EuraStudy
Samenvattingen/Filosofie/Het al dan niet universeel zijn van waarden
Samenvattingen · FilosofieNL · VWO

Het al dan niet universeel zijn van waarden

Gelden morele waarden voor iedereen, altijd en overal, of alleen binnen een cultuur of voor een individu? Dit onderwerp (domein C) behandelt moreel universalisme, relativisme en nihilisme, de meta-ethische posities (cognitivisme, non-cognitivisme, moreel realisme en emotivisme), de argumenten voor en tegen relativisme, en de is-hoort-kwestie met de naturalistische drogreden.

4 Onderdelen·~17 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0666 / 14
Examenprofiel
Moreel universalisme, relativisme en nihilisme onderscheidenCognitivisme en non-cognitivisme en de meta-ethische posities uitleggenArgumenten voor en tegen moreel relativisme wegenHet is-hoort-probleem en de naturalistische drogreden herkennen
Operatoren:onderscheidleg uitbeoordeelweerlegbeargumenteer

basisniveau

Ken het onderscheid universalisme/relativisme/nihilisme en het is-hoort-probleem.

verhoogd niveau

Kun je de meta-ethische posities (cognitivisme/non-cognitivisme, realisme/errortheorie/emotivisme) plaatsen en het relativisme op zelfweerlegging toetsen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Het al dan niet universeel zijn van waarden
    • 01Universalisme, relativisme en nihilisme○
    • 02Meta-ethiek: cognitivisme en non-cognitivisme◐
    • 03Argumenten voor en tegen relativisme◐
    • 04Is en hoort: de naturalistische drogreden●
§ 01

Universalisme, relativisme en nihilisme#

●○○BasisLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-C

Kernpunten

Achter elke ethische discussie ligt een diepere vraag: hebben morele waarden een universele geldigheid, of gelden ze alleen binnen een bepaalde cultuur of voor een bepaald individu? Afb. 1 zet de drie grondposities naast elkaar. Het moreel universalisme houdt in dat er ten minste enkele morele waarden of normen zijn die voor alle mensen, culturen en tijden gelden — denk aan de mensenrechten of aan Kants categorische imperatief, die per definitie voor ieder redelijk wezen bedoeld is. Wat werkelijk goed is, is dat dan onafhankelijk van wat een groep toevallig vindt.

Drie posities over de geldigheid van waarden

Universeel, relatief of niets?Tabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Positie · Kernstelling · Kritiek; Universalisme · sommige waarden gelden voor iedereen · wie bepaalt welke? gevaar van opleggen; Relativisme · goed/fout is relatief aan cultuur of persoon · geen kritiek op onrecht mogelijk; zelfweerlegging; Nihilisme · er bestaan geen morele waarden · botst met de ervaring van echt onrecht, gemarkeerde cel: sommige waarden gelden voor iedereenPOSITIEKERNSTELLINGKRITIEKUNIVERSALISMEsommige waarden gelden vooriedereenwie bepaalt welke? gevaarvan opleggenRELATIVISMEgoed/fout is relatief aancultuur of persoongeen kritiek op onrechtmogelijk; zelfweerleggingNIHILISMEer bestaan geen morelewaardenbotst met de ervaring vanecht onrechtGeldigheid van morele waarden
Afb. 1Afb. 1 — Universalisme, relativisme en nihilisme over de geldigheid van morele waarden.
Het moreel relativisme ontkent dit: morele waarheid is relatief aan een standpunt. In het cultureel relativisme is een handeling goed of fout alleen ten opzichte van de waarden van een cultuur; er is geen cultuuroverstijgende maatstaf om culturen te beoordelen. In het (individueel) subjectivisme geldt hetzelfde per persoon: „goed voor mij” is alles wat over goed en fout te zeggen valt. Belangrijk is het onderscheid tussen descriptief relativisme — het feitelijke gegeven dat culturen moreel van elkaar verschillen — en normatief of meta-ethisch relativisme — de filosofische stelling dat er daarom géén universele morele waarheid ís. Het eerste is een sociologisch feit, het tweede een omstreden conclusie.
Het moreel nihilisme gaat nog verder: er bestaan helemaal geen morele waarden of feiten; morele uitspraken zijn in de grond zonder grond. Verwant is het moreel scepticisme, dat niet ontkent dat er morele waarheid is, maar stelt dat we haar niet kunnen kennen. Een verfijnde nihilistische variant is de errortheorie (Mackie): morele oordelen bedóélen objectieve, voor iedereen bindende feiten uit te drukken, maar zulke feiten bestaan niet, dus zijn onze morele oordelen stelselmatig onwaar — een vergissing die diep in onze taal zit.
De inzet van dit debat is groot. Als het universalisme klopt, kunnen we praktijken als slavernij of onderdrukking beoordelen als werkelijk verkeerd, ook als een cultuur ze goedkeurt, en kunnen we spreken van morele vooruitgang. Als het relativisme klopt, vervalt die mogelijkheid: we kunnen andere culturen dan niet meer bekritiseren, maar ook onze eigen morele overtuigingen niet meer als beter dan andere verdedigen. En als het nihilisme klopt, is elke morele verontwaardiging uiteindelijk zonder fundament. Elke positie heeft dus ingrijpende praktische consequenties.
Voor het examen moet je deze posities scherp onderscheiden en niet door elkaar halen. Let vooral op de valkuil om van „culturen verschillen” (descriptief) meteen naar „dus geen enkele moraal is beter” (normatief) te springen — dat is een aparte redenering die apart onderbouwd moet worden (zie paragraaf 3 en 4). Herken ook dat het universalisme niet hoeft te betekenen dat álle normen universeel zijn: een universalist kan best erkennen dat veel gebruiken (kleding, etiquette) cultuurgebonden zijn, en tegelijk volhouden dat enkele grondwaarden (respect voor personen) dat niet zijn.
Uitgewerkt voorbeeld

