EuraStudy
Samenvattingen/Handvaardigheid/Praktijk (schoolexamen): ruimtelijk werk met materialen (klei, gips, hout, metaal)
Samenvattingen · HandvaardigheidNL · HAVO

Praktijk (schoolexamen): ruimtelijk werk met materialen (klei, gips, hout, metaal)

Dit onderdeel hoort bij het schoolexamen (SE) praktijk, niet bij het centraal examen. Je maakt ruimtelijk (3D) werk en leert hoe de eigenschappen van klei, gips, hout en metaal bepalen welke techniek past: boetseren, gieten, beeldhouwen of construeren. Je leert additieve technieken (opbouwen) onderscheiden van subtractieve (wegnemen) en je beargumenteert bij een ontwerp een passende materiaal- en techniekkeuze.

4 Onderdelen·~18 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·111111 / 13
Examenprofiel
SE-praktijk: dit onderdeel valt onder het schoolexamen (SE), niet onder het centraal examenRuimtelijk (3D) werk maken en de eigenschappen van klei, gips, hout en metaal toepassenAdditieve en subtractieve technieken onderscheiden en gericht kiezen (boetseren, gieten, beeldhouwen, construeren)Een materiaal- en techniekkeuze bij een ontwerp beredeneren en verantwoorden
Operatoren:boetseerconstrueerbewerkkiesleg uitberedeneer

basisniveau

Voor het CE kunst beschouwen herken je materialen en technieken en kun je uitleggen hoe een materiaal de vorm en betekenis van een beeld beinvloedt.

verhoogd niveau

In de SE-praktijk kies en bewerk je zelf materiaal voor je eigen ruimtelijke werk en verantwoord je die keuze in je werkproces en documentatie.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Praktijk (schoolexamen): ruimtelijk werk met materialen (klei, gips, hout, metaal)
    • 01De materialen en hun eigenschappen○
    • 02Boetseren met klei◐
    • 03Hout en steen beeldhouwen◐
    • 04Metaal construeren en brons gieten●
§ 01

De materialen en hun eigenschappen#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kernpunten

Handvaardigheid is het beeldende vak dat draait om ruimtelijk, driedimensionaal (3D) werk: sculptuur, objecten en constructies die je van alle kanten kunt bekijken. Belangrijk om te weten: dit praktijkonderdeel hoort bij het schoolexamen (SE), niet bij het centraal examen (CE). Het CE toetst schriftelijk 'kunst beschouwen' (samen met tekenen), maar het maken en bewerken van materiaal wordt door je eigen school beoordeeld in het SE. In de praktijk werk je met vier standaardmaterialen die elk eeuwenlang de beeldhouwkunst hebben bepaald: klei (boetseerklei, die na bakken keramiek wordt), gips (een gietbaar en snijdbaar materiaal), hout en metaal (vooral brons). Elk materiaal heeft eigen fysieke eigenschappen, en juist die eigenschappen bepalen wat je ermee kunt doen. Wie het materiaal begrijpt, begrijpt het beeld.
Het grondprincipe van deze paragraaf is dat de materiaaleigenschappen bepalen welke techniek past; het overzicht in Afb. 1 zet materiaal, eigenschap en bijbehorende bewerking naast elkaar. Klei is plastisch en kneedbaar: je kunt het vervormen, aandrukken en opbouwen, dus je boetseert ermee, een additieve techniek (materiaal toevoegen), waarna je het bakt tot hard keramiek. Gips is eerst vloeibaar en hardt daarna uit tot een steenachtig, snijdbaar materiaal, dus je giet het in een mal of snijdt er vorm uit weg. Hout is vezelig en 'warm', met een duidelijke richting in de nerf, en bewerk je door te snijden en beitelen: dat is subtractief, want je neemt materiaal weg. Metaal, vooral brons, is hard en sterk; je construeert en last delen samen, of je giet brons in een mal. Zo hoort bij elke eigenschap een logische, passende techniek.

