EuraStudy
Samenvattingen/Filosofie/Ethiek: centrale begrippen en toonaangevende visies
Samenvattingen · FilosofieNL · VWO

Ethiek: centrale begrippen en toonaangevende visies

De ethiek (domein C) onderzoekt wat goed handelen is. Dit onderwerp behandelt de kernbegrippen (waarde, norm, descriptief en normatief) en de drie grote normatieve theorieën: de deugdethiek (Aristoteles), de plichtethiek (Kant) en het consequentialisme/utilisme (Bentham, Mill). Je leert ze uitleggen, op een morele casus toepassen en tegen elkaar afwegen.

5 Onderdelen·~21 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3 · Verdieping 1

T·0555 / 14
Examenprofiel
De begrippen waarde, norm, descriptief en normatief onderscheidenDeugdethiek, deontologie en consequentialisme uitleggen en toepassenEen morele casus vanuit meerdere ethische theorieën beoordelenDe sterke en zwakke punten van de ethische theorieën afwegen
Operatoren:leg uitpas toevergelijkbeoordeelbeargumenteer

basisniveau

Ken de drie ethische theorieën en hun kernmaatstaf (deugd, plicht, gevolg) en het onderscheid descriptief/normatief.

verhoogd niveau

Kun je een casus consequent vanuit elke theorie beoordelen én de theorieën met hun kritiek tegen elkaar afwegen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 5 onderdelen▾
  1. Ethiek: centrale begrippen en toonaangevende visies
    • 01Kernbegrippen: waarde, norm, descriptief en normatief○
    • 02Deugdethiek (Aristoteles)◐
    • 03Plichtethiek (Kant)◐
    • 04Consequentialisme/utilisme (Bentham, Mill)◐
    • 05De drie theorieën vergelijken en toepassen●
§ 01

Kernbegrippen: waarde, norm, descriptief en normatief#

●○○BasisLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-C

Kernpunten

De ethiek (of moraalfilosofie) is de tak van de filosofie die systematisch nadenkt over goed en kwaad, juist en onjuist handelen. Om zuiver over moraal te kunnen redeneren, moet je eerst enkele kernbegrippen scherp hebben. Een waarde is iets dat mensen nastrevenswaardig of goed vinden — bijvoorbeeld eerlijkheid, vrijheid, rechtvaardigheid, geluk of gezondheid. Een norm is een concrete gedragsregel die uit een waarde voortvloeit en die voorschrijft wat je moet of niet mag doen — bijvoorbeeld „je mag niet liegen” (uit de waarde eerlijkheid) of „je moet je aan je afspraken houden” (uit de waarde betrouwbaarheid). Waarden zijn abstract en richtinggevend; normen zijn concreet en verplichtend.
Het verschil is belangrijk omdat conflicten vaak op het niveau van normen spelen terwijl de waarden gedeeld worden, of andersom. Twee mensen kunnen beide de waarde „leven beschermen” hoog achten en toch tegengestelde normen over euthanasie verdedigen. En dezelfde norm kan uit verschillende waarden voortkomen. In een goede ethische analyse maak je expliciet welke waarden op het spel staan, welke normen eruit worden afgeleid, en waar precies de botsing zit. Dat voorkomt dat een discussie in loze meningen blijft steken.
Een tweede fundamenteel onderscheid is dat tussen het descriptieve en het normatieve. Een descriptieve uitspraak beschrijft hoe iets feitelijk is („in Nederland is euthanasie onder voorwaarden toegestaan”, „veel mensen keuren diefstal af”). Een normatieve uitspraak schrijft voor hoe iets hoort te zijn („euthanasie zou verboden moeten worden”, „je mag niet stelen”). De descriptieve ethiek — eigenlijk een sociale wetenschap — beschrijft welke moraal mensen en culturen feitelijk hebben; de normatieve ethiek onderzoekt wat werkelijk goed is; de meta-ethiek onderzoekt de aard en status van morele oordelen zelf (bestaat er morele waarheid?).
Uit dit onderscheid volgt een strikte regel, de is-hoort-kwestie van Hume: uit louter descriptieve premissen (hoe iets ís) volgt geen normatieve conclusie (hoe iets hóórt te zijn) zonder een verborgen normatieve aanname. „Het is natuurlijk, dus het is goed” of „iedereen doet het, dus het mag” zijn drogredenen: het overspringen van feit naar norm. Wie een norm wil onderbouwen, heeft altijd minstens één normatieve premisse nodig. Dit koppelt de ethiek direct aan de argumentatievaardigheden van domein A.
Ten slotte onderscheid je moreel, amoreel en immoreel. Een handeling is moreel relevant als ze binnen het domein van goed en kwaad valt; ze is amoreel als ze daarbuiten valt (moreel neutraal, zoals de keuze tussen thee en koffie); ze is immoreel als ze moreel verkeerd is. Ook onderscheid je moraal (het geheel van waarden en normen dat feitelijk geldt in een groep) van ethiek (het kritische, filosofische nadenken daarover). Met deze begrippen kun je de drie grote normatieve theorieën die volgen zuiver formuleren en vergelijken.
Uitgewerkt voorbeeld

Waarde, norm en het is-hoort-onderscheid

Analyseer de uitspraak „Mensen zijn van nature competitief, dus concurrentie in de samenleving is goed.” Benoem de waarde, de norm en de eventuele drogreden.

  1. 01Onderscheid feit en norm

    „Mensen zijn van nature competitief” is descriptief (een bewering over hoe de mens is). „Concurrentie is goed” is normatief (een waardeoordeel).

  2. 02Herken de sprong

    Van het feit (competitief van nature) naar de norm (concurrentie is goed) wordt gesprongen zonder normatieve tussenpremisse — dit is de naturalistische drogreden / het is-hoort-probleem.

  3. 03Maak het verborgen oordeel expliciet

    De redenering werkt alleen met een verzwegen premisse als „wat natuurlijk is, is goed”. Precies die premisse is aanvechtbaar (ook ziekte is natuurlijk).

Resultaat: De uitspraak springt van een descriptief feit naar een normatief oordeel (is-hoort-drogreden); ze werkt alleen met de aanvechtbare verborgen norm „het natuurlijke is goed”.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: waarden en normen onderscheiden en de waarden achter een norm expliciteren.
  • Examendoel: descriptieve en normatieve uitspraken onderscheiden en het is-hoort-probleem herkennen.

Veelgemaakte fouten

  • Waarde en norm door elkaar gebruiken: een waarde is een abstract goed, een norm een concrete gedragsregel die eruit volgt.
  • Uit „zo is het nu eenmaal” of „het is natuurlijk” een morele conclusie trekken zonder verborgen normatieve premisse (is-hoort-drogreden).

Actieve herhaling

Noem een waarde, leid er een concrete norm uit af, en laat zien welke normatieve premisse nodig is om van een feit over de mens naar die norm te komen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein C (kernbegrippen ethiek) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 02

Deugdethiek (Aristoteles)#

●●○StandaardLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-C

Kernpunten

De oudste van de drie grote theorieën is de deugdethiek van Aristoteles. Ze verschilt fundamenteel van de latere theorieën door haar vraagstelling: niet „welke handeling is juist?” of „welke regel moet ik volgen?”, maar „wat voor mens wil ik zijn?”. De deugdethiek richt zich op het karakter en het hele leven, niet op losse handelingen. Een goed leven is een deugdzaam leven, en een deugdzaam mens dóét vanzelf het goede omdat hij het goede karakter heeft verworven.
Het einddoel is eudaimonia — meestal vertaald als „geluk”, maar preciezer: een gelukt, bloeiend leven, het volledig verwerkelijken van de menselijke mogelijkheden. Eudaimonia is geen voorbijgaand gevoel maar de kwaliteit van een heel leven. Ze wordt bereikt door de deugden (aretai): verworven, stabiele karaktertrekken die de mens in staat stellen goed te handelen en te voelen. Deugden zijn geen aangeboren gaven maar worden gevormd door gewoonte en oefening — je wordt moedig door moedig te handelen, zoals je een instrument leert bespelen door te oefenen.
Aristoteles' bekendste stelling is de leer van het juiste midden (mesotes): een morele deugd is het midden tussen twee ondeugden, een tekort en een teveel. Moed is het midden tussen lafheid (tekort) en roekeloosheid (teveel); vrijgevigheid tussen gierigheid en verkwisting; zelfrespect tussen kruiperigheid en hoogmoed. Dat midden is niet rekenkundig maar situatiegebonden: het juiste is „op het juiste moment, tegenover de juiste personen, om de juiste reden en op de juiste manier”. Welk gedrag in een concrete situatie het midden is, bepaal je niet met een formule maar met praktische wijsheid (phronesis): het door ervaring gevormde vermogen om in het bijzondere geval het goede te zien en te doen.
De kracht van de deugdethiek is dat ze recht doet aan de rijkdom van het morele leven: karakter, emoties, motieven en voorbeeldfiguren tellen mee, niet alleen kale regels of uitkomsten. Ze verklaart waarom we bewondering hebben voor integere mensen en waarom opvoeding en gewoontevorming zo belangrijk zijn. Ook past ze bij het gevoel dat moraal iets is dat je bent, niet alleen iets dat je berekent. Daarom is de deugdethiek in de twintigste eeuw krachtig herleefd (onder anderen bij Alasdair MacIntyre en Martha Nussbaum) als alternatief voor de meer regel- en gevolggerichte theorieën.
De zwakke punten betreffen vooral de concrete handelingsleiding. De deugdethiek zegt „wees moedig en rechtvaardig”, maar geeft weinig houvast bij een acuut moreel dilemma waarin deugden botsen (eerlijkheid tegenover vriendelijkheid). Ook rijst de vraag welke eigenschappen als deugden gelden — die lijst lijkt cultuur- en tijdgebonden, wat de theorie kwetsbaar maakt voor relativisme (zie het onderwerp over de universaliteit van waarden). En de aanname dat er één menselijke functie of bestemming is, staat onder druk sinds het essentialistische mensbeeld is bekritiseerd. Voor het examen moet je de deugdethiek kunnen uitleggen, toepassen (wat zou een deugdzaam mens hier doen?) én deze sterke en zwakke punten kunnen wegen.
deugd=het juiste midden tussen tekort en teveel\text{deugd} = \text{het juiste midden tussen tekort en teveel}deugd=het juiste midden tussen tekort en teveel

Mesotes

De morele deugd ligt tussen twee ondeugden; het juiste midden is situatiegebonden en wordt door praktische wijsheid (phronesis) bepaald.

Uitgewerkt voorbeeld

Het juiste midden bepalen

Een vriend vraagt je eerlijke mening over zijn mislukte sollicitatiebrief. Analyseer met de deugdethiek wat de deugdzame reactie is.

  1. 01Bepaal de relevante deugd

    Hier botsen eerlijkheid en vriendelijkheid; de gezochte deugd is eerlijke, tactvolle openhartigheid.

  2. 02Zoek de twee ondeugden

    Het tekort is vleierij (uit gemakzucht liegen dat de brief goed is); het teveel is botheid (hem hardvochtig afkraken).

  3. 03Bepaal het midden met phronesis

    Het juiste midden is: eerlijk aangeven wat beter kan, op het juiste moment en op een manier die hem helpt in plaats van kwetst — afgestemd op deze vriend en deze situatie.

Resultaat: De deugdzame reactie is de tactvolle eerlijkheid tussen vleierij en botheid; welke woorden precies passen, bepaalt de praktische wijsheid in deze concrete situatie.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de deugdethiek uitleggen met de begrippen eudaimonia, deugd, het juiste midden en phronesis.
  • Examendoel: een casus vanuit de deugdethiek beoordelen (wat zou een deugdzaam mens doen?).

Veelgemaakte fouten

  • Het „juiste midden” opvatten als het rekenkundige gemiddelde; het is het situatiegebonden passende, bepaald door phronesis.
  • De deugdethiek verwarren met de plicht- of gevolgethiek: ze beoordeelt de persoon en het karakter, niet primair de losse handeling of de uitkomst.

Actieve herhaling

Bepaal voor de deugd „vrijgevigheid” de bijbehorende ondeugden van tekort en teveel, en beschrijf een situatie waarin het juiste midden lastig te vinden is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein C (deugdethiek) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 03

Plichtethiek (Kant)#

●●○StandaardLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-C

Kernpunten

De plichtethiek of deontologie (van het Griekse deon, plicht) van Immanuel Kant beoordeelt niet het karakter of de gevolgen, maar de handeling zelf en het motief. Afb. 1 geeft de toets weer waarmee Kant nagaat of een handeling geoorloofd is. Voor Kant is het enige dat onvoorwaardelijk goed is de goede wil: de wil die het goede doet omdat het plicht is, niet uit eigenbelang, neiging of berekening van gevolgen. Iemand die eerlijk is omdat het goed uitkomt, handelt niet moreel in de volle zin; wie eerlijk is omdat eerlijkheid plicht is, wel.

De toets van de categorische imperatief

Categorische imperatiefGraaf, Formuleer je maxime → Denk haar als algemene wet, Denk haar als algemene wet → Ontstaat een tegenspraak?, Ontstaat een tegenspraak? → Ja → verboden (plicht), Ontstaat een tegenspraak? → Nee → toegestaanFormuleer jemaximeDenk haar alsalgemene wetOntstaat eentegenspraak?Ja → verboden(plicht)Nee → toegestaantegenspraakgeentegenspraak
Afb. 1Afb. 1 — Kants universaliseringstoets: leidt de maxime als algemene wet tot een tegenspraak, dan is de handeling verboden.
Het criterium voor die plicht is de categorische imperatief. Anders dan een hypothetische imperatief („als je gezond wilt zijn, moet je bewegen” — voorwaardelijk, afhankelijk van een doel) geldt de categorische imperatief onvoorwaardelijk, voor ieder redelijk wezen. De eerste formulering luidt: „Handel alleen volgens die maxime waarvan je tegelijk kunt willen dat ze een algemene wet wordt.” Een maxime is de persoonlijke regel achter je handeling. De test is een gedachte-experiment: kun je zonder tegenspraak willen dat iedereen altijd zo handelt?
Neem het voorbeeld van een leugenbelofte. Mijn maxime is: „ik doe een belofte die ik niet zal nakomen wanneer me dat uitkomt.” Verhef ik die tot algemene wet, dan zou iedereen loze beloftes doen — en dan zou beloven zijn betekenis verliezen, want niemand zou een belofte nog geloven. De maxime heft zichzelf op: het is onmogelijk haar consequent als algemene wet te willen. Daarom is de leugenbelofte verboden. Deze test — universaliseren en kijken of er een tegenspraak ontstaat — is Kants procedure om plichten te bepalen zonder naar gevolgen te kijken.
Kant geeft een tweede, gelijkwaardige formulering, de doel-op-zichformule: „Behandel de mensheid, zowel in je eigen persoon als in ieder ander, altijd tegelijk als doel en nooit louter als middel.” Mensen hebben als redelijke, autonome wezens een waardigheid, geen prijs; je mag ze gebruiken (je koopt bij de bakker), maar nooit enkel gebruiken door hen te misleiden of te instrumentaliseren tegen hun mogelijke instemming. Deze formule fundeert de mensenrechten en verbindt de ethiek met het Verlichtingsideaal van de autonome rede.
De kracht van Kants ethiek is haar universaliteit, gelijkheid en respect: ze verbiedt uitzonderingen in eigen voordeel en beschermt het individu tegen opoffering voor het grotere geheel. De zwakke punten: de theorie kan rigide worden (Kant zelf hield vol dat je ook tegen een moordenaar aan de deur niet mag liegen), ze biedt geen oplossing wanneer twee plichten botsen (de plicht niet te liegen tegenover de plicht een leven te redden), en ze is zo formeel dat critici haar leeg of wereldvreemd noemen. Voor het examen moet je de categorische imperatief in beide formuleringen kunnen uitleggen, op een casus toepassen én deze bezwaren kunnen bespreken.
Uitgewerkt voorbeeld

De categorische imperatief toepassen

Mag je volgens Kant vals spelen bij een examen? Pas de universaliseringstoets toe.

  1. 01Formuleer de maxime

    „Ik speel vals bij een examen wanneer dat mij een beter cijfer oplevert en ik niet gepakt word.”

  2. 02Universaliseer

    Stel dat iedereen die maxime volgt: bij elk examen wordt vals gespeeld.

  3. 03Zoek de tegenspraak

    Dan verliezen examens en cijfers hun betekenis als betrouwbare maat van kennis; het hele systeem waarop het valsspelen parasiteert, valt weg. De maxime heft zichzelf op.

  4. 04Trek de conclusie

    Je kunt de maxime niet zonder tegenspraak als algemene wet willen; valsspelen is dus verboden. Bovendien gebruik je de anderen (die eerlijk zijn) louter als middel — strijdig met de doel-op-zichformule.

Resultaat: Valsspelen faalt de universaliseringstoets (het ondermijnt het systeem dat het uitbuit) en schendt de doel-op-zichformule; volgens Kant is het daarom verboden.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de categorische imperatief in beide formuleringen (universaliseerbaarheid en doel-op-zich) uitleggen en op een casus toepassen.
  • Examendoel: het verschil tussen handelen uit plicht en handelen uit neiging/eigenbelang uitleggen (goede wil).

Veelgemaakte fouten

  • De categorische imperatief verwarren met de „gulden regel” (behandel anderen zoals je zelf behandeld wilt worden): Kants test is universaliseerbaarheid, niet je eigen wensen.
  • Kant toch met gevolgen laten redeneren: bij de deontologie telt de vorm van de maxime en het motief, niet de uitkomst.

Actieve herhaling

Pas Kants universaliseringstoets toe op de maxime „ik leen geld met de belofte het terug te betalen, terwijl ik weet dat ik dat niet kan”, en leg uit welke tegenspraak ontstaat.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein C (plichtethiek) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 04

Consequentialisme/utilisme (Bentham, Mill)#

●●○StandaardLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-C

De utilistische redenering

NutsbeginselGraaf, Handelingsopties → Gevolgen voor alle betrokkenen, Gevolgen voor alle betrokkenen → Balans: geluk − leed, Balans: geluk − leed → Grootste geluk, grootste aantalHandelingsoptiesGevolgen vooralle betrokkenenBalans: geluk −leedGrootste geluk,grootste aantal
Afb. 2Afb. 1 — Het nutsbeginsel: weeg de gevolgen van elke optie en kies het grootste geluk voor het grootste aantal.

Kernpunten

De derde grote theorie is het consequentialisme: de juistheid van een handeling hangt uitsluitend af van haar gevolgen. De bekendste vorm is het utilisme (utilitarisme) van Jeremy Bentham en John Stuart Mill. Afb. 1 geeft de redenering weer. Het centrale nutsbeginsel (principle of utility) luidt: juist is die handeling die het grootste geluk voor het grootste aantal oplevert. Niet het motief (Kant) of het karakter (Aristoteles) telt, maar de bijdrage aan het totale welzijn van alle betrokkenen.
Bentham geeft het beginsel een bijna rekenkundige vorm. Geluk is genot (en de afwezigheid van pijn); van elke handeling weeg je de te verwachten genoegens en pijnen van iedereen die het treft, en je telt ze op. In die „hedonistische calculus” tellen factoren mee als de intensiteit, duur, zekerheid en reikwijdte van het genot. Cruciaal is de onpartijdigheid: ieders geluk telt even zwaar, „iedereen telt voor één en niemand voor meer dan één”. Het utilisme was daarmee in zijn tijd een radicaal hervormingsprogramma, gericht tegen privileges en willekeurige straffen.
Mill verfijnt Benthams theorie op een belangrijk punt. Niet alle genoegens zijn gelijkwaardig: er zijn hogere (geestelijke, esthetische, morele) en lagere (louter lichamelijke) genoegens, en de hogere tellen zwaarder. Zijn beroemde uitspraak luidt: „het is beter een ontevreden Socrates te zijn dan een tevreden zot” — wie beide soorten genot kent, verkiest de hogere. Zo verdedigt Mill het utilisme tegen het verwijt dat het een „varkensmoraal” zou zijn die alleen om plat genot geeft. Daarnaast onderscheidt men handelingsutilisme (beoordeel elke handeling apart op haar gevolgen) van regelutilisme (volg de regels waarvan de algemene navolging het meeste nut geeft), wat sommige harde gevolgen van het handelingsutilisme verzacht.
De kracht van het utilisme is zijn eenvoud, zijn onpartijdigheid en zijn praktische bruikbaarheid: het geeft één duidelijke maatstaf (welzijn), behandelt iedereen gelijk en past goed bij besluitvorming over algemeen belang (denk aan de gezondheidszorg of het klimaatbeleid, waar je nu eenmaal gevolgen tegen elkaar afweegt). Het sluit ook aan bij de intuïtie dat de gevolgen van ons handelen er moreel toe doen — een ethiek die de gevolgen volstrekt negeert, lijkt wereldvreemd.
De zwakke punten zijn echter scherp. Ten eerste kan het utilisme onrecht tegen een minderheid rechtvaardigen: als het martelen of opofferen van één onschuldige het geluk van velen sterk vergroot, lijkt het utilisme dat te eisen — terwijl onze rechtvaardigheidsintuïtie zich ertegen verzet (hier staat het juist tegenover Kant, die het individu nooit louter als middel wil gebruiken). Ten tweede zijn gevolgen vaak onvoorspelbaar, en is geluk moeilijk te meten en op te tellen. Ten derde kan de eis om altijd het totale nut te maximaliseren onredelijk veeleisend worden. Voor het examen moet je het utilisme kunnen uitleggen (nutsbeginsel, Bentham/Mill, handelings- vs. regelutilisme), toepassen op een casus én deze bezwaren kunnen inbrengen.
Uitgewerkt voorbeeld

Het nutsbeginsel toepassen — en de grens ervan

Een ziekenhuis kan de organen van één gezonde bezoeker gebruiken om vijf stervende patiënten te redden. Wat zegt het (handelings)utilisme, en waarom botst dat met onze rechtvaardigheidsintuïtie?

  1. 01Weeg de gevolgen

    Vijf levens gered tegen één verloren: naïef toegepast levert het offer een veel groter totaal welzijn op dan niets doen.

  2. 02Trek de utilistische conclusie

    Het handelingsutilisme lijkt het offer te eisen, want het maximaliseert het geluk voor het grootste aantal.

  3. 03Breng het bezwaar in

    Dit schendt de rechtvaardigheid: de onschuldige bezoeker wordt louter als middel gebruikt (strijdig met Kant), en niemand zou nog veilig een ziekenhuis binnengaan.

  4. 04Nuanceer met regelutilisme

    Een regelutilist wijst het offer af: de regel „artsen doden nooit onschuldigen” heeft op lange termijn het meeste nut (vertrouwen), zodat de theorie de intuïtie deels kan redden.

Resultaat: Het handelingsutilisme lijkt het offer te rechtvaardigen, wat botst met de rechtvaardigheid; het regelutilisme ontwijkt dat door de nutsvraag op het niveau van regels te stellen.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het nutsbeginsel en het onderscheid Bentham/Mill (kwantiteit vs. hogere en lagere genoegens) uitleggen en toepassen.
  • Examendoel: het verschil tussen handelingsutilisme en regelutilisme uitleggen en met een casus illustreren.

Veelgemaakte fouten

  • Utilisme gelijkstellen aan egoïsme: het gaat juist om het onpartijdige totaal van ieders geluk, niet om je eigen genot.
  • Vergeten dat het utilisme alleen naar gevolgen kijkt: motief en middel doen er op zichzelf niet toe, alleen de uitkomst.

Actieve herhaling

Beoordeel met het utilisme of een kleine leugen om iemand een fijne verjaardag te bezorgen geoorloofd is, en leg uit waar Kant hier van het utilisme zou verschillen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein C (consequentialisme) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 05

De drie theorieën vergelijken en toepassen#

●●●VerdiepingLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-C

De drie ethische theorieën vergeleken

De drie grote ethische theorieënTabel met 4 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Theorie · Maatstaf · Kernvraag · Voornaamste kritiek; Deugdethiek (Aristoteles) · het deugdzame karakter · wat voor mens wil ik zijn? · weinig concrete richtlijn; welke deugden?; Deontologie (Kant) · de plicht / de maxime · kan ik dit als algemene wet willen? · rigide; botsende plichten; Consequentialisme (Mill) · het grootste geluk · wat levert het meeste welzijn op? · kan onrecht tegen een minderheid billijken, gemarkeerde cel: kan ik dit als algemene wet willen?THEORIEMAATSTAFKERNVRAAGVOORNAAMSTE KRITIEKDEUGDETHIEK(ARISTOTELES)het deugdzame karakterwat voor mens wil ik zijn?weinig concrete richtlijn;welke deugden?DEONTOLOGIE (KANT)de plicht / de maximekan ik dit als algemene wetwillen?rigide; botsende plichtenCONSEQUENTIALISME(MILL)het grootste gelukwat levert het meestewelzijn op?kan onrecht tegen eenminderheid billijkenKarakter, plicht of gevolg
Afb. 3Afb. 1 — Deugdethiek, deontologie en consequentialisme op de assen maatstaf, focus, kernvraag en kritiek.

Kernpunten

Het examen vraagt zelden om één theorie los, maar bijna altijd om het toepassen en vergelijken van meerdere theorieën op een concrete morele casus. Afb. 1 zet de drie theorieën systematisch naast elkaar op de assen waarop ze verschillen: wat is de maatstaf van het goede, waar richt de beoordeling zich op, wat is de kernvraag, en wat is de voornaamste kritiek. Deze tabel is je gereedschap om elke casus vanuit drie invalshoeken te ontleden.
Het scharnierpunt is wáárnaar elke theorie kijkt. De deugdethiek kijkt naar de persoon en het karakter (wat voor mens ben je, wat zou een deugdzaam mens doen?). De deontologie kijkt naar de handeling en het motief (welke plicht geldt hier, kun je je maxime universaliseren, gebruik je niemand louter als middel?). Het consequentialisme kijkt naar de gevolgen (welke handeling levert het grootste welzijn voor allen op?). Dezelfde casus kan drie verschillende oordelen opleveren — en juist het blootleggen daarvan toont filosofisch inzicht.
De theorieën botsen het scherpst bij het conflict tussen het individu en het geheel. Waar het utilisme een onschuldige zou kunnen opofferen voor het grotere geluk, verbieden Kant en (op haar manier) de deugdethiek dat: de deontologie omdat je een persoon dan louter als middel gebruikt, de deugdethiek omdat een rechtvaardig en integer mens zoiets niet doet. Omgekeerd verwijt het utilisme aan Kant dat zijn absolute plichten tot wrede uitkomsten leiden (niet liegen tegen de moordenaar aan de deur). Deze spanningen zijn geen zwakte van de ethiek maar de kern van veel echte morele dilemma's.
Bij een goede casusbeoordeling volg je een vast stramien: (1) beschrijf de casus en de betrokken waarden/normen; (2) pas elke theorie consequent toe en formuleer per theorie het oordeel mét de reden die uit die theorie volgt; (3) benoem waar de theorieën overeenstemmen en waar ze botsen; (4) weeg af en formuleer een eigen, beargumenteerd standpunt waarin je ook een tegenwerping bespreekt. Let erop dat je elke theorie zuiver toepast — een veelgemaakte fout is Kant met gevolgen te laten redeneren of het utilisme in te zetten om iemands karakter te prijzen.
Een beargumenteerd eigen oordeel hoeft niet één theorie tot enige waarheid te verklaren. Veel filosofen menen dat elke theorie een echt moreel inzicht vasthoudt: de deugdethiek dat karakter en motieven ertoe doen, de deontologie dat er grenzen zijn die je nooit mag overschrijden, het consequentialisme dat gevolgen zwaar wegen. Een rijp moreel oordeel neemt die inzichten alle drie serieus en weegt ze tegen elkaar af, in plaats van blind één formule toe te passen. Zo verbindt de ethiek zich met de vaardigheden van domein A (helder argumenteren, tegenwerpingen wegen) en met de vraag naar de universaliteit van waarden in het volgende onderwerp.
Uitgewerkt voorbeeld

Eén casus, drie theorieën

Een klokkenluider lekt geheime documenten die een groot maatschappelijk misstand onthullen, maar breekt daarmee een geheimhoudingsplicht en brengt collega's in gevaar. Beoordeel de handeling vanuit de drie theorieën.

  1. 01Consequentialisme

    Weeg de gevolgen: als de onthulling groot maatschappelijk onrecht stopt en het welzijn van velen dient, meer dan de schade aan enkelen, dan is het lekken juist.

  2. 02Deontologie

    Kijk naar de plichten: de klokkenluider breekt een belofte (geheimhouding), maar heeft mogelijk een sterkere plicht om onrecht te onthullen en mensen niet louter als middel te laten gebruiken. De plichten botsen; de vraag is welke maxime universaliseerbaar is.

  3. 03Deugdethiek

    Vraag wat een integer, moedig én rechtvaardig mens zou doen: het midden tussen laffe medeplichtigheid en roekeloze onthulling — onthullen op een verantwoorde manier, met oog voor de gevolgen voor onschuldigen.

  4. 04Weeg af

    De theorieën kunnen samenvallen (allen kunnen het onthullen billijken) of botsen (de deontologie kan de gebroken belofte zwaarder wegen). Een eigen oordeel benoemt welk inzicht je doorslaggevend acht en waarom, en bespreekt de sterkste tegenwerping.

Resultaat: Elke theorie levert een eigen redenering op; een goed oordeel past ze zuiver toe, legt de botsing bloot en kiest beargumenteerd, met bespreking van een tegenwerping.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een concrete morele casus consequent vanuit de drie theorieën beoordelen, met per theorie het juiste criterium.
  • Examendoel: de theorieën vergelijken, hun botsing blootleggen en een eigen beargumenteerd standpunt innemen.

Veelgemaakte fouten

  • Theorieën vermengen: Kant met gevolgen laten redeneren, of het utilisme een karakter laten prijzen — pas elk criterium zuiver toe.
  • Bij een casus slechts één oordeel geven zonder de theorieën te vergelijken of een tegenwerping te bespreken.

VWO-verdieping

Verdieping: onderzoek of de drie theorieën werkelijk onverenigbaar zijn of elk een deelwaarheid vasthouden. Bespreek een positie (bijv. een pluralistische of een intuïtionistische ethiek) die probeert de inzichten van karakter, plicht én gevolg te combineren, en weeg of zo'n combinatie coherent is of tot willekeur vervalt.

Actieve herhaling

Kies een actuele morele kwestie (bijv. het gebruik van proefdieren) en beoordeel haar vanuit de deugdethiek, de deontologie en het utilisme; formuleer daarna een eigen beargumenteerd standpunt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein C (ethische theorieën vergelijken) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

Inhoud

Sectie -- / 05

    • 01Kernbegrippen: waarde, norm, descriptief en normatief○
    • 02Deugdethiek (Aristoteles)◐
    • 03Plichtethiek (Kant)◐
    • 04Consequentialisme/utilisme (Bentham, Mill)◐
    • 05De drie theorieën vergelijken en toepassen●

0/5 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Ethiek: centrale begrippen en toonaangevende visies

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~21
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

College voor Toetsen en Examens (CvTE)

  • Examenprogramma filosofie VWO — domein C (kernbegrippen ethiek)

Vorig onderwerp

De mens als redelijk wezen

Volgend onderwerp

Het al dan niet universeel zijn van waarden

EuraStudy·Samenvattingen T·05·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.