EuraStudy
Samenvattingen/Lichamelijke opvoeding/Bewegen op muziek (dans)
Samenvattingen · Lichamelijke opvoedingNL · HAVO

Bewegen op muziek (dans)

Bewegen op muziek hoort bij domein B: je leert dansen door beweging af te stemmen op ritme, maat en frasering, en je maakt en voert een korte choreografie uit met de compositieprincipes herhaling, variatie en contrast. Net als heel LO wordt dit met een schoolexamen en een handelingsdeel afgesloten; er is geen centraal examen. Je laat je bewegen, je samenwerken bij het samen dansen en je reflectie op het maken en uitvoeren zien.

4 Onderdelen·~24 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0777 / 12
Examenprofiel
Op de maat en op de frasering van de muziek bewegen met de vier dansaspecten: ritme/tijd, bewegingsvorm, ruimte en expressieZelf een korte dans/choreografie ontwerpen en uitvoeren met de compositieprincipes herhaling, variatie en contrastSamen dansen (synchroon, canon, spiegelen) en dansvormen zoals streetdance, moderne dans en volksdans/line dance op hoofdlijnen herkennen
Operatoren:leg uitbeschrijfpas toeontwerpanalyseerbeoordeel

basisniveau

Je danst op de maat, je herkent de 8-tellen en je voert samen met anderen een korte, aangeleerde combinatie uit met een duidelijk begin, midden en einde.

verhoogd niveau

Wie zich verdiept, ontwerpt zelf een frase met bewuste contrasten in dynamiek, niveau en richting, en verantwoordt de compositiekeuzes ten opzichte van de frasering en het karakter van de muziek.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Bewegen op muziek (dans)
    • 01Ritme en maat: op de maat bewegen○
    • 02Bewegingsvormen en ruimte◐
    • 03Expressie en dansvormen◐
    • 04Een choreografie ontwerpen en samen uitvoeren●
§ 01

Ritme en maat: op de maat bewegen#

●○○BasisLPexamenblad-nl

De 8-tel met accenten

Accenten in de 8-telTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Tel · Nadruk · Beweging; 1 · Sterk accent · Grote inzet; 2 t/m 4 · Geen accent · Doorbewegen; 5 · Lichter accent · Nieuwe inzet; 6 t/m 8 · Geen accent · Afronden, gemarkeerde cel: Sterk accentTELNADRUKBEWEGING1Sterk accentGrote inzet2 t/m 4Geen accentDoorbewegen5Lichter accentNieuwe inzet6 t/m 8Geen accentAfronden
Afb. 1Afb. 1 — In een 8-tel liggen de accenten meestal op tel 1 (sterk) en tel 5 (lichter); op die tellen zet een danser graag een opvallende beweging.

Kernpunten

Dansen begint bij het luisteren naar de muziek en het voelen van de puls, want alle beweging in een dans hangt samen met ritme en maat. De puls is de gelijkmatige, terugkerende „tik” die je in bijna elk muziekstuk kunt meetikken of meeklappen — het is de hartslag van de muziek. Het tempo geeft aan hoe snel die puls gaat en wordt uitgedrukt in BPM, het aantal beats (tikken) per minuut: bij een lage BPM voelt de muziek rustig en traag, bij een hoge BPM juist snel en druk. Op de maat bewegen betekent dat je jouw beweging precies op die puls laat vallen: je zet af, je stapt of je klapt op het moment dat de tik klinkt, niet ervoor en niet erna. Wie „uit de maat” danst, loopt voor of achter op de puls en de beweging past dan niet meer bij de muziek. Op het schoolexamen wordt van je verwacht dat je de puls kunt vinden en je pasjes en bewegingen betrouwbaar op de maat kunt uitvoeren, ook als het tempo verandert.
In dansmuziek worden de tellen bijna altijd geordend in groepjes, en in de meeste popmuziek, streetdance en moderne dans tel je in 8-tellen. Een 8-tel is een blok van acht opeenvolgende tellen — je telt hardop „1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8” en begint dan weer bij 1. Dansers gebruiken die 8-tellen om te weten waar ze in de muziek zitten en om afspraken te maken: „op tel 5 draaien we” of „de sprong komt op de 8”. Binnen die telling liggen niet alle tellen even zwaar: sommige tellen krijgen een accent, een extra nadruk in de muziek, vaak op de 1 en soms op de 5. Op zo'n accent zet een danser graag een grote of duidelijke beweging, zodat de beweging samenvalt met de nadruk in de muziek. Door in 8-tellen te tellen en de accenten te horen, weet je precies wanneer welke beweging moet komen. Op het examen laat je zien dat je in 8-tellen kunt tellen, dat je een combinatie op de juiste tel kunt inzetten en dat je je bewegingen op de accenten kunt leggen.
Ritme is meer dan alleen de gelijkmatige puls: het is het patroon van korte en lange klanken en van nadruk dat over die puls heen ligt. Waar de maat de vaste ordening in tellen is (het „raster” waarop je telt), is het ritme de afwisseling die je erin hoort — de manier waarop klanken snel na elkaar of juist verspreid vallen. In een dans kun je dat ritme volgen door niet elke beweging even lang te maken: een snelle reeks pasjes op een druk stuk muziek en een lange, aangehouden beweging op een rustig stuk. Zo sluit je bewegen aan bij wat je hoort. Belangrijk is het onderscheid tussen tempo (hoe snel de puls gaat, in BPM) en ritme (het patroon van korte en lange nadrukken): twee dansen kunnen hetzelfde tempo hebben maar een heel ander ritme. Op het schoolexamen kun je gevraagd worden je bewegen bewust op het ritme en de accenten af te stemmen, en uit te leggen waarom een bepaalde beweging goed bij een bepaald ritme past.
Om betrouwbaar op de maat te dansen, gebruiken dansers een paar praktische hulpmiddelen die je zelf ook kunt inzetten. Voordat je begint, zoek je de puls door mee te tikken met je voet of te klappen; pas als je die zeker voelt, begin je te bewegen. Vaak telt de leraar of danser een aantal tellen „voor” (bijvoorbeeld „5, 6, 7, 8”) zodat iedereen tegelijk en op dezelfde tel start — dat heet inzetten of aftellen. Tijdens het dansen blijf je in gedachten doortellen, zodat je niet verdwaalt in de muziek. Verandert het tempo, dan pas je je beweging aan: bij een sneller tempo maak je je pasjes kleiner en sneller, bij een langzamer tempo groter en rustiger. Wie de maat kwijtraakt, wacht een tel en stapt op de eerstvolgende 1 weer in, in plaats van door te blijven haasten. Op het examen wordt gewaardeerd dat je deze technieken beheerst: samen inzetten, doortellen en op de maat blijven, ook als de muziek van tempo of karakter wisselt.
Uitgewerkt voorbeeld

Een combinatie op de maat inzetten

Je klas leert een korte streetdance-combinatie van 8 tellen. Beschrijf stap voor stap hoe jullie samen precies op de maat en op de juiste tel beginnen.

  1. 01Zoek de puls

    Luister naar de muziek en tik de gelijkmatige puls mee met je voet, tot iedereen dezelfde tik voelt.

  2. 02Bepaal de 1

    Zoek waar een nieuwe 8-tel begint — meestal bij een duidelijk accent in de muziek — en noem dat moment „tel 1”.

  3. 03Tel voor

    De voordanser telt hoorbaar af met „5, 6, 7, 8”, zodat iedereen weet dat de combinatie op de eerstvolgende 1 start.

  4. 04Zet samen in

    Op tel 1 zetten jullie tegelijk de eerste beweging in en tellen in gedachten door tot en met 8, zodat jullie synchroon blijven.

Resultaat: Door eerst de puls te zoeken, de 1 te bepalen, af te tellen met 5-6-7-8 en op tel 1 samen in te zetten, start de hele groep gelijk en op de maat.

Eindexamen-focus

  • De puls en het tempo (BPM) van een muziekstuk vinden en je bewegingen betrouwbaar op de maat uitvoeren, ook bij tempowisselingen.
  • In 8-tellen tellen, samen op de juiste tel inzetten (aftellen 5-6-7-8) en bewegingen op de accenten (vaak de 1 en de 5) leggen.

Veelgemaakte fouten

  • Voor of achter de puls bewegen (uit de maat dansen) doordat je niet eerst de puls zoekt en tijdens het dansen niet doortelt.
  • Tempo en ritme door elkaar halen: denken dat sneller tellen hetzelfde is als een ander ritme, terwijl tempo (BPM) en het patroon van accenten los van elkaar staan.

Actieve herhaling

Kies een dansnummer dat je kent. Zoek de puls door mee te klappen, bepaal of het tempo hoog of laag aanvoelt, en tel het nummer in 8-tellen. Beschrijf op welke tellen je duidelijke accenten hoort en bedenk voor twee van die accenten welke opvallende beweging je daarop zou zetten.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein B, bewegen op muziek (CvTE / Examenblad)

§ 02

Bewegingsvormen en ruimte#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

De vier dansaspecten

Vier aspecten van dansTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Aspect · Betekenis · Voorbeeld; Ritme / tijd · Op de maat en tel · 8-tellen, accenten; Bewegingsvorm · Wat je beweegt · Pas, sprong, draai; Ruimte · Waar je beweegt · Richting, niveau, pad; Expressie · Hoe je beweegt · Dynamiek, uitstraling, gemarkeerde cel: Richting, niveau, padASPECTBETEKENISVOORBEELDRitme / tijdOp de maat en tel8-tellen, accentenBewegingsvormWat je beweegtPas, sprong, draaiRuimteWaar je beweegtRichting, niveau, padExpressieHoe je beweegtDynamiek, uitstraling
Afb. 2Afb. 2 — Elke dans is te bekijken langs vier aspecten: ritme/tijd, bewegingsvorm, ruimte en expressie; het aspect ruimte omvat richting, pad en niveau.

Kernpunten

Een dans is opgebouwd uit bewegingsvormen: de bouwstenen waarmee je danst. De belangrijkste basisvormen zijn pasjes (stappen in allerlei richtingen en patronen), sprongen (waarbij je met een of twee voeten van de grond komt), draaien (rotaties om je eigen as, van een kwart tot een hele draai), gewichtsverplaatsing (het overbrengen van je lichaamsgewicht van de ene voet of lichaamszijde naar de andere) en isolaties (het bewust bewegen van één lichaamsdeel — bijvoorbeeld alleen je hoofd, schouders of heupen — terwijl de rest stil blijft). Met deze vormen kun je eindeloos variëren: een pasje kan groot of klein, snel of langzaam, naar voren of opzij. Gewichtsverplaatsing is de motor achter vloeiend dansen, want zonder je gewicht te verplaatsen kun je niet soepel van de ene beweging in de andere komen. Op het schoolexamen laat je zien dat je deze basisvormen beheerst en kunt combineren tot een herkenbare danscombinatie die past bij de muziek.
Naast wát je beweegt, telt in dans ook wáár je beweegt: dat is het aspect ruimte. Ruimte gaat in de eerste plaats over richting — beweeg je naar voren, achteren, opzij of diagonaal — en over paden, de denkbeeldige lijnen die je over de vloer aflegt (recht, in een bocht, in een cirkel of in een zigzag). Ook het niveau hoort bij ruimte: je kunt hoog dansen (rechtop, op je tenen, springend), op middenniveau (gebogen knieën, gewone stand) of laag (hurkend, zittend of liggend op de vloer). Door met niveaus te spelen — de ene danser hoog, de andere laag — krijgt een dans diepte en wordt hij interessanter om naar te kijken. Ruimte gaat ten slotte over de eigen ruimte rond je lichaam (hoe ver je je armen en benen uitstrekt) en de algemene ruimte van de zaal (hoe je je over de vloer verplaatst). Op het examen wordt gewaardeerd dat je bewust richtingen, paden en niveaus gebruikt en niet alleen op één plek blijft staan.
Zodra je met meer dansers danst, wordt ruimte ook een kwestie van formatie en samen bewegen. Een formatie is de manier waarop de dansers ten opzichte van elkaar staan opgesteld: op een rij, in een blok, in een cirkel, in twee groepen of in een diagonaal. Tijdens een dans kan de formatie veranderen — dansers wisselen van plaats, vormen een nieuwe figuur of splitsen op in groepen. Dat vraagt afspraken: iedereen moet weten wanneer en waarheen hij beweegt, zodat er geen botsingen ontstaan en het geheel er verzorgd uitziet. Bij het samen dansen let je bovendien op onderlinge afstand en op elkaar, zodat de groep als één beeld overkomt. Goed ruimtegebruik met meerdere dansers maakt een eenvoudige combinatie meteen indrukwekkender, omdat de kijker patronen en veranderingen ziet ontstaan. Op het schoolexamen telt het samenwerken mee: je draagt bij aan een strakke formatie, je houdt rekening met de anderen en je voert wisselingen op het juiste moment uit.
Bewegingsvormen en ruimte werken pas echt als je ze combineert en bewust kiest, niet willekeurig. Een danser denkt na over welke bewegingsvorm bij welk stuk muziek past én in welke richting, op welk niveau en langs welk pad die beweging het beste tot zijn recht komt. Zo kun je dezelfde draai heel verschillend inzetten: een snelle draai hoog op je tenen op een druk stuk, of een langzame draai laag bij de vloer op een rustig stuk. Door bewust af te wisselen in vorm (pasje, sprong, draai, isolatie), in richting en in niveau, voorkom je dat een dans eentonig wordt. Tegelijk moet het herkenbaar en uitvoerbaar blijven: te veel verschillende vormen tegelijk maakt een combinatie onnavolgbaar. De kunst is om met een beperkt aantal goed gekozen vormen een duidelijke, afwisselende dans te maken. Op het examen laat je zien dat je bewegingsvormen doelgericht combineert met ruimtekeuzes, zodat je bewegen past bij de muziek én prettig is om naar te kijken.
Uitgewerkt voorbeeld

Een vlakke combinatie ruimtelijker maken

Een groepje danst een combinatie die „saai” overkomt: iedereen staat op een rij op dezelfde plek en beweegt alleen de armen. Analyseer wat er ontbreekt en verbeter de combinatie met het aspect ruimte.

  1. 01Analyseer het probleem

    Er wordt niet van plek gewisseld, alle dansers staan op hetzelfde niveau en er zijn geen paden over de vloer — het aspect ruimte wordt nauwelijks gebruikt.

  2. 02Voeg niveaus toe

    Laat een deel van de groep laag dansen (gebogen knieën, hurkend) en een deel hoog (rechtop, op de tenen), zodat er diepte in het beeld komt.

  3. 03Voeg richting en pad toe

    Laat de dansers een aantal tellen naar voren en weer terug bewegen en een kwartdraai maken, zodat er beweging over de vloer ontstaat.

  4. 04Verander de formatie

    Laat de rij op een afgesproken tel opsplitsen in twee kleine groepen die uit elkaar bewegen — met duidelijke afspraken om botsingen te voorkomen.

Resultaat: Door niveaus, richting, paden en een formatiewisseling toe te voegen, gebruikt de groep het aspect ruimte bewust en wordt de combinatie meteen levendiger en interessanter om naar te kijken.

Eindexamen-focus

  • De basisbewegingsvormen (pasjes, sprongen, draaien, gewichtsverplaatsing, isolaties) beheersen en combineren tot een herkenbare, bij de muziek passende danscombinatie.
  • Bewust ruimte gebruiken: richting, paden en niveaus (hoog/midden/laag) variëren en in een groep een strakke, wisselende formatie uitvoeren.

Veelgemaakte fouten

  • Alleen op één plek en op één niveau blijven dansen, zodat richting, paden en niveauwisselingen ontbreken en de dans vlak en eentonig wordt.
  • Te veel verschillende bewegingsvormen tegelijk willen laten zien, waardoor de combinatie onnavolgbaar wordt in plaats van herkenbaar en uitvoerbaar.

Actieve herhaling

Bedenk een combinatie van 8 tellen met minstens drie verschillende bewegingsvormen (bijvoorbeeld een pasje, een draai en een isolatie). Beschrijf per beweging de richting, het pad en het niveau, en leg uit hoe je met een medeleerling een formatiewisseling zou uitvoeren zonder te botsen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — bewegingsvormen en ruimte in de dans (CvTE / Examenblad)

§ 03

Expressie en dansvormen#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Dansvormen en hun kenmerken

Drie dansvormenTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Dansvorm · Kenmerk · Sfeer; Streetdance · Scherp, isolaties · Stoer, krachtig; Moderne dans · Vrij, vloeiend · Gevoel, contrast; Volksdans · Vaste pasjes · Samen, synchroon, gemarkeerde cel: Scherp, isolatiesDANSVORMKENMERKSFEERStreetdanceScherp, isolatiesStoer, krachtigModerne dansVrij, vloeiendGevoel, contrastVolksdansVaste pasjesSamen, synchroon
Afb. 3Afb. 3 — Drie dansvormen op hoofdlijnen: elk heeft een eigen bewegingstaal en sfeer, maar in alle vormen gelden dezelfde vier dansaspecten.

Kernpunten

Twee dansers kunnen precies dezelfde pasjes op dezelfde maat doen en er tóch heel verschillend uitzien — het verschil zit in expressie. Expressie is de manier waarop je beweegt en wat je met je beweging uitstraalt. Een belangrijk deel daarvan is de bewegingskwaliteit: is een beweging krachtig of zacht, scherp of vloeiend, gespannen of ontspannen, zwaar of licht? Dezelfde armbeweging kan hard en hoekig zijn (passend bij stevige muziek) of juist zacht en golvend (passend bij rustige muziek). Bij expressie hoort ook de uitstraling: je gezicht, je blik en je houding vertellen mee. Een danser die overtuigd en met zelfvertrouwen danst, komt heel anders over dan iemand die aarzelend en met de blik naar de grond beweegt, ook als de pasjes identiek zijn. Op het schoolexamen wordt niet alleen naar de techniek gekeken, maar ook naar je expressie: dans je met de juiste bewegingskwaliteit en uitstraling die bij de muziek past?
Expressie krijgt vorm door dynamiek en contrast, en die maken een dans spannend om naar te kijken. Dynamiek is de afwisseling in kracht, snelheid en grootte van je bewegingen: nu eens groot en explosief, dan weer klein en ingehouden. Contrast is het bewust naast elkaar zetten van tegengestelde kwaliteiten: snel na langzaam, hoog na laag, krachtig na zacht, of stilstand na veel beweging. Juist door contrast valt elke beweging beter op — een plotselinge stilte in de beweging na een druk stuk trekt de aandacht, en een grote sprong na een reeks kleine pasjes maakt indruk. Een dans zonder dynamiek en contrast, waarin alles even hard en even groot gebeurt, wordt al snel eentonig. Goede dansers spelen daarom voortdurend met deze afwisseling. Op het examen laat je zien dat je bewust dynamiek en contrast gebruikt: dat je niet alles op dezelfde manier danst, maar met opzet afwisselt in kracht, tempo en grootte, aansluitend bij het karakter van de muziek.
Het belangrijkste principe achter expressie is dat je bewegen aansluit bij het karakter van de muziek. Elk muziekstuk heeft een eigen sfeer: het kan rustig en dromerig zijn, stoer en krachtig, vrolijk en speels, of dreigend en gespannen. Een danser stemt zijn bewegingskwaliteit, dynamiek en uitstraling af op die sfeer: op stoere hiphopmuziek dans je scherp en krachtig met een zelfverzekerde houding, op rustige, vloeiende muziek dans je zacht en golvend met een ingetogen uitstraling. Beweeg je tegen het karakter van de muziek in — bijvoorbeeld slap en aarzelend op krachtige muziek — dan klopt het beeld niet en oogt de dans onaf. Aansluiten bij het karakter betekent dus dat wát je doet (de vorm), hóe je het doet (de kwaliteit) en wat je uitstraalt allemaal bij elkaar en bij de muziek passen. Op het schoolexamen wordt gewaardeerd dat je het karakter van een muziekstuk kunt herkennen en je expressie daar bewust op afstemt.
In de danswereld bestaan veel dansvormen, elk met een eigen stijl, en op de havo maak je met enkele daarvan op hoofdlijnen kennis. Streetdance/hiphop is ontstaan op straat en in de stedelijke jeugdcultuur; de bewegingen zijn vaak scherp, ritmisch en krachtig, met veel isolaties, grondwerk en een zelfverzekerde houding. Moderne dans (of hedendaagse dans) is vrijer en minder aan vaste pasjes gebonden; hier draait het om vloeiende bewegingen, het gebruik van de hele ruimte en het uitdrukken van gevoel, met veel aandacht voor bewegingskwaliteit en contrast. Volksdans en line dance zijn dansen met vaste, aangeleerde pasjespatronen die je samen in een groep of rij uitvoert; ze hebben een sterke, herkenbare structuur en worden vaak synchroon gedanst. Deze vormen verschillen in sfeer en bewegingstaal, maar in elke vorm gelden dezelfde vier aspecten: ritme, bewegingsvorm, ruimte en expressie. Op het examen wordt van je verwacht dat je een dansvorm op hoofdlijnen kunt herkennen en kunt benoemen wat er kenmerkend aan is.
Bij het beoordelen en verbeteren van een dans helpt het om de vier aspecten en de expressie als een checklist te gebruiken. Je kijkt achtereenvolgens: klopt het ritme (wordt er op de maat en op de accenten gedanst), zijn de bewegingsvormen duidelijk en passend, wordt de ruimte goed gebruikt (richting, niveau, pad, formatie), en is er voldoende expressie (bewegingskwaliteit, dynamiek, contrast, uitstraling die past bij de muziek)? Zo kun je gericht benoemen wat al goed gaat en wat beter kan — bijvoorbeeld „het ritme klopt, maar er is te weinig contrast en de uitstraling mag overtuigender”. Deze manier van kijken gebruik je zowel om naar anderen als naar jezelf te kijken, en ze past bij de reflectie die bij het handelingsdeel hoort. Op het schoolexamen kun je gevraagd worden een dans (van jezelf, een medeleerling of van een filmpje) te beoordelen langs deze aspecten en concrete verbeterpunten te geven die aansluiten bij het niveau van de danser.
Uitgewerkt voorbeeld

Expressie afstemmen op twee muziekstukken

Je moet dezelfde eenvoudige armbeweging uitvoeren op twee heel verschillende nummers: een krachtig hiphopnummer en een rustig, vloeiend nummer. Beschrijf hoe je expressie per nummer verschilt.

  1. 01Herken het karakter

    Het hiphopnummer is stoer en krachtig; het tweede nummer is rustig en vloeiend. Het karakter bepaalt hoe je beweegt.

  2. 02Kies de bewegingskwaliteit

    Op de hiphopmuziek voer je de armbeweging scherp, snel en krachtig uit met duidelijke eindpunten; op de rustige muziek juist zacht, langzaam en golvend.

  3. 03Pas dynamiek en contrast aan

    Bij hiphop zet je een fel accent en een korte stilstand voor contrast; bij de rustige muziek laat je de beweging traag doorlopen zonder scherpe stops.

  4. 04Stem de uitstraling af

    Bij hiphop dans je met een zelfverzekerde, directe blik en houding; bij de rustige muziek met een ingetogen, rustige uitstraling.

Resultaat: Dezelfde armbeweging krijgt door een andere bewegingskwaliteit, dynamiek en uitstraling twee totaal verschillende expressies, elk passend bij het karakter van de muziek.

Eindexamen-focus

  • Met de juiste bewegingskwaliteit, dynamiek, contrast en uitstraling dansen die aansluit bij het karakter van de muziek.
  • Enkele dansvormen (streetdance/hiphop, moderne dans, volksdans/line dance) op hoofdlijnen herkennen en hun kenmerken benoemen; een dans beoordelen langs de vier aspecten.

Veelgemaakte fouten

  • Technisch correct maar zonder expressie dansen: de pasjes kloppen, maar door een vlakke uitstraling en gebrek aan dynamiek en contrast oogt de dans levenloos.
  • De bewegingskwaliteit niet afstemmen op de muziek, bijvoorbeeld zacht en aarzelend bewegen op krachtige muziek, zodat het beeld niet bij het karakter van het nummer past.

Actieve herhaling

Bekijk (in gedachten of op beeld) een korte dans. Beoordeel hem langs de vier aspecten: ritme/tijd, bewegingsvorm, ruimte en expressie. Benoem per aspect één sterk punt en formuleer twee concrete verbeterpunten voor de expressie (bewegingskwaliteit, dynamiek, contrast of uitstraling) die passen bij het karakter van de muziek.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — expressie en dansvormen (CvTE / Examenblad)

§ 04

Een choreografie ontwerpen en samen uitvoeren#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Van motief tot geheel

Opbouw van een dansGraaf, Motief → Frase, Frase → Deel, Deel → GeheelMotiefFraseDeelGeheelherhaling +variatiefrases samendelen samen
Afb. 4Afb. 4 — Een choreografie bouw je op van klein naar groot: een motief groeit via herhaling en variatie tot een frase, frases vormen een deel en de delen samen het geheel.

Kernpunten

Een choreografie ontwerp je niet in één keer als een lange reeks losse pasjes, maar je bouwt hem op van klein naar groot. De kleinste bouwsteen is het motief: een korte, herkenbare beweging of een kort bewegingsidee, bijvoorbeeld twee pasjes met een draai. Door dat motief te herhalen en te variëren maak je een frase: een afgeronde bewegingszin van meestal enkele 8-tellen, te vergelijken met een zin in een verhaal. Meerdere frases samen vormen een deel, en de delen samen vormen het geheel: de complete dans met een duidelijk begin, midden en einde. Deze opbouw — motief → frase → deel → geheel — geeft een choreografie structuur en samenhang, zodat de kijker herkenning en ontwikkeling ervaart in plaats van een willekeurige stroom bewegingen. Op het schoolexamen laat je zien dat je een dans doelgericht kunt opbouwen vanuit een motief en dat je die opbouw kunt herkennen en benoemen in je eigen choreografie.
Bij het maken van een choreografie gebruik je een aantal compositieprincipes; de belangrijkste zijn herhaling, variatie en contrast. Herhaling betekent dat je een motief of frase nog een keer laat terugkomen — dat maakt een dans herkenbaar en geeft de kijker houvast; een dans zonder enige herhaling voelt rommelig en onthoudbaar. Variatie is herhaling met een verandering: je neemt hetzelfde motief maar voert het bijvoorbeeld groter, sneller, op een ander niveau of in een andere richting uit. Zo blijft het herkenbaar én blijft het boeien. Contrast is het bewust naast elkaar zetten van tegengestelde bewegingen of kwaliteiten — snel na langzaam, hoog na laag, krachtig na zacht — wat spanning en afwisseling geeft. Deze drie principes werken samen: herhaling geeft eenheid, variatie geeft ontwikkeling, contrast geeft spanning. Een goede choreografie zoekt de balans daartussen. Op het examen wordt van je verwacht dat je deze principes bewust toepast bij het ontwerpen en dat je kunt uitleggen wáár en waaróm je ze hebt gebruikt.
Een dans staat nooit los van de muziek: je stemt de beweging af op de frasering van de muziek. Muziek is zelf opgebouwd uit frases — herkenbare stukjes, vaak van acht tellen, die samen coupletten en refreinen vormen. Een sterke choreografie laat de bewegingsfrases samenvallen met de muzikale frases: een nieuwe bewegingsfrase begint waar een nieuw stuk muziek begint, en een groot bewegingsmoment valt op een hoogtepunt in de muziek. Zo versterken beweging en muziek elkaar. Vaak keert een motief terug op het punt waar het refrein terugkeert, zodat herhaling in de dans samenvalt met herhaling in de muziek. Beweeg je „langs de muziek heen” — met bewegingsfrases die geen enkel verband houden met de opbouw van het nummer — dan voelt de dans los en toevallig. Op het schoolexamen wordt gewaardeerd dat je de opbouw van een nummer (couplet, refrein, hoogtepunt) herkent en je choreografie daarop afstemt, zodat de dans de muziek volgt.
Een choreografie wordt vaak samen uitgevoerd, en daarvoor bestaan drie veelgebruikte samenwerkingsvormen: synchroon, canon en spiegelen. Synchroon dansen betekent dat alle dansers exact tegelijk dezelfde beweging maken; dat vraagt strak op de maat blijven en oogt krachtig en verzorgd. Bij een canon voeren de dansers dezelfde beweging na elkaar uit, ieder een paar tellen later — net als bij het zingen van een canon — waardoor een golf- of trapeffect ontstaat dat mooi is om naar te kijken. Bij spiegelen doen twee dansers gespiegelde bewegingen, alsof er een spiegel tussen hen in staat: beweegt de een naar links, dan beweegt de ander naar rechts. Deze vormen maken een eenvoudige combinatie meteen indrukwekkender en zijn zelf een vorm van variatie en contrast in de choreografie. Ze vragen wel goede afspraken en samenwerking, want iedereen moet precies weten wat hij wanneer doet. Op het examen laat je zien dat je deze samenwerkingsvormen kunt uitvoeren en bewust kunt inzetten in een groepschoreografie.
Het ontwerpen van een korte choreografie doorloop je het best in duidelijke stappen, zodat het resultaat structuur en samenhang heeft. Je begint met het kiezen van de muziek en het herkennen van de opbouw (tempo, 8-tellen, coupletten en refreinen). Daarna bedenk je een motief dat past bij het karakter van de muziek. Je bouwt dat motief uit tot een frase met herhaling en variatie, en je voegt bewust contrast toe in vorm, niveau, richting of dynamiek. Vervolgens plaats je de frases zó dat ze samenvallen met de muzikale frases, en je verrijkt de uitvoering met ruimtekeuzes (formaties, niveaus, paden) en met samenwerkingsvormen (synchroon, canon, spiegelen). Ten slotte oefen je het geheel, kijk je kritisch of begin, midden en einde duidelijk zijn, en stel je bij waar nodig. Ook hier hoort reflectie bij: je verantwoordt je keuzes en benoemt wat goed werkt en wat beter kan. Op het schoolexamen wordt van je verwacht dat je zo'n ontwerpproces kunt doorlopen en je choreografie kunt toelichten aan de hand van de compositieprincipes en de vier dansaspecten.

De compositie-cyclus

CompositieprincipesGraaf, Herhaling → Variatie, Variatie → Contrast, Contrast → HerhalingHerhalingVariatieContrastopnieuw
Afb. 5Afb. 5 — Bij het ontwerpen wissel je de drie compositieprincipes af: herhaling geeft eenheid, variatie geeft ontwikkeling en contrast geeft spanning.
Uitgewerkt voorbeeld

Een motief uitbouwen tot een frase

Je hebt een eenvoudig motief van 2 tellen: „stap naar rechts, klap”. Bouw dit met de compositieprincipes uit tot een frase van één 8-tel en voeg contrast toe.

  1. 01Herhaal het motief

    Doe het motief „stap-klap” eerst naar rechts (tel 1-2) en herhaal het daarna naar links (tel 3-4); door herhaling ontstaat herkenning.

  2. 02Varieer het motief

    Voer op tel 5-6 hetzelfde motief groter en met een halve draai uit — herhaling met verandering houdt het boeiend.

  3. 03Voeg contrast toe

    Laat op tel 7 alles even stilvallen (stilstand na beweging) en zet op tel 8 een grote, lage beweging in — snel/klein wordt zo afgewisseld met langzaam/groot.

  4. 04Stem af op de frasering

    Zorg dat deze frase van één 8-tel precies samenvalt met één muzikale frase, zodat het einde van de beweging samenvalt met het einde van de muzikale zin.

Resultaat: Uit het motief „stap-klap” ontstaat via herhaling (rechts/links), variatie (groter, met draai) en contrast (stilstand, dan groot en laag) een afgeronde frase van één 8-tel die samenvalt met de frasering van de muziek.

Eindexamen-focus

  • Een korte choreografie ontwerpen van motief naar geheel met bewuste toepassing van herhaling, variatie en contrast, afgestemd op de frasering van de muziek.
  • De samenwerkingsvormen synchroon, canon en spiegelen uitvoeren en bewust inzetten, en je ontwerpkeuzes kunnen toelichten en beoordelen.

Veelgemaakte fouten

  • Een dans maken als een lange reeks losse, steeds nieuwe pasjes zonder herhaling van een motief, waardoor de choreografie geen structuur, herkenning of samenhang heeft.
  • De beweging niet op de frasering van de muziek afstemmen: bewegingsfrases die dwars door coupletten en refreinen heen lopen, zodat dans en muziek los van elkaar staan.

Actieve herhaling

Ontwerp met een medeleerling een korte choreografie van twee frases (samen ongeveer vier 8-tellen) op een zelfgekozen nummer. Beschrijf je motief, laat zien waar je herhaling, variatie en contrast gebruikt, geef aan hoe je de frases op de muzikale frasering afstemt, en kies één samenwerkingsvorm (synchroon, canon of spiegelen). Licht je keuzes kort toe.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — choreografie en compositieprincipes (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Ritme en maat: op de maat bewegen○
    • 02Bewegingsvormen en ruimte◐
    • 03Expressie en dansvormen◐
    • 04Een choreografie ontwerpen en samen uitvoeren●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Bewegen op muziek (dans)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~24
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein B, bewegen op muziek

Vorig onderwerp

Atletiek

Volgend onderwerp

Zelfverdediging

EuraStudy·Samenvattingen T·07·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.