Materiaal, eigenschap en techniek

Materiaal, eigenschap en techniekTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Materiaal · Eigenschap · Bewerking / techniek; klei · plastisch, kneedbaar · boetseren (additief), daarna bakken tot keramiek; gips · giet- en snijdbaar, hard na uitharden · gieten in een mal of wegsnijden; hout · vezelig, warm, richting in de nerf · snijden en beitelen (subtractief); metaal (brons) · hard en sterk · construeren en lassen, of brons gieten, gemarkeerde cel: plastisch, kneedbaarMATERIAALEIGENSCHAPBEWERKING / TECHNIEKkleiplastisch, kneedbaarboetseren (additief), daarnabakken tot keramiekgipsgiet-en snijdbaar, hard nauithardengieten in een mal ofwegsnijdenhoutvezelig, warm, richting inde nerfsnijden en beitelen(subtractief)metaal (brons)hard en sterkconstrueren en lassen, ofbrons gieten
Afb. 1Afb. 1 — De materiaaleigenschappen bepalen welke techniek past.
Concrete voorbeelden maken zichtbaar hoe oud en wereldwijd deze materialen zijn. Klei is het oudste beeldmateriaal: het Terracottaleger van keizer Qin Shi Huang in China (rond 210 v.Chr.) bestaat uit duizenden levensgrote figuren van gebakken klei, en in de renaissance maakte Luca della Robbia in Florence beroemde reliefs van geglazuurde terracotta. Gips speelt vaak een rol als tussenstap of afgietsel: de Amerikaanse kunstenaar George Segal (1924-2000) maakte hele figuren van wit gips, gegoten naar levende mensen. Hout kennen we van middeleeuwse heiligenbeelden en van moderne beeldhouwers als Henry Moore (1898-1986), die zowel in hout als in steen werkte. Metaal ten slotte kent een lange bronstraditie: Donatello goot rond 1440 zijn 'David', het eerste vrijstaande naaktbeeld in brons sinds de oudheid. Elk materiaal draagt zo zijn eigen geschiedenis en mogelijkheden met zich mee.
Bij het kiezen van een materiaal speelt meer mee dan alleen de vorm die je wilt. Je weegt ook af: hoe zwaar en duurzaam moet het werk zijn, hoeveel tijd en gereedschap heb je, en werk je additief of subtractief? Een subtractief materiaal als steen of hout dwingt je vooruit te denken, want weggenomen materiaal komt niet terug; een additief materiaal als klei laat je juist eindeloos bijwerken en herstellen. Een handig onderscheid is ook of je materiaal 'de vorm draagt' (klei, gips en brons kunnen dunne of holle vormen aan) of massief blijft (een houtblok, een steen). Gips en brons zijn bovendien giet-materialen: de eigenlijke vorm maak je in was of klei, en het gieten legt die vorm vast. Dit fundament keert in de volgende paragrafen terug: eerst boetseren met klei (additief), dan beeldhouwen in hout en steen (subtractief), en ten slotte metaal construeren en brons gieten.
Uitgewerkt voorbeeld

Materiaal koppelen aan techniek

Je krijgt vier eigenschappen: 'plastisch en kneedbaar', 'vezelig met nerfrichting', 'hard en sterk' en 'giet- en snijdbaar na uitharden'. Koppel elk aan het juiste materiaal en de passende techniek.

  1. 01Lees de eigenschap

    Bepaal per eigenschap of het materiaal vervormbaar (additief op te bouwen) of juist massief en weg-te-nemen (subtractief) is.

  2. 02Plastisch en kneedbaar -> klei

    Kneedbaar materiaal bouw je op: boetseren (additief), daarna bakken tot keramiek.

  3. 03Vezelig -> hout; hard en sterk -> metaal

    Hout snijd en beitel je (subtractief); metaal/brons construeer en las je, of je giet het.

  4. 04Giet- en snijdbaar -> gips

    Gips giet je in een mal of snijd je weg nadat het is uitgehard.

Resultaat: De vier eigenschappen horen respectievelijk bij klei (boetseren), hout (beeldhouwen), metaal (construeren of gieten) en gips (gieten of wegsnijden); zo bepaalt de eigenschap steeds de techniek.

