EuraStudy
Samenvattingen/Spaans/Werkwoorden en werkwoordstijden
Samenvattingen · SpaansNL · HAVO

Werkwoorden en werkwoordstijden

Een vaste greep op de Spaanse werkwoordstijden maakt je Spaans correct en natuurlijk, én ze helpt je om examenteksten sneller en preciezer te lezen. Belangrijk om eerlijk te zijn over de plaats in het examen: de werkwoordstijden worden niet als apart onderdeel op het centraal examen getoetst, want het CE Spaans toetst uitsluitend leesvaardigheid. Je oefent ze vooral voor het schoolexamen — bij schrijf-, spreek- en gespreksvaardigheid — terwijl het herkennen van de tijden (wie handelt, en of iets verleden, heden, toekomst of wens is) je leesbegrip op het CE ondersteunt. Deze samenvatting bouwt het systeem stap voor stap op: van de presente als fundament, via het contrast tussen indefinido en imperfecto en de toekomst met futuro en condicional, naar de subjuntivo, het gerundio, de perífrasis en de imperativo.

5 Onderdelen·~28 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3 · Verdieping 1

T·0555 / 12
Examenprofiel
De presente correct vormen voor de regelmatige groepen (-ar, -er, -ir) en de onregelmatige kernwerkwoorden ser, estar, ir en tener.De twee verleden tijden onderscheiden en vormen: het indefinido (afgeronde gebeurtenis) tegenover het imperfecto (achtergrond, gewoonte, beschrijving).De toekomst (futuro en ‘ir a’ + infinitief) en de condicional (beleefdheid, hypothese) vormen en kiezen.De presente de subjuntivo herkennen en vormen na de gangbare triggers, en het gerundio, de perífrasis en de imperativo correct gebruiken.
Operatoren:vervoegvormkiesleg uitvergelijk

basisniveau

Voor het schoolexamen: beheers de presente, de verleden tijden, de toekomst en de gebiedende wijs zo dat je correct en begrijpelijk Spaans schrijft en spreekt; herken daarnaast de tijden in een tekst om je leesbegrip op het centraal examen te steunen.

verhoogd niveau

Wie doorstroomt naar het hoger onderwijs leest en schrijft veel Spaans; een vaste greep op de werkwoordstijden — inclusief de subjuntivo — blijft daar onmisbaar en ondersteunt tegelijk het leesbegrip op het centraal examen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 5 onderdelen▾
  1. Werkwoorden en werkwoordstijden
    • 01De presente (tegenwoordige tijd)○
    • 02Pretérito indefinido en imperfecto◐
    • 03Futuro en condicional◐
    • 04Presente de subjuntivo●
    • 05Gerundio, perífrasis en imperativo◐
§ 01

De presente (tegenwoordige tijd)#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Presente: de drie regelmatige groepen

Presente: de drie regelmatige groepenTabel met 4 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Persoon · hablar (-ar) · comer (-er) · vivir (-ir); yo · hablo · como · vivo; tú · hablas · comes · vives; él/ella · habla · come · vive; nosotros · hablamos · comemos · vivimos; vosotros · habláis · coméis · vivís; ellos/ellas · hablan · comen · vivenPERSOONHABLAR (-AR)COMER (-ER)VIVIR (-IR)yohablocomovivotúhablascomesvivesél/ellahablacomevivenosotroshablamoscomemosvivimosvosotroshabláiscoméisvivísellos/ellashablancomenviven
Afb. 1De drie regelmatige groepen in de presente: stam + uitgang, met de afwijkende ‘nosotros’/‘vosotros’ bij de -ir-groep (vivimos/vivís).

Kernpunten

De presente is de tegenwoordige tijd van het Spaans en tegelijk het fundament van het hele werkwoordsysteem: wie hem beheerst, kan de meeste andere vormen erop bouwen. Een Spaans werkwoord eindigt in het hele werkwoord (de infinitivo) altijd op één van drie uitgangen — ‘-ar’, ‘-er’ of ‘-ir’ — en die uitgang bepaalt tot welke van de drie vervoegingsgroepen het hoort. Je vervoegt een regelmatig werkwoord in twee stappen: haal de infinitiefuitgang eraf om de stam (de raíz) over te houden, en plak daar de persoonsuitgang aan vast die bij de groep en de persoon hoort. Anders dan in het Nederlands hoef je het persoonlijk voornaamwoord er meestal niet bij te zetten, want de uitgang verraadt al wie er handelt: ‘hablo’ betekent zonder meer „ik praat”. De eerste tabel onderaan zet de drie groepen — ‘hablar’, ‘comer’ en ‘vivir’ — volledig naast elkaar.
De grootste groep is die van de werkwoorden op ‘-ar’; veruit de meeste Spaanse werkwoorden horen erbij. Aan de stam plak je de uitgangen ‘-o’, ‘-as’, ‘-a’, ‘-amos’, ‘-áis’, ‘-an’. Bij ‘hablar’ (praten) is de stam ‘habl-’, en zo krijg je ‘hablo’, ‘hablas’, ‘habla’, ‘hablamos’, ‘habláis’, ‘hablan’. Merk op dat elke persoon een eigen, hoorbare uitgang heeft: anders dan in het Frans, waar verschillende vormen samenvallen, klinkt in het Spaans bijna elke persoon anders. Daardoor kun je het onderwerp vaak weglaten — ‘hablamos’ kan alleen maar „wij praten” betekenen. Let wel op het geschreven accent in de ‘vosotros’-vorm ‘habláis’, dat je in het schrift niet mag vergeten.
De tweede en derde groep, de werkwoorden op ‘-er’ en ‘-ir’, lijken sterk op elkaar en verschillen maar op twee plekken. De ‘-er’-uitgangen zijn ‘-o’, ‘-es’, ‘-e’, ‘-emos’, ‘-éis’, ‘-en’; bij ‘comer’ (eten) levert dat ‘como’, ‘comes’, ‘come’, ‘comemos’, ‘coméis’, ‘comen’ op. De ‘-ir’-uitgangen zijn daaraan identiek, behalve in de ‘nosotros’- en ‘vosotros’-vorm: daar staat ‘-imos’ en ‘-ís’ in plaats van ‘-emos’ en ‘-éis’. Bij ‘vivir’ (wonen, leven) krijg je dus ‘vivo’, ‘vives’, ‘vive’, maar ‘vivimos’, ‘vivís’, ‘viven’. Wie de ‘-er’-groep kent, hoeft voor de ‘-ir’-groep dus alleen die twee meervoudsvormen apart te onthouden.
Naast de regelmatige groepen zijn er enkele onregelmatige kernwerkwoorden die je domweg uit het hoofd moet leren, omdat ze de meest gebruikte werkwoorden van het Spaans zijn én geen patroon volgen. De belangrijkste vier staan in de tweede tabel: ‘ser’ en ‘estar’ (allebei „zijn”), ‘ir’ (gaan) en ‘tener’ (hebben). ‘ser’ gaat ‘soy’, ‘eres’, ‘es’, ‘somos’, ‘sois’, ‘son’; ‘estar’ gaat ‘estoy’, ‘estás’, ‘está’, ‘estamos’, ‘estáis’, ‘están’; ‘ir’ gaat ‘voy’, ‘vas’, ‘va’, ‘vamos’, ‘vais’, ‘van’; en ‘tener’ gaat ‘tengo’, ‘tienes’, ‘tiene’, ‘tenemos’, ‘tenéis’, ‘tienen’. Voor Nederlandstaligen is het verschil tussen ‘ser’ en ‘estar’ het lastigst: ‘ser’ is voor blijvende eigenschappen (‘soy alto’ — ik ben lang), ‘estar’ voor plaats en tijdelijke toestanden (‘estoy cansado’ — ik ben moe). Deze vier werkwoorden duiken bovendien overal op als bouwstenen, bijvoorbeeld ‘estar’ in ‘estoy hablando’ en ‘ir’ in de nabije toekomst ‘voy a comer’.
Een laatste categorie die je moet herkennen zijn de stamveranderende werkwoorden (los verbos con cambio vocálico): regelmatig in hun uitgangen, maar met een klinkerwisseling in de stam zodra die de klemtoon draagt. De twee belangrijkste patronen zijn ‘e’ → ‘ie’ en ‘o’ → ‘ue’. Zo wordt ‘querer’ (willen) ‘quiero’, ‘quieres’, ‘quiere’, maar weer gewoon ‘queremos’, ‘queréis’ (zonder wisseling, want daar valt de klemtoon op de uitgang), en ‘poder’ (kunnen) wordt ‘puedo’, ‘puedes’, ‘puede’, ‘podemos’, ‘podéis’, ‘pueden’. De wisseling treft dus de drie enkelvoudsvormen en de derde persoon meervoud, maar niet ‘nosotros’ en ‘vosotros’ — een patroon dat men wel het „schoenwerkwoord” noemt, omdat die gewisselde vormen samen de omtrek van een schoen tekenen. Wie de presente met al deze types beheerst, heeft de basis gelegd voor de verleden tijden, de toekomst en de subjuntivo die in de volgende secties volgen.

Onregelmatig: ser, estar, ir en tener

Onregelmatig: ser, estar, ir, tenerTabel met 5 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Persoon · ser · estar · ir · tener; yo · soy · estoy · voy · tengo; tú · eres · estás · vas · tienes; él/ella · es · está · va · tiene; nosotros · somos · estamos · vamos · tenemos; vosotros · sois · estáis · vais · tenéis; ellos/ellas · son · están · van · tienenPERSOONSERESTARIRTENERyosoyestoyvoytengotúeresestásvastienesél/ellaesestávatienenosotrossomosestamosvamostenemosvosotrossoisestáisvaistenéisellos/ellassonestánvantienen
Afb. 2De vier onregelmatige kernwerkwoorden — ser, estar, ir en tener — die je uit het hoofd moet kennen.
Uitgewerkt voorbeeld

Vervoegingswandeling: ‘vivir’ in de presente

Vervoeg het regelmatige werkwoord ‘vivir’ (= wonen, leven) volledig in de presente, en leg bij elke persoon uit hoe je van stam + uitgang naar de vorm komt.

  1. 01Stap 1 — Groep en stam bepalen

    ‘vivir’ eindigt op ‘-ir’ en hoort dus bij de derde groep. Haal de uitgang ‘-ir’ weg en je houdt de stam over: ‘viv-’. Aan die stam plak je alle persoonsuitgangen.

  2. 02Stap 2 — Het enkelvoud

    Voeg de uitgangen ‘-o’, ‘-es’, ‘-e’ toe: ‘vivo’, ‘vives’, ‘vive’. In het enkelvoud zijn de ‘-er’- en ‘-ir’-groep volledig gelijk.

  3. 03Stap 3 — Het meervoud

    Hier wijkt de ‘-ir’-groep af van de ‘-er’-groep: de uitgangen zijn ‘-imos’, ‘-ís’, ‘-en’ (niet ‘-emos’, ‘-éis’). Zo krijg je ‘vivimos’, ‘vivís’, ‘viven’ — let op het accent op ‘vivís’.

Resultaat: De volledige presente van ‘vivir’ is: ‘vivo, vives, vive, vivimos, vivís, viven.’ Telkens is het recept hetzelfde — stam ‘viv-’ + de persoonsuitgang — waarbij alleen de ‘nosotros’- en ‘vosotros’-vorm (‘vivimos’, ‘vivís’) de ‘-ir’-groep van de ‘-er’-groep onderscheidt, precies zoals de tabel laat zien.

Eindexamen-focus

  • Het schoolexamen (schrijven en spreken) verwacht dat je de drie regelmatige groepen (-ar, -er, -ir) foutloos vervoegt via stam + uitgang en de kernwerkwoorden ‘ser’, ‘estar’, ‘ir’ en ‘tener’ uit het hoofd kent.
  • De presente wordt op het CE niet als apart grammaticaonderdeel getoetst — het CE Spaans toetst alleen leesvaardigheid — maar wie de vormen herkent, leest werkwoorden in een Spaanse tekst sneller en bepaalt makkelijker wie wat doet.

Veelgemaakte fouten

  • ‘ser’ en ‘estar’ verwarren: ‘estoy alto’ in plaats van ‘soy alto’ — ‘ser’ is voor blijvende eigenschappen, ‘estar’ voor plaats en tijdelijke toestand.
  • De stamwisseling vergeten of juist te ver doortrekken: het is ‘yo puedo’ maar ‘nosotros podemos’ (niet ‘puedemos’) — de klinkerwisseling treft ‘nosotros’ en ‘vosotros’ niet.

Actieve herhaling

Vervoeg in de presente: ‘yo (hablar)’, ‘nosotros (comer)’, ‘vosotros (vivir)’, ‘ella (ser)’, ‘yo (tener)’ en ‘ellos (poder)’.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Spaans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Pretérito indefinido en imperfecto#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Indefinido en imperfecto: vorm en gebruik

Indefinido en imperfecto: vorm en gebruikTabel met 3 kolommen en 2 rijen, Gegevens: Tijd · Vorm · Gebruik; Indefinido · stam + -é/-aste/-ó… · afgeronde gebeurtenis; Imperfecto · stam + -aba/-ía… · achtergrond, gewoonteTIJDVORMGEBRUIKIndefinidostam + -é/-aste/-ó…afgeronde gebeurtenisImperfectostam + -aba/-ía…achtergrond, gewoonte
Afb. 3Twee verleden tijden naast elkaar: aan het gebruik (afgerond of achtergrond) lees je af welke tijd je nodig hebt.

Kernpunten

Het Spaans heeft twee gewone verleden tijden, en het verschil tussen beide is precies waar het in deze sectie om draait. Het indefinido (pretérito indefinido) vertelt wat er op een bepaald moment gebeurde en afgelopen is: een afgeronde gebeurtenis. Het imperfecto (pretérito imperfecto) schildert daarentegen de achtergrond: hoe iets wás, wat er gewoonlijk gebeurde, wat er aan de gang was toen er iets anders gebeurde. Beide zijn dus een verleden tijd, maar ze kijken op een verschillende manier naar het verleden — het indefinido als een foto van één afgerond moment, het imperfecto als een doorlopende film op de achtergrond. De eerste tabel zet hun vorm en gebruik naast elkaar, de tweede de volledige vervoeging van ‘hablar’ in beide tijden.
Het indefinido vorm je bij regelmatige werkwoorden door aan de stam de eigen reeks uitgangen te plakken. Voor ‘-ar’-werkwoorden zijn dat ‘-é’, ‘-aste’, ‘-ó’, ‘-amos’, ‘-asteis’, ‘-aron’: ‘hablar’ wordt ‘hablé’, ‘hablaste’, ‘habló’, ‘hablamos’, ‘hablasteis’, ‘hablaron’. Voor ‘-er’- én ‘-ir’-werkwoorden geldt één gedeelde reeks ‘-í’, ‘-iste’, ‘-ió’, ‘-imos’, ‘-isteis’, ‘-ieron’: ‘comer’ wordt ‘comí’, ‘comiste’, ‘comió’, …, en ‘vivir’ net zo (‘viví’, ‘viviste’, ‘vivió’, …). Let goed op de accenten op de eerste en derde persoon enkelvoud (‘hablé’, ‘habló’), want zonder accent verandert de betekenis volledig: ‘hablo’ (zonder accent) is de presente „ik praat”, ‘habló’ (mét accent) is „hij/zij praatte”. De ‘nosotros’-vorm ‘hablamos’ valt bovendien samen met de presente, zodat alleen de context laat zien of het heden of verleden is.
Een groep hoogfrequente werkwoorden heeft een geheel onregelmatig indefinido dat je apart instudeert, omdat het zo vaak voorkomt. De belangrijkste zijn ‘ser’ en ‘ir’, die in het indefinido zelfs dezelfde vorm delen: ‘fui’, ‘fuiste’, ‘fue’, ‘fuimos’, ‘fuisteis’, ‘fueron’ — alleen de context laat zien of ‘fui’ „ik was” of „ik ging” betekent. Ook ‘hacer’ (doen, maken) is onregelmatig: ‘hice’, ‘hiciste’, ‘hizo’, ‘hicimos’, ‘hicisteis’, ‘hicieron’ (let op de spelling ‘hizo’ met ‘z’), en ‘tener’ (hebben) wordt ‘tuve’, ‘tuviste’, ‘tuvo’, ‘tuvimos’, ‘tuvisteis’, ‘tuvieron’. Deze onregelmatige stammen dragen géén accent op de uitgang — je zegt ‘tuve’ en ‘hizo’, niet ‘tuvé’ of ‘hizó’. Het loont om juist deze werkwoorden grondig te oefenen, want ze keren in elk verhaal over het verleden terug.
Het imperfecto is in de vorm juist opvallend regelmatig, met maar drie onregelmatige werkwoorden in de hele taal. Voor ‘-ar’-werkwoorden zijn de uitgangen ‘-aba’, ‘-abas’, ‘-aba’, ‘-ábamos’, ‘-abais’, ‘-aban’: ‘hablar’ wordt ‘hablaba’, ‘hablabas’, ‘hablaba’, ‘hablábamos’, ‘hablabais’, ‘hablaban’. Voor ‘-er’- en ‘-ir’-werkwoorden gelden ‘-ía’, ‘-ías’, ‘-ía’, ‘-íamos’, ‘-íais’, ‘-ían’: ‘comer’ wordt ‘comía’, ‘comías’, ‘comía’, …, en ‘vivir’ ‘vivía’, ‘vivías’, … De enige drie uitzonderingen zijn ‘ser’ (‘era’, ‘eras’, ‘era’, ‘éramos’, ‘erais’, ‘eran’), ‘ir’ (‘iba’, ‘ibas’, ‘iba’, ‘íbamos’, ‘ibais’, ‘iban’) en ‘ver’ (‘veía’, ‘veías’, ‘veía’, …). Het imperfecto vertaal je vaak met „was … aan het”, „placht te” of het Nederlandse onvoltooid verleden („ik woonde”, „het regende”).
Het samenspel van beide tijden is de kern van deze sectie en typische examenstof. De vuistregel: de achtergrond, de beschrijving en de gewoonte staan in het imperfecto; de gebeurtenis die daar doorheen breekt, staat in het indefinido. In één zin zie je ze vaak samen: ‘Mientras comía, sonó el teléfono’ — „Terwijl ik aan het eten was (achtergrond, imperfecto), ging de telefoon (eenmalige gebeurtenis, indefinido)”. Ook signaalwoorden helpen: ‘ayer’ (gisteren), ‘de repente’ (plotseling) en ‘un día’ (op een dag) wijzen naar het indefinido, terwijl ‘siempre’ (altijd), ‘todos los días’ (elke dag) en ‘mientras’ (terwijl) naar het imperfecto wijzen. Wie dit contrast aanvoelt, leest een Spaans verhaal veel scherper, omdat de werkwoordsvorm zelf verraadt wat hoofdhandeling is en wat decor.

Indefinido en imperfecto van hablar

Indefinido en imperfecto van hablarTabel met 3 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Persoon · Indefinido (hablar) · Imperfecto (hablar); yo · hablé · hablaba; tú · hablaste · hablabas; él/ella · habló · hablaba; nosotros · hablamos · hablábamos; vosotros · hablasteis · hablabais; ellos/ellas · hablaron · hablabanPERSOONINDEFINIDO (HABLAR)IMPERFECTO (HABLAR)yohabléhablabatúhablastehablabasél/ellahablóhablabanosotroshablamoshablábamosvosotroshablasteishablabaisellos/ellashablaronhablaban
Afb. 4Het indefinido (afgerond) tegenover het imperfecto (achtergrond) van ‘hablar’, persoon voor persoon.
Uitgewerkt voorbeeld

Indefinido of imperfecto? Eén zin ontleed

Vul de juiste verleden tijd in: ‘Mientras (comer, yo) ___, (sonar) ___ el teléfono.’ (= Terwijl ik aan het eten was, ging de telefoon.)

  1. 01Stap 1 — Ontleed de twee handelingen

    ‘comer’ beschrijft wat er al aan de gang was — een doorlopende achtergrondhandeling. ‘sonar el teléfono’ is een korte, eenmalige gebeurtenis die daar plotseling doorheen breekt.

  2. 02Stap 2 — Kies de tijd voor de achtergrond

    Een doorlopende, niet-afgeronde achtergrond vraagt om het imperfecto. ‘comer’ is een ‘-er’-werkwoord, dus de ‘yo’-vorm is ‘comía’ (uitgang ‘-ía’).

  3. 03Stap 3 — Kies de tijd voor de gebeurtenis

    Een eenmalige, afgeronde gebeurtenis vraagt om het indefinido. ‘sonar’ is een ‘-ar’-werkwoord, dus de derde persoon enkelvoud is ‘sonó’ (met accent op de ‘ó’).

Resultaat: De juiste zin is ‘Mientras comía, sonó el teléfono.’ Het imperfecto ‘comía’ tekent de achtergrond (ik was aan het eten), het indefinido ‘sonó’ geeft de gebeurtenis die erin inbreekt (de telefoon ging). Het signaalwoord ‘mientras’ (terwijl) bevestigt de achtergrond in het imperfecto.

Eindexamen-focus

  • Het schoolexamen verwacht dat je kiest tussen de afgeronde gebeurtenis (indefinido) en de achtergrond, gewoonte of beschrijving (imperfecto), en beide tijden correct vormt, inclusief de onregelmatige ‘fui’, ‘hice’ en ‘tuve’.
  • Op het CE (alleen leesvaardigheid) wordt het contrast niet apart bevraagd, maar het herkennen ervan helpt je in een verhalende tekst onderscheiden wat de hoofdgebeurtenis is (indefinido) en wat decor of gewoonte (imperfecto).

Veelgemaakte fouten

  • Overal het indefinido of overal het imperfecto gebruiken: ‘ayer comía una pizza’ (gewoonte) waar ‘ayer comí una pizza’ (één keer, afgerond) wordt bedoeld — kies de tijd naar de betekenis, niet naar gewoonte.
  • Het accent op het indefinido vergeten: ‘hablo’ (presente, „ik praat”) in plaats van ‘habló’ (indefinido, „hij praatte”) — de eerste en derde persoon enkelvoud dragen een accent dat de tijd én de betekenis bepaalt.

Actieve herhaling

Kies de juiste verleden tijd (indefinido of imperfecto) en vorm het werkwoord: ‘Cuando (ser, yo) niño, (vivir) en Sevilla’, ‘Ayer (comer, nosotros) paella’, ‘Mientras (estudiar, ella), (sonar) el móvil’.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Spaans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Futuro en condicional#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Futuro en condicional van hablar

Futuro en condicional van hablarTabel met 3 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Persoon · Futuro (hablar) · Condicional (hablar); yo · hablaré · hablaría; tú · hablarás · hablarías; él/ella · hablará · hablaría; nosotros · hablaremos · hablaríamos; vosotros · hablaréis · hablaríais; ellos/ellas · hablarán · hablaríanPERSOONFUTURO (HABLAR)CONDICIONAL (HABLAR)yohablaréhablaríatúhablaráshablaríasél/ellahablaráhablaríanosotroshablaremoshablaríamosvosotroshablaréishablaríaisellos/ellashablaránhablarían
Afb. 5Futuro en condicional delen dezelfde stam (de hele infinitief); alleen de uitgangen verschillen (-é/-ás tegenover -ía/-ías).

Kernpunten

Voor wat nog komen moet en voor wat zou kunnen gebeuren, heeft het Spaans twee nauw verwante vormen: het futuro (de toekomende tijd) en de condicional (de voorwaardelijke wijs). Ze zijn een paar, want je bouwt ze allebei op dezelfde stam — niet op de kale stam zoals in de presente, maar op de hele infinitivo — en ze verschillen alleen in hun uitgangen. Daardoor lijken ‘hablaré’ (ik zal praten) en ‘hablaría’ (ik zou praten) sterk op elkaar en is het belangrijk ze goed uit elkaar te houden. Naast het futuro bestaat er bovendien een eenvoudige, veelgebruikte manier om de nabije toekomst uit te drukken met ‘ir a’ + infinitief. De tabel onderaan zet het futuro en de condicional van ‘hablar’ naast elkaar, zodat je het verschil in de uitgangen meteen ziet.
Het futuro simple vorm je door aan de héle infinitief — dus inclusief de ‘-ar’, ‘-er’ of ‘-ir’ — de uitgangen ‘-é’, ‘-ás’, ‘-á’, ‘-emos’, ‘-éis’, ‘-án’ te plakken. Voor alle drie de groepen is die reeks identiek, wat het futuro een van de makkelijkste tijden maakt. Zo wordt ‘hablar’ → ‘hablaré’, ‘hablarás’, ‘hablará’, ‘hablaremos’, ‘hablaréis’, ‘hablarán’, en ‘comer’ → ‘comeré’, ‘comerás’, …, en ‘vivir’ → ‘viviré’, … Op vijf van de zes vormen staat een geschreven accent (alleen ‘nosotros’ niet), wat je in het schrift niet mag vergeten. Het futuro gebruik je voor plannen en voorspellingen — ‘Mañana hablaré con él’ (Morgen zal ik met hem praten) — en in spreektaal soms ook om een vermoeden uit te drukken („dat zal wel …”).
In het dagelijks Spaans is de allergewoonste manier om over de nabije toekomst te praten niet het futuro simple, maar de constructie ‘ir a’ + infinitief — precies zoals het Nederlandse „gaan + infinitief”. Je vervoegt ‘ir’ in de presente (‘voy’, ‘vas’, ‘va’, ‘vamos’, ‘vais’, ‘van’) en laat daar ‘a’ + de infinitief op volgen: ‘Voy a comer’ (Ik ga eten), ‘Vamos a estudiar’ (We gaan studeren). Deze vorm voelt concreter en zekerder dan het futuro simple en overheerst in gesproken taal. Omdat hij alleen de presente van ‘ir’ plus een vast voorzetsel ‘a’ vraagt, is hij voor Nederlandstaligen heel makkelijk te maken — vergeet alleen die ‘a’ niet, want zonder is de zin fout.
De condicional gebruik je vooral voor twee dingen: beleefdheid en hypotheses. Je vormt hem met dezelfde stam als het futuro — de hele infinitief — maar met de uitgangen van het imperfecto van de ‘-er/-ir’-groep: ‘-ía’, ‘-ías’, ‘-ía’, ‘-íamos’, ‘-íais’, ‘-ían’. Zo wordt ‘hablar’ → ‘hablaría’, ‘hablarías’, ‘hablaría’, ‘hablaríamos’, ‘hablaríais’, ‘hablarían’. In het dagelijks gebruik is de beleefdheidsvorm het belangrijkst: ‘Me gustaría un café’ (Ik zou graag een koffie willen) klinkt veel beleefder dan ‘Quiero un café’, en ‘¿Podrías ayudarme?’ (Zou je me kunnen helpen?) is een nette vraag. Daarnaast drukt de condicional een hypothese uit: ‘Con más tiempo, viajaría más’ (Met meer tijd zou ik meer reizen).
Het cruciale punt is het kleine maar betekenisvolle verschil tussen futuro en condicional, want ze delen dezelfde stam en verschillen alleen in de uitgang. ‘Hablaré’ (futuro) betekent „ik zal praten” — iets wat echt gaat gebeuren — terwijl ‘hablaría’ (condicional) „ik zou praten” betekent — iets voorwaardelijks of beleefds. De uitgangen ‘-ré/-rás/-rá’ horen bij de toekomst, de uitgangen ‘-ría/-rías’ bij de voorwaarde. Een handige geheugensteun is dat de condicional dezelfde ‘-ía’-uitgang heeft als het imperfecto, terwijl het futuro zijn eigen accentrijke ‘-é/-án’ meedraagt. Een handvol veelgebruikte werkwoorden heeft in beide vormen een onregelmatige stam (zo wordt ‘tener’ → ‘tendré’/‘tendría’ en ‘poder’ → ‘podré’/‘podría’), maar de uitgangen blijven daarbij altijd regelmatig — je hoeft dus maar één afwijkende stam per werkwoord te onthouden.
Uitgewerkt voorbeeld

Futuro of condicional kiezen

Kies de juiste vorm en vervoeg het werkwoord: a) ‘Mañana (hablar, yo) con María.’ b) Een beleefd verzoek: ‘Me (gustar) un café.’

  1. 01Stap 1 — Zin a: bepaal de betekenis

    Het woord ‘mañana’ (morgen) plaatst de handeling in de echte toekomst, dus je hebt het futuro nodig, niet de condicional.

  2. 02Stap 2 — Zin a: vorm het futuro

    Plak de futuro-uitgang aan de héle infinitief: ‘hablar’ + ‘-é’ → ‘hablaré’. Dat geeft ‘Mañana hablaré con María’.

  3. 03Stap 3 — Zin b: bepaal de toon en vorm

    Een beleefd verzoek vraagt om de condicional. ‘gustar’ + ‘-ía’ (derde persoon) → ‘gustaría’, dus ‘Me gustaría un café’ (Ik zou graag een koffie willen).

Resultaat: Futuro voor de toekomst (‘hablaré’), condicional voor de beleefdheid (‘gustaría’). Beide bouwen op dezelfde stam — de hele infinitief — en verschillen alleen in de uitgang: ‘-é’ tegenover ‘-ía’.

Eindexamen-focus

  • Het schoolexamen verwacht dat je het futuro (infinitief + -é/-ás/-á…) en de condicional (infinitief + -ía/-ías…) uit elkaar houdt — zelfde stam, andere uitgangen — en de nabije toekomst met ‘ir a’ + infinitief kunt vormen.
  • Op het CE wordt dit niet apart getoetst, maar het herkennen van een ‘-ré’-toekomst tegenover een ‘-ría’-voorwaarde helpt je in een tekst onderscheiden of de schrijver een plan, een voorspelling of een hypothese beschrijft.

Veelgemaakte fouten

  • Futuro en condicional verwarren: ‘mañana hablaría con él’ in plaats van ‘mañana hablaré con él’ — ‘mañana’ (morgen) wijst op een echte toekomst (futuro), niet op een voorwaarde (condicional).
  • De ‘a’ in ‘ir a + infinitief’ weglaten: ‘voy comer’ in plaats van ‘voy a comer’ — de nabije toekomst vraagt altijd het vaste voorzetsel ‘a’ tussen ‘ir’ en de infinitief.

Actieve herhaling

Vorm het futuro of de condicional: ‘Mañana (yo, viajar) a Madrid’, beleefd ‘¿(poder, tú) ayudarme?’, en de nabije toekomst met ‘ir a’: ‘(nosotros) ___ estudiar esta tarde’.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Spaans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Presente de subjuntivo#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Presente de subjuntivo: de drie regelmatige groepen

Presente de subjuntivo: regelmatige groepenTabel met 4 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Persoon · hablar · comer · vivir; yo · hable · coma · viva; tú · hables · comas · vivas; él/ella · hable · coma · viva; nosotros · hablemos · comamos · vivamos; vosotros · habléis · comáis · viváis; ellos/ellas · hablen · coman · vivanPERSOONHABLARCOMERVIVIRyohablecomavivatúhablescomasvivasél/ellahablecomavivanosotroshablemoscomamosvivamosvosotroshabléiscomáisviváisellos/ellashablencomanvivan
Afb. 6De presente de subjuntivo: de ‘tegengestelde’ klinker — ‘-ar’ krijgt ‘e’ (hable), ‘-er/-ir’ krijgen ‘a’ (coma, viva).

Kernpunten

De subjuntivo (de aanvoegende wijs, in het Spaans el subjuntivo) is geen tijd maar een wijs (un modo): een aparte manier waarop het werkwoord staat. Waar de indicativo (de aantonende wijs, de gewone vormen uit de vorige secties) feiten en zekerheden uitdrukt, gebruik je de subjuntivo voor alles wat niet als vaststaand feit wordt gepresenteerd: een wens, een twijfel, een gevoel, een mogelijkheid, een doel. Hij staat bijna altijd in een bijzin die met ‘que’ begint, na een hoofdzin die zo’n wens of twijfel uitdrukt. Voor Nederlandstaligen is dit ongewoon, want het Nederlands heeft nauwelijks een levende aanvoegende wijs; je leert de subjuntivo daarom vooral herkennen aan de zinnen waarin hij verplicht is. De tabel onderaan toont de presente de subjuntivo van de drie regelmatige groepen.
De presente de subjuntivo vorm je via een vast recept dat altijd werkt, ook bij veel onregelmatige werkwoorden. Begin bij de ‘yo’-vorm van de gewone presente, haal de ‘-o’ eraf, en zet daar de uitgang met de „tegengestelde” klinker op. ‘-ar’-werkwoorden krijgen de klinker ‘e’, en ‘-er’- en ‘-ir’-werkwoorden de klinker ‘a’ — precies omgekeerd aan hun gewone vervoeging. Zo wordt ‘hablar’ (yo hablo → habl-) ‘hable’, ‘hables’, ‘hable’, ‘hablemos’, ‘habléis’, ‘hablen’; ‘comer’ (yo como → com-) wordt ‘coma’, ‘comas’, ‘coma’, ‘comamos’, ‘comáis’, ‘coman’; en ‘vivir’ (yo vivo → viv-) ‘viva’, ‘vivas’, ‘viva’, ‘vivamos’, ‘viváis’, ‘vivan’. Omdat je van de ‘yo’-vorm vertrekt, neemt de subjuntivo automatisch onregelmatige stammen mee: ‘tener’ heeft ‘yo tengo’, dus de subjuntivo is ‘tenga’, ‘tengas’, ‘tenga’, ‘tengamos’, ‘tengáis’, ‘tengan’.
Een handvol werkwoorden heeft een onregelmatige subjuntivo die je apart leert, omdat hun ‘yo’-vorm geen ‘-o’ heeft om vanuit te werken. De belangrijkste zijn ‘ser’ → ‘sea’, ‘seas’, ‘sea’, ‘seamos’, ‘seáis’, ‘sean’; ‘ir’ → ‘vaya’, ‘vayas’, ‘vaya’, ‘vayamos’, ‘vayáis’, ‘vayan’; ‘haber’ → ‘haya’, ‘hayas’, ‘haya’, …; en het al genoemde ‘tener’ → ‘tenga’, dat wél netjes uit de ‘yo’-vorm volgt. Zo zeg je ‘Espero que sea verdad’ (Ik hoop dat het waar is) en ‘Quiero que vayas’ (Ik wil dat je gaat). Deze vormen komen zo vaak voor dat het stampen ervan zich snel terugbetaalt. Let op: ‘haya’ (subjuntivo van ‘haber’) schrijf je met ‘h’ en ‘y’, terwijl het gelijkluidende ‘halla’ (van ‘hallar’, vinden) iets heel anders betekent — een verschil dat alleen in het schrift zichtbaar is.
De subjuntivo verschijnt niet zomaar; hij wordt opgeroepen (getriggerd) door een vaste reeks uitdrukkingen in de hoofdzin. De belangrijkste categorieën zijn wens en invloed (‘querer que’, willen dat; ‘es necesario que’, het is nodig dat), gevoel en oordeel (‘es importante que’, het is belangrijk dat), twijfel en ontkenning, en doel of tijd in de toekomst. Typische triggers die je moet herkennen zijn ‘ojalá’ (hopelijk, gevolgd door de subjuntivo: ‘ojalá llueva’), ‘para que’ (opdat: ‘te lo digo para que lo sepas’) en ‘cuando’ wanneer het naar de toekomst verwijst (‘cuando llegues, llámame’ — als je aankomt, bel me). De vuistregel is: zodra de hoofdzin een wens, twijfel, gevoel of nog-niet-verwezenlijkt doel uitdrukt én er een ‘que’ (of een vergelijkbaar voegwoord) volgt met een ánder onderwerp, staat het werkwoord in de bijzin in de subjuntivo.
Voor het schoolexamen, waar je zelf Spaans schrijft en spreekt, is de subjuntivo het verschil tussen correct en net-niet-correct Spaans: na ‘quiero que’ hóórt ‘vengas’, niet ‘vienes’. Voor het centraal examen, dat alleen leesvaardigheid toetst, hoef je de subjuntivo niet zelf te vormen, maar helpt het je wel om hem te herkennen: een vorm als ‘sea’, ‘tenga’ of ‘vaya’ signaleert dat de schrijver geen feit meedeelt maar een wens, twijfel of mogelijkheid — en dat verandert hoe je de zin interpreteert. Omdat de subjuntivo rechtstreeks op de ‘yo’-vorm van de presente en op de onregelmatige kernwerkwoorden uit sectie 1 voortbouwt, is hij geen losse nieuwe stof maar de logische uitbreiding van wat je al kent. In de laatste sectie zie je trouwens dat ook de gebiedende wijs (de imperativo) voor een groot deel uit deze subjuntivo-vormen is opgebouwd.
Uitgewerkt voorbeeld

Een vorm in de subjuntivo zetten na ‘querer que’

Vorm de juiste werkwoordsvorm en verklaar je keuze: ‘Mi madre quiere que yo (estudiar) más.’ (= Mijn moeder wil dat ik meer studeer.)

  1. 01Stap 1 — De trigger herkennen

    ‘querer que’ (willen dat) drukt een wens uit en is een vaste trigger die in de bijzin met ‘que’ de subjuntivo eist — niet de gewone presente.

  2. 02Stap 2 — Het recept toepassen

    Ga uit van de ‘yo’-vorm van de presente, ‘estudio’, haal de ‘-o’ eraf (stam ‘estudi-’) en zet de tegengestelde klinker erop. ‘estudiar’ is een ‘-ar’-werkwoord, dus de klinker is ‘e’: de ‘yo’-subjuntivo is ‘estudie’.

  3. 03Stap 3 — De zin bouwen

    Zet de gekozen vorm in de bijzin: ‘Mi madre quiere que yo estudie más’.

Resultaat: De juiste zin is ‘Mi madre quiere que yo estudie más.’ De trigger ‘querer que’ dwingt de subjuntivo af, en het recept (‘yo estudio’ → ‘estudi-’ → tegengestelde klinker ‘e’) geeft de vorm ‘estudie’.

Eindexamen-focus

  • Het schoolexamen verwacht dat je de presente de subjuntivo herkent en vormt na de gangbare triggers (‘querer que’, ‘es necesario que’, ‘ojalá’, ‘para que’, ‘cuando’ + toekomst), inclusief de onregelmatige ‘sea’, ‘vaya’ en ‘tenga’.
  • Op het CE hoef je de subjuntivo niet te produceren, maar wie een vorm als ‘sea’ of ‘tenga’ herkent, ziet meteen dat de schrijver een wens, twijfel of mogelijkheid uitdrukt in plaats van een feit.

Veelgemaakte fouten

  • Na een trigger de gewone presente (indicativo) gebruiken: ‘quiero que vienes’ in plaats van ‘quiero que vengas’ — ‘querer que’ eist de subjuntivo in de bijzin.
  • De subjuntivo uit de verkeerde vorm afleiden: ‘tener’ wordt ‘tenga’ (uit ‘yo tengo’), niet ‘tena’ — vertrek altijd van de ‘yo’-vorm van de presente, niet van de infinitief.

Actieve herhaling

Zet het werkwoord in de presente de subjuntivo na de trigger: ‘Quiero que (tú, hablar) más despacio’, ‘Es necesario que (nosotros, comer) ahora’, ‘Ojalá (él, ser) feliz’, ‘Espero que (vosotros, tener) suerte’.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Spaans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 05

Gerundio, perífrasis en imperativo#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Vier perífrasis verbales

Vier perífrasis verbalesTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Perífrasis · Vorm · Betekenis; ir a + inf. · voy a comer · nabije toekomst; acabar de + inf. · acabo de llegar · zojuist gedaan; tener que + inf. · tengo que ir · moeten (plicht); volver a + inf. · vuelvo a leer · opnieuw doenPERÍFRASISVORMBETEKENISir a + inf.voy a comernabije toekomstacabar de + inf.acabo de llegarzojuist gedaantener que + inf.tengo que irmoeten (plicht)volver a + inf.vuelvo a leeropnieuw doen
Afb. 7Vier vaste werkwoordelijke uitdrukkingen: elk koppelt een vervoegd werkwoord aan een infinitief met een eigen betekenis.

Kernpunten

Deze laatste sectie bundelt drie veelgebruikte werkwoordsvormen die je veel in gesproken en geschreven Spaans tegenkomt: het gerundio, de perífrasis (werkwoordelijke uitdrukkingen) en de imperativo (gebiedende wijs). Het gerundio is de vorm die overeenkomt met het Nederlandse „-end/-ende” of het Engelse „-ing”; je gebruikt het om aan te geven dat een handeling aan de gang is. Je vormt het regelmatig door aan de stam ‘-ando’ (bij ‘-ar’-werkwoorden) of ‘-iendo’ (bij ‘-er’- en ‘-ir’-werkwoorden) te plakken: ‘hablar’ → ‘hablando’, ‘comer’ → ‘comiendo’, ‘vivir’ → ‘viviendo’. Het gerundio verandert zelf nooit van vorm — het kent geen persoonsuitgangen — en staat daarom altijd samen met een vervoegd hulpwerkwoord, meestal ‘estar’.
De belangrijkste combinatie is ‘estar’ + gerundio, de zogeheten duurvorm (gerundio progresivo), die uitdrukt dat iets op dit moment bezig is. Je vervoegt ‘estar’ in de gewenste tijd en laat daar het onveranderlijke gerundio op volgen: ‘Estoy hablando’ (Ik ben aan het praten), ‘Estamos comiendo’ (Wij zijn aan het eten), ‘¿Qué estás haciendo?’ (Wat ben je aan het doen?). Het verschil met de gewone presente is subtiel maar reëel: ‘hablo’ kan „ik praat” in het algemeen betekenen, terwijl ‘estoy hablando’ nadrukkelijk zegt dat ik op dít moment aan het praten ben. Let op enkele spellingveranderingen in het gerundio van veelgebruikte werkwoorden: ‘leer’ wordt ‘leyendo’ (met ‘y’) en ‘dormir’ wordt ‘durmiendo’ (met klinkerwisseling), die je het beste apart onthoudt.
Naast ‘estar’ + gerundio kent het Spaans een reeks vaste werkwoordelijke uitdrukkingen, de perífrasis verbales, waarin een vervoegd werkwoord en een infinitief samen één betekenis vormen. Vier ervan moet je vlot kunnen gebruiken. ‘Ir a’ + infinitief drukt de nabije toekomst uit: ‘Voy a comer’ (Ik ga eten). ‘Acabar de’ + infinitief betekent dat je iets zojuist hebt gedaan: ‘Acabo de llegar’ (Ik ben net aangekomen). ‘Tener que’ + infinitief drukt een verplichting uit: ‘Tengo que estudiar’ (Ik moet studeren). En ‘volver a’ + infinitief betekent iets opnieuw doen: ‘Vuelvo a leer el texto’ (Ik lees de tekst opnieuw). De tweede tabel zet deze vier perífrasis met een voorbeeld en hun betekenis op een rij.
De imperativo (gebiedende wijs) gebruik je om iemand iets op te dragen, te verzoeken of te verbieden. De vorm hangt af van wie je aanspreekt en of je iets gebíédt of juist verbíedt. Voor de informele ‘tú’ is de bevestigende vorm gelijk aan de derde persoon enkelvoud van de presente: ‘¡Habla!’ (Praat!), ‘¡Come!’ (Eet!), ‘¡Vive!’. Voor de beleefde ‘usted’ gebruik je de subjuntivo-vorm: ‘hable’, ‘coma’, ‘viva’. De grote valkuil zit in de ontkenning: een verbod bij ‘tú’ gebruikt níét de bevestigende vorm met ‘no’ ervoor, maar de subjuntivo — ‘no hables’ (niet ‘no habla’), ‘no comas’, ‘no vivas’. Bij ‘usted’ blijft het in beide gevallen de subjuntivo: ‘hable’ en ‘no hable’. De derde tabel zet de bevestigende en ontkennende vormen voor ‘tú’ en ‘usted’ naast elkaar.
Deze drie vormen sluiten de werkwoordsleer logisch af en grijpen terug op alles wat ervoor kwam. Het gerundio leunt op de presente van ‘estar’ uit sectie 1; de perífrasis ‘ir a’ + infinitief is precies de nabije toekomst uit sectie 3; en de imperativo bouwt voor een groot deel op de subjuntivo uit sectie 4. Voor het schoolexamen, waar je zelf Spaans produceert, zijn vooral ‘estar’ + gerundio en de vier perífrasis dagelijkse bouwstenen waarmee je natuurlijker klinkt. Voor het centraal examen helpt het herkennen van deze vormen je leesbegrip: zie je ‘está’ + ‘-ando/-iendo’, dan weet je dat iets op dat moment gaande is, en herken je ‘acabar de’ of ‘tener que’, dan lees je meteen of iets net gebeurd is of juist nog moet gebeuren. Daarmee heb je de hele kern van het Spaanse werkwoordsysteem in handen — van de presente tot de subjuntivo en de gebiedende wijs.

Imperativo: bevestigend en ontkennend

Imperativo: bevestigend en ontkennendTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Vorm · Bevestigend · Ontkennend; tú (hablar) · ¡habla! · no hables; usted (hablar) · hable · no hable; tú (comer) · ¡come! · no comas; usted (comer) · coma · no comaVORMBEVESTIGENDONTKENNENDtú (hablar)¡habla!no hablesusted (hablar)hableno habletú (comer)¡come!no comasusted (comer)comano coma
Afb. 8De gebiedende wijs: bij ‘tú’ verschilt bevestigend (presente) van ontkennend (subjuntivo); bij ‘usted’ is het steeds de subjuntivo.
Uitgewerkt voorbeeld

De imperativo van ‘tú’: bevestigend tegenover ontkennend

Zet ‘hablar’ in de gebiedende wijs voor ‘tú’, eerst bevestigend, dan ontkennend: ‘___ más despacio’ en ‘no ___ tan rápido’. (= Praat langzamer / Praat niet zo snel.)

  1. 01Stap 1 — Bevestigend ‘tú’ vormen

    De bevestigende ‘tú’-imperativo is gelijk aan de derde persoon enkelvoud van de presente. Van ‘hablar’ is dat ‘habla’, dus: ‘¡Habla más despacio!’

  2. 02Stap 2 — Ontkennend ‘tú’ vormen

    Een verbod bij ‘tú’ gebruikt niet ‘habla’, maar de subjuntivo-vorm. De ‘tú’-subjuntivo van ‘hablar’ is ‘hables’, met ‘no’ ervoor: ‘No hables tan rápido’.

  3. 03Stap 3 — Het patroon onthouden

    Bevestigend en ontkennend lopen bij ‘tú’ uiteen: bevestigend = presente (‘habla’), ontkennend = subjuntivo (‘no hables’). Bij ‘usted’ is het in beide gevallen de subjuntivo: ‘hable’ en ‘no hable’.

Resultaat: Bevestigend ‘¡Habla más despacio!’ tegenover ontkennend ‘No hables tan rápido.’ De ontkenning bij ‘tú’ schakelt over op de subjuntivo (‘hables’), terwijl de bevestiging de presente-vorm ‘habla’ gebruikt.

Eindexamen-focus

  • Het schoolexamen verwacht dat je ‘estar’ + gerundio (‘estoy hablando’) en de vier kernperífrasis (‘ir a’, ‘acabar de’, ‘tener que’, ‘volver a’ + infinitief) correct gebruikt, en de imperativo voor ‘tú’ en ‘usted’ bevestigend én ontkennend kunt vormen.
  • Op het CE wordt dit niet apart getoetst, maar het herkennen van ‘estar’ + gerundio (iets is gaande), ‘acabar de’ (net gebeurd) en ‘tener que’ (moeten) maakt het leesbegrip van een Spaanse tekst sneller en preciezer.

Veelgemaakte fouten

  • De ontkennende imperativo van ‘tú’ met de gewone vorm maken: ‘no habla’ in plaats van ‘no hables’ — een verbod bij ‘tú’ gebruikt de subjuntivo, niet de bevestigende vorm.
  • Het gerundio persoonsuitgangen geven of fout vormen: ‘estoy hablo’ of ‘estoy hablar’ in plaats van ‘estoy hablando’ — het gerundio (-ando/-iendo) is onveranderlijk en volgt op een vervoegd ‘estar’.

Actieve herhaling

Vorm de gevraagde vorm: ‘estar’ + gerundio van ‘comer’ bij ‘yo’, de perífrasis ‘tener que’ + ‘estudiar’ bij ‘nosotros’, en de imperativo van ‘hablar’ bij ‘tú’ (bevestigend én ontkennend).

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Spaans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 05

    • 01De presente (tegenwoordige tijd)○
    • 02Pretérito indefinido en imperfecto◐
    • 03Futuro en condicional◐
    • 04Presente de subjuntivo●
    • 05Gerundio, perífrasis en imperativo◐

0/5 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Werkwoorden en werkwoordstijden

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~28
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Spaans (HAVO)

Vorig onderwerp

Grammatica (gramática)

Volgend onderwerp

Schrijfvaardigheid

EuraStudy·Samenvattingen T·05·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.