EuraStudy
Samenvattingen/Spaans/Grammatica (gramática)
Samenvattingen · SpaansNL · HAVO

Grammatica (gramática)

Een vaste greep op de Spaanse grammatica (gramática) maakt je Spaans correct, helder en natuurlijk, én ze helpt je om examenteksten sneller en preciezer te lezen. Belangrijk om eerlijk te zijn over de plaats in het examen: de grammatica wordt niet als apart onderdeel op het centraal examen getoetst, want het CE Spaans toetst uitsluitend leesvaardigheid. Je oefent haar vooral voor het schoolexamen, bij schrijf- en spreekvaardigheid, terwijl een zeker gevoel voor vormen en zinsbouw je leesbegrip op het CE ondersteunt.

6 Onderdelen·~30 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 4 · Verdieping 1

T·0444 / 12
Examenprofiel
Lidwoorden en het geslacht van zelfstandige naamwoorden bepalen, en zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden correct vormen (meervoud en de concordancia).Het verschil tussen ser en estar en tussen de voorzetsels por en para correct toepassen.De persoonlijke voornaamwoorden (onderwerp, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp) gebruiken en vóór het vervoegde werkwoord plaatsen.De ontkenning (ook de dubbele ontkenning) en de vraagzinnen met openings- en sluitteken correct bouwen.
Operatoren:vormvervoegverbeterleg uitbepaalvergelijk

basisniveau

Voor het schoolexamen: beheers de lidwoorden, de concordancia, ser/estar, por/para, de voornaamwoorden en de ontkenning en vraagzinnen zo dat je correct en begrijpelijk Spaans schrijft en spreekt.

verhoogd niveau

Wie doorstroomt naar het hoger onderwijs leest en schrijft veel Spaans; een vaste greep op de vormen, ser/estar, por/para en de zinsbouw blijft daar onmisbaar en ondersteunt tegelijk je leesbegrip op het centraal examen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 6 onderdelen▾
  1. Grammatica (gramática)
    • 01Lidwoorden en geslacht (los artículos y el género)○
    • 02Zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden (sustantivos y adjetivos)◐
    • 03Ser en estar◐
    • 04Voorzetsels: por en para◐
    • 05Voornaamwoorden (los pronombres)◐
    • 06Ontkenning en vraagzinnen (la negación y las preguntas)●
§ 01

Lidwoorden en geslacht (los artículos y el género)#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Lidwoorden (los artículos)

Lidwoorden (los artículos)Tabel met 4 kolommen en 2 rijen, Gegevens: Soort · Mannelijk · Vrouwelijk · Meervoud; Bepaald · el · la · los / las; Onbepaald · un · una · unos / unasSOORTMANNELIJKVROUWELIJKMEERVOUDBepaaldellalos / lasOnbepaaldununaunos / unas
Afb. 1Elke Spaanse zelfstandige-naamwoordgroep begint met een lidwoord; kies bepaald of onbepaald naar de betekenis en laat het congrueren in geslacht en getal.

Kernpunten

Een Spaans zelfstandig naamwoord staat zelden alleen: er gaat bijna altijd een lidwoord aan vooraf dat het geslacht (mannelijk of vrouwelijk) en het getal (enkelvoud of meervoud) meedraagt. Het Spaans kent er twee soorten: het bepaald lidwoord (‘el', ‘la', ‘los', ‘las') voor iets bekends, en het onbepaald lidwoord (‘un', ‘una', ‘unos', ‘unas') voor iets nieuws of telbaars. Anders dan het Nederlandse ‘de'/‘het' verandert het Spaanse lidwoord dus met het geslacht én het getal van het woord, en — opvallend voor Nederlandstaligen — er bestaat zelfs een onbepaald meervoud (‘unos', ‘unas'), dat het Nederlands niet kent. De tabel onderaan deze sectie zet de twee reeksen overzichtelijk naast elkaar, telkens voor mannelijk, vrouwelijk en meervoud.
Het bepaald lidwoord gebruik je voor iets wat bekend of bepaald is, en ook voor algemene uitspraken. De vormen zijn ‘el' (mannelijk enkelvoud), ‘la' (vrouwelijk enkelvoud), ‘los' (mannelijk meervoud) en ‘las' (vrouwelijk meervoud): ‘el libro' (het boek), ‘la mesa' (de tafel), ‘los libros', ‘las mesas'. Bij een algemene uitspraak zet het Spaans bovendien vaak een bepaald lidwoord waar het Nederlands niets gebruikt: ‘Me gusta el café' betekent „Ik hou van koffie” in het algemeen, en ‘Los gatos son independientes' betekent „Katten zijn onafhankelijk”. Het lidwoord congrueert altijd met het geslacht van het zelfstandig naamwoord, dus de keuze tussen ‘el' en ‘la' staat of valt met dat geslacht — het onderwerp van een latere alinea.
Het onbepaald lidwoord introduceert juist iets nieuws of telbaars. De vormen zijn ‘un' (mannelijk), ‘una' (vrouwelijk), ‘unos' (mannelijk meervoud) en ‘unas' (vrouwelijk meervoud): ‘un coche' (een auto), ‘una casa' (een huis). De meervoudsvormen ‘unos' en ‘unas' betekenen „enkele”, „een paar” of „wat”: ‘unos amigos' is „een paar vrienden” en ‘unas flores' „wat bloemen”. Juist hier ligt een verschil met het Nederlands, dat in het meervoud meestal geen lidwoord zet („Ik heb vrienden”), terwijl het Spaans met ‘unos'/‘unas' een onbepaalde hoeveelheid kan aanduiden: ‘Tengo unos amigos en Madrid'. Het geslacht van ‘un'/‘una' volgt opnieuw het zelfstandig naamwoord.
Omdat elk zelfstandig naamwoord een vast geslacht heeft, moet je weten welk lidwoord erbij hoort, en de uitgang geeft daarvoor meestal een betrouwbare hint: woorden op ‘-o' zijn doorgaans mannelijk (‘el libro', ‘el coche') en woorden op ‘-a' doorgaans vrouwelijk (‘la casa', ‘la mesa'). Daarnaast zijn woorden op ‘-ción', ‘-dad' en ‘-tad' vrijwel altijd vrouwelijk (‘la nación', ‘la ciudad', ‘la libertad'). Maar er zijn belangrijke uitzonderingen die je uit het hoofd moet leren: ‘el día' (de dag), ‘el problema', ‘el mapa' en ‘el tema' zijn mannelijk ondanks de ‘-a', terwijl ‘la mano' (de hand), ‘la foto' en ‘la moto' vrouwelijk zijn ondanks de ‘-o' (‘foto' en ‘moto' zijn afkortingen van ‘la fotografía' en ‘la motocicleta'). Leer een nieuw woord daarom altijd mét zijn lidwoord — niet ‘mano' maar ‘la mano' —, want het geslacht stuurt later ook het bijvoeglijk naamwoord en de voornaamwoorden aan.
Eén mechanisme verandert de vorm van het lidwoord: de samentrekking. De voorzetsels ‘a' (naar, aan) en ‘de' (van, uit) smelten verplicht samen met het mannelijke ‘el'. Zo wordt ‘a + el' → ‘al' en ‘de + el' → ‘del': ‘Voy al cine' („Ik ga naar de bioscoop”, a + el cine) en ‘la casa del profesor' („het huis van de leraar”, de + el profesor). Deze samentrekking gebeurt alléén met ‘el'; met ‘la', ‘los' en ‘las' verandert er niets (‘Voy a la escuela', ‘la casa de los vecinos'). Let op de valkuil voor Nederlandstaligen: schrijf nooit ‘a el' of ‘de el' los — dat is altijd fout —, met als enige uitzondering het persoonlijk voornaamwoord ‘él' (hij) mét accent, dat nooit samentrekt (‘Hablo de él', niet ‘del').
Uitgewerkt voorbeeld