Eindexamen-focus

  • Herkennen welk materiaal (klei, gips, hout, metaal) bij een gegeven eigenschap en techniek hoort
  • Uitleggen dat de praktijk hoort bij het schoolexamen (SE), terwijl kunst beschouwen in het CE wordt getoetst
  • Het onderscheid additief (opbouwen) versus subtractief (wegnemen) benoemen

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat dit praktijkonderdeel bij het centraal examen hoort; het valt onder het schoolexamen (SE)
  • Boetseren (additief) en beeldhouwen (subtractief) door elkaar halen
  • Gips en brons niet als giet-materialen herkennen

Actieve herhaling

Leg uit waarom klei een additief materiaal is en hout een subtractief materiaal, en noem bij elk de bijbehorende techniek.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo — materialen en eigenschappen (CvTE / Examenblad)

§ 02

Boetseren met klei#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Boetseren is de additieve techniek bij uitstek: je bouwt een vorm op door klei toe te voegen, aan te drukken en te modelleren met je handen en eenvoudig gereedschap. Klei is plastisch en kneedbaar, en juist daardoor vergevingsgezind: verkeerd gevormd? Dan druk je het gewoon weer bij. Dat maakt klei bij uitstek geschikt om te leren en te experimenteren. Boetseren is een van de oudste menselijke technieken; gebakken kleifiguren bestaan al duizenden jaren, van kleine Griekse terracottabeeldjes tot het Chinese Terracottaleger. In de praktijk van het schoolexamen boetseer je meestal een figuur, een kop of een object, waarbij je voortdurend materiaal toevoegt en de vorm van binnenuit laat groeien. Het proces kent vaste stappen, en wie ze overslaat, loopt tegen scheuren en breuk aan zodra het werk de oven in gaat.
Het boetseerproces verloopt in vaste stappen, zoals Afb. 2 laat zien: kneden, opbouwen, hol maken, drogen, bakken en eventueel glazuren. Eerst kneed je de klei grondig door: zo haal je alle luchtbellen eruit, want ingesloten lucht zet uit in de oven en doet het werk knappen. Daarna bouw je de vorm op. Dat kan met verschillende methoden: met je duimen een bolletje uithollen (de duimpotmethode), lange rollen stapelen (de rol- of coiltechniek) of platte lappen klei aan elkaar zetten (de plak- of lappentechniek). Terwijl je opbouwt, houd je de wanden gelijkmatig en niet te dik. Vervolgens laat je het werk langzaam drogen tot het 'lederhard' is (stevig maar nog iets vochtig), zodat je details kunt bijwerken voordat het volledig droog en broos wordt. Pas als het kurkdroog is, mag het de oven in.

Het boetseerproces

Boetseerproces: van klei tot keramiekGraaf, kneden (lucht eruit) → opbouwen / boetseren, opbouwen / boetseren → hol maken, hol maken → drogen tot lederhard, drogen tot lederhard → bakken (biscuit), bakken (biscuit) → glazuren + 2e brandkneden (luchteruit)opbouwen /boetserenhol makendrogen totlederhardbakken (biscuit)glazuren + 2ebrandopbouwenuithollenlaten drogenoven inafwerken
Afb. 2Afb. 2 — Van kleiklomp tot geglazuurd keramiek; hol maken voorkomt barsten.
De belangrijkste vuistregel bij boetseren is: maak je werk hol of houd de wand niet te dik, want massieve of te dikke klei barst vrijwel zeker in de oven. Dat komt doordat klei tijdens het bakken krimpt en het laatste vocht als stoom moet ontsnappen; zit dat vocht opgesloten in een dikke, massieve kern, dan bouwt de druk zich op en knapt het stuk. Daarom hol je grotere vormen uit tot een gelijkmatige wand van ongeveer een tot anderhalve centimeter, of je bouwt van meet af aan hol op. Bij een dichte, holle vorm prik je bovendien een klein luchtgaatje, zodat de stoom kan ontsnappen. Deze stap wordt niet voor niets vaak als de kritische stap van het hele proces gezien: hol maken is de meest gemaakte fout en tegelijk de makkelijkst te voorkomen oorzaak van mislukte keramiek.
Als het werk kurkdroog is, gaat het de oven in voor de eerste brand, de zogenoemde biscuitbrand: de klei wordt dan onomkeerbaar hard keramiek. Wil je kleur of een waterdicht, glanzend oppervlak, dan breng je daarna glazuur aan en bak je nog een tweede keer, waarbij het glazuur tot een glasachtige laag versmelt. Luca della Robbia bouwde in het vijftiende-eeuwse Florence een heel atelier op rond juist die geglazuurde terracotta. Boetseren is bovendien de basis van veel bronsbeelden: kunstenaars als Auguste Rodin (1840-1917) boetseerden 'De Denker' eerst in klei of was, waarna de vorm in brons werd gegoten. Zo vormt de additieve kleivorm het vertrekpunt, terwijl je bij hout en steen (de volgende paragraaf) juist de omgekeerde, subtractieve weg bewandelt: niet opbouwen, maar wegnemen.
Uitgewerkt voorbeeld

