EuraStudy
Samenvattingen/Filosofie/Ervaring en waarheid
Samenvattingen · FilosofieNL · VWO

Ervaring en waarheid

Hoe komen we via ervaring aan kennis, en wat betekent het eigenlijk dat een uitspraak waar is? Dit onderwerp (domein D) behandelt de ervaring als kennisbron, de drie klassieke waarheidstheorieën (correspondentie, coherentie, pragmatisch), de betrouwbaarheid van de waarneming en het onderscheid tussen schijn en werkelijkheid.

4 Onderdelen·~16 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0999 / 14
Examenprofiel
De rol van de zintuiglijke ervaring als kennisbron analyserenDe correspondentie-, coherentie- en pragmatische waarheidstheorie onderscheidenDe betrouwbaarheid van de waarneming beoordelenHet onderscheid tussen schijn en werkelijkheid analyseren
Operatoren:leg uitonderscheidvergelijkbeoordeelberedeneer

basisniveau

Ken de drie waarheidstheorieën en het feit dat waarnemen ook interpreteren is.

verhoogd niveau

Kun je de waarheidstheorieën met hun kritiek afwegen en het onderscheid primaire/secundaire kwaliteiten (Locke) toepassen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Ervaring en waarheid
    • 01Ervaring als kennisbron○
    • 02Waarheidstheorieën: correspondentie, coherentie, pragmatisch◐
    • 03De betrouwbaarheid van de waarneming◐
    • 04Schijn en werkelijkheid●
§ 01

Ervaring als kennisbron#

●○○BasisLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-D

Kernpunten

Voor de empirist is de zintuiglijke ervaring de bron van alle kennis: via zien, horen, voelen, proeven en ruiken komt de wereld bij ons binnen. Maar de ervaring is minder eenvoudig dan ze lijkt. Naïef stelt men zich waarnemen voor als een passief kopiëren: de wereld drukt zich af op onze zintuigen zoals een zegel in was. De filosofie laat zien dat waarnemen juist een actief, interpreterend proces is — we nemen niet louter „gegevens” op, we ordenen, vullen aan en duiden ze meteen.
John Locke maakte binnen de ervaring een invloedrijk onderscheid tussen primaire en secundaire kwaliteiten. Primaire kwaliteiten (vorm, grootte, aantal, beweging) zijn eigenschappen van de dingen zelf; onze ideeën ervan lijken op wat in het object aanwezig is. Secundaire kwaliteiten (kleur, geur, smaak, geluid, warmte) zijn daarentegen geen eigenschappen in het object zelf, maar effecten die het object door zijn primaire kwaliteiten in óns oproept. De roos is niet „rood in zichzelf”; ze heeft een oppervlaktestructuur die in ons een rood-gewaarwording veroorzaakt. Kleur is er, kort gezegd, pas als er een waarnemer is.
Dit onderscheid heeft verstrekkende gevolgen. Als een groot deel van hoe de wereld ons verschijnt (de kleuren, geuren, smaken) in feite door ons wordt bijgedragen, dan is de waargenomen wereld niet zomaar de wereld-op-zich. George Berkeley trok de radicale consequentie: ook de primaire kwaliteiten kennen we alleen als ideeën in de geest, dus bestaat de materiële wereld buiten de waarneming helemaal niet — „zijn is waargenomen worden” (esse est percipi). Zijn idealisme is extreem, maar het legt een echt probleem bloot: we hebben nooit toegang tot de dingen anders dan via onze eigen waarneming.
De moderne psychologie en wetenschapsfilosofie bevestigen dat waarnemen interpreteren is. De gestaltpsychologie toont dat we vanzelf hele figuren zien waar objectief alleen fragmenten zijn; onze verwachtingen, aandacht en voorkennis sturen wat we opmerken. Norwood Hanson vatte dit samen met de stelling dat waarneming „theoriegeladen” is: wat je ziet, hangt mede af van wat je weet en verwacht — een deskundige en een leek zien in dezelfde röntgenfoto niet hetzelfde. De ervaring levert dus geen neutrale, theorievrije feiten; ze is altijd al door de geest bewerkt.
Voor het examen moet je kunnen uitleggen dat en waarom waarnemen meer is dan passief registreren, het onderscheid tussen primaire en secundaire kwaliteiten kunnen toepassen, en de gevolgen ervan voor de kenbaarheid van de wereld kunnen wegen. Dit onderwerp bereidt twee vervolgvragen voor: als de ervaring zo door ons wordt gevormd, wat betekent het dan dat een oordeel „waar” is (de waarheidstheorieën), en hoe betrouwbaar is de waarneming eigenlijk (paragraaf 3)? Het legt zo ook de brug naar de contextualiteit van kennis (Kant) in het volgende onderwerp.
Uitgewerkt voorbeeld

Primaire of secundaire kwaliteit?