Het juiste lidwoord kiezen met geslacht en samentrekking

Vul de juiste vormen in en pas waar nodig de samentrekking en het geslacht toe: ‘Vamos ___ (a + el) cine, pero primero veo ___ foto y ___ mapa.' (= We gaan naar de bioscoop, maar eerst bekijk ik de foto en de kaart.)

  1. 01Stap 1 — Het eerste gat: a + el

    De combinatie ‘a + el' trekt in het Spaans verplicht samen tot ‘al'. ‘Vamos a el cine' is dus fout; het wordt ‘Vamos al cine'.

  2. 02Stap 2 — Het geslacht van ‘foto' bepalen

    ‘foto' eindigt op ‘-o' maar is vrouwelijk: het is een afkorting van ‘la fotografía'. Het lidwoord is dus ‘la': ‘la foto'.

  3. 03Stap 3 — Het geslacht van ‘mapa' bepalen

    ‘mapa' eindigt op ‘-a' maar is mannelijk (een van de vaste uitzonderingen, net als ‘el día' en ‘el problema'). Het lidwoord is dus ‘el': ‘el mapa'.

Resultaat: De juiste zin is ‘Vamos al cine, pero primero veo la foto y el mapa.' ‘al' is de verplichte samentrekking van ‘a + el'; ‘foto' en ‘mapa' zijn de bekende geslachtsuitzonderingen — ‘la foto' (vrouwelijk ondanks -o) en ‘el mapa' (mannelijk ondanks -a).

Eindexamen-focus

  • Het schoolexamen (schrijven en spreken) verwacht dat je het juiste lidwoord kiest in geslacht en getal (el/la/los/las, un/una/unos/unas) en de samentrekkingen ‘al' en ‘del' correct vormt.
  • Het geslacht van zelfstandige naamwoorden — met de uitzonderingen ‘el día', ‘el problema', ‘el mapa', ‘la mano', ‘la foto' — stuurt later ook het bijvoeglijk naamwoord en het voornaamwoord, en helpt je bij het lezen om een woordgroep snel te ontleden.

Veelgemaakte fouten

  • De samentrekking vergeten: ‘a el cine' of ‘de el profesor' in plaats van ‘al cine' en ‘del profesor' — ‘a + el' en ‘de + el' trekken verplicht samen (maar het voornaamwoord ‘él' met accent niet).
  • Het geslacht alleen op de uitgang gokken zonder de uitzonderingen te kennen: ‘la problema' of ‘el mano' in plaats van ‘el problema' en ‘la mano'.

Actieve herhaling

Vul het juiste lidwoord in en pas waar nodig de samentrekking toe: ‘Por la mañana bebo ___ café', ‘Vamos ___ (a + el) parque', ‘Me duele ___ mano', ‘___ problema es difícil.'

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Spaans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden (sustantivos y adjetivos)#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Het bijvoeglijk naamwoord: de concordancia

Bijvoeglijk naamwoord: concordanciaTabel met 4 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Vorm · Mannelijk · Vrouwelijk · Regel; enkelvoud · blanco · blanca · -o → -a (v.); meervoud · blancos · blancas · + -s (mv.); onregelmatig · mejor · mejor · ‘beter' (= bueno)VORMMANNELIJKVROUWELIJKREGELenkelvoudblancoblanca-o → -a (v.)meervoudblancosblancas+ -s (mv.)onregelmatigmejormejor‘beter' (= bueno)
Afb. 2Het bijvoeglijk naamwoord buigt mee met het zelfstandig naamwoord: -o → -a voor vrouwelijk, + -s voor meervoud.