Een holle kop boetseren

Je boetseert een portretkop van klei die daarna gebakken moet worden. Beschrijf de stappen en verantwoord waarom je de kop hol maakt.

  1. 01Kneden

    Kneed de klei door tot alle luchtbellen eruit zijn, anders knapt de kop in de oven.

  2. 02Opbouwen

    Bouw de vorm op met rollen of lappen en modelleer de gezichtsvormen additief bij.

  3. 03Hol maken

    Hol de massieve kop uit tot een gelijkmatige wand en prik een luchtgaatje, zodat stoom kan ontsnappen.

  4. 04Drogen en bakken

    Laat langzaam drogen tot lederhard en daarna kurkdroog, bak dan de biscuit; glazuur eventueel en bak nogmaals.

Resultaat: Door hol te werken en lucht te laten ontsnappen krimpt en droogt de kop gelijkmatig, zodat hij tijdens het bakken niet barst.

Eindexamen-focus

  • De volgorde van het boetseerproces benoemen: kneden, opbouwen, hol maken, drogen, bakken, glazuren
  • Uitleggen waarom klei hol of niet te dik moet zijn (barsten door stoom en krimp in de oven)
  • Boetseren herkennen als additieve techniek

Veelgemaakte fouten

  • Vergeten de klei goed te kneden, waardoor luchtbellen het werk in de oven doen knappen
  • Massief of te dik boetseren, zodat het stuk barst tijdens het bakken
  • Glazuren verwarren met de eerste biscuitbrand; glazuren is juist een tweede brand

Actieve herhaling

Beschrijf stap voor stap hoe je van een klomp klei tot een geglazuurd keramisch beeldje komt, en leg uit waarom je het werk hol maakt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo — boetseren en keramiek (CvTE / Examenblad)

§ 03

Hout en steen beeldhouwen#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Beeldhouwen in hout en steen is de subtractieve techniek: je begint met een massief blok en neemt net zolang materiaal weg tot de vorm tevoorschijn komt. Dit is het spiegelbeeld van boetseren. Waar je bij klei toevoegt en fouten bijwerkt, geldt hier een harde wet: weggehakt materiaal komt niet terug. Michelangelo verwoordde het idee dat het beeld al 'in het blok' zat en dat de beeldhouwer alleen het overtollige weghaalt; zo bevrijdde hij zijn 'David' (1501-1504) uit een enkel blok marmer. Doordat je niet kunt terugkeren, werk je altijd van grof naar fijn: eerst grote delen weghakken, dan de hoofdvorm bepalen, en pas op het laatst de details en het gladde oppervlak. Wie te vroeg detailleert, hakt zich vast of breekt net het stuk weg dat hij nodig had. Overzicht en geduld zijn hier de belangrijkste gereedschappen.
Hout en steen verschillen sterk in bewerking en eigenschappen, zoals Afb. 3 naast elkaar zet. Hout bewerk je met guts en beitel (en een houten hamer): het is relatief zacht, vezelig en voelt 'warm' aan, met een duidelijke nerf- of vezelrichting. Steen bewerk je met een stalen beitel en een zware hamer; het is hard, koud en zwaar, en je slaat er schilfer voor schilfer materiaal af. De vezelrichting van hout is bepalend: snijd je met de nerf mee, dan gaat het soepel, maar dwars op de nerf splintert het hout snel. Steen kent geen nerf, maar wel breuklijnen en een korrel die per soort verschilt: zacht albast en kalksteen laten zich makkelijker bewerken dan hard graniet of het fijne marmer van Carrara dat Michelangelo gebruikte. Het gereedschap volgt dus altijd uit de aard van het materiaal.