Bepaal voor elk van deze eigenschappen of het volgens Locke een primaire of een secundaire kwaliteit is en licht toe: (a) de ronde vorm van een appel; (b) de zoete smaak van een appel.

  1. 01Analyseer de vorm

    De ronde vorm is een primaire kwaliteit: ze is een eigenschap van de appel zelf en bestaat onafhankelijk van een waarnemer.

  2. 02Analyseer de smaak

    De zoete smaak is een secundaire kwaliteit: ze is geen eigenschap in de appel zelf, maar een gewaarwording die de appel (door zijn primaire kwaliteiten, zoals suikermoleculen) in de proever oproept.

  3. 03Trek de les

    Zonder waarnemer is de appel nog steeds rond, maar niet meer „zoet”; de smaak bestaat pas in de ontmoeting tussen object en zintuig.

Resultaat: De ronde vorm is primair (in het object zelf), de zoete smaak secundair (een gewaarwording in de waarnemer): een deel van hoe de wereld verschijnt, dragen wij zelf bij.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: uitleggen dat waarnemen een actief, interpreterend proces is en geen passief kopiëren.
  • Examendoel: het onderscheid tussen primaire en secundaire kwaliteiten (Locke) uitleggen en toepassen.

Veelgemaakte fouten

  • Waarnemen voorstellen als het maken van een neutrale „foto” van de wereld; verwachting en voorkennis kleuren wat je ziet.
  • Secundaire kwaliteiten voor pure illusies houden: ze zijn reëel als gewaarwording, maar horen niet als eigenschap in het object zelf thuis.

Actieve herhaling

Leg uit hoe Berkeley van Lockes onderscheid tussen primaire en secundaire kwaliteiten naar zijn idealisme („zijn is waargenomen worden”) komt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein D (ervaring als kennisbron) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 02

Waarheidstheorieën: correspondentie, coherentie, pragmatisch#

●●○StandaardLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-D

Kernpunten

We noemen kennis „ware” overtuiging — maar wat betekent het dat een uitspraak waar is? Op die vraag geven drie klassieke waarheidstheorieën een antwoord, die Afb. 1 naast elkaar zet. Ze verschillen in wat waarheid tot waarheid maakt: overeenstemming met de werkelijkheid, samenhang met andere overtuigingen, of bruikbaarheid in de praktijk. Het onderscheid is fundamenteel, want het bepaalt hoe je een bewering kunt toetsen en of objectieve waarheid mogelijk is.

