EuraStudy
Samenvattingen/Handvaardigheid/Praktijk: plastische vormgeving en driedimensionale technieken
Samenvattingen · HandvaardigheidNL · HAVO

Praktijk: plastische vormgeving en driedimensionale technieken

Deze SE-praktijkmodule behandelt de standaard driedimensionale technieken van handvaardigheid: additief opbouwen (boetseren, construeren), subtractief wegnemen (beeldhouwen in hout en steen) en afvormen of gieten (gips, brons). Je leert construeren en assembleren tot open vormen, plastische vormgeving met massa, holte en silhouet, en het ontwerpproces van schets via maquette en materiaalkeuze naar uitvoering. De nadruk ligt op het zelf kiezen en bewerken van materiaal en techniek passend bij een eigen ruimtelijk ontwerp.

4 Onderdelen·~22 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·121212 / 13
Examenprofiel
Ruimtelijk werk maken met additieve, subtractieve en afvormende of gietende 3D-technieken (SE-praktijk)Materiaal en techniek doelbewust kiezen en bewerken passend bij een eigen ruimtelijk ontwerp (SE-praktijk)Een ontwerpproces doorlopen van schets via maquette of proefmodel naar uitvoeringReflecteren op massa, volume, holte, silhouet en rondom werken in eigen ruimtelijk werk
Operatoren:construeervormkiesleg uitberedeneervergelijk

basisniveau

Voor het CE 'kunst beschouwen' helpt deze module je 3D-technieken, reliefsoorten en plastische begrippen (massa, holte, silhouet) in bestaand beeldhouwwerk te herkennen en te beschrijven.

verhoogd niveau

Voor de SE-praktijk koppel je deze technieken en het ontwerpproces direct aan je eigen ruimtelijke werk: je kiest beargumenteerd materiaal en techniek en werkt van maquette naar uitvoering.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Praktijk: plastische vormgeving en driedimensionale technieken
    • 01Additief, subtractief en afvormen: de drie basismethoden○
    • 02Construeren en assembleren: open ruimtelijke vormen◐
    • 03Plastische vormgeving: massa, holte en silhouet◐
    • 04Van ontwerp naar ruimtelijk werk: het ontwerpproces●
§ 01

Additief, subtractief en afvormen: de drie basismethoden#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kernpunten

Ruimtelijk of driedimensionaal werk maak je in de praktijk met drie basismethoden, en het is verstandig die eerst scherp uit elkaar te houden. Bij de additieve methode bouw je vorm OP: je voegt materiaal toe totdat het beeld ontstaat, bijvoorbeeld door klei te boetseren of losse delen te construeren en te assembleren. Bij de subtractieve methode doe je het omgekeerde: je neemt materiaal WEG uit een massief blok, zoals bij beeldhouwen in hout of steen, waarbij de vorm als het ware uit het blok wordt bevrijd. Bij afvormen en gieten maak je eerst een mal (een negatieve holte) en giet je daar een vloeibaar materiaal in, zoals gips of brons, dat uithardt tot de definitieve vorm. Afb. 1 zet deze indeling als boomstructuur neer: de stam '3D-technieken' vertakt naar additief (opbouwen), subtractief (wegnemen) en afvormen of gieten, met onder elke tak de concrete technieken. Als SE-praktijkvak vraagt handvaardigheid dat je deze methoden niet alleen herkent, maar ook zelf toepast en bewust kiest welke bij jouw ontwerp past.