Descriptief of normatief relativisme?

„Antropologen tonen aan dat culturen sterk verschillen in wat ze moreel goedkeuren; er is dus geen universele moraal.” Ontleed de redenering.

  1. 01Onderscheid de twee delen

    Deel 1 (culturen verschillen moreel) is descriptief relativisme — een sociologisch feit. Deel 2 (er is geen universele moraal) is normatief relativisme — een filosofische conclusie.

  2. 02Toets de sprong

    Uit het feit dat mensen van mening verschillen, volgt niet dat er geen waarheid is: mensen verschilden ook over de vorm van de aarde, zonder dat dat de aarde plat maakte.

  3. 03Conclusie

    De redenering springt onterecht van een descriptief feit naar een normatieve conclusie; het descriptieve relativisme onderbouwt het normatieve relativisme niet zonder extra premisse.

Resultaat: Verschil van morele mening (descriptief) bewijst niet dat er geen morele waarheid is (normatief); de conclusie is onterecht uit het feit afgeleid.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: universalisme, relativisme en nihilisme onderscheiden en een standpunt bij de juiste positie plaatsen.
  • Examendoel: descriptief en normatief relativisme onderscheiden.

Veelgemaakte fouten

  • Descriptief relativisme (culturen verschillen) verwarren met normatief relativisme (er is geen universele maatstaf).
  • Relativisme en nihilisme gelijkstellen: de relativist erkent morele waarheid (maar relatief), de nihilist ontkent haar helemaal.

Actieve herhaling

Leg het verschil uit tussen een cultureel relativist en een moreel nihilist als het gaat om de vraag of slavernij „echt” verkeerd is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein C (universaliteit van waarden) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 02

Meta-ethiek: cognitivisme en non-cognitivisme#

●●○StandaardLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-C

De meta-ethische posities in kaart

Meta-ethische kaartGraaf, Kan een moreel oordeel waar zijn? → Cognitivisme: ja, het is een bewering, Kan een moreel oordeel waar zijn? → Non-cognitivisme: nee, het uit een houding, Cognitivisme: ja, het is een bewering → Moreel realisme: er zijn morele feiten, Cognitivisme: ja, het is een bewering → Errortheorie: alle zijn onwaar (Mackie), Non-cognitivisme: nee, het uit een houding → Emotivisme: „boe/hoera” (Ayer)Kan een moreeloordeel waarzijn?Cognitivisme:ja, het is eenbeweringNon-cognitivisme:nee, het uit ee…Moreel realisme:er zijn morelefeitenErrortheorie:alle zijn onwaar(Mackie)Emotivisme:„boe/hoera”(Ayer)janee
Afb. 2Afb. 1 — De meta-ethiek als vertakkende vragen: cognitivisme (realisme, errortheorie) tegenover non-cognitivisme (emotivisme).

Kernpunten

De meta-ethiek stelt niet de normatieve vraag „wat moet ik doen?”, maar de vraag daarachter: wat vóór soort uitspraak is een moreel oordeel eigenlijk, en kan het waar of onwaar zijn? Afb. 1 brengt het landschap in kaart als een reeks vertakkende vragen. De eerste splitsing is die tussen cognitivisme en non-cognitivisme. Het cognitivisme houdt in dat morele oordelen echte beweringen zijn die iets over de wereld zeggen en dus waar of onwaar kunnen zijn: „stelen is verkeerd” drukt een overtuiging uit die klopt of niet klopt.
Binnen het cognitivisme staan twee tegengestelde antwoorden. Het moreel realisme stelt dat er objectieve morele feiten bestaan die onze ware oordelen waar maken — net zoals er natuurkundige feiten zijn. Deze feiten kunnen naturalistisch worden opgevat (moreel goed = een natuurlijke eigenschap, bijvoorbeeld „bevordert welzijn”) of non-naturalistisch (het goede is een eigen, niet tot iets anders herleidbare eigenschap, zoals bij Moore). De errortheorie is het cognitivistische tegendeel: morele oordelen bedóélen wel objectieve feiten uit te drukken, maar omdat zulke feiten niet bestaan, zijn al onze morele oordelen onwaar (Mackie). Beide zijn cognitivistisch — ze vatten moraal op als bewering — maar oordelen tegengesteld over de waarheid ervan.
Het non-cognitivisme ontkent de vooronderstelling: morele oordelen zijn helemaal geen beweringen en kunnen dus niet waar of onwaar zijn. Ze drukken iets anders uit — een houding, een gevoel of een voorschrift. De bekendste vorm is het emotivisme (Ayer, Stevenson): „stelen is verkeerd” betekent zoiets als „stelen — boe!” en „vrijgevigheid is goed” als „vrijgevigheid — hoera!”; morele taal uit emoties en probeert die bij anderen op te wekken (de „boe/hoera-theorie”). Een verwante variant is het prescriptivisme (Hare): een moreel oordeel is een universaliseerbaar voorschrift („doe dit — en iedereen in deze situatie ook”).
Dit meta-ethische onderscheid bepaalt wat het debat over universaliteit eigenlijk inhoudt. Als het cognitivisme klopt en er morele feiten zijn (realisme), dan is universalisme goed denkbaar: sommige morele oordelen zijn gewoon waar, voor iedereen. Als het non-cognitivisme klopt, is er strikt genomen niets om waar of universeel geldig te zíjn — al kan een non-cognitivist wél verklaren waarom we morele oordelen als bindend ervaren (ze drukken diepe, gedeelde houdingen uit). En de errortheorie geeft een nihilistisch antwoord binnen een cognitivistisch kader.
Voor het examen hoef je geen positie te kiezen, maar moet je de kaart kunnen lezen: welke vraag scheidt cognitivisme van non-cognitivisme (kan een moreel oordeel waar zijn?), en welke posities vallen waaronder? Let op de veelgemaakte fout om realisme en universalisme, of emotivisme en relativisme, klakkeloos gelijk te stellen — het zijn verwante maar onderscheiden niveaus (het ene meta-ethisch over de aard van oordelen, het andere over hun geldigheidsbereik). Wie deze niveaus scheidt, kan een debat over „bestaat er morele waarheid?” veel zuiverder voeren.
Uitgewerkt voorbeeld

Een uitspraak meta-ethisch plaatsen

„Als je zegt dat marteling verkeerd is, zeg je eigenlijk niets dat waar of onwaar kan zijn — je uit alleen je afschuw.” Welke meta-ethische positie is dit, en hoe verhoudt ze zich tot het cognitivisme?

  1. 01Bepaal het niveau

    De uitspraak gaat niet over wat goed is, maar over wat een moreel oordeel ís — dus meta-ethiek.

  2. 02Herken de positie

    „Niet waar of onwaar, alleen afschuw uiten” is de kern van het emotivisme, een vorm van non-cognitivisme.

  3. 03Contrasteer met cognitivisme

    Een cognitivist zou juist zeggen dat „marteling is verkeerd” een bewering is die waar kan zijn; een moreel realist voegt toe dat ze waar ís omdat er een moreel feit tegenover staat.

Resultaat: De uitspraak is emotivistisch (non-cognitivisme): morele oordelen zijn geen waar/onware beweringen maar uitingen van houding — tegengesteld aan het cognitivisme.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: cognitivisme en non-cognitivisme onderscheiden aan de vraag of een moreel oordeel waar kan zijn.
  • Examendoel: moreel realisme, errortheorie en emotivisme herkennen en op de meta-ethische kaart plaatsen.

Veelgemaakte fouten

  • Meta-ethiek en normatieve ethiek verwarren: meta-ethiek gaat over de aard van morele oordelen, niet over wat goed is.
  • Emotivisme lezen als „moraal is onbelangrijk”: het verklaart juist waarom morele taal zo krachtig houdingen uitdrukt en overdraagt.

Actieve herhaling

Leg uit waarom de errortheorie én het emotivisme allebei ontkennen dat er morele feiten zijn, maar op een verschillend niveau (cognitivistisch vs. non-cognitivistisch).

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein C (meta-ethiek) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 03

Argumenten voor en tegen relativisme#

●●○StandaardLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-C

Kernpunten

Het moreel relativisme is aantrekkelijk en wordt met enkele krachtige argumenten verdedigd. Het eerste is het argument uit culturele diversiteit: culturen blijken diep te verschillen over wat goed en fout is, en die verschillen lijken niet oplosbaar door louter feiten of logica; dat wijst erop dat moraal een zaak van de cultuur is, niet van een universele waarheid. Het tweede is het tolerantieargument: als geen enkele cultuur het morele gelijk in pacht heeft, past bescheidenheid en respect voor andere levenswijzen, in plaats van je eigen moraal aan anderen op te leggen — een reactie op eeuwen van kolonialisme en onverdraagzaamheid.
Toch stuiten beide argumenten op serieuze tegenwerpingen. Het diversiteitsargument maakt de sprong van een descriptief feit (culturen verschillen) naar een normatieve conclusie (er ís geen universele moraal), en die sprong is niet geldig: ook over natuurkundige of historische feiten verschillen mensen, zonder dat we concluderen dat er geen feit is. Bovendien is de morele diversiteit vaak overdreven — achter verschillende gebruiken schuilen soms gedeelde grondwaarden (bijna elke cultuur kent normen tegen willekeurig doden, tegen bedrog binnen de groep, en vormen van wederkerigheid).
Het tolerantieargument bevat zelfs een innerlijke tegenstrijdigheid. Als álle waarden relatief zijn, is óók tolerantie slechts een lokale waarde die je niet universeel kunt voorschrijven; de relativist die tolerantie van iedereen eist, verheft haar juist tot een universele norm en spreekt zichzelf tegen. Erger nog: een consequent relativist kan een intolerante of wrede cultuur niet bekritiseren, want er is per definitie geen cultuuroverstijgende maatstaf. Zo maakt het relativisme, dat uit respect leek voort te komen, morele kritiek op onrecht juist onmogelijk.
Het scherpste bezwaar is de zelfweerlegging van het radicale relativisme. De stelling „alle waarheid (of alle morele waarheid) is relatief” is óf zelf universeel bedoeld — dan is er ten minste één universele waarheid, en is de stelling onwaar — óf zelf slechts relatief — dan hoef ik haar niet te aanvaarden en geldt ze niet voor mij. In beide gevallen ondergraaft de stelling zichzelf. Een verwant bezwaar is dat het relativisme het idee van morele vooruitgang onmogelijk maakt: de afschaffing van de slavernij kunnen we dan niet als vooruitgang zien, maar alleen als verandering — terwijl we haar juist als een echte verbetering ervaren, wat een maatstaf boven de culturen veronderstelt.
Voor het examen moet je zowel de argumenten vóór als de tegenargumenten kunnen geven en tot een afgewogen oordeel komen. Vaak is de verstandigste positie geen van beide uitersten: een gematigd universalisme dat een kern van grondwaarden (respect voor personen, verbod op willekeurig lijden) universeel acht, en tegelijk erkent dat veel concrete normen en gebruiken cultureel bepaald en respectabel divers zijn. Zo behoud je de mogelijkheid tot morele kritiek zonder de rijke verscheidenheid van menselijke culturen te ontkennen — en vermijd je zowel de aanmatiging van het rigide universalisme als de verlamming van het radicale relativisme.
Uitgewerkt voorbeeld

Het relativisme op zelfweerlegging toetsen

Iemand stelt: „Er bestaan geen universeel geldige waarden; alle moraal is cultureel bepaald.” Laat zien dat deze stelling in de problemen komt.

  1. 01Vraag naar de status van de stelling

    Is de bewering „alle moraal is cultureel bepaald” zelf universeel geldig, of ook maar cultureel bepaald?

  2. 02Eerste hoorn

    Geldt ze universeel, dan is er ten minste één universeel geldige waarheid — en is de stelling zelf een tegenvoorbeeld tegen haar eigen inhoud.

  3. 03Tweede hoorn

    Geldt ze slechts binnen een cultuur, dan hoeft niemand van buiten die cultuur haar te aanvaarden en heeft ze geen algemene dwingende kracht.

  4. 04Conclusie

    Hoe je het ook wendt, het radicale relativisme ondergraaft zichzelf: universeel bedoeld is het onwaar, relatief bedoeld is het onverbindend.

Resultaat: Het radicale relativisme is zelfweerleggend: universeel opgevat is het inconsistent, relatief opgevat verliest het zijn algemene geldigheid.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de argumenten voor moreel relativisme (diversiteit, tolerantie) reconstrueren en weerleggen.
  • Examendoel: het zelfweerleggingsbezwaar en het vooruitgangsbezwaar tegen het relativisme uitleggen.

Veelgemaakte fouten

  • Het tolerantieargument voor relativisme aanvoeren zonder te zien dat het tolerantie juist tot universele waarde verheft.
  • Denken dat het weerleggen van relativisme automatisch een rigide, alles-opleggend universalisme bewijst; een gematigd universalisme is een derde optie.

Actieve herhaling

Geef één sterk argument vóór het moreel relativisme en één sterk argument ertegen, en formuleer een gematigde tussenpositie.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein C (relativisme) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 04

Is en hoort: de naturalistische drogreden#

●●●VerdiepingLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-C

De is-hoort-kloof

Is → hoortGraaf, Descriptieve premisse: „het is zo” (is) → Normatieve conclusie: „het hoort zo” (hoort), Verborgen normatieve premisse → Normatieve conclusie: „het hoort zo” (hoort)Descriptievepremisse: „hetis zo” (is)VerborgennormatievepremisseNormatieveconclusie: „hethoort zo” (hoor…sprong?nodig
Afb. 3Afb. 1 — Van „is” naar „hoort” kom je alleen via een (vaak verzwegen) normatieve premisse.

Kernpunten

Een van de meest geciteerde inzichten uit de ethiek is de is-hoort-kwestie van David Hume, die Afb. 1 in beeld brengt. Hume merkte op dat schrijvers over moraal ongemerkt overstappen van zinnen met „is” en „is niet” (beschrijvingen van feiten) naar zinnen met „hoort” en „hoort niet” (normen), zonder dat verklaard wordt hoe die overgang mogelijk is. Zijn stelling: uit louter descriptieve premissen (hoe iets ís) volgt geen normatieve conclusie (hoe iets hóórt te zijn) zonder ten minste één verborgen normatieve premisse. Er gaapt een logische kloof tussen feit en norm.
Deze is-hoort-kloof verklaart waarom veel alledaagse morele redeneringen drogredenen zijn. „Homoseksualiteit komt in de natuur voor, dus het is goed” en „vrouwen baren nu eenmaal kinderen, dus ze horen thuis te blijven” springen beide van een natuurlijk feit naar een norm. De redenering werkt alleen met een verzwegen normatieve premisse (bijvoorbeeld „wat natuurlijk is, is goed”) — en juist die premisse is hoogst aanvechtbaar, want ook ziekte, geweld en dood zijn natuurlijk. Zodra je de verborgen premisse expliciet maakt, wordt zichtbaar dat de conclusie op een omstreden waardeoordeel rust, niet op het natuurlijke feit alleen.
Nauw verwant, maar strikt genomen iets anders, is de naturalistische drogreden van G.E. Moore. Moore betoogt dat het morele begrip „goed” zich niet láát definiëren in natuurlijke termen (zoals „goed = wat genot geeft” of „goed = wat de evolutie bevordert”). Zijn argument is het „open-vraag-argument”: van welke natuurlijke eigenschap je „goed” ook gelijkstelt, het blijft altijd een zinvolle, open vraag „maar ís dat wel goed?” — en dat zou onmogelijk zijn als de gelijkstelling een echte definitie was. „Het goede” is voor Moore een eigen, onherleidbare eigenschap. In het vwo worden Humes is-hoort-punt en Moores naturalistische drogreden vaak samen behandeld als: je mag een norm niet zomaar uit een natuurlijk feit afleiden.
Het is-hoort-inzicht is een krachtig kritisch instrument, maar je moet het zorgvuldig hanteren. Het zegt níét dat feiten er in de ethiek niet toe doen — natuurlijk zijn feiten over gevolgen, over wat mensen lijden of nodig hebben, relevant voor morele oordelen. Het zegt alleen dat feiten nooit in hun eentje een norm kunnen dragen: er is altijd een verbindende waarde nodig. En het inzicht snijdt beide kanten op: net zomin als je uit „het is natuurlijk” mag afleiden dat iets goed is, mag je uit „het is onnatuurlijk” afleiden dat iets slecht is. De drogreden zit in de sprong zelf, niet in de richting.
Voor het examen moet je de is-hoort-drogreden in een tekst kunnen aanwijzen, de verborgen normatieve premisse kunnen expliciteren en het onderscheid met een geldige normatieve redenering kunnen maken. Merk op hoe dit onderwerp de hele cursus verbindt: het is-hoort-punt is een toepassing van de argumentatievaardigheden van domein A, het raakt de meta-ethiek (kunnen morele oordelen uit feiten volgen?), en het speelt een rol in de wetenschapsfilosofie en het techniekthema, waar de sprong van „wetenschappelijke of technische mogelijkheid” naar „dus moeten we het doen” dezelfde drogreden is.
Uitgewerkt voorbeeld

De is-hoort-drogreden ontmaskeren

„De mens is van nature een vleeseter, dus het is moreel in orde om vlees te eten.” Analyseer deze redenering met het is-hoort-onderscheid.

  1. 01Scheid feit en norm

    „De mens is van nature een vleeseter” is descriptief; „het is moreel in orde om vlees te eten” is normatief.

  2. 02Wijs de sprong aan

    Van het feit over onze natuur wordt direct naar de norm gesprongen — de klassieke is-hoort-sprong / naturalistische drogreden.

  3. 03Maak de premisse expliciet

    De redenering werkt alleen met een verzwegen premisse als „wat natuurlijk voedsel is, is moreel toegestaan”. Die premisse is precies wat ter discussie staat en is zelf aanvechtbaar.

  4. 04Toon de spiegel

    Dezelfde sprong zou uit „geweld is natuurlijk” de norm „geweld is toegestaan” maken — wat niemand aanvaardt; dat toont dat het feit de norm niet draagt.

Resultaat: De redenering pleegt de is-hoort-drogreden: ze leidt een norm uit een natuurlijk feit af via een verzwegen, aanvechtbare normatieve premisse.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de is-hoort-drogreden (naturalistische drogreden) in een tekst herkennen en de verborgen normatieve premisse expliciteren.
  • Examendoel: uitleggen dat feiten wél relevant maar nooit op zichzelf voldoende zijn voor een morele conclusie.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat het is-hoort-punt betekent dat feiten in de ethiek irrelevant zijn; ze zijn relevant maar dragen nooit alleen een norm.
  • De drogreden alleen in één richting zien: ook uit „het is onnatuurlijk” mag je niet „dus het is slecht” afleiden.

VWO-verdieping

Verdieping: bespreek of de is-hoort-kloof werkelijk onoverbrugbaar is. Naturalistische ethici (bijv. sommige deugdethici of Philippa Foot) betogen dat bepaalde feiten over wat een mens doet gedijen wél morele conclusies kunnen dragen. Weeg dit tegen Moores open-vraag-argument en formuleer een eigen standpunt over de vraag of ethiek volledig los van de natuur staat.

Actieve herhaling

Bedenk een redenering die van een technisch feit („dit is technisch mogelijk”) naar een norm („dus we moeten het doen”) springt en leg uit welke verborgen premisse ontbreekt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein C (is-hoort en naturalistische drogreden) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Universalisme, relativisme en nihilisme○
    • 02Meta-ethiek: cognitivisme en non-cognitivisme◐
    • 03Argumenten voor en tegen relativisme◐
    • 04Is en hoort: de naturalistische drogreden●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Het al dan niet universeel zijn van waarden

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~17
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

College voor Toetsen en Examens (CvTE)

  • Examenprogramma filosofie VWO — domein C (universaliteit van waarden)

Vorig onderwerp

Ethiek: centrale begrippen en toonaangevende visies

Volgend onderwerp

Vrijheid en verantwoordelijkheid

EuraStudy·Samenvattingen T·06·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.