EuraStudy
Samenvattingen/Lichamelijke opvoeding/Atletiek
Samenvattingen · Lichamelijke opvoedingNL · HAVO

Atletiek

Atletiek bundelt de oervormen van bewegen — lopen, springen en werpen — tot een familie van meetbare nummers waarin je je eigen prestatie leert uitvoeren, regelen en verklaren. Je leert de bewegingsprincipes achter snelheid, afzet en worp, en je koppelt techniek aan eenvoudige natuurkunde zoals de gemiddelde snelheid v = s/t. Atletiek hoort bij domein B (Bewegen) en wordt, net als heel LO, via het schoolexamen en handelingsdeel afgesloten; er is geen centraal examen.

4 Onderdelen·~23 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0666 / 12
Examenprofiel
Loop-, spring- en werpnummers technisch verantwoord uitvoeren en de fasen van elke beweging herkennen en benoemen.De bewegingsprincipes achter snelheid, afzet en worp uitleggen: paslengte × pasfrequentie, de optimale afzethoek en het overbrengen van snelheid op een projectiel.Een atletiekprestatie meten, met de gemiddelde snelheid v = s/t berekenen en op grond van de analyse een verbeterpunt bepalen.
Operatoren:berekenleg uitbeschrijfpas toeanalyseerbeoordeel

basisniveau

Voer de basisvormen van sprint, verspringen en kogelstoten veilig uit, herken de fasen aanloop–afzet–vlucht–landing en bereken een eenvoudige gemiddelde snelheid.

verhoogd niveau

Wie zich verdiept, verklaart prestaties met de bewegingsprincipes (paslengte × pasfrequentie, optimale afzethoek, snelheidsoverdracht) en gebruikt metingen om het eigen bewegen gericht bij te sturen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Atletiek
    • 01Lopen: sprint, duurloop en estafette○
    • 02Springen: verspringen en hoogspringen◐
    • 03Werpen: kogelstoten en de werpnummers◐
    • 04Bewegingsprincipes en je prestatie meten●
§ 01

Lopen: sprint, duurloop en estafette#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kernpunten

Lopen is de eerste van de drie atletiekfamilies en tegelijk de meest natuurlijke: je verplaatst je zo snel of zo lang mogelijk over een afstand. Toch verschilt de aanpak sterk per nummer. Bij de sprint (bijvoorbeeld de 100 meter) gaat het om maximale snelheid over een korte afstand, waarbij je vrijwel de hele race op de voorvoeten loopt en je armen krachtig meezwaaien. Bij de duurloop gaat het juist om het zo lang mogelijk volhouden van een gelijkmatig, iets lager tempo, waarbij je zuinig met je energie omgaat en rustig ademhaalt. De estafette ten slotte voegt aan het hardlopen een samenwerkingsprobleem toe: vier lopers leggen samen een afstand af en moeten het stokje vloeiend aan elkaar doorgeven. Op het schoolexamen wordt van je verwacht dat je deze nummers niet alleen kunt uitvoeren, maar ook kunt uitleggen waaróm de techniek per nummer verschilt: de eis „zo snel mogelijk” vraagt iets anders dan de eis „zo lang mogelijk volhouden”.
De sprint valt uiteen in herkenbare fasen die je moet kunnen benoemen (zie Afb. 1). Hij begint met de start uit het startblok: je zit voorovergebogen met de handen achter de startlijn, je duwt bij het startsignaal explosief af tegen de blokken en komt laag naar voren. Daarna volgt de versnellingsfase, waarin je romp geleidelijk omhoogkomt en je snelheid stap voor stap opbouwt; hier win je de meeste tijd. Vervolgens bereik je de fase van maximale snelheid, waarin je zo lang mogelijk op topsnelheid probeert te blijven. In de slotfase treedt onvermijdelijk een lichte snelheidsafname op, maar door je techniek vast te houden verlies je zo min mogelijk. Cruciaal is dat je snelheid het product is van twee factoren: de paslengte (hoe ver je met elke pas komt) en de pasfrequentie (hoeveel passen je per seconde zet). Een goede sprinter combineert lange passen met een hoge frequentie; je kunt niet eindeloos aan één van beide draaien zonder de ander te verliezen, en dat evenwicht is precies wat sprinttechniek zo lastig maakt.

De fasen van de sprint

Fasen van de 100 mGraaf, Start uit blok → Versnelling, Versnelling → Maximale snelheid, Maximale snelheid → SlotfaseStart uit blokVersnellingMaximalesnelheidSlotfaseafduwenopbouwenvasthouden
Afb. 1Afb. 1 — De sprint verloopt in vier fasen; in de versnellingsfase wordt de meeste tijd gewonnen, waarna je zo lang mogelijk op maximale snelheid probeert te blijven.
De duurloop stelt heel andere eisen dan de sprint. Omdat je de inspanning lang moet volhouden, loop je op een tempo dat je aankunt met de energie die je aeroob (met voldoende zuurstof) kunt leveren. Het belangrijkste principe is een gelijkmatig tempo: te snel starten put je vroeg uit, terwijl een constant, beheerst tempo je juist het verst brengt. Daarbij hoort een ontspannen, ritmische ademhaling die je op je pas afstemt — bijvoorbeeld inademen over twee of drie passen en uitademen over evenveel — zodat je spieren gestaag van zuurstof worden voorzien. De pas is korter en zuiniger dan bij de sprint, de armen zwaaien rustiger, en je landt meer op de middenvoet dan hoog op de tenen. Op het examen laat je zien dat je het tempo kunt inschatten en verdelen, en dat je begrijpt waarom een marathonloper niet met sprinttechniek loopt: de beperkende factor is niet je maximale kracht, maar hoe lang je energie kunt blijven leveren zonder in het rood te schieten.
De estafette draait om de wissel: de stokoverdracht van de ene loper op de volgende binnen het wisselvak. De ontvangende loper staat al klaar en begint te lopen op het moment dat de aankomende loper een afgesproken markering passeert, zodat beiden bij de overgave ongeveer even snel bewegen — dan gaat de stok over zonder snelheidsverlies. De stok wordt meestal met een vaste techniek doorgegeven (van boven of van onder in de open hand van de ontvanger, die zijn arm naar achteren strekt zonder om te kijken). De horden vormen op hoofdlijnen een aparte looptak: hier ren je een sprint waarin op vaste afstanden hindernissen staan die je met een efficiënte, vlakke hordepas overloopt in plaats van er hoog overheen te springen — je wilt zo min mogelijk snelheid verliezen en je ritme tussen de horden constant houden. Op het schoolexamen worden estafette en horden vooral op de grote lijn getoetst: kun je vloeiend en veilig wisselen, en kun je een sprintritme met hindernissen volhouden zonder je pasritme te verliezen?
v=paslengte×pasfrequentiev = \text{paslengte} \times \text{pasfrequentie}v=paslengte×pasfrequentie

Loopsnelheid

Je snelheid is het product van hoe ver je per pas komt (paslengte, in meter) en hoeveel passen je per seconde zet (pasfrequentie, in passen per seconde). Beide factoren tegelijk hoog houden is de kern van sprinten.

Uitgewerkt voorbeeld

Paslengte uit afstand en aantal passen

Een sprinter legt de 100 meter af in 48 passen. Bereken de gemiddelde paslengte, en leg uit hoe hij bij gelijke pasfrequentie sneller zou kunnen worden.

  1. 01Stap 1 — Kies de formule

    De gemiddelde paslengte is de afgelegde afstand gedeeld door het aantal passen.

    paslengte=afstandaantal passen\text{paslengte} = \dfrac{\text{afstand}}{\text{aantal passen}}paslengte=aantal passenafstand​
  2. 02Stap 2 — Vul de gegevens in

    De afstand is 100 m en het aantal passen is 48.

    paslengte=10048≈2,08 m\text{paslengte} = \dfrac{100}{48} \approx 2{,}08 \ \text{m}paslengte=48100​≈2,08 m
  3. 03Stap 3 — Interpreteer

    Gemiddeld komt hij ruim 2 meter per pas vooruit. Omdat snelheid = paslengte × pasfrequentie, wordt hij bij gelijke frequentie sneller als hij zijn paslengte iets vergroot — maar alleen zolang die verlenging de frequentie niet omlaagtrekt.

Resultaat: De gemiddelde paslengte is 100 / 48 ≈ 2,08 m. Sneller worden bij gelijke pasfrequentie kan door de paslengte te vergroten, mits de frequentie daardoor niet daalt — anders levert het per saldo niets op.

Eindexamen-focus

  • De fasen van de sprint (start uit blok, versnelling, maximale snelheid, slotfase) herkennen en de rol van paslengte en pasfrequentie in de snelheid uitleggen.
  • Uitleggen waarom de duurloop een gelijkmatig tempo en een ritmische ademhaling vraagt, en beschrijven hoe een estafettewissel zonder snelheidsverlies verloopt.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat een langere pas altijd sneller is: als je paslengte forceert, daalt je pasfrequentie meestal en word je juist trager.
  • Bij de duurloop veel te snel starten, waardoor je vroeg verzuurt; en bij de estafette te laat of omkijkend wisselen, waardoor de stok bijna stilstaat op het moment van overgave.

Actieve herhaling

Leg uit waarom een sprinter bijna volledig op de voorvoeten loopt terwijl een duurloper meer op de middenvoet landt. Benoem daarbij welke eis (maximale snelheid versus lang volhouden) elke techniek verklaart, en beschrijf in twee zinnen hoe een estafettewissel zó verloopt dat er geen snelheid verloren gaat.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein B Bewegen (atletiek) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Springen: verspringen en hoogspringen#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

De springnummers delen één gemeenschappelijke structuur die je overal terugziet: aanloop → afzet → vlucht → landing (zie Afb. 2). Eerst bouw je in de aanloop horizontale snelheid op; die snelheid is je grondstof, want zonder aanloopsnelheid is er weinig om af te zetten. In de afzet zet je met één been krachtig af en buig je een deel van die horizontale snelheid om naar een verticale component, zodat je omhoog én vooruit gaat. Daarna volgt de vlucht, waarin je lichaam als een geworpen voorwerp een boogbaan beschrijft en je niets meer aan je zwaartepuntsbaan kunt veranderen — je kunt alleen je lichaamshouding aanpassen. Ten slotte komt de landing, waarin je de sprong veilig en (bij verspringen) zo ver mogelijk afmaakt. Deze vier fasen vormen de rode draad van alle springnummers, en op het schoolexamen wordt van je verwacht dat je ze kunt benoemen en in een concrete sprong kunt herkennen.

De gemeenschappelijke structuur van een springnummer

Aanloop → afzet → vlucht → landingGraaf, Aanloop → Afzet, Afzet → Vlucht, Vlucht → LandingAanloopAfzetVluchtLandingsnelheidopbouwensnelheidombuigenafmaken
Afb. 2Afb. 2 — Elk springnummer volgt dezelfde structuur: in de aanloop bouw je snelheid op, in de afzet buig je die om naar de hoogte, daarna volgt de vlucht en ten slotte de landing.
Bij het verspringen is het doel maximale horizontale afstand. De aanloop is een versnellende sprint van zo'n tien tot twintig passen, waarin je een hoge maar nog controleerbare snelheid opbouwt en je laatste passen precies op de afzetbalk uitkomt. De afzet gebeurt met één been vlak vóór of op de balk: je plant de voet actief neer en strekt explosief, terwijl je het zwaaibeen en de armen krachtig omhoog meeneemt om de opwaartse beweging te versterken. In de zweeffase houd je het lichaam gestrekt of maak je een loop- of hangbeweging om je benen zo lang mogelijk vooruit te kunnen brengen. De landing bepaalt de gemeten afstand: je strekt je benen ver naar voren en valt met je hielen zo ver mogelijk in de zandbak, waarbij je je zwaartepunt naar voren laat doorzakken zodat je niet achterover terugvalt. De afstand die telt, wordt gemeten van de balk tot het dichtstbijzijnde afdrukpunt in het zand — vandaar dat je vlak achter de balk moet afzetten en zo ver mogelijk moet landen.
Bij het hoogspringen is het doel juist maximale verticale hoogte over een lat. De aanloop is korter en gebogen, en de afzet is bijna volledig verticaal gericht: je zet met het buitenste been af en brengt zwaaibeen en armen krachtig omhoog om zoveel mogelijk hoogte te maken. De bekendste techniek is op hoofdlijnen de Fosbury-flop, waarbij de springer zich na de afzet omdraait en met de rug naar de lat over de lat rolt, hoofd en schouders eerst en de benen als laatste optrekkend. Het slimme van de flop is dat het lichaam om de lat heen buigt: doordat je romp achterover en je benen daarna omhoog gaan, kan je zwaartepunt lager blijven dan de lat zelf, terwijl toch elk lichaamsdeel er netjes overheen komt. Je landt op de rug in het schuimkussen. Op het examen hoef je de flop niet perfect te beheersen, maar je moet wel de aanloop-afzet-structuur herkennen en kunnen uitleggen waarom de afzet hier vooral omhoog is gericht in plaats van vooruit.
Wat de springnummers verbindt, is dus de manier waarop de afzet snelheid ombuigt. In de afzet wordt een deel van de horizontale aanloopsnelheid omgezet in verticale snelheid, en de verhouding tussen die twee bepaalt de afzethoek — de hoek waaronder je zwaartepunt de vlucht ingaat. Ligt die hoek te vlak, dan ga je vooral vooruit maar nauwelijks omhoog; ligt hij te steil, dan ga je hoog de lucht in maar mis je vaart. Er bestaat daarom een optimale afzethoek die afstand en hoogte in balans brengt; bij het verspringen ligt die in de praktijk beduidend lager dan de 45° uit het ideale natuurkundemodel, omdat je bij een steilere afzet te veel snelheid zou inleveren. Dit maakt meteen duidelijk waarom verspringers en hoogspringers zo verschillend afzetten: de verspringer kiest een relatief vlakke afzet om zijn snelheid te behouden, de hoogspringer een steile om vooral hoogte te winnen. Op het schoolexamen laat je zien dat je dit principe — het ombuigen van snelheid onder een gunstige hoek — als gemeenschappelijke verklaring achter beide nummers kunt benoemen.
Uitgewerkt voorbeeld

Aanloopsnelheid als gemiddelde snelheid

Een verspringer legt haar aanloop van 30 meter af in 4,2 seconden. Bereken haar gemiddelde aanloopsnelheid en licht toe waarom die snelheid belangrijk is voor de sprong.

  1. 01Stap 1 — Kies de formule

    De gemiddelde snelheid is de afgelegde afstand gedeeld door de benodigde tijd.

    v=stv = \dfrac{s}{t}v=ts​
  2. 02Stap 2 — Vul de gegevens in

    De afstand s is 30 m en de tijd t is 4,2 s.

    v=304,2≈7,1 m/sv = \dfrac{30}{4{,}2} \approx 7{,}1 \ \text{m/s}v=4,230​≈7,1 m/s
  3. 03Stap 3 — Interpreteer

    Ze loopt haar aanloop met gemiddeld ruim 7 m/s. Die horizontale snelheid is de grondstof voor de sprong: in de afzet wordt een deel ervan omgebogen naar de hoogte, dus zonder een snelle, gecontroleerde aanloop is een verre sprong onmogelijk.

Resultaat: De gemiddelde aanloopsnelheid is 30 / 4,2 ≈ 7,1 m/s. Hoe hoger deze (beheersbare) aanloopsnelheid, hoe meer snelheid de afzet kan ombuigen naar de hoogte en dus hoe verder de sprong — mits de afzet die snelheid netjes benut.

Eindexamen-focus

  • De gemeenschappelijke structuur aanloop–afzet–vlucht–landing in een concrete sprong benoemen en per fase het doel ervan uitleggen.
  • Verklaren hoe de afzet horizontale snelheid ombuigt naar verticale snelheid, en waarom een verspringer vlakker afzet dan een hoogspringer.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat je tijdens de vlucht je zwaartepuntsbaan nog kunt sturen: na de afzet ligt de baan van je zwaartepunt vast; je kunt alleen je lichaamshouding nog aanpassen.
  • Bij verspringen de afzethoek te steil kiezen (‘zo hoog mogelijk springen’), waardoor je te veel aanloopsnelheid verliest en juist minder ver komt.

Actieve herhaling

Beschrijf voor een verspringpoging de vier fasen aanloop–afzet–vlucht–landing en geef per fase in één zin het doel. Leg vervolgens uit waarom de afzethoek bij verspringen lager is dan bij hoogspringen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein B Bewegen (springnummers) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Werpen: kogelstoten en de werpnummers#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

De drie atletiekfamilies

Lopen, springen, werpenTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Familie · Voorbeeld · Kernprincipe; Lopen · Sprint 100 m · Paslengte × frequentie; Springen · Verspringen · Snelheid ombuigen; Werpen · Kogelstoten · Snelheid overbrengen, gemarkeerde cel: Snelheid overbrengenFAMILIEVOORBEELDKERNPRINCIPELopenSprint 100 mPaslengte × frequentieSpringenVerspringenSnelheid ombuigenWerpenKogelstotenSnelheid overbrengen
Afb. 3Afb. 3 — De drie atletiekfamilies met een voorbeeld en hun kernprincipe: bij lopen telt snelheid, bij springen het ombuigen van snelheid en bij werpen het overbrengen van snelheid.

Kernpunten

De derde atletiekfamilie is werpen: je brengt een voorwerp — een kogel, speer, discus of bal — zo ver mogelijk weg. Het gemeenschappelijke bewegingsprincipe is het overbrengen van snelheid op een projectiel: je bouwt met je lichaam snelheid op en geeft die op het laatste moment door aan het voorwerp, dat daarna als geworpen projectiel een boogbaan beschrijft. Hoe ver het komt, hangt vooral af van de snelheid waarmee het je hand verlaat, de hoek waaronder het vertrekt en de hoogte waarop je loslaat. Kenmerkend voor werpen is dat je de snelheid opbouwt met je hele lichaam van de grond af omhoog: eerst zetten de benen zich af, dan draait de romp mee, en pas als laatste komt de arm. Deze volgorde — van groot naar klein, van onder naar boven — laat de snelheid als een golf door je lichaam lopen en in de hand pieken. Op het schoolexamen laat je zien dat je dit principe kunt uitleggen: de worp begint niet in de arm, maar in de benen.
Het kogelstoten is het duidelijkste voorbeeld en verdient extra aandacht. Anders dan de naam ‘werpen’ suggereert, is stoten voorgeschreven: de kogel rust in de nek, tegen de hals, en mag alleen worden weggedúwd — je arm strekt zich naar voren en omhoog, maar je mag de kogel niet achter je schouder ‘slingeren’ zoals bij een bal. Deze regel voorkomt gevaarlijke, ongecontroleerde worpen met het zware voorwerp. De beweging begint laag: je staat met je rug naar het stootgebied, buigt door je afzetbeen en verplaatst je met een korte, krachtige translatie (een glij- of aanloopbeweging) door de ring, zodat de kogel al snelheid heeft vóór de arm strekt. Vervolgens strek je in één vloeiende keten benen, romp en arm en duw je de kogel schuin omhoog weg. Het beenwerk is dus geen bijzaak maar de motor: verreweg de meeste snelheid komt uit de afzet en de rompdraai, niet uit de armstrekking alleen. Wie ‘met de arm’ probeert te stoten, laat het grootste deel van zijn kracht liggen.
De overige werpnummers werken op hoofdlijnen volgens hetzelfde principe, maar met eigen accenten. Bij het speerwerpen loop je een aanloop en breng je de speer ver naar achteren, waarna je hem met een zweepslagachtige strekking van benen, romp en arm over de schouder wegwerpt; de speer moet met de punt eerst vertrekken en onder een gunstige hoek de lucht in. Bij het discuswerpen draai je één of meer keren snel rond in de werpring om de discus op snelheid te brengen en laat je hem tangentieel los, waarbij de vlakke schijf net als een vleugel op de lucht ‘drijft’. Het balwerpen ten slotte is de schooltoegankelijke basisvorm: met een aanloop en een worp over de schouder oefen je precies de beweging die aan speerwerpen ten grondslag ligt, zonder het risico van het echte werptuig. In al deze nummers geldt dezelfde les als bij de kogel: snelheid wordt opgebouwd van de grond af en pas op het einde aan het voorwerp doorgegeven, en de vertrekhoek en -snelheid bepalen samen de afstand.
Waar het bij werpen uiteindelijk om draait, is dus dat je lichaam een snelheidsbron is en het voorwerp de ontvanger. Je kunt de afstand op drie manieren vergroten: het voorwerp sneller wegkrijgen (de belangrijkste factor, want de afstand groeit sterk met de vertreksnelheid), het onder een gunstiger hoek loslaten, en het van een grotere hoogte laten vertrekken. Van deze drie is de vertreksnelheid veruit het krachtigst, en juist die snelheid maak je met een goede bewegingsketen: een stevige afzet, een snelle rompdraai en een laat, explosief strekken van de arm. De optimale vertrekhoek is in theorie iets minder dan 45° omdat je vanaf schouder- of heuphoogte loslaat en niet vanaf de grond. Op het examen wordt vooral getoetst of je de gemeenschappelijke logica ziet: alle werpnummers zijn variaties op één thema — bouw snelheid op met je hele lichaam en breng die op het laatste moment onder een gunstige hoek over op het projectiel.
Uitgewerkt voorbeeld

Aanloopsnelheid bij speerwerpen

Een speerwerper legt zijn aanloop van 25 meter af in 3,5 seconden. Bereken zijn gemiddelde aanloopsnelheid en leg uit waarom die snelheid meetelt voor de afstand van de worp.

  1. 01Stap 1 — Kies de formule

    De gemiddelde snelheid is de afgelegde afstand gedeeld door de tijd.

    v=stv = \dfrac{s}{t}v=ts​
  2. 02Stap 2 — Vul de gegevens in

    De afstand s is 25 m en de tijd t is 3,5 s.

    v=253,5≈7,1 m/sv = \dfrac{25}{3{,}5} \approx 7{,}1 \ \text{m/s}v=3,525​≈7,1 m/s
  3. 03Stap 3 — Interpreteer

    Hij nadert de afzet met ruim 7 m/s. Die aanloopsnelheid draagt bij aan de vertreksnelheid van de speer: de aanloop levert alvast snelheid die de bewegingsketen (benen, romp, arm) op het einde aan de speer doorgeeft, en juist de vertreksnelheid weegt het zwaarst voor de afstand.

Resultaat: De gemiddelde aanloopsnelheid is 25 / 3,5 ≈ 7,1 m/s. Hoe meer snelheid de aanloop en de bewegingsketen opbouwen, hoe hoger de vertreksnelheid van de speer en hoe verder de worp — de vertreksnelheid is daarbij de belangrijkste factor.

Eindexamen-focus

  • Uitleggen dat bij kogelstoten de kogel vanaf de hals wordt gestóten (niet geworpen) en dat de snelheid vooral uit het beenwerk en de rompdraai komt, niet uit de arm.
  • Het gemeenschappelijke principe van de werpnummers benoemen: snelheid opbouwen met de hele bewegingsketen en die onder een gunstige hoek op het projectiel overbrengen.

Veelgemaakte fouten

  • De kogel als een bal achter de schouder willen slingeren of gooien; volgens de regels moet hij vanaf de hals worden weggeduwd, en slingeren is bovendien onveilig.
  • Denken dat de kracht van een worp in de arm zit; het grootste deel van de snelheid komt uit de afzet van de benen en het meedraaien van de romp.

Actieve herhaling

Vergelijk kogelstoten en balwerpen. Beschrijf voor elk hoe de snelheid door de bewegingsketen wordt opgebouwd, en leg uit waarom de kogel wél vanaf de hals wordt gestoten terwijl de bal over de schouder wordt geworpen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein B Bewegen (werpnummers) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Bewegingsprincipes en je prestatie meten#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Kernpunten

Achter alle atletieknummers zitten enkele bewegingsprincipes die je prestatie verklaren, en het loont om die apart op een rij te zetten. Het eerste is hoe snelheid ontstaat: bij het lopen is je snelheid het product van paslengte en pasfrequentie, v=paslengte×pasfrequentiev = \text{paslengte} \times \text{pasfrequentie}v=paslengte×pasfrequentie. Dat is meer dan een formule — het vertelt je dat je op twee knoppen kunt draaien, maar dat ze aan elkaar gekoppeld zijn. Vergroot je je passen door harder af te zetten, dan sta je langer op de grond en daalt je frequentie; verhoog je je frequentie door snel te ‘trippelen’, dan worden je passen korter. De beste prestatie ligt daarom niet in het uiterste van één knop, maar in de gunstigste combinatie van beide. Dit principe is de sleutel tot sprinttechniek en verklaart waarom simpelweg ‘grotere stappen nemen’ of ‘sneller bewegen’ vaak niet werkt: je moet paslengte en frequentie tegelíjk hooghouden.
Het tweede principe is de afzet- of afstoothoek: het ombuigen van snelheid onder een gunstige hoek. Zowel bij de springnummers als bij de werpnummers zet je iets in beweging dat daarna als projectiel een boogbaan volgt, en de hoek waaronder het vertrekt bepaalt mee hoe ver of hoog het komt. In een ideaal natuurkundemodel — een projectiel dat vanaf de grond vertrekt zonder luchtweerstand — is de verste worp of sprong het gevolg van een vertrekhoek van 45°, precies tussen ‘vlak en snel vooruit’ en ‘steil en hoog’ in. In de praktijk van de atletiek ligt de optimale hoek meestal iets lager, om twee redenen: je laat los of zet af vanaf schouder- of heuphoogte in plaats van vanaf de grond, en bij een steilere afzet lever je te veel opgebouwde snelheid in. Zo begrijp je waarom een verspringer duidelijk vlakker afzet dan een hoogspringer, en waarom een kogelstoter niet recht omhoog maar schuin naar voren stoot: je zoekt de hoek die afstand en hoogte optimaal ruilt tegen behoud van snelheid.
Het derde principe is de gemeenschappelijke structuur van de spring- en werpbeweging, en het meten dat atletiek tot een exact vak maakt. De springnummers volgen alle de keten aanloop → afzet → vlucht → landing, en de werpnummers bouwen snelheid op van de grond af (benen → romp → arm) en geven die op het einde door. Omdat atletiekprestaties in meters en seconden worden uitgedrukt, kun je ze met eenvoudige natuurkunde beschrijven. De centrale grootheid is de gemiddelde snelheid: de afgelegde afstand gedeeld door de gebruikte tijd, v=stv = \dfrac{s}{t}v=ts​. Voor een loper die 100 meter in 14 seconden aflegt, geeft dit v=10014≈7,1v = \dfrac{100}{14} \approx 7{,}1v=14100​≈7,1 m/s (zie Afb. 4). Deze v is een gemiddelde over de hele afstand: in werkelijkheid loopt de sprinter aan het begin trager (hij versnelt nog) en in het midden sneller dan 7,1 m/s. Wil je de afstand na een bepaalde tijd bij dit gemiddelde weten, dan draai je de formule om tot s=v×ts = v \times ts=v×t — de rechte lijn in Afb. 4 laat zien dat de afstand bij een constant tempo evenredig met de tijd oploopt.

Afstand tegen tijd bij een gelijkmatig tempo

Afstand tegen tijd (v ≈ 7,1 m/s)Schaubild von afstand s = v·t, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 14246810121420406080100finishafstand s = v·tafstand s (m)tijd t (s)
Afb. 4Afb. 4 — Bij een gelijkmatig tempo loopt de afstand recht evenredig met de tijd op: s = v · t met v ≈ 7,1 m/s. Na 14 s is bijna 100 m afgelegd; de echte sprinter is aan het begin trager en halverwege sneller dan dit gemiddelde.
Met deze principes en metingen kun je je bewegen niet alleen uitvoeren, maar ook analyseren en bijsturen — precies wat het schoolexamen van je vraagt. Je meet een prestatie (een tijd, een afstand, een aantal passen), je rekent er een grootheid als de gemiddelde snelheid of de gemiddelde paslengte uit, en je gebruikt de uitkomst om een verbeterpunt te bepalen: is mijn frequentie te laag, laat ik in de afzet snelheid liggen, of zet ik onder een ongunstige hoek af? Zo verbind je de theorie (bewegingsprincipes) met de praktijk (je eigen prestatie) en met de reflectie (wat ga ik oefenen?). Belangrijk is dat je eerlijk rekent: een gemiddelde snelheid is een gemiddelde en geen topsnelheid, en een berekening is pas bruikbaar als je de eenheden meeneemt en het resultaat interpreteert. Op het handelingsdeel laat je zien dat je een meting kunt omzetten in een getal, dat getal correct kunt uitleggen en er een concrete conclusie voor je training aan kunt verbinden.
v=stv = \frac{s}{t}v=ts​

Gemiddelde snelheid

De gemiddelde snelheid is de afgelegde afstand s (in meter) gedeeld door de gebruikte tijd t (in seconden); de eenheid is dan meter per seconde (m/s).

s=v×ts = v \times ts=v×t

Afstand bij constant tempo

Bij een gelijkmatige (constante) snelheid is de afgelegde afstand het product van de snelheid en de tijd; de afstand loopt dan recht evenredig met de tijd op.

Uitgewerkt voorbeeld

Gemiddelde snelheid over de 100 meter

Een loper legt de 100 meter af in 14 seconden. Bereken zijn gemiddelde snelheid in m/s en leg uit wat deze waarde wel en niet zegt over zijn snelheid tijdens de race.

  1. 01Stap 1 — Kies de formule

    Gebruik de gemiddelde snelheid: afstand gedeeld door tijd.

    v=stv = \dfrac{s}{t}v=ts​
  2. 02Stap 2 — Vul de gegevens in

    De afstand s is 100 m en de tijd t is 14 s.

    v=10014≈7,1 m/sv = \dfrac{100}{14} \approx 7{,}1 \ \text{m/s}v=14100​≈7,1 m/s
  3. 03Stap 3 — Interpreteer

    De gemiddelde snelheid is ongeveer 7,1 m/s. Dit is een gemiddelde over de hele afstand: vlak na de start is de loper langzamer (hij versnelt nog vanuit stilstand) en in het midden van de race sneller dan 7,1 m/s. Het getal zegt dus iets over de hele prestatie, niet over de topsnelheid op één moment.

Resultaat: De gemiddelde snelheid is 100 / 14 ≈ 7,1 m/s. Deze waarde beschrijft de héle 100 m; ze is lager dan de topsnelheid die de loper halverwege haalt en hoger dan zijn snelheid vlak na de start.

Eindexamen-focus

  • De gemiddelde snelheid met v=stv = \dfrac{s}{t}v=ts​ berekenen (en omgekeerd s=v×ts = v \times ts=v×t), met de juiste eenheden, en het resultaat als gemiddelde interpreteren.
  • De bewegingsprincipes (paslengte × pasfrequentie, optimale afzethoek, gemeenschappelijke aanloop–afzet–vlucht–landing-structuur en snelheidsoverdracht) gebruiken om een prestatie te verklaren en een verbeterpunt te bepalen.

Veelgemaakte fouten

  • Een berekende gemiddelde snelheid verwarren met de topsnelheid; over de 100 m is de sprinter halverwege sneller dan het gemiddelde van 7,1 m/s.
  • De eenheden vergeten of door elkaar halen (bijvoorbeeld km/u en m/s), of v=s/tv = s/tv=s/t omdraaien tot t/st/st/s, waardoor de uitkomst onzin wordt.

Actieve herhaling

Een leerling loopt de 100 meter in 15,4 seconden. Bereken zijn gemiddelde snelheid in m/s. Leg vervolgens uit waarom zijn snelheid vlak na de start lager is dan deze gemiddelde waarde, en noem één bewegingsprincipe waarmee hij zijn tijd zou kunnen verbeteren.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein B Bewegen en bewegingsprincipes (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Lopen: sprint, duurloop en estafette○
    • 02Springen: verspringen en hoogspringen◐
    • 03Werpen: kogelstoten en de werpnummers◐
    • 04Bewegingsprincipes en je prestatie meten●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Atletiek

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~23
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein B Bewegen (atletiek)

Vorig onderwerp

Turnen

Volgend onderwerp

Bewegen op muziek (dans)

EuraStudy·Samenvattingen T·06·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.