Kernpunten

Elk Spaans zelfstandig naamwoord heeft een geslacht, en het meervoud vorm je heel regelmatig in twee gevallen. Eindigt een woord op een klinker, dan voeg je ‘-s' toe: ‘casa' → ‘casas', ‘coche' → ‘coches'. Eindigt het op een medeklinker, dan voeg je ‘-es' toe: ‘ciudad' → ‘ciudades', ‘profesor' → ‘profesores'. Eén spellingregel is daarbij de tricky case: woorden op ‘-z' veranderen die ‘z' in ‘c' vóór de uitgang, omdat het Spaans ‘-ces' schrijft en niet ‘-zes': ‘lápiz' → ‘lápices', ‘vez' → ‘veces'. Dit geslacht en getal van het zelfstandig naamwoord bepalen vervolgens de vorm van het bijvoeglijk naamwoord.
Het bijvoeglijk naamwoord congrueert in het Spaans — dat heet de concordancia — in geslacht én getal met het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort. De basisregel is eenvoudig: een bijvoeglijk naamwoord op ‘-o' krijgt ‘-a' voor het vrouwelijke, en je voegt ‘-s' toe voor het meervoud. Zo krijg je vier vormen van ‘blanco': ‘blanco' (m. ev.), ‘blanca' (v. ev.), ‘blancos' (m. mv.) en ‘blancas' (v. mv.) — precies de rijen van de tabel onderaan. Je zegt dus ‘la casa blanca', ‘los coches rojos' en ‘las flores blancas'. Eindigt een bijvoeglijk naamwoord op ‘-e' of op een medeklinker, dan verandert het níét voor het geslacht (‘un coche grande', ‘una casa grande'); het krijgt alleen een meervoudsuitgang (‘grandes', ‘fáciles').
De plaats van het bijvoeglijk naamwoord verschilt wezenlijk van het Nederlands. De meeste Spaanse bijvoeglijke naamwoorden staan ná het zelfstandig naamwoord, vooral die voor kleur, vorm, nationaliteit en categorie: ‘una camisa roja', ‘la comida española', ‘un libro interesante'. Waar het Nederlands „een rode trui” zegt, zegt het Spaans dus ‘un jersey rojo' — het kleuradjectief erachter. Wie deze hoofdregel aanhoudt, plaatst de meeste bijvoeglijke naamwoorden vanzelf correct, en hoeft alleen de kleine groep uitzonderingen apart te onthouden.
Een kleine maar veelgebruikte groep korte bijvoeglijke naamwoorden kan vóór het zelfstandig naamwoord staan, en verliest dan vaak een deel van zijn vorm — dat heet de apócope. ‘bueno' (goed) wordt vóór een mannelijk enkelvoud ‘buen' (‘un buen amigo'), ‘malo' (slecht) wordt ‘mal' (‘un mal día'), en ‘grande' (groot) wordt vóór elk enkelvoud ‘gran' (‘una gran ciudad', ‘un gran hombre'). Let bij ‘grande' op een betekenisnuance: áchter het woord betekent ‘grande' meestal „groot van omvang” (‘una ciudad grande'), maar als ‘gran' ervóór betekent het vaak „groots, belangrijk” (‘una gran ciudad' = een grootse stad). Deze hoogfrequente woorden komen zo vaak voor dat het loont ze grondig in te oefenen.
Voor het vergelijken gebruikt het Spaans vaste constructies. De vergelijkende trap zet je met ‘más … que' (meer dan), ‘menos … que' (minder dan) en ‘tan … como' (even … als) rond het bijvoeglijk naamwoord: ‘Pablo es más alto que María', ‘Es menos caro que el otro', ‘Ella es tan inteligente como él'. De overtreffende trap vorm je met het bepaald lidwoord + ‘más' of ‘menos', vaak gevolgd door ‘de': ‘Es la más alta de la clase'. Let op twee onregelmatige vormen die je gewoon moet kennen: ‘bueno' wordt in de vergelijkende trap ‘mejor' (beter), niet ‘más bueno', en ‘malo' wordt ‘peor' (slechter). De tabel hieronder herinnert je aan het concordancia-patroon dat onder al deze vormen ligt.
Uitgewerkt voorbeeld

Het bijvoeglijk naamwoord vormen en plaatsen

Zet het bijvoeglijk naamwoord in de juiste vorm en op de juiste plaats: ‘unas casas (blanco)' en ‘un (bueno) libro'.

  1. 01Stap 1 — ‘blanco' laten congrueren

    ‘casas' is vrouwelijk meervoud. ‘blanco' krijgt dus ‘-a' voor het vrouwelijke en ‘-s' voor het meervoud: ‘blancas'.

  2. 02Stap 2 — ‘blanco' plaatsen

    Kleuradjectieven staan ná het zelfstandig naamwoord. ‘blancas' komt dus achter ‘casas': ‘unas casas blancas'.

  3. 03Stap 3 — ‘bueno' vormen en plaatsen

    ‘bueno' hoort tot de korte groep die vóór het zelfstandig naamwoord mag staan, en verliest dan vóór een mannelijk enkelvoud de ‘-o' (de apócope): ‘bueno' → ‘buen'. Het komt dus vóór ‘libro': ‘un buen libro'.

Resultaat: De juiste vormen zijn ‘unas casas blancas' en ‘un buen libro'. ‘blanco' congrueert in geslacht én getal (vrouwelijk meervoud ‘blancas') en staat als kleur áchter het zn.; ‘bueno' staat vóór het mannelijk enkelvoud en wordt dan door apócope ‘buen'.

Eindexamen-focus

  • Het schoolexamen verwacht dat je het bijvoeglijk naamwoord laat congrueren in geslacht én getal (de concordancia) en het op de juiste plaats zet — meestal ná het zelfstandig naamwoord, met de korte groep bueno/malo/grande ervoor.
  • Je moet de meervoudsvormen beheersen (+ -s na klinker, + -es na medeklinker: ‘ciudad' → ‘ciudades') en de vergelijkende trap met ‘más/menos … que', inclusief de onregelmatige ‘mejor' en ‘peor'.

Veelgemaakte fouten

  • De concordancia vergeten: ‘una casa blanco' in plaats van ‘una casa blanca' — het bijvoeglijk naamwoord moet meebuigen in geslacht (vrouwelijk -a) en getal (meervoud -s).
  • Het bijvoeglijk naamwoord vóór het zelfstandig naamwoord plaatsen naar Nederlands model: ‘una roja camisa' in plaats van ‘una camisa roja' — de meeste bijvoeglijke naamwoorden staan in het Spaans erachter.