Hout versus steen

Beeldhouwen: hout versus steenTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Aspect · Hout · Steen; Bewerking · gutsen & beitels · beitel & hamer; Eigenschap · vezelrichting, warm · hard, koud, zwaar; 'Truth to material' · de nerf blijft zichtbaar · de steensoort spreekt mee; Risico · splinteren langs de nerf · afbreken van een uitstekend deel, gemarkeerde cel: de nerf blijft zichtbaarASPECTHOUTSTEENBewerkinggutsen & beitelsbeitel & hamerEigenschapvezelrichting, warmhard, koud, zwaar'Truth to material'de nerf blijft zichtbaarde steensoort spreekt meeRisicosplinteren langs de nerfafbreken van een uitstekenddeel
Afb. 3Afb. 3 — Subtractief beeldhouwen: hout en steen vergeleken.
Een kernbegrip bij beeldhouwen is 'truth to material' (trouw aan het materiaal): de gedachte dat je het materiaal niet moet verbergen of laten doen alsof het iets anders is, maar de eigen aard ervan laat meespreken. Bij hout betekent dit dat de nerf zichtbaar blijft en de vorm mee laat lopen; bij steen dat de kleur, korrel en hardheid van de steensoort onderdeel worden van het beeld. Deze houding werd vooral belangrijk in de vroege twintigste eeuw bij het 'direct carving': beeldhouwers als Constantin Brancusi (1876-1957), Henry Moore en Barbara Hepworth (1903-1975) hakten rechtstreeks in het blok, zonder gipsmodel vooraf, om de eigenschappen van hout en steen te eerbiedigen. Moore liet de warme nerf van eikenhout en de openingen in het blok een wezenlijk deel van zijn liggende figuren zijn; het materiaal spreekt zo altijd mee in het uiteindelijke beeld.
Elk materiaal kent zijn eigen risico's, en die kennen betekent ze voor zijn. Bij hout is dat vooral splinteren langs de nerf: hak of snijd je verkeerd om, dan scheurt een spaander los die je niet meer terugkrijgt. Daarom werk je zoveel mogelijk met de nerf mee en houd je je gutsen scherp. Bij steen is het grote gevaar dat een uitstekend, dun deel afbreekt door een verkeerde tik of een verborgen breuklijn; een uitgestoken arm of been is kwetsbaar, en klassieke beelden misten daarom vaak juist die delen. Beeldhouwers laten zulke risicovolle delen bewust dikker staan of ondersteunen ze. Zo dwingt subtractief werken je vooruit te denken en het materiaal te respecteren. In de laatste paragraaf keren we terug naar het additieve en het giet-werk: metaal construeren en brons gieten, waarbij je juist wel weer kunt samenvoegen en vormen kunt herhalen.
Uitgewerkt voorbeeld

Van grof naar fijn in steen

Je krijgt een blok kalksteen en wilt er een eenvoudige gestalte uithakken. Beschrijf hoe je te werk gaat en welk risico je vermijdt.

  1. 01Blok en vorm inschatten

    Bekijk de korrel en breuklijnen; teken de omtrek af en bepaal welke delen weg moeten (je kunt niet terug).

  2. 02Grof weghakken

    Sla met beitel en hamer eerst de grote overtollige delen weg om de hoofdvorm te bepalen.

  3. 03Vorm verfijnen

    Werk van grof naar fijn; laat uitstekende, dunne delen dikker staan zodat ze niet afbreken.

  4. 04Afwerken

    Breng pas op het laatst de details aan en schuur het oppervlak; laat de steensoort meespreken ('truth to material').

