en toonaangevende visies

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~16
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

College voor Toetsen en Examens (CvTE)

  • Examenprogramma filosofie VWO — domein D (definitie van kennis)

Vorig onderwerp

Vrijheid en verantwoordelijkheid

Volgend onderwerp

Ervaring en waarheid

EuraStudy·Samenvattingen T·08·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.