Actieve herhaling

Zet het bijvoeglijk naamwoord in de juiste vorm en op de juiste plaats, en maak waar gevraagd de vergelijkende trap: ‘unas flores (blanco)', ‘un (bueno) día', ‘Ana es (alto, + vergelijkend) que Pablo.'

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Spaans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Ser en estar#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Ser en estar: gebruik en voorbeeld

Ser en estarTabel met 3 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Werkwoord · Gebruik · Voorbeeld; ser · identiteit/beroep · Soy profesor; ser · herkomst · Es de México; ser · tijd/uur · Son las dos; estar · plaats · Está en casa; estar · toestand/gevoel · Estoy cansado; estar · + gerundio · Estoy comiendoWERKWOORDGEBRUIKVOORBEELDseridentiteit/beroepSoy profesorserherkomstEs de Méxicosertijd/uurSon las dosestarplaatsEstá en casaestartoestand/gevoelEstoy cansadoestar+ gerundioEstoy comiendo
Afb. 3ser voor identiteit, eigenschap, herkomst, beroep en tijd; estar voor plaats, toestand, gevoel en ‘estar + gerundio'.

Kernpunten

Waar het Nederlands één werkwoord „zijn” heeft, splitst het Spaans dat in twéé werkwoorden: ‘ser' en ‘estar'. De juiste van de twee kiezen is een van de meest zichtbare uitdagingen van het Spaans, omdat een verkeerde keuze meteen opvalt en soms de betekenis verandert. Beide zijn onregelmatig en moet je uit het hoofd kennen: in de tegenwoordige tijd is ‘ser' → ‘soy, eres, es, somos, sois, son', en ‘estar' → ‘estoy, estás, está, estamos, estáis, están'. De kern van het verschil is een vuistregel: ‘ser' gaat over wat iets ís (identiteit en blijvende eigenschap), ‘estar' over hoe of waar iets zich op een moment bevindt (toestand en plaats). De tabel onderaan zet de gebruiken met voorbeelden naast elkaar.
Je gebruikt ‘ser' voor identiteit, blijvende eigenschap, herkomst, beroep en tijd. Voor identiteit en eigenschap: ‘Soy María', ‘Es alto', ‘La nieve es blanca'. Voor herkomst: ‘Somos de México' („We komen uit Mexico”). Voor beroep: ‘Mi padre es profesor'. En voor het uur en de tijd: ‘Son las dos' („Het is twee uur”), ‘Hoy es lunes'. Telkens gaat het om iets wat min of meer vaststaat: wie of wat iemand is, waar hij vandaan komt, wat hij doet — de „permanente” kant van zijn.
Je gebruikt ‘estar' voor plaats, (tijdelijke) toestand, gevoel en de vorm ‘estar + gerundio'. Voor plaats: ‘Estoy en casa', ‘El libro está en la mesa'. Voor toestand of gevoel: ‘Estás cansado' („Je bent moe”), ‘Estoy contento'. En voor een handeling die juist bezig is, met het gerundio: ‘Está lloviendo' („Het is aan het regenen”), ‘Estoy comiendo'. Let goed op de plaats-regel, want daar zit de klassieke valkuil: de ligging van iets gaat áltijd met ‘estar', ook als die ligging volkomen vast is. Je zegt dus ‘Madrid está en España' — niet ‘es' —, hoewel Madrid natuurlijk niet verhuist.
Bij sommige bijvoeglijke naamwoorden verandert de betekenis volledig naargelang je ‘ser' of ‘estar' kiest, en dat maakt het onderscheid ook voor het lezen belangrijk. ‘Es aburrido' betekent „Hij is saai” (een blijvende eigenschap), maar ‘Está aburrido' betekent „Hij verveelt zich” (een toestand van dat moment). ‘Ser listo' is „slim zijn”, ‘estar listo' is „klaar/gereed zijn”. En ‘La manzana es verde' betekent „De appel is groen” (zijn kleur), terwijl ‘La manzana está verde' betekent „De appel is onrijp” (een toestand). Wie het verschil ser/estar negeert, leest zulke zinnen dus letterlijk verkeerd.
De praktische beslisvraag is daarom steeds dezelfde: gaat het om een blijvende identiteit of eigenschap, of om een plaats, een tijdelijke toestand of een handeling die bezig is? Bij identiteit, eigenschap, herkomst, beroep en tijd kies je ‘ser'; bij plaats, toestand, gevoel en ‘+ gerundio' kies je ‘estar'. Een handig ezelsbruggetje voor ‘estar' is dat het de plaats en de momentane toestand dekt — alles wat „nu en hier” is en kan veranderen. Het uitgewerkte voorbeeld hieronder loopt zo'n beslissing stap voor stap door.
Uitgewerkt voorbeeld

Ser of estar? Een keuze stap voor stap

Vul ‘ser' of ‘estar' in de juiste vorm in en beredeneer elke keuze: ‘Madrid ___ en España, pero hoy yo ___ muy cansado.' (= Madrid ligt in Spanje, maar vandaag ben ik erg moe.)

  1. 01Stap 1 — Het eerste gat: plaats

    ‘Madrid ___ en España' gaat over de ligging van een plaats. Plaats en ligging gaan altijd met ‘estar' — ook bij een stad, hoewel die niet verhuist. De vorm bij ‘Madrid' (3e persoon enkelvoud) is ‘está': ‘Madrid está en España'.

  2. 02Stap 2 — Het tweede gat: toestand

    ‘cansado' (moe) is een tijdelijke toestand, een gevoel van dat moment. Toestand en gevoel gaan met ‘estar'. Bij ‘yo' is dat ‘estoy': ‘yo estoy muy cansado'.

  3. 03Stap 3 — De zin samenstellen

    Vul beide vormen in: ‘Madrid está en España, pero hoy estoy muy cansado' (het tweede ‘yo' mag wegvallen omdat de uitgang ‘-oy' al „ik” aangeeft).

Resultaat: De juiste zin is ‘Madrid está en España, pero hoy estoy muy cansado.' Plaats (waar iets ligt) gaat altijd met estar — ook bij een stad — en een tijdelijke toestand als „moe zijn” eveneens; vandaar tweemaal estar (‘está', ‘estoy').