Indeling van 3D-technieken

Indeling van 3D-techniekenBoomdiagram, 6 paden, Gegevens: additief (opbouwen) → boetseren (klei); additief (opbouwen) → construeren / assembleren; subtractief (wegnemen) → beeldhouwen (hout); subtractief (wegnemen) → beeldhouwen (steen); afvormen / gieten → gips gieten; afvormen / gieten → brons gietenadditief (opb…subtractief (…afvormen / gi…3D-techniekenboetseren (kl…construeren /…beeldhouwen (…beeldhouwen (…gips gietenbrons gieten
Afb. 1Afb. 1 — Indeling van driedimensionale technieken: additief, subtractief en afvormen of gieten.
De additieve methode is het meest vergevingsgezind en daarom vaak het startpunt in de les: je kunt materiaal blijven toevoegen en weer wegduwen tot de vorm klopt. Boetseren in klei is het schoolvoorbeeld: de klei is zacht, je werkt met je handen en eenvoudig gereedschap (boetseerhoutjes, lussen), en je kunt eindeloos corrigeren zolang de klei niet is uitgedroogd. Grote beeldhouwers werkten juist zo. Auguste Rodin modelleerde 'De Denker' (Le Penseur, 1880-1882) eerst in klei en gips voordat het in brons werd gegoten, en Edgar Degas boetseerde zijn 'Kleine danseres van veertien jaar' (1881) oorspronkelijk in was. Kenmerkend voor additief werken is dat de vorm van binnenuit groeit; bij grotere kleibeelden bouw je daarom vaak om een armatuur (een metalen of houten geraamte) heen, zodat het gewicht van de klei niet inzakt. Omdat je toevoegt en niets onherstelbaar wegneemt, leent additief werken zich uitstekend voor het uitproberen en bijstellen van een idee, precies wat je in het ontwerpproces nodig hebt.
De subtractieve methode werkt volgens het omgekeerde principe: het materiaal is er al, en je haalt weg wat niet tot de vorm hoort. Michelangelo verwoordde dit idee beroemd door te stellen dat het beeld al 'in het blok' zit en dat de beeldhouwer het alleen hoeft te bevrijden; zijn marmeren 'David' (1501-1504) is daarvan het klassieke voorbeeld. Juist omdat wegnemen onomkeerbaar is, vraagt deze methode veel vooruitdenken: een verkeerde beitelslag in steen of hout kun je niet ongedaan maken. Beeldhouwers werken daarom van grof naar fijn, eerst grote delen met punthamer en beitel (bij steen) of guts en hamer (bij hout), daarna steeds verfijnder tot het polijsten. De materiaaleigenschappen sturen de vorm sterk: hout heeft een nerf die de richting van je snede bepaalt en kan splijten, terwijl steen bros is en langs verkeerde vlakken kan breken. Voor de SE-praktijk betekent dit dat je bij subtractief werk je ontwerp goed doordenkt en materiaalgericht kiest voordat de eerste snede valt.
De derde methode, afvormen en gieten, maakt het mogelijk een vorm te vermenigvuldigen of in een sterker materiaal uit te voeren dan waarin hij is bedacht. Je maakt eerst een model (bijvoorbeeld in klei of was), daaromheen een mal, en in die negatieve holte giet je een vloeibaar materiaal dat uithardt. Bij gips gieten is dat eenvoudig en goedkoop, ideaal om een geboetseerde vorm duurzaam vast te leggen of een oplage te maken. Brons gieten gebeurt klassiek met de verloren-was-methode (cire perdue): het wasmodel wordt door verhitting uit de mal gesmolten en vervangen door vloeibaar brons. Zo ontstond Donatello's bronzen 'David' (circa 1440), en zo werden ontelbare latere beelden gegoten. Een belangrijk inzicht is dat het uiteindelijke materiaal vaak NIET het materiaal is waarin de kunstenaar boetseerde: het additieve kleimodel en het gegoten bronsbeeld zijn dezelfde vorm in twee fasen. Deze drie methoden, opbouwen, wegnemen en afvormen, vormen samen het fundament waarop de volgende secties over construeren, plastische vormgeving en het ontwerpproces voortbouwen.
Uitgewerkt voorbeeld

Techniek bepalen bij Michelangelo, Rodin en Donatello

Bepaal voor Michelangelo's 'David' (marmer), Rodin's 'De Denker' en Donatello's 'David' (brons) welke basismethode is gebruikt, en beredeneer per werk je keuze.

  1. 01Marmeren David (Michelangelo)

    Marmer is een harde steen die je niet kunt kneden of toevoegen; de vorm is uit een blok gehakt. Conclusie: subtractief, beeldhouwen in steen.

  2. 02De Denker (Rodin)

    Rodin modelleerde het beeld eerst in klei en gips; die zachte, opgebouwde vorm werd later in brons gegoten. De oorsprong is additief (boetseren), gevolgd door afvormen.

  3. 03Bronzen David (Donatello)

    Brons is een gietmetaal; het beeld ontstond met de verloren-was-methode uit een mal. Conclusie: afvormen of gieten, met een geboetseerd model als basis.

  4. 04Vergelijk en formuleer

    Let telkens op het materiaal: kneedbaar en opgebouwd wijst op additief, een massief hard blok op subtractief, en een gietmetaal op afvormen.

Resultaat: David (marmer) is subtractief; De Denker is additief geboetseerd en daarna gegoten; David (brons) is afvormen of gieten. De techniek volgt telkens uit de materiaaleigenschappen.

Eindexamen-focus

  • Het CE 'kunst beschouwen' vraagt je een gegeven beeld toe te wijzen aan een techniek (boetseren, beeldhouwen, construeren of gieten) en die keuze te beargumenteren met zichtbare materiaalsporen.
  • De SE-praktijk toetst of je zelf een passende 3D-techniek kiest en beheerst voor je eigen ruimtelijke ontwerp.

Veelgemaakte fouten

  • Additief en subtractief verwarren: boetseren en construeren zijn OPbouwend, beeldhouwen is WEGnemend, dus let op de richting van het proces.
  • Denken dat een bronzen beeld 'in brons gemaakt' is, terwijl het meestal is geboetseerd in klei of was en daarna is gegoten (afvormen).

Actieve herhaling

Kies drie bestaande ruimtelijke kunstwerken en bepaal per werk of het additief, subtractief of via afvormen/gieten tot stand kwam. Beredeneer je keuze aan de hand van zichtbare materiaalsporen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo — driedimensionale technieken (CvTE / Examenblad)

§ 02

Construeren en assembleren: open ruimtelijke vormen#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Construeren is een aparte, moderne vorm van additief werken: in plaats van een massieve vorm op te bouwen of uit te hakken, verbind je losse delen en materialen tot een ruimtelijk geheel dat vaak OPEN is. Waar een geboetseerd of gehakt beeld gