EuraStudy
Samenvattingen/Wiskunde A/Presentaties van data interpreteren en beoordelen
Samenvattingen · Wiskunde ANL · HAVO

Presentaties van data interpreteren en beoordelen

Data worden meestal in een grafiek of tabel gepresenteerd, en juist die presentatie kan een eerlijk óf een misleidend beeld geven. In dit onderwerp leer je de gangbare datavisualisaties herkennen en aflezen, doorzien hoe een grafiek misleidt (bijvoorbeeld met een afgekapte as), absolute aantallen onderscheiden van relatieve cijfers, en een bron en een conclusie kritisch beoordelen — onder andere het verschil tussen correlatie en causaliteit. Het hoort tot domein E (Statistiek en kansrekening) en is volop centraal-examenstof in elke contextopgave over data.

4 Onderdelen·~26 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·101010 / 14
Examenprofiel
Een staaf-, lijn-, cirkeldiagram en histogram herkennen, aflezen en het passende type kiezen bij een soort data.Beoordelen of een grafiek misleidt (afgekapte as, ongelijke schaal, oppervlaktevertekening, suggestieve weglatingen) en aangeven hoe het eerlijker kan.Absolute aantallen onderscheiden van relatieve cijfers (percentage, per 1000, per capita, indexcijfer) en de eerlijke vergelijking trekken.De representativiteit van een bron of steekproef beoordelen en correlatie onderscheiden van causaliteit, met oog voor een mogelijke derde variabele.
Operatoren:interpreteerbeoordeelverklaarleg uitvergelijk

basisniveau

Voor het CE: lees diagrammen en tabellen af, kies het juiste type bij de data, doorzie misleiding (vooral de afgekapte as), reken absolute aantallen om naar relatieve cijfers en beoordeel of een claim uit de data volgt.

verhoogd niveau

Verdieping: weeg systematisch bron, schaal en presentatie tegen elkaar af, onderbouw waarom een vergelijking (on)eerlijk is en formuleer bij correlaties een voorzichtige conclusie met een aannemelijke derde variabele.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Presentaties van data interpreteren en beoordelen
    • 01Soorten datavisualisaties en wanneer je ze gebruikt○
    • 02Hoe grafieken misleiden — en hoe je dat herkent◐
    • 03Absolute aantallen versus relatieve cijfers◐
    • 04Bronnen en conclusies kritisch beoordelen◐
§ 01

Soorten datavisualisaties en wanneer je ze gebruikt#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Staafdiagram: vervoer naar school

Vervoer naar schoolKolomdiagram: aantal leerlingen, Gegevens: aantal leerlingen · fiets: 180; aantal leerlingen · lopen: 60; aantal leerlingen · bus: 70; aantal leerlingen · auto: 40050100150fietslopenbusauto180607040aantal leerlingen
Afb. 1Losse categorieën die je vergelijkt horen bij een staafdiagram. De fiets (180 leerlingen) is het hoogst; samen komen de categorieën op 350 leerlingen.

Kernpunten

Een datavisualisatie is een afbeelding die getallen in beeld brengt, zodat je in één oogopslag een patroon, een verschil of een verhouding ziet die in een kale rij getallen verborgen blijft. In wiskunde A kom je vooral vier soorten tegen: het staafdiagram, het lijndiagram, het cirkeldiagram en het histogram (met de beeldgrafiek als variant). Geen van deze vier is „de beste”: welke geschikt is, hangt volledig af van het soort gegevens dat je wilt tonen. Daarom begint het interpreteren én beoordelen van een grafiek altijd met dezelfde vraag: wat voor data is dit — losse categorieën, een ontwikkeling in de tijd, of delen van één geheel? In dit onderwerp leer je eerst elk type herkennen en aflezen, en daarna kritisch beoordelen of een grafiek de werkelijkheid eerlijk weergeeft.
Een staafdiagram gebruik je om aantallen of waarden te vergelijken tussen losse categorieën die onderling niets met elkaar te maken hoeven hebben — merken, vervoermiddelen, landen, leeftijdsgroepen. Elke categorie krijgt een eigen staaf, en de hoogte van de staaf geeft de waarde aan; omdat de categorieën los van elkaar staan, staan de staven met tussenruimte naast elkaar. Aflezen doe je door vanaf de bovenkant van een staaf horizontaal naar de waarde-as te kijken. In het staafdiagram hieronder zie je hoe leerlingen naar school komen: de staaf „fiets” is met afstand het hoogst, dus dat is het meest gekozen vervoermiddel. Het staafdiagram is bij uitstek geschikt als je categorieën onderling wilt vergelijken — welke is het grootst, welke het kleinst.
Een lijndiagram gebruik je wanneer de gegevens een ontwikkeling in de tijd laten zien: een grootheid die je op opeenvolgende momenten meet, zoals de temperatuur per uur, de omzet per jaar of het inwonertal per decennium. Je zet de tijd op de horizontale as en de gemeten grootheid op de verticale as, tekent voor elk meetpunt een punt en verbindt de punten met lijnstukken. Juist die verbindende lijn maakt het type sterk: hij toont de trend — stijgt of daalt de grootheid, en hoe snel. Daarom past een lijndiagram níét bij losse categorieën (daartussen bestaat geen zinvolle tussenwaarde), maar wél bij iets dat geleidelijk verandert. Zie je een horizontale as met tijdstippen en een doorgetrokken lijn, dan lees je een verloop af, geen losse vergelijking.
Een cirkeldiagram (taartdiagram) gebruik je om te laten zien hoe één geheel in delen uiteenvalt: de hele cirkel is 100% en elke sector is het aandeel van een categorie in dat geheel. De grootte van een sector hoort recht evenredig te zijn met dat aandeel, zodat de hoek van een sector gelijk is aan het deel maal 360°. In het cirkeldiagram hieronder is het marktaandeel verdeeld over vier merken; merk A beslaat de grootste sector. Een cirkeldiagram werkt alleen als de delen sámen precies het geheel vormen en optellen tot 100%. Het histogram lijkt op een staafdiagram, maar hoort bij een numerieke variabele die je in gelijke klassen verdeelt (bijvoorbeeld lengtes in klassen van 5 cm): de staven raken elkaar omdat de klassen op elkaar aansluiten, en de hoogte is de frequentie. Een beeldgrafiek ten slotte is een staafdiagram waarin kleine plaatjes de aantallen voorstellen.
Het kiezen van het juiste diagram volgt dus rechtstreeks uit het soort data: losse categorieën die je vergelijkt vragen om een staafdiagram; een grootheid die in de tijd verandert om een lijndiagram; delen van één geheel om een cirkeldiagram; en de verdeling van een numerieke variabele om een histogram. Andersom geldt: krijg je een diagram voorgeschoteld, lees dan altijd éérst de titel, de astitels, de eenheden en de eventuele legenda, vóórdat je een waarde noteert — anders lees je het verkeerde getal of de verkeerde eenheid af. Pas als je weet wat er staat en welk type het is, kun je het diagram betrouwbaar interpreteren. Met dat fundament leer je in de volgende paragrafen de belangrijkste vervolgvaardigheid: niet alleen aflezen wát een grafiek zegt, maar ook beoordelen of hij de werkelijkheid eerlijk weergeeft.
sectorhoek=deelgeheel⋅360∘\text{sectorhoek} = \frac{\text{deel}}{\text{geheel}}\cdot 360^{\circ}sectorhoek=geheeldeel​⋅360∘

sectorhoek in een cirkeldiagram

De hoek van een sector is recht evenredig met het aandeel: deel het aandeel door het geheel en vermenigvuldig met 360°. Een aandeel van 25% levert zo een sector van 90°.

Cirkeldiagram: marktaandeel

Marktaandeel (deel van geheel)Cirkeldiagram, Gegevens: Merk A: 40; Merk B: 25; Merk C: 20; Merk D: 15Merk A 40%Merk B 25%Merk C 20%Merk D 15%
Afb. 2Delen van één geheel horen bij een cirkeldiagram. Merk A heeft het grootste aandeel (40%); de vier merken vormen samen 100%.
Uitgewerkt voorbeeld

Bij welke data hoort welk diagram — en aflezen

Hieronder staan twee diagrammen. Het ene toont hoe 350 leerlingen naar school komen (fiets, lopen, bus, auto); het andere toont het marktaandeel van vier merken. Bepaal van elk diagram welk type het is en waarom dat type bij die data past, en lees af welk vervoermiddel het meest wordt gebruikt en welk merk het grootste marktaandeel heeft.

  1. 01Stap 1 — Bepaal het type van het vervoersdiagram

    Vervoermiddelen zijn losse categorieën die je met elkaar vergelijkt — geen ontwikkeling in de tijd en geen delen van één geheel. Daarom past een staafdiagram: elke categorie een eigen staaf, met tussenruimte ertussen.

  2. 02Stap 2 — Lees het vervoersdiagram af

    Vergelijk de staafhoogten. De staaf „fiets” is het hoogst met 180 leerlingen, gevolgd door bus (70), lopen (60) en auto (40). Het meest gebruikte vervoermiddel is dus de fiets.

  3. 03Stap 3 — Bepaal het type van het merkendiagram

    Marktaandelen zijn delen van één geheel (de hele markt = 100%). Dat hoort bij een cirkeldiagram, waarin elke sector het aandeel van een merk voorstelt.

  4. 04Stap 4 — Lees het merkendiagram af en controleer

    De grootste sector hoort bij merk A, met 40% van de markt; samen vormen de merken 40 + 25 + 20 + 15 = 100%. De sectorhoek van merk A is dan 40/100 · 360° = 144°.

    40100⋅360∘=144∘\frac{40}{100}\cdot 360^{\circ} = 144^{\circ}10040​⋅360∘=144∘

Resultaat: Het vervoersdiagram is een staafdiagram (losse categorieën vergelijken) met de fiets als koploper (180 leerlingen); het merkendiagram is een cirkeldiagram (delen van één geheel) met merk A als grootste (40%, oftewel een sector van 144°). Het passende type volgt steeds rechtstreeks uit het soort data.

Eindexamen-focus

  • Het CE laat je uit een gegeven diagram een waarde of categorie aflezen en het juiste diagramtype benoemen dat bij een beschreven soort data hoort.
  • Een vraag kan je laten verklaren waaróm een bepaald type bij bepaalde data past: categorisch vergelijken (staaf), verloop in de tijd (lijn) of deel-van-geheel (cirkel).

Veelgemaakte fouten

  • Een histogram en een staafdiagram verwarren: bij een histogram raken de staven elkaar en horen ze bij numerieke klassen, bij een staafdiagram staan ze los en horen ze bij categorieën.
  • Een cirkeldiagram lezen of gebruiken terwijl de delen niet samen één geheel vormen of de aandelen niet optellen tot 100%.

Actieve herhaling

Een onderzoeker heeft drie datasets: (a) het aantal verkochte tickets per maand gedurende een jaar, (b) de verdeling van het huishoudbudget over wonen, eten, vervoer en overig, en (c) het aantal leerlingen per profiel op een school. Geef bij elke dataset het passende diagramtype en leg je keuze uit. Lees daarna in het cirkeldiagram hieronder af welk merk het grootste marktaandeel heeft.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Hoe grafieken misleiden — en hoe je dat herkent#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Misleidend: afgekapte y-as (start bij 90)

Afgekapte y-as (misleidend)Kolomdiagram: omzet (mln euro), Gegevens: omzet (mln euro) · K1: 96; omzet (mln euro) · K2: 98; omzet (mln euro) · K3: 100; omzet (mln euro) · K4: 1029092949698100102104K1K2K3K49698100102omzet (mln euro)
Afb. 3Doordat de as bij 90 begint, lijkt de omzet te verdubbelen: de K4-staaf (102) is twee keer zo hoog als de K1-staaf (96), terwijl de werkelijke toename maar 6,25% is.

Kernpunten

Een grafiek kan rekenkundig kloppen en toch een verkeerde indruk wekken. Dat is het verschil tussen aflezen en beoordelen: bij beoordelen vraag je je af of het beeld de getallen eerlijk weergeeft. De meest voorkomende misleiding is een verticale as die niet bij nul begint — een afgekapte as. Door pas hoog op de schaal te beginnen, worden kleine verschillen tussen de staven enorm uitvergroot, zodat een bescheiden stijging op een dramatische sprong lijkt. In het eerste diagram hieronder begint de as bij 90 in plaats van bij 0; daardoor lijkt de laatste staaf vér boven de eerste uit te steken, terwijl de werkelijke waarden dicht bij elkaar liggen. Wie een grafiek beoordeelt, kijkt daarom altijd eerst waar de verticale as begint.
Bekijk dat voorbeeld preciezer. De omzet loopt van 96 naar 102 miljoen euro, een toename van maar 6,25%. Maar omdat de as bij 90 begint, is de hoogte van een staaf evenredig met de waarde mín 90: de eerste staaf is 6 eenheden hoog, de laatste 12 — precies twee keer zo hoog. Het oog ziet een verdubbeling, terwijl de omzet met nog geen tiende toenam. Zo herken je de truc: vergelijk de visuele verhouding van de staven met de werkelijke verhouding van de getallen. En zo corrigeer je hem: teken de as opnieuw vanaf 0. In het tweede diagram hieronder, met een as vanaf 0, zijn de staven bijna even hoog en zie je meteen dat het verschil klein is. Een eerlijke staafgrafiek begint vrijwel altijd bij nul.
Een tweede manier waarop grafieken misleiden, is een ongelijkmatige schaal. Op een eerlijke as horen gelijke afstanden bij gelijke verschillen: van 10 naar 20 is evenver als van 20 naar 30. Soms worden tussenstappen weggelaten of ongelijk gemaakt, of ontbreekt op de tijd-as een aantal jaren, waardoor een verloop steiler of vlakker lijkt dan het werkelijk is. Ook een onderbroken as (met een „knik”-teken) verdient argwaan: hij verzwijgt een deel van de schaal. Controleer daarom of de stappen op beide assen regelmatig zijn en of er geen gaten in zitten. Een trend mag je pas beoordelen als je zeker weet dat de schaal eerlijk en volledig is.
Een derde, subtiele misleiding is oppervlakte- of 3D-vertekening. Wanneer een aantal verdubbelt en de maker een plaatje twee keer zo brééd én twee keer zo hóóg maakt, wordt de oppervlakte niet twee maar vier keer zo groot (2 × 2), en bij een 3D-figuur het volume zelfs acht keer (2 × 2 × 2). Het oog schat grootte op oppervlakte of volume, dus de verandering wordt fors overdreven. Je ziet dit vaak in beeldgrafieken waarin een groter symbool een groter aantal moet voorstellen. Herken het door je af te vragen of de lengte óf de oppervlakte de waarde voorstelt: alleen als de hoogte (bij gelijke breedte) evenredig is met de waarde, klopt het beeld. Een schaalvergroting hoort de lengte te volgen, niet de oppervlakte.
Ten slotte misleiden grafieken door wat ze wéglaten of suggereren: een handig gekozen tijdvenster waarin net de gunstige periode valt, een ontbrekende of niet-vermelde bron, een legenda die twee dingen door elkaar haalt, of kleuren en pijlen die een conclusie opdringen. Bij het beoordelen van een grafiek loop je daarom een vaste checklist langs: begint de verticale as bij 0, zijn de schalen op beide assen regelmatig, stelt de lengte (niet de oppervlakte) de waarde voor, en is het getoonde venster representatief? Kun je op één van die punten „nee” antwoorden, dan vertekent de grafiek het beeld, en hoort je antwoord te benoemen wáárom én hoe het eerlijker kan. Diezelfde kritische blik heb je in de volgende paragrafen nodig bij de cijfers zelf — absoluut tegenover relatief — en bij de bron achter de data.
procentuele verandering=nieuw−oudoud⋅100%\text{procentuele verandering} = \frac{\text{nieuw} - \text{oud}}{\text{oud}}\cdot 100\%procentuele verandering=oudnieuw−oud​⋅100%

procentuele verandering

Deel de verandering (nieuwe waarde min oude waarde) door de oude waarde en vermenigvuldig met 100%. Hiermee zet je de werkelijke verandering naast de visuele indruk die de grafiek wekt.

Eerlijk: dezelfde data met een y-as vanaf 0

Eerlijke y-as vanaf 0Kolomdiagram: omzet (mln euro), Gegevens: omzet (mln euro) · K1: 96; omzet (mln euro) · K2: 98; omzet (mln euro) · K3: 100; omzet (mln euro) · K4: 102020406080100K1K2K3K49698100102omzet (mln euro)
Afb. 4Dezelfde cijfers, nu met de as vanaf 0: de vier staven zijn bijna even hoog, zodat de bescheiden toename van 6,25% eerlijk in beeld komt.
Uitgewerkt voorbeeld

Beoordeel waarom een grafiek misleidt en maak hem eerlijk

Een grafiek toont de omzet van een bedrijf in vier kwartalen: 96, 98, 100 en 102 miljoen euro. De verticale as loopt van 90 tot 105. Een krant kopt: „Omzet schiet omhoog.” Beoordeel of die kop klopt, en leg uit hoe de grafiek eerlijker kan.

  1. 01Stap 1 — Lees de werkelijke waarden af

    De omzet gaat van 96 (K1) naar 102 (K4) miljoen euro. In absolute zin is dat een toename van 6 miljoen euro over het jaar.

  2. 02Stap 2 — Bereken de werkelijke procentuele verandering

    Deel de toename door de oude waarde: (102 − 96) / 96 = 6 / 96 = 0,0625, oftewel 6,25%. Een toename van ruim zes procent over een jaar is bescheiden, geen explosie.

    102−9696=696=0,0625=6,25%\frac{102 - 96}{96} = \frac{6}{96} = 0{,}0625 = 6{,}25\%96102−96​=966​=0,0625=6,25%
  3. 03Stap 3 — Verklaar de misleiding

    Omdat de as bij 90 begint, is de staafhoogte evenredig met de waarde min 90. De K1-staaf is dan 6 eenheden hoog en de K4-staaf 12 — twee keer zo hoog. Het oog ziet een verdubbeling, terwijl de omzet maar 6,25% steeg.

    102−9096−90=126=2\frac{102 - 90}{96 - 90} = \frac{12}{6} = 296−90102−90​=612​=2
  4. 04Stap 4 — Maak het eerlijker

    Teken de verticale as vanaf 0. Dan zijn de vier staven bijna even hoog (96, 98, 100, 102 op een schaal tot 110) en zie je meteen dat het verschil klein is. De kop „omzet schiet omhoog” is dus misleidend.

Resultaat: De omzet steeg met 6,25% — bescheiden, niet spectaculair. De grafiek wekt door de afgekapte as (start bij 90) de valse indruk van een verdubbeling, omdat de laatste staaf twee keer zo hoog is als de eerste. Eerlijk is een as vanaf 0, waarop het kleine verschil zichtbaar wordt; de kop klopt niet.

Eindexamen-focus

  • Het CE laat je beoordelen waaróm een gegeven grafiek misleidend is — meestal door een afgekapte verticale as — en hoe je hem eerlijker zou tekenen (de as vanaf 0).
  • Een vraag kan je het effect laten kwantificeren: bereken de werkelijke procentuele verandering en zet die af tegen de veel grotere visuele suggestie van de staafhoogten.

Veelgemaakte fouten

  • Een grote visuele sprong meteen als een grote verandering lezen, zonder te controleren of de verticale as wel bij 0 begint.
  • Bij oppervlaktevertekening alleen naar de lengte of breedte kijken: bij een verdubbelde lengte én breedte is de oppervlakte 4 keer zo groot, niet 2 keer.

Actieve herhaling

Een grafiek toont het ledental van een vereniging in vier jaren: 1020, 1035, 1050 en 1060, met een verticale as die van 1000 tot 1080 loopt. De kop luidt „Explosieve groei!”. Beoordeel of die kop terecht is, bereken de werkelijke procentuele groei over de hele periode, en leg uit hoe de grafiek eerlijker kan.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Absolute aantallen versus relatieve cijfers#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Absoluut naast relatief: gevallen per regio

Absoluut naast relatiefTabel met 4 kolommen en 2 rijen, Gegevens: Regio · Gevallen · Inwoners · Per 1000; Noord · 240 · 120000 · 2,0; Zuid · 180 · 60000 · 3,0, gemarkeerde cel: 3,0REGIOGEVALLENINWONERSPER 1000NOORD2401200002,0ZUID180600003,0Zuid: hoger per 1000.
Afb. 5Noord heeft absoluut meer gevallen (240 tegen 180), maar Zuid heeft er met 3,0 per 1000 verhoudingsgewijs méér dan de 2,0 per 1000 van Noord.

Kernpunten

Een absoluut getal is een kaal aantal: 240 gevallen, 1500 stemmen, 80 leerlingen. Een relatief getal zet zo'n aantal af tegen een totaal of een omvang: een percentage, een aantal per 1000, een aantal per inwoner (per capita) of een indexcijfer. Het verschil is wezenlijk, want absolute aantallen kun je oneerlijk vergelijken zodra de groepen verschillend groot zijn. „Stad A telt meer fietsdiefstallen dan stad B” zegt weinig als A tien keer zoveel inwoners heeft. Relatieve cijfers maken de vergelijking eerlijk door rekening te houden met die omvang. In de tabel hieronder staan de absolute aantallen naast het aantal per 1000 inwoners, en je ziet meteen dat die twee een verschillend verhaal vertellen.
Het meest gebruikte relatieve getal is het percentage: het deel gedeeld door het totaal, maal 100%. De valkuil zit niet in het rekenen maar in de keuze van het totaal — de noemer. „Welk percentage van de leerlingen haalt een voldoende?” deelt door het totale aantal leerlingen; „welk percentage van de meisjes?” deelt door het aantal meisjes. Verander je de noemer, dan verandert het antwoord, ook al gaat het over dezelfde teller. Bij elk percentage hoort dus de vraag: een percentage waarvan? Pas als je het juiste geheel in de noemer zet, is het percentage een eerlijke maat, en mag je het vergelijken met een ander percentage dat op hetzelfde soort totaal berust.
Bij grote of sterk verschillende totalen — vooral bevolkingsaantallen — gebruik je liever een aantal per vaste eenheid: per 1000 inwoners, per 100 000, of per inwoner (per capita). Je deelt het aantal door de omvang van de groep en vermenigvuldigt met die vaste eenheid. Het mooie hiervan zie je in de tabel hieronder: regio Noord heeft in absolute zin méér gevallen (240 tegen 180), maar omdat Noord twee keer zoveel inwoners telt, zijn dat er maar 2,0 per 1000, tegen 3,0 per 1000 in Zuid. Verhoudingsgewijs komt het in Zuid dus juist váker voor. „Meer gevallen” en „vaker voorkomend” zijn niet hetzelfde; het relatieve getal beslist welke vergelijking eerlijk is.
Een indexcijfer is een relatief getal dat een verandering ten opzichte van een basiswaarde toont. Je kiest een basisjaar of beginwaarde en geeft die het indexcijfer 100; elke andere waarde druk je daar als percentage van uit: de waarde gedeeld door de basiswaarde, maal 100. Stijgt een prijs van 80 euro (basis, index 100) naar 92 euro, dan is het indexcijfer 92 / 80 × 100 = 115. Een index van 115 betekent dus 15% boven de basiswaarde, niet 115% erbij. Indexcijfers zijn handig om groei te vergelijken die op verschillende beginwaarden start: twee producten met een heel andere prijs krijgen allebei index 100 in het basisjaar, zodat je hun procentuele ontwikkeling zuiver naast elkaar kunt leggen.
Relatieve cijfers — percentages, getallen per 1000 of per capita, en indexcijfers — maken vergelijkingen eerlijk, maar alleen als je het juiste totaal of de juiste basiswaarde gebruikt. Stel jezelf bij elk getal twee vragen: „een deel waarvan?” (welk totaal staat in de noemer) en „vergeleken met welke omvang of welk basisjaar?”. Een absoluut aantal is niet fout — voor de vraag „hoeveel ambulances zijn er nodig?” telt juist het absolute aantal — maar voor het vergelijken van groepen van verschillende grootte is bijna altijd een relatief cijfer eerlijker. Diezelfde gewoonte om naar het juiste totaal te kijken, neem je mee naar de laatste paragraaf, waar je hele claims en hun bronnen kritisch leert beoordelen.
percentage=deeltotaal⋅100%\text{percentage} = \frac{\text{deel}}{\text{totaal}}\cdot 100\%percentage=totaaldeel​⋅100%

percentage

Deel het aantal in het deel door het juiste totaal en vermenigvuldig met 100%. De keuze van het totaal (de noemer) bepaalt wat het percentage betekent.

per 1000=aantalomvang⋅1000\text{per 1000} = \frac{\text{aantal}}{\text{omvang}}\cdot 1000per 1000=omvangaantal​⋅1000

aantal per 1000

Deel het aantal door de omvang van de groep en vermenigvuldig met 1000. Zo vergelijk je groepen van verschillende grootte eerlijk; vervang 1000 door 100 000 voor „per 100 000”.

indexcijfer=waardebasiswaarde⋅100\text{indexcijfer} = \frac{\text{waarde}}{\text{basiswaarde}}\cdot 100indexcijfer=basiswaardewaarde​⋅100

indexcijfer

Geef de basiswaarde index 100 en druk elke andere waarde daar als percentage van uit. Een index van 115 ligt 15% boven de basiswaarde.

Uitgewerkt voorbeeld

Absolute aantallen omrekenen en eerlijk vergelijken

In regio Noord komt een bepaalde ziekte voor bij 240 van de 120 000 inwoners; in regio Zuid bij 180 van de 60 000 inwoners. Vergelijk eerst de absolute aantallen, bereken daarna het aantal gevallen per 1000 inwoners in beide regio's, en bepaal in welke regio de ziekte verhoudingsgewijs vaker voorkomt.

  1. 01Stap 1 — Vergelijk de absolute aantallen

    In absolute zin heeft Noord meer gevallen dan Zuid: 240 tegen 180. Maar Noord telt ook twee keer zoveel inwoners (120 000 tegen 60 000), dus een kale vergelijking van de aantallen is niet eerlijk.

  2. 02Stap 2 — Bereken het aantal per 1000 in Noord

    Deel het aantal door de omvang en vermenigvuldig met 1000: 240 / 120 000 × 1000 = 2,0 gevallen per 1000 inwoners.

    240120 000⋅1000=2,0\frac{240}{120\,000}\cdot 1000 = 2{,}0120000240​⋅1000=2,0
  3. 03Stap 3 — Bereken het aantal per 1000 in Zuid

    Zo ook voor Zuid: 180 / 60 000 × 1000 = 3,0 gevallen per 1000 inwoners.

    18060 000⋅1000=3,0\frac{180}{60\,000}\cdot 1000 = 3{,}060000180​⋅1000=3,0
  4. 04Stap 4 — Trek de eerlijke vergelijking

    Met 3,0 per 1000 ligt het relatieve aantal in Zuid hoger dan de 2,0 per 1000 in Noord. Verhoudingsgewijs komt de ziekte dus váker voor in Zuid, ondanks de lagere absolute aantallen.

Resultaat: Absoluut heeft Noord meer gevallen (240 tegen 180), maar relatief ligt het in Zuid hoger: 3,0 tegen 2,0 per 1000 inwoners. De eerlijke vergelijking gebruikt het relatieve cijfer, dat rekening houdt met de verschillende inwonertallen; „meer gevallen” betekent hier niet „vaker voorkomend”.

Eindexamen-focus

  • Het CE laat je absolute aantallen omrekenen naar percentages of naar een aantal per 1000/per capita en daarmee de juiste, eerlijke vergelijking trekken; let nauwkeurig op het totaal in de noemer.
  • Je moet beoordelen of een vergelijking eerlijk is bij groepen van verschillende grootte, en indexcijfers kunnen lezen (een index van 115 betekent 15% boven de basiswaarde).

Veelgemaakte fouten

  • Door het verkeerde totaal delen — een percentage „van de rij” verwarren met een percentage „van het geheel” — zodat je de verkeerde noemer gebruikt.
  • Absolute aantallen vergelijken terwijl de groepen verschillend groot zijn: „meer gevallen” verwarren met „verhoudingsgewijs vaker”.
  • Een indexcijfer van 115 lezen als „115% erbij” in plaats van 15% boven de basiswaarde.

Actieve herhaling

In een stad stemt 28 800 van de 120 000 kiezers op partij X; in een dorp 1200 van de 4000 kiezers. Bereken in beide het percentage stemmen op X, bepaal waar X verhoudingsgewijs sterker staat, en leg uit waarom de absolute aantallen hier een misleidend beeld geven.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Bronnen en conclusies kritisch beoordelen#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Spreidingsdiagram: ijsverkoop en verdrinkingen

Samenhang ijsverkoop en verdrinkingenSpreidingsdiagram: verdrinkingen naar ijsverkoop (x1000 euro), Gegevens: (12, 2); (18, 3); (24, 5); (30, 6); (36, 7); (42, 9)23456789152025303540verdrinkingenijsverkoop (x1000 euro)
Afb. 6De punten lopen op en de trendlijn stijgt: ijsverkoop en verdrinkingen hangen positief samen. Die correlatie bewijst echter geen oorzaak.

Kernpunten

Een grafiek of conclusie is nooit beter dan de gegevens waarop hij rust, en die gegevens komen uit een bron — vaak een steekproef uit een grotere groep, de populatie. De kernvraag is of die steekproef representatief is: lijkt de onderzochte groep voldoende op de hele populatie? Een onderzoek dat alleen bezoekers bij een sportschool ondervraagt over hun beweeggedrag, of dat werkt met mensen die uit zichzelf op een oproep reageren (zelfselectie), geeft een vertekend beeld. Let daarom bij elke bron op wie de gegevens verzamelde, hoe de steekproef getrokken is en hoe groot hij is: een kleine of scheef gekozen steekproef draagt geen stevige conclusie. Pas als de bron deugt, heeft het zin om de cijfers zelf te beoordelen.
Een veelgemaakte denkfout is dat samenhang hetzelfde zou zijn als oorzaak. Twee grootheden hangen samen (correleren) als ze samen oplopen of juist tegengesteld bewegen; in het spreidingsdiagram hieronder stijgt het aantal verdrinkingen samen met de ijsverkoop, en de trendlijn loopt duidelijk omhoog. Toch bewijst die samenhang niet dat het één het ander veroorzaakt. Correlatie is geen causaliteit: het patroon kan ontstaan doordat het verband andersom loopt, door puur toeval, of — heel vaak — door een derde factor die beide veroorzaakt. Wie uit een opgaande puntenwolk meteen „het één veroorzaakt het ander” concludeert, trekt een te snelle conclusie die het examen je juist laat ontmaskeren.
Een schijnverband ontstaat wanneer een derde variabele twee grootheden tegelijk beïnvloedt, zodat die twee samen bewegen zonder elkaar te veroorzaken. Het klassieke voorbeeld staat in het schema hieronder: warm weer drijft zowel de ijsverkoop op áls het aantal mensen dat gaat zwemmen, en dat zwemmen leidt tot meer verdrinkingen. IJsverkoop en verdrinkingen stijgen daardoor samen, maar de echte oorzaak is de temperatuur — het rechtstreekse pijltje tussen ijs en verdrinkingen is een schijnverband. Minder ijs verkopen zou het aantal verdrinkingen dan ook niet verlagen. Bij het beoordelen van een verband is de sleutelvraag dus altijd: is er een derde variabele denkbaar die beide verklaart? Kun je er één bedenken, dan is voorzichtigheid geboden.
Een claim kritisch beoordelen doe je met een vaste reeks vragen. Eerst de bron: is de steekproef representatief, groot genoeg en onafhankelijk verzameld? Dan de aard van het verband: gaat het om een correlatie, of is er werkelijk een oorzaak aangetoond, bijvoorbeeld met een proef waarin men de ene grootheid bewust verandert en de rest gelijk houdt? Vervolgens de alternatieven: is er een derde variabele, kan het verband andersom lopen, of kan het toeval zijn? En ten slotte de omvang en de presentatie: hoe groot is het effect echt, en is het eerlijk in beeld gebracht (denk aan de afgekapte as en de relatieve cijfers uit de vorige paragrafen)? Een goed antwoord noemt niet alleen óf de claim klopt, maar wélke schakel zwak is.
Het beoordelen van bron en conclusie sluit dit onderwerp af en bindt het samen. Je begon met het herkennen en aflezen van diagrammen, leerde daarna beoordelen of een grafiek de getallen eerlijk toont, woog absolute tegen relatieve cijfers, en kunt nu een hele claim wegen: klopt de bron, is samenhang verward met oorzaak, speelt er een derde variabele, en is het beeld eerlijk? Formuleer je conclusie steeds voorzichtig — „in deze steekproef”, „dit wijst erop, maar bewijst niet” — want zorgvuldig omgaan met data betekent vooral: niet meer beweren dan de gegevens dragen. Die kritische, eerlijke houding is precies wat het centraal examen bij het interpreteren en beoordelen van datapresentaties van je vraagt.
correlatie≠oorzaak\text{correlatie} \neq \text{oorzaak}correlatie=oorzaak

correlatie is geen causaliteit

Een samenhang tussen twee grootheden bewijst niet dat de ene de andere veroorzaakt; er kan een derde variabele, een omgekeerde oorzaak of toeval in het spel zijn.

Schijnverband via een derde variabele

Schijnverband via een derde variabeleGraaf, Warm weer → IJsverkoop, Warm weer → Meer zwemmen, Meer zwemmen → Verdrinkingen, IJsverkoop → VerdrinkingenWarm weerIJsverkoopMeer zwemmenVerdrinkingenoorzaakoorzaakoorzaakschijnverband
Afb. 7Warm weer veroorzaakt zowel meer ijsverkoop als meer zwemmen, en daarmee meer verdrinkingen. Het rechtstreekse verband tussen ijs en verdrinkingen is een schijnverband.
Uitgewerkt voorbeeld

Een causale claim beoordelen op grond van een correlatie

Een krant schrijft: „Het eten van ijs is gevaarlijk: in maanden met een hoge ijsverkoop verdrinken meer mensen, dus ijs verkopen leidt tot verdrinkingen.” Beoordeel deze claim op grond van het spreidingsdiagram, en noem een mogelijke derde variabele.

  1. 01Stap 1 — Benoem het waargenomen verband

    Het spreidingsdiagram toont een positieve samenhang: bij een hogere ijsverkoop hoort een hoger aantal verdrinkingen, en de trendlijn loopt omhoog. Er is dus een correlatie.

  2. 02Stap 2 — Onderscheid correlatie en causaliteit

    Een correlatie betekent alleen dat de twee samen oplopen, niet dat ijs verdrinkingen veroorzaakt. De stap van samenhang naar oorzaak is hier niet gerechtvaardigd.

  3. 03Stap 3 — Zoek een derde variabele

    Warm weer verklaart beide: als het warm is, wordt er méér ijs verkocht én gaan méér mensen zwemmen, waardoor er meer verdrinkingen zijn. De temperatuur is de gemeenschappelijke oorzaak; het verband tussen ijs en verdrinkingen is een schijnverband.

  4. 04Stap 4 — Formuleer een voorzichtige conclusie

    De claim is onterecht: ijs verkopen veroorzaakt geen verdrinkingen. Minder ijs verkopen zou het aantal verdrinkingen niet verlagen, want de echte oorzaak — warm weer — blijft. Hooguit mag je zeggen dat ijsverkoop en verdrinkingen samenhangen via de temperatuur.

Resultaat: Het diagram toont een correlatie, geen oorzaak. Een aannemelijke derde variabele is de temperatuur (warm weer), die zowel de ijsverkoop als het zwemmen — en daarmee de verdrinkingen — opdrijft. De claim „ijs verkopen leidt tot verdrinkingen” berust op een schijnverband en wordt verworpen.

Eindexamen-focus

  • Het CE laat je een claim van het type „X veroorzaakt Y” beoordelen op grond van een correlatie, en een mogelijke derde variabele (schijnverband) benoemen.
  • Een vraag kan je de representativiteit van een bron of steekproef laten beoordelen en een voorzichtig geformuleerde conclusie laten trekken.

Veelgemaakte fouten

  • Uit een sterke correlatie meteen een oorzakelijk verband afleiden — correlatie verwarren met causaliteit.
  • Een steekproef zonder meer als representatief aannemen, zonder te letten op de omvang, de manier van trekken (zelfselectie) en de bron.

Actieve herhaling

Onderzoekers melden dat gemeenten met meer bibliotheken gemiddeld hogere huizenprijzen hebben, en concluderen: „bibliotheken stuwen de huizenprijs op.” Beoordeel deze conclusie, geef aan of de samenhang een oorzaak bewijst, en noem een mogelijke derde variabele die beide kan verklaren.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Soorten datavisualisaties en wanneer je ze gebruikt○
    • 02Hoe grafieken misleiden — en hoe je dat herkent◐
    • 03Absolute aantallen versus relatieve cijfers◐
    • 04Bronnen en conclusies kritisch beoordelen◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Presentaties van data interpreteren en beoordelen

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~26
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma wiskunde A (HAVO)

Vorig onderwerp

Telproblemen en combinatoriek (schoolexamen)

Volgend onderwerp

Data verwerken: centrum- en spreidingsmaten, boxplot

EuraStudy·Samenvattingen T·10·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.