Eindexamen-focus

  • Het schoolexamen verwacht dat je ser en estar correct kiest: ser voor identiteit, eigenschap, herkomst, beroep en tijd; estar voor plaats, (tijdelijke) toestand, gevoel en ‘estar + gerundio'.
  • Je moet de betekenisverschillen herkennen (‘es aburrido' = saai van aard tegenover ‘está aburrido' = verveelt zich); ook bij het lezen verandert de keuze tussen ser en estar de betekenis van een zin.

Veelgemaakte fouten

  • Voor plaats ser gebruiken: ‘Madrid es en España' in plaats van ‘Madrid está en España' — de ligging of plaats van iets gaat altijd met estar.
  • Een tijdelijke toestand of gevoel met ser uitdrukken: ‘soy cansado' in plaats van ‘estoy cansado' — een toestand van het moment vraagt estar.

Actieve herhaling

Vul ser of estar in de juiste vorm in: ‘Yo ___ de los Países Bajos', ‘El libro ___ en la mesa', ‘Hoy mi hermana ___ enferma', ‘___ las tres de la tarde.'

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Spaans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Voorzetsels: por en para#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Por en para: gebruik en voorbeeld

Por en paraTabel met 3 kolommen en 8 rijen, Gegevens: Voorzetsel · Gebruik · Voorbeeld; por · reden/oorzaak · Gracias por todo; por · ruil/prijs · Dos por uno; por · beweging door · Paseo por el parque; por · duur · por la mañana; para · doel/bestemming · Salgo para Madrid; para · ontvanger · Es para ti; para · deadline · para el lunes; para · mening · Para mí, síVOORZETSELGEBRUIKVOORBEELDporreden/oorzaakGracias por todoporruil/prijsDos por unoporbeweging doorPaseo por el parqueporduurpor la mañanaparadoel/bestemmingSalgo para MadridparaontvangerEs para tiparadeadlinepara el lunesparameningPara mí, sí
Afb. 4por wijst naar de oorzaak, prijs, duur of route; para wijst vooruit naar het doel, de ontvanger of de mening.

Kernpunten

Het Spaans heeft twee voorzetsels — ‘por' en ‘para' — die het Nederlands vaak allebei met „voor”, „door” of „om” vertaalt, en juist daarom haalt men ze gemakkelijk door elkaar. Toch is er een helder onderscheid dat je als kompas kunt gebruiken: ‘para' wijst vóóruit, naar een doel, een bestemming of een ontvanger; ‘por' wijst naar de oorzaak, de prijs, de duur of de route áchter of dóór iets heen. Kort gezegd: ‘para' = waarvoor of voor wie iets bestemd is, ‘por' = waardoor, waarlangs of waarvoor (in ruil) iets gebeurt. De tabel onderaan zet de belangrijkste gebruiken met een voorbeeld naast elkaar.
Je gebruikt ‘por' voor de oorzaak of reden, voor ruil of prijs, voor de duur en voor een beweging dóór een ruimte. Voor reden: ‘Gracias por tu ayuda' („Bedankt voor je hulp”) — let op de vaste verbinding ‘gracias por'. Voor ruil of prijs: ‘Dos por uno' („Twee voor de prijs van één”), ‘Pagué diez euros por el libro'. Voor duur: ‘por la mañana' („'s ochtends”), ‘Estudié por dos horas'. En voor beweging door iets heen: ‘Paseo por el parque' („Ik wandel door het park”), ‘por teléfono' („via de telefoon”). Telkens kijkt ‘por' als het ware terug naar de aanleiding, het middel of de weg.
Je gebruikt ‘para' voor het doel of de bedoeling, de bestemming, de ontvanger, een deadline en een mening. Voor doel: ‘Estudio para aprobar el examen' („Ik studeer om voor het examen te slagen”). Voor bestemming: ‘Salgo para Madrid' („Ik vertrek naar Madrid”). Voor de ontvanger: ‘Este regalo es para ti' („Dit cadeau is voor jou”). Voor een deadline: ‘El trabajo es para el lunes' („Het werk moet af zijn tegen maandag”). En voor een mening: ‘Para mí, sí' („Wat mij betreft, ja”). Telkens kijkt ‘para' vooruit naar waar iets heen gaat of voor wie het bedoeld is.
Het scherpst zie je het verschil in minimale paren, waarin alleen het voorzetsel de betekenis omklapt. ‘Trabajo por dinero' betekent „Ik werk om het geld” (de reden), terwijl ‘Trabajo para mi familia' betekent „Ik werk ten behoeve van mijn gezin” (het doel, de begunstigde). En vergelijk ‘por mí' („om mij, vanwege mij”) met ‘para mí' („voor mij, volgens mij”): ‘Lo hago por ti' is „Ik doe het vanwege jou”, maar ‘Es para ti' is „Het is voor jou bestemd”. Wie deze paren kent, voelt het verschil tussen oorzaak en doel meteen aan.
De praktische aanpak is dus: vraag jezelf af of het zinsdeel een oorzaak, een prijs, een duur of een route aangeeft — dan kies je ‘por' — of juist een doel, een bestemming, een ontvanger of een mening — dan kies je ‘para'. Onthoud daarbij een paar vaste verbindingen die je zo uit het hoofd kunt halen: ‘gracias por', ‘por favor' („alsjeblieft”), ‘por eso' („daarom”) gaan met ‘por', en ‘para siempre' („voor altijd”), ‘para mí' gaan met ‘para'. Het uitgewerkte voorbeeld hieronder loopt zo'n keuze stap voor stap door.
Uitgewerkt voorbeeld

Por of para? Een keuze stap voor stap

Kies ‘por' of ‘para' en beredeneer elke keuze: ‘Este regalo es ___ ti, y te doy las gracias ___ tu ayuda.' (= Dit cadeau is voor jou, en ik bedank je voor je hulp.)

  1. 01Stap 1 — Het eerste gat: ontvanger

    Een cadeau is bestemd vóór iemand: ‘ti' is de ontvanger of begunstigde. De ontvanger en de bestemming gaan met ‘para': ‘Este regalo es para ti'.