Drie waarheidstheorieën

Drie waarheidstheorieënTabel met 4 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Theorie · Waar is: · Sterk punt · Kritiek; Correspondentie · overeenstemming met de werkelijkheid · objectief, intuïtief · hoe vergelijk je oordeel met feit?; Coherentie · samenhang met andere overtuigingen · erkent dat kennis een netwerk is · een consistente fictie is ook coherent; Pragmatisch · wat in de praktijk werkt · verbindt waarheid met handelen · nuttig is niet hetzelfde als waar, gemarkeerde cel: overeenstemming met de werkelijkheidTHEORIEWAAR IS:STERK PUNTKRITIEKCORRESPONDENTIEovereenstemming met dewerkelijkheidobjectief, intuïtiefhoe vergelijk je oordeel metfeit?COHERENTIEsamenhang met andereovertuigingenerkent dat kennis eennetwerk iseen consistente fictie isook coherentPRAGMATISCHwat in de praktijk werktverbindt waarheid methandelennuttig is niet hetzelfde alswaarWat maakt een uitspraak waar?
Afb. 1Afb. 1 — Correspondentie, coherentie en werkzaamheid als drie antwoorden op de vraag wat waarheid is.
De correspondentietheorie is de meest intuïtieve: een uitspraak is waar als ze overeenstemt met de werkelijkheid. „Het sneeuwt” is waar dan en slechts dan als het sneeuwt. Al bij Aristoteles klinkt dit: waar spreken is zeggen van wat is dat het is, en van wat niet is dat het niet is. Waarheid is hier een verhouding tussen taal/gedachte en wereld. Sterk punt: deze theorie past bij ons realistische alledaagse begrip van waarheid en maakt waarheid objectief. Zwak punt: hoe vergelijk je ooit een oordeel met „de werkelijkheid zelf”, zonder daarbij alweer een oordeel te gebruiken? We hebben geen toegang tot de feiten buiten al onze waarnemingen en beschrijvingen om — precies het probleem uit de vorige paragraaf.
De coherentietheorie omzeilt dat probleem: een uitspraak is waar als ze coherent past in een samenhangend, consistent geheel van overtuigingen. We toetsen een nieuwe bewering nooit aan de „naakte werkelijkheid”, maar altijd aan wat we al voor waar houden; klopt ze daarmee, dan aanvaarden we haar. Zo werkt bijvoorbeeld de wiskunde, en zo controleren we of een getuigenverklaring „klopt”. Sterk punt: de theorie erkent dat kennis een netwerk is en dat we buiten dat netwerk niet kunnen stappen. Zwak punt: ook een volstrekt verzonnen maar consistent verhaal (een goede roman) is coherent; en er kunnen meerdere, onderling onverenigbare samenhangende systemen zijn. Coherentie garandeert dus nog geen overeenstemming met de werkelijkheid.
De pragmatische waarheidstheorie (Peirce, James, Dewey) verbindt waarheid met handelen: waar is wat werkt, wat zich in de praktijk en in het onderzoek op de lange duur bewijst. Een overtuiging is waar voor zover ze betrouwbare verwachtingen oplevert en de toets van de ervaring doorstaat; waarheid is niet een statische afspiegeling maar het resultaat van succesvol onderzoek. Sterk punt: de theorie verbindt waarheid met wetenschap en handelen en verklaart waarom we ware overtuigingen waarderen (ze werken). Zwak punt: „werkt” en „waar” vallen niet altijd samen — een geruststellende onwaarheid kan nuttig zijn, en een ware theorie kan (voorlopig) nutteloos lijken. Nuttigheid lijkt eerder een gevolg van waarheid dan de waarheid zelf.
De drie theorieën sluiten elkaar niet volledig uit; velen menen dat de correspondentietheorie zegt wát waarheid ís (overeenstemming met de werkelijkheid), terwijl coherentie en werkzaamheid vooral criteria zijn waaraan we haar herkennen. Voor het examen moet je de drie theorieën kunnen uitleggen, met een voorbeeld illustreren, en hun sterke en zwakke punten wegen. Merk op hoe dit onderwerp de kennisleer verbindt met de wetenschapsfilosofie (hoe toetsen we theorieën?) en met de vraag naar de contextualiteit van kennis (is waarheid perspectiefgebonden?).
Uitgewerkt voorbeeld

Een waarheidsclaim volgens drie theorieën

Beoordeel de uitspraak „de gemiddelde temperatuur op aarde stijgt” volgens de drie waarheidstheorieën.

  1. 01Correspondentietheorie

    De uitspraak is waar als ze overeenstemt met de feiten: als de gemiddelde temperatuur werkelijk stijgt. Waarheid ligt in de verhouding tot de werkelijkheid.

  2. 02Coherentietheorie

    De uitspraak is waar voor zover ze coherent past in het geheel van metingen, modellen en overige aanvaarde kennis; ze wordt getoetst aan wat we al weten.

  3. 03Pragmatische theorie

    De uitspraak is waar voor zover ze zich in onderzoek en voorspelling bewijst — betrouwbare verwachtingen oplevert en de toets van de praktijk doorstaat.

  4. 04Weeg de theorieën

    De correspondentietheorie zegt wát de bewering waar máákt (de feiten); coherentie en werkzaamheid geven vooral aan hoe we die waarheid herkennen en toetsen.