Resultaat: Door van grof naar fijn te werken en kwetsbare delen te sparen, komt de gestalte veilig uit het blok tevoorschijn zonder dat een uitstekend deel afbreekt.

Eindexamen-focus

  • Uitleggen dat beeldhouwen subtractief is (wegnemen) en dat je van grof naar fijn werkt
  • Het gereedschap en de eigenschappen van hout en steen vergelijken
  • Het begrip 'truth to material' herkennen en toepassen

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat je weggehakt materiaal kunt herstellen; bij subtractief werken kan dat niet
  • Dwars op de houtnerf werken, waardoor het hout splintert
  • Te vroeg details aanbrengen in plaats van eerst de grove hoofdvorm te bepalen

Actieve herhaling

Vergelijk het beeldhouwen in hout en in steen op bewerking, eigenschappen en risico, en leg uit wat 'truth to material' met beide te maken heeft.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo — beeldhouwen in hout en steen (CvTE / Examenblad)

§ 04

Metaal construeren en brons gieten#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Kernpunten

Metaal is het vierde standaardmateriaal, en het bijzondere is dat je het op twee heel verschillende manieren tot beeld maakt: door te construeren (lassen) of door te gieten. Metaal, en dan vooral brons (een legering van koper en tin), is hard, sterk en duurzaam; bronzen beelden uit de oudheid bestaan na tweeduizend jaar nog steeds. Juist die sterkte maakt vormen mogelijk die in klei of steen onmogelijk zouden zijn: dunne, ver uitstekende of juist open, doorzichtige constructies. Waar boetseren additief is en beeldhouwen subtractief, verenigt metaalbewerking beide werelden: bij construeren voeg je delen samen (additief), en bij gieten leg je een bestaande vorm vast in duurzaam materiaal. In deze laatste paragraaf, die hoort bij de SE-praktijk, kijken we naar allebei: eerst het moderne construeren en lassen, daarna de eeuwenoude verloren-was-methode voor brons.
Construeren betekent dat je losse stukken metaal, zoals staven, platen, buizen of gevonden voorwerpen, samenvoegt tot een open ruimtelijke vorm. Meestal gebeurt dat door lassen: met grote hitte smelt je de randen van twee metalen delen aan elkaar tot een sterke verbinding. Zo ontstaat een assemblage, een beeld dat is opgebouwd uit onderdelen in plaats van uit een massief blok. Deze aanpak is jong: pas rond 1928-1932 ontwikkelden Pablo Picasso en de Spaanse smid-beeldhouwer Julio Gonzalez (1876-1942) het gelaste ijzeren beeld als serieuze kunstvorm. Daarna maakten Amerikanen als David Smith (1906-1965) met zijn glimmende 'Cubi'-reeks en de Brit Anthony Caro (1924-2013) grote gelaste stalen sculpturen, vaak abstract en met veel open ruimte. Het kenmerkende van construeren is juist die openheid: lucht en leegte worden onderdeel van het beeld, iets wat een gegoten of gehakt massief beeld niet kan.
De tweede weg is brons gieten, en de klassieke methode daarvoor is de verloren-was-methode (Frans: 'cire perdue'), een techniek die al duizenden jaren bestaat. Afb. 4 laat de stappen zien. Je begint met een model in was, vaak over een kern; daaromheen bouw je een hittebestendige mal (de gietvorm). Dan verhit je het geheel, zodat de was smelt en volledig wegloopt: de was gaat 'verloren' en laat een holle ruimte achter in precies de vorm van het model. In die holte giet je vloeibaar, roodgloeiend brons. Na afkoelen sla je de mal weg, en ten slotte volgt het nabewerken: bijvijlen, polijsten en een patina aanbrengen (een gekleurde oppervlaktelaag). Omdat de was tijdens het proces verdwijnt, maak je met een enkele mal maar een beeld, tenzij je eerst een rubbermal van het model neemt; op die manier goot men door de eeuwen heen ook grotere oplagen.

Verloren-was-methode

Verloren-was-methode (cire perdue)Graaf, wasmodel → mal eromheen (gietvorm), mal eromheen (gietvorm) → was uitsmelten, was uitsmelten → vloeibaar brons ingieten, vloeibaar brons ingieten → mal verwijderen, mal verwijderen → nabewerken & patinawasmodelmal eromheen(gietvorm)was uitsmeltenvloeibaar bronsingietenmal verwijderennabewerken &patinamal eromheenverhittenbrons erinafkoelenafwerken
Afb. 4Afb. 4 — Brons gieten via de verloren-was-methode (cire perdue).
De verloren-was-methode verbindt de alleroudste en de allernieuwste beeldhouwkunst. De Griekse Riace-bronzen (rond 460-450 v.Chr.) en de West-Afrikaanse Benin-bronzen werden er al mee gemaakt, en in de renaissance goot Benvenuto Cellini zijn 'Perseus met het hoofd van Medusa' (1545-1554) met deze techniek. Ook Donatello's 'David' en Rodins 'De Denker' zijn gegoten brons; de kunstenaar boetseert dan in klei of was, waarna een gieterij het beeld in brons uitvoert. Zo sluit deze paragraaf de cirkel: het additieve boetseren uit paragraaf twee levert vaak het model dat via het gieten in duurzaam brons wordt vastgelegd. Metaal laat daarmee zien dat de vier materialen geen losse eilanden zijn: klei, gips, hout en metaal, en de technieken boetseren, gieten, beeldhouwen en construeren, vullen elkaar aan. Bij het maken van je eigen ruimtelijke werk kies je bewust welke combinatie het beste bij je ontwerp past.
Uitgewerkt voorbeeld

Materiaal en techniek kiezen bij een ontwerp

Je ontwerp is een luchtige, abstracte vorm met veel open ruimte en dunne, uitstekende delen, bedoeld om buiten te staan. Kies een materiaal en techniek en beargumenteer je keuze.

  1. 01Eisen uit het ontwerp halen

    Het werk moet open en luchtig zijn, dunne uitstekende delen hebben en weersbestendig buiten kunnen staan.

  2. 02Materialen afwegen

    Klei en steen vallen af: massief, zwaar en breekbaar bij dunne delen; metaal is sterk en weerbestendig.

  3. 03Techniek kiezen

    Kies construeren/lassen: door staven en platen samen te voegen ontstaat een open, sterke assemblage met veel leegte.

  4. 04Keuze verantwoorden

    Gelast staal of brons draagt dunne, uitstekende delen en blijft buiten staan; open ruimte hoort bij construeren, niet bij een massief gegoten of gehakt blok.

Resultaat: Voor een open, luchtige buitensculptuur met dunne delen kies je metaal en de constructie-/lastechniek, omdat alleen die de sterkte en de open ruimtelijke vorm combineert.

Eindexamen-focus

  • De twee manieren om metaal te bewerken onderscheiden: construeren/lassen en (brons) gieten
  • De stappen van de verloren-was-methode (cire perdue) op volgorde benoemen
  • Construeren als additieve, open assemblage herkennen tegenover een massief gegoten beeld

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat brons rechtstreeks wordt geboetseerd; het model is van was of klei en wordt daarna gegoten
  • De verloren-was-methode verwarren met gieten in een herbruikbare mal; de was gaat juist verloren
  • Construeren (samenvoegen) en gieten (vorm vastleggen) door elkaar halen

Actieve herhaling

Leg de verloren-was-methode uit in stappen, en beargumenteer wanneer je voor een ontwerp beter kunt construeren (lassen) dan gieten.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo — metaal construeren en brons gieten (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01De materialen en hun eigenschappen○
    • 02Boetseren met klei◐
    • 03Hout en steen beeldhouwen◐
    • 04Metaal construeren en brons gieten●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Praktijk (schoolexamen): ruimtelijk werk met materialen (klei, gips, hout, metaal)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~18
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo — materialen en eigenschappen

Vorig onderwerp

Kunstgeschiedenis: hedendaagse kunst en vormgeving

Volgend onderwerp

Praktijk: plastische vormgeving en driedimensionale technieken

EuraStudy·Samenvattingen T·11·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.