  2. 02Stap 2 — Het tweede gat: reden

    ‘las gracias ___ tu ayuda' geeft de reden aan waarvóór je dankt. Reden gaat met ‘por', en bovendien is ‘gracias por' een vaste verbinding: ‘por tu ayuda'.

  3. 03Stap 3 — De zin samenstellen

    Vul beide voorzetsels in: ‘Este regalo es para ti, y te doy las gracias por tu ayuda'.

Resultaat: De juiste zin is ‘Este regalo es para ti, y te doy las gracias por tu ayuda.' De ontvanger of bestemming vraagt ‘para' (‘para ti'); de reden waarvoor je dankt vraagt ‘por', zoals in de vaste verbinding ‘gracias por' (‘por tu ayuda').

Eindexamen-focus

  • Het schoolexamen verwacht dat je por en para uit elkaar houdt: por voor oorzaak/reden, ruil/prijs, duur en beweging-door; para voor doel, bestemming, ontvanger, deadline en mening.
  • Je moet de vaste verbinding ‘gracias por' kennen en het verschil tussen ‘por mí' (om mij, vanwege mij) en ‘para mí' (voor mij, volgens mij).

Veelgemaakte fouten

  • por en para door elkaar halen omdat beide vaak met „voor” worden vertaald: ‘Estudio por el examen' (vanwege) in plaats van ‘Estudio para el examen' (met als doel).
  • Bij dank ‘para' gebruiken: ‘gracias para tu ayuda' in plaats van ‘gracias por tu ayuda' — dank gaat met de vaste verbinding ‘gracias por'.

Actieve herhaling

Kies por of para: ‘Estudio mucho ___ aprobar el examen', ‘Te doy las gracias ___ el regalo', ‘Paseamos ___ el centro', ‘Este café es ___ ti.'

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Spaans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 05

Voornaamwoorden (los pronombres)#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Persoonlijke voornaamwoorden: onderwerp, CD en CI

Persoonlijke voornaamwoordenTabel met 4 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Persoon · Onderwerp · CD (lijd.) · CI (meew.); 1 ev · yo · me · me; 2 ev · tú · te · te; 3 ev · él/ella · lo/la · le; 1 mv · nosotros · nos · nos; 2 mv · vosotros · os · os; 3 mv · ellos/ellas · los/las · lesPERSOONONDERWERPCD (LIJD.)CI (MEEW.)1 evyomeme2 evtútete3 evél/ellalo/lale1 mvnosotrosnosnos2 mvvosotrososos3 mvellos/ellaslos/lasles
Afb. 5Per persoon de drie reeksen: het onderwerp, het lijdend voorwerp (CD) en het meewerkend voorwerp (CI).

Kernpunten

Een voornaamwoord vervangt een zelfstandig naamwoord, zodat je het niet hoeft te herhalen. De bekendste reeks is die van de persoonlijke onderwerpsvoornaamwoorden: ‘yo' (ik), ‘tú' (jij), ‘él'/‘ella'/‘usted' (hij/zij/u), ‘nosotros' (wij), ‘vosotros' (jullie) en ‘ellos'/‘ellas'/‘ustedes' (zij, mannelijk/vrouwelijk, en u meervoud). Let op de beleefdheidsvorm: ‘usted' en ‘ustedes' betekenen „u”, maar worden vervoegd als de derde persoon (‘usted habla'). Kenmerkend voor het Spaans is dat het onderwerpsvoornaamwoord vaak wegvalt, omdat de werkwoordsuitgang de persoon al aangeeft: ‘hablo' betekent zonder meer „ik praat”. Je gebruikt ‘yo', ‘tú' enzovoort dan vooral voor nadruk of contrast. De eerste kolom van de tabel onderaan zet deze onderwerpsvormen op een rij.
Naast het onderwerp kent een zin vaak een lijdend voorwerp: de persoon of zaak die de handeling rechtstreeks ondergaat, zonder voorzetsel ertussen. Het Spaans noemt dat het complemento directo (CD). De vormen zijn ‘me' (mij), ‘te' (jou), ‘lo'/‘la' (hem/haar/het), ‘nos' (ons), ‘os' (jullie) en ‘los'/‘las' (hen). Je gebruikt ze om een eerder genoemd zelfstandig naamwoord te vervangen: ‘Veo la película' wordt ‘La veo', en ‘Compro el pan' wordt ‘Lo compro'. De derde persoon ‘lo', ‘la', ‘los', ‘las' congrueert daarbij in geslacht en getal met wat hij vervangt. De middelste kolom van de tabel toont deze CD-vormen naast hun onderwerp.
Sommige werkwoorden verbinden hun voorwerp met het idee „aan” of „voor” iemand: dat is het meewerkend voorwerp, of complemento indirecto (CI). De vormen zijn ‘me', ‘te', ‘le' (hem/haar/u), ‘nos', ‘os' en ‘les' (hun). Let op de derde persoon, want daar verschilt de CI van de CD: waar de CD ‘lo'/‘la' gebruikt, gebruikt de CI ‘le', en in het meervoud ‘les'. Zo wordt ‘Doy el libro a María' tot ‘Le doy el libro' („Ik geef haar het boek”). Komen een CI en een CD van de derde persoon samen, dan verandert ‘le' bovendien in ‘se' (‘Se lo doy' = „Ik geef het hem”) — een vaste regel die je later vaak terugziet.
De grootste valkuil voor Nederlandstaligen is de plaats van het voornaamwoord. In het Spaans staat het lijdend en meewerkend voorwerp vóór het vervoegde werkwoord, niet erachter zoals in het Nederlands of Engels. Je zegt dus ‘Lo veo' („Ik zie hem”) en ‘Te llamo' („Ik bel je”), nooit ‘Veo lo'. In een ontkenning komt ‘no' nog vóór het voornaamwoord: ‘No lo veo'. Staat er een infinitief of een gerundio in de zin, dan mag het voornaamwoord juist áchteraan worden vastgeplakt: ‘Voy a verlo' („Ik ga hem zien”, naast ‘Lo voy a ver') en ‘Estoy mirándolo' („Ik ben hem aan het bekijken”, met een accent om de klemtoon te bewaren). Het object schuift in het Spaans dus naar het werkwoord toe.
Eén veelgebruikte constructie draait de rollen om en is daarom een berucht struikelblok: het werkwoord ‘gustar' (bevallen). ‘Me gusta el cine' betekent „Ik hou van de bioscoop”, maar letterlijk staat er „de bioscoop bevalt mij”: de persoon (‘me', ‘te', ‘le' …) is het meewerkend voorwerp, en de zaak die bevalt is het ónderwerp. Daarom congrueert het werkwoord met die zaak, niet met de persoon: ‘Me gusta el cine' (enkelvoud) tegenover ‘Me gustan los libros' (meervoud, want ‘los libros' is het onderwerp). Een Nederlandstalige wil van „ik” het onderwerp maken („yo gusto …”), maar dat is fout. De tweede tabel-logica is hier eenvoudig: kijk naar wat bevalt, en laat het werkwoord daarmee meebuigen.
Uitgewerkt voorbeeld

Het juiste voornaamwoord kiezen en plaatsen

Vervang het onderstreepte zinsdeel door één voornaamwoord (CD of CI) en plaats het correct: a) ‘Veo la película.' b) ‘Doy el libro a María.'

  1. 01Stap 1 — Zin a: bepaal de functie

    ‘ver' neemt zijn voorwerp zonder voorzetsel, dus ‘la película' is een lijdend voorwerp → CD. ‘película' is vrouwelijk enkelvoud, dus de vorm is ‘la'.

  2. 02Stap 2 — De CD vóór het werkwoord plaatsen

    Het voornaamwoord staat in het Spaans vóór het vervoegde werkwoord: ‘La veo' (niet ‘Veo la').

  3. 03Stap 3 — Zin b: functie en plaatsing

    ‘a María' is de ontvanger (aan wie?) → meewerkend voorwerp → CI = ‘le'. Het staat vóór het werkwoord; het lijdend voorwerp ‘el libro' mag blijven staan: ‘Le doy el libro'.

Resultaat: De juiste zinnen zijn a) ‘La veo.' en b) ‘Le doy el libro.' Zonder voorzetsel kies je een CD (‘la'); de ontvanger ‘a María' is een CI (‘le'). Beide voornaamwoorden staan vóór het vervoegde werkwoord.

Eindexamen-focus

  • Het schoolexamen verwacht dat je de voornaamwoorden CD (lo/la/los/las) en CI (le/les) uit elkaar houdt en ze vóór het vervoegde werkwoord plaatst: ‘lo veo', ‘le doy el libro'.
  • Je moet de gustar-constructie correct vormen, waarbij het werkwoord congrueert met de zaak die bevalt: ‘me gusta el cine' (enkelvoud) tegenover ‘me gustan los libros' (meervoud).

Veelgemaakte fouten

  • Het voornaamwoord ná het werkwoord plaatsen zoals in het Nederlands of Engels: ‘veo lo' in plaats van ‘lo veo' — in het Spaans staat het object vóór het vervoegde werkwoord.
  • Bij ‘gustar' de persoon als onderwerp nemen: ‘yo gusto el cine' in plaats van ‘me gusta el cine' — niet ik beval, maar de bioscoop bevalt mij.

Actieve herhaling

Vervang het onderstreepte zinsdeel door het juiste voornaamwoord (CD of CI) en plaats het: ‘Leo el libro', ‘Compro las manzanas', ‘Escribo a mi madre.'

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Spaans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 06

Ontkenning en vraagzinnen (la negación y las preguntas)#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Vraagwoorden (las palabras interrogativas)

Vraagwoorden (las palabras interrogativas)Tabel met 3 kolommen en 7 rijen, Gegevens: Vraagwoord · Nederlands · Voorbeeld; qué · wat · ¿Qué quieres?; quién · wie · ¿Quién es?; dónde · waar · ¿Dónde vives?; cuándo · wanneer · ¿Cuándo vienes?; cómo · hoe · ¿Cómo estás?; por qué · waarom · ¿Por qué no?; cuánto · hoeveel · ¿Cuánto cuesta?VRAAGWOORDNEDERLANDSVOORBEELDquéwat¿Qué quieres?quiénwie¿Quién es?dóndewaar¿Dónde vives?cuándowanneer¿Cuándo vienes?cómohoe¿Cómo estás?por quéwaarom¿Por qué no?cuántohoeveel¿Cuánto cuesta?
Afb. 6De vraagwoorden dragen altijd een accent en de vraag staat tussen ‘¿' en ‘?'.

Kernpunten

De gewone ontkenning is in het Spaans heerlijk eenvoudig: je zet ‘no' direct vóór het vervoegde werkwoord. ‘Como carne' wordt ‘No como carne' („Ik eet geen vlees”), en ‘Hablo francés' wordt ‘No hablo francés'. Staat er een voornaamwoord vóór het werkwoord (zoals je in de vorige sectie zag), dan komt ‘no' nog dáárvoor: ‘No lo sé' („Ik weet het niet”). Er is dus, anders dan in het Frans, geen tweede deeltje nodig: één vast woordje ‘no' op een vaste plaats volstaat. Dat maakt de basisontkenning de gemakkelijkste van allemaal.
Het Spaans kent echter ook de dubbele ontkenning, en die is voor Nederlandstaligen de tricky case, omdat het Nederlands haar juist verbiedt. Bij ontkennende woorden als ‘nada' (niets), ‘nunca' (nooit), ‘nadie' (niemand) en ‘tampoco' (ook niet) staat in het Spaans naast dat woord óók nog ‘no' vóór het werkwoord: ‘No veo nada' („Ik zie niets”), ‘No viene nadie' („Er komt niemand”), ‘No voy nunca'. Letterlijk staat er „ik zie niet niets”, maar dat is in het Spaans volkomen correct. Komt het ontkennende woord vóór het werkwoord te staan, dan vervalt ‘no' juist: ‘Nunca voy', ‘Nadie viene'. Twee ontkenningen heffen elkaar in het Spaans dus niet op — ze versterken elkaar.
Een opvallend en uniek kenmerk van het Spaans is de manier waarop het een vraag of een uitroep markeert: met een omgekeerd teken aan het begin én een gewoon teken aan het eind. Een vraag staat tussen ‘¿' en ‘?': ‘¿Vienes?' („Kom je?”), en een uitroep tussen ‘¡' en ‘!': ‘¡Qué bien!' („Wat goed!”). Het openingsteken waarschuwt de lezer al aan het begin van de zin dat er een vraag of uitroep aankomt, nog vóór hij bij het eindteken is. In geschreven Spaans is dat openingsteken verplicht; het weglaten is een echte spelfout. Let er bij het lezen op dat ‘¿' je meteen vertelt dat een zin een vraag is.
Voor ja/nee-vragen zijn er twee eenvoudige manieren. De eerste is de intonatievraag: je houdt de gewone woordvolgorde aan en laat je stem aan het eind omhooggaan — ‘¿Tú hablas español?'. De tweede is de inversie, waarbij werkwoord en onderwerp van plaats wisselen: ‘¿Hablas (tú) español?'. Belangrijk voor wie vanuit het Engels denkt: het Spaans gebruikt géén hulpwerkwoord als „do” om een vraag te bouwen — er is geen ‘¿Haces tú hablar …?'. Je herkent de vraag puur aan de vraagtekens en, in spraak, aan de stijgende intonatie.
Voor open vragen gebruikt het Spaans vraagwoorden die áltijd een geschreven accent dragen — en dat accent is meer dan een detail. Het onderscheidt het vraagwoord van zijn onbeklemtoonde naamgenoot: ‘qué' (wat) tegenover ‘que' (dat, die), en ‘por qué' (waarom, twee woorden mét accent) tegenover ‘porque' (omdat, één woord zónder accent). De voornaamste vraagwoorden zijn ‘qué' (wat), ‘quién' (wie), ‘dónde' (waar), ‘cuándo' (wanneer), ‘cómo' (hoe), ‘por qué' (waarom) en ‘cuánto' (hoeveel), zoals ‘¿Dónde vives?' en ‘¿Cuánto cuesta?'. ‘quién' en ‘cuánto' passen zich nog aan: ‘quiénes' in het meervoud, en ‘cuánto/cuánta/cuántos/cuántas' congrueert met het zelfstandig naamwoord (‘¿Cuántos libros?'). De eerste tabel zet de vraagwoorden met hun vertaling en een voorbeeld op een rij; de boomstructuur daaronder toont het skelet Sujeto–Verbo–Objeto waarop de ontkenning en de vraagzin allebei steunen.

Zinsbouw: Sujeto – Verbo – Objeto

Zinsbouw: Sujeto – Verbo – ObjetoBoomdiagram, 3 paden, Gegevens: Sujeto; Verbo → no … nada; ObjetoVerboLa frase españolaSujetono … nadaObjeto
Afb. 7Het skelet van de Spaanse zin: Sujeto–Verbo–Objeto, met de ontkenning ‘no … nada' rond het werkwoord.
Uitgewerkt voorbeeld

Een zin ontkennend maken met de dubbele ontkenning

Maak de zin ontkennend en verklaar je keuze: ‘Veo algo.' (= Ik zie iets.) moet worden „Ik zie niets.”

  1. 01Stap 1 — Zet ‘no' vóór het werkwoord

    De gewone ontkenning begint met ‘no' direct vóór het vervoegde werkwoord: ‘No veo …'.

  2. 02Stap 2 — Kies het ontkennende woord

    ‘algo' (iets) wordt in de ontkenning ‘nada' (niets). ‘nada' komt ná het werkwoord te staan.

  3. 03Stap 3 — Bouw de dubbele ontkenning

    In het Spaans staan ‘no' én ‘nada' samen in dezelfde zin (de dubbele ontkenning, anders dan in het Nederlands): ‘No veo nada'.

Resultaat: De juiste zin is ‘No veo nada.' Het Spaans gebruikt een dubbele ontkenning: ‘no' vóór het werkwoord én het ontkennende woord ‘nada' erna. Letterlijk staat er „ik zie niet niets”, maar het betekent gewoon „ik zie niets”.

Eindexamen-focus

  • Het schoolexamen verwacht dat je de ontkenning correct bouwt, inclusief de dubbele ontkenning (‘no … nada/nunca/nadie/tampoco') die het Nederlands niet kent: ‘no veo nada'.
  • Je moet vraagzinnen schrijven met het openings- én sluitteken ‘¿…?' en de vraagwoorden mét accent gebruiken (qué, quién, dónde, cuándo, cómo, por qué, cuánto).

Veelgemaakte fouten

  • Maar één ontkenning schrijven naar Nederlands model: ‘veo nada' of ‘no veo algo' in plaats van ‘no veo nada' — bij een ontkennend woord ná het werkwoord hoort ‘no' ervóór.
  • Het openingsteken ‘¿' vergeten of het accent op het vraagwoord weglaten: ‘Donde vives?' in plaats van ‘¿Dónde vives?' — het Spaans opent de vraag met ‘¿' en het vraagwoord draagt een accent.

Actieve herhaling

Zet om en vul aan: maak ‘Veo algo' ontkennend met ‘no … nada', maak ‘Viene alguien' ontkennend met ‘no … nadie', en maak van ‘Tú hablas español' een vraagzin met de juiste vraagtekens.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Spaans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 06

    • 01Lidwoorden en geslacht (los artículos y el género)○
    • 02Zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden (sustantivos y adjetivos)◐
    • 03Ser en estar◐
    • 04Voorzetsels: por en para◐
    • 05Voornaamwoorden (los pronombres)◐
    • 06Ontkenning en vraagzinnen (la negación y las preguntas)●

0/6 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Grammatica (gramática)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~30
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Spaans (HAVO)

Vorig onderwerp

Woordenschat en thematische taal

Volgend onderwerp

Werkwoorden en werkwoordstijden

EuraStudy·Samenvattingen T·04·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.