Resultaat: Elke theorie belicht een andere kant: overeenstemming met de feiten (correspondentie), samenhang met onze kennis (coherentie) en bewijs in de praktijk (pragmatisch); vaak vullen ze elkaar aan.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de correspondentie-, coherentie- en pragmatische waarheidstheorie uitleggen en met een voorbeeld illustreren.
  • Examendoel: de sterke en zwakke punten van de waarheidstheorieën wegen.

Veelgemaakte fouten

  • De coherentietheorie lezen als „waar is wat ik geloof”: het gaat om samenhang binnen een consistent geheel, niet om willekeurige meningen.
  • De pragmatische theorie samenvatten als „waar is wat mij uitkomt”: het gaat om wat zich in onderzoek en praktijk op den duur bewijst.

Actieve herhaling

Leg met een eigen voorbeeld uit waarom coherentie alleen geen waarheid garandeert (een samenhangend verhaal kan toch onwaar zijn).

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein D (waarheidstheorieën) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 03

De betrouwbaarheid van de waarneming#

●●○StandaardLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-D

Waarnemen is interpreteren

Bottom-up én top-downGraaf, Prikkel uit de wereld → Interpretatie, Verwachtingen & theorie → Interpretatie, Interpretatie → Waarnemingsoordeel: „ik zie X”Prikkel uit dewereldVerwachtingen &theorieInterpretatieWaarnemingsoordeel:„ik zie X”bottom-uptop-down
Afb. 2Afb. 1 — Waarneming ontstaat uit een prikkel van buiten én een top-downinterpretatie van binnenuit.

Kernpunten

Als de zintuiglijke ervaring de basis van onze kennis is, dringt de vraag zich op hoe betrouwbaar die basis eigenlijk is. Afb. 1 laat zien dat een waarneming geen rechtstreekse afdruk van de wereld is, maar het resultaat van een proces waarin een prikkel van buiten wordt gecombineerd met interpretatie van binnenuit. Op meerdere plaatsen in dat proces kan er iets misgaan — en juist daar hebben sceptici hun argumenten aangehaakt.
Ten eerste zijn er de zintuiglijke bedriegingen. Een rechte stok lijkt geknikt in het water; de zon lijkt onder te gaan terwijl de aarde draait; optische illusies laten ons lijnen ongelijk zien die even lang zijn. Uit zulke gevallen bouwt de scepticus het „argument uit de illusie”: als de zintuigen ons soms bedriegen zonder dat we het merken, hoe weten we dan zeker dat ze het niet vaker of altijd doen? Eén onopgemerkt bedrog ondermijnt het vertrouwen in alle waarneming.
Ten tweede, en dieper, is er de theoriegeladenheid van de waarneming. Wat we waarnemen, wordt mede bepaald door wat we verwachten, weten en willen zien. Afb. 1 geeft dit weer met de top-downpijl van verwachtingen en theorieën naar de interpretatie: een geoefend arts ziet in een röntgenfoto een breuk waar de leek slechts vlekken ziet; twee mensen met verschillende overtuigingen zien in dezelfde gebeurtenis iets anders. De waarneming levert dus geen neutrale, voor iedereen gelijke feiten; ze is al gekleurd door het kader van de waarnemer. Dit ondermijnt het empiristische ideaal van louter objectieve, theorievrije gegevens.
Toch zou het overdreven zijn om uit deze foutbronnen te besluiten dat waarneming waardeloos is. We ontdekken dat een stok toch recht is juist door verder waar te nemen (hem uit het water te halen, te betasten); illusies corrigeren we met andere waarnemingen en met de rede. De betrouwbaarheid van de waarneming is dus geen alles-of-niets-zaak: ze is feilbaar maar corrigeerbaar. De wetenschap probeert de waarneming te versterken met instrumenten, herhaalde metingen, controlegroepen en intersubjectieve toetsing — precies om de individuele foutbronnen te ondervangen. Waarnemen blijft de belangrijkste toegang tot de wereld, mits we de beperkingen kennen.
Voor het examen moet je de foutbronnen van de waarneming kunnen benoemen (zintuiglijk bedrog, illusie, theoriegeladenheid), het sceptische argument uit de illusie kunnen reconstrueren én kunnen wegen tegen het gegeven dat waarnemingen elkaar corrigeren. Merk op hoe dit onderwerp de kennisleer met de wetenschapsfilosofie verbindt: dat waarneming theoriegeladen is, is precies een van de inzichten (Hanson, Kuhn) die het naïeve beeld van de wetenschap als het verzamelen van neutrale feiten hebben ondergraven.
Uitgewerkt voorbeeld

Het argument uit de illusie beoordelen

Reconstrueer het sceptische argument uit de illusie en geef aan waar het te weerstaan valt.

  1. 01Premisse 1

    De zintuigen bedriegen ons soms zonder dat we het op dat moment merken (illusies, dromen).

  2. 02Premisse 2

    Als we in sommige gevallen bedrogen worden zonder het te merken, kunnen we in geen enkel geval zeker zijn dat we niet bedrogen worden.

  3. 03Conclusie

    Dus kunnen we op geen enkele waarneming zekere kennis bouwen.

  4. 04Tegenwerping

    Premisse 2 is te sterk: dat sommige waarnemingen fout zijn, betekent niet dat we geen enkele kunnen vertrouwen. We ontdekken en corrigeren fouten juist door verdere waarneming en toetsing — de waarneming controleert zichzelf.

Resultaat: Het argument gaat van „soms bedrogen” naar „nooit zeker”; de zwakke schakel is die sprong: waarnemingen zijn feilbaar maar corrigeerbaar, dus niet zonder meer onbetrouwbaar.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de foutbronnen van de waarneming en de theoriegeladenheid ervan uitleggen.
  • Examendoel: het sceptische argument uit de illusie reconstrueren en beoordelen.

Veelgemaakte fouten

  • Van „waarneming is soms onbetrouwbaar” meteen „waarneming is waardeloos” maken; ze is feilbaar maar corrigeerbaar.
  • Theoriegeladenheid verwarren met louter subjectiviteit: het betekent dat kennis en verwachting de waarneming sturen, niet dat iedereen maar wat ziet.

Actieve herhaling

Leg met een voorbeeld uit wat het betekent dat de waarneming „theoriegeladen” is, en welk gevolg dat heeft voor het idee van neutrale feiten.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein D (betrouwbaarheid van waarneming) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 04

Schijn en werkelijkheid#

●●●VerdiepingLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-D

Kernpunten

Achter de vragen over ervaring en waarheid ligt een van de oudste thema's van de filosofie: het onderscheid tussen schijn en werkelijkheid. Verschijnt de wereld ons zoals ze werkelijk is, of leven we in een wereld van verschijningen die de ware werkelijkheid verhullen? Al Parmenides en Plato onderscheidden de bedrieglijke wereld van de zintuigen van een diepere, ware werkelijkheid die alleen door het denken toegankelijk is.
Plato's allegorie van de grot is de klassieke uitdrukking hiervan. Gevangenen zitten geketend in een grot en zien slechts schaduwen op de wand, die zij voor de werkelijkheid houden; pas wie zich bevrijdt en naar buiten klimt, ziet de echte dingen en ten slotte de zon (het hoogste, het Goede). De schaduwen staan voor de zintuiglijke schijn, de buitenwereld voor de wereld van de Ideeën die de rede kent. De boodschap: onze alledaagse waarneming levert schaduwen, en filosofie is de moeizame opklimming van schijn naar ware kennis. Filosoferen is leren zien wat werkelijk is.
Het onderscheid schijn/werkelijkheid stelt de mens voor een dilemma. Aan de ene kant lijkt het vanzelfsprekend dat de wereld ánders kan zijn dan ze ons voorkomt — de wetenschap toont voortdurend dat de „echte” werkelijkheid (atomen, velden, de draaiende aarde) afwijkt van hoe ze verschijnt (vaste stoffen, kleuren, een stilstaande aarde met een opkomende zon). Aan de andere kant: als de ware werkelijkheid principieel achter de verschijningen verborgen ligt, hoe kunnen we haar dan ooit kennen? Wie de schijn geheel wantrouwt, dreigt in scepticisme te vervallen; wie de schijn voor de hele werkelijkheid houdt, mist de kritische afstand die wetenschap en filosofie juist mogelijk maakt.
Kant zou dit dilemma een nieuwe wending geven (uitgewerkt in het volgende onderwerp). Volgens hem kennen we de wereld alleen zoals ze aan ons verschijnt (het fenomeen), gevormd door de structuren van ons kenvermogen, en niet zoals ze op zichzelf is (het Ding an sich). De „werkelijkheid achter de schijn” is dan niet een verborgen wereld die we met genoeg moeite tóch kunnen bereiken, maar een grens van ons kennen. Zo verschuift het schijn/werkelijkheid-probleem van „hoe doorbreken we de schijn?” naar „welke aandeel heeft ons eigen kenvermogen in hoe de wereld verschijnt?”.
Voor het examen moet je het onderscheid schijn/werkelijkheid kunnen uitleggen, Plato's grot kunnen duiden, en de spanning kunnen wegen tussen de erkenning dat de wereld anders kan zijn dan ze verschijnt en het gevaar dat de ware werkelijkheid daardoor onkenbaar wordt. Dit onderwerp verbindt de kennisleer met de wijsgerige antropologie (welke plaats heeft de mens die de schijn kan doorzien?), de metafysica (wat is werkelijk?) en, via Kant, de contextualiteit van kennis. Het toont dat de vraag naar ervaring en waarheid uitmondt in de vraag naar de grenzen van het menselijk kennen.
Uitgewerkt voorbeeld

De grotallegorie duiden

Leg uit waar in Plato's grotallegorie de schaduwen, de buitenwereld en de zon voor staan, en welke boodschap over schijn en werkelijkheid eruit spreekt.

  1. 01De schaduwen

    De schaduwen op de wand staan voor de zintuiglijke verschijningen: de wereld zoals wij haar via de zintuigen waarnemen en ten onrechte voor de hele werkelijkheid houden.

  2. 02De buitenwereld

    De echte dingen buiten de grot staan voor de ware werkelijkheid, de wereld van de Ideeën, die alleen door het denken (de rede) toegankelijk is.

  3. 03De zon

    De zon staat voor het hoogste beginsel, de Idee van het Goede, die alle kennis mogelijk maakt zoals de zon het zien mogelijk maakt.

  4. 04De boodschap

    Onze gewone waarneming levert slechts schaduwen; ware kennis vereist een moeizame bevrijding en opklimming van de zintuiglijke schijn naar het redelijke inzicht in de werkelijkheid.

Resultaat: De schaduwen zijn de zintuiglijke schijn, de buitenwereld de ware (ideële) werkelijkheid en de zon het hoogste beginsel; de allegorie leert dat filosofie de opgang van schijn naar ware kennis is.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het onderscheid tussen schijn en werkelijkheid uitleggen en Plato's grotallegorie duiden.
  • Examendoel: de spanning wegen tussen het idee dat de wereld anders is dan ze verschijnt en het gevaar dat de werkelijkheid daardoor onkenbaar wordt.

Veelgemaakte fouten

  • De grotallegorie louter als spannend verhaal navertellen zonder de symboolduiding (schaduwen = schijn, buiten = Ideeën, zon = het Goede).
  • Schijn en werkelijkheid opvatten als „leugen versus waarheid”: het gaat om verschijning versus zijn, niet om opzettelijk bedrog.

VWO-verdieping

Verdieping: vergelijk Plato's grot met het moderne gedachte-experiment van het „brein in een vat” (of de simulatiehypothese). Beide stellen dat de vertrouwde wereld schijn kan zijn; onderzoek of de moderne versie een sterker of juist zwakker scepticisme oplevert dan Plato's allegorie, en hoe Descartes' cogito of Kants wending erop zouden reageren.

Actieve herhaling

Leg uit hoe de wetenschap (bijv. dat een tafel „eigenlijk” grotendeels lege ruimte is) het onderscheid tussen schijn en werkelijkheid illustreert, en welk kennisprobleem dat oproept.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein D (schijn en werkelijkheid) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Ervaring als kennisbron○
    • 02Waarheidstheorieën: correspondentie, coherentie, pragmatisch◐
    • 03De betrouwbaarheid van de waarneming◐
    • 04Schijn en werkelijkheid●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Ervaring en waarheid

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~16
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

College voor Toetsen en Examens (CvTE)

  • Examenprogramma filosofie VWO — domein D (ervaring als kennisbron)

Vorig onderwerp

Kennisleer: centrale begrippen en toonaangevende visies

Volgend onderwerp

De contextualiteit van kennis

EuraStudy·Samenvattingen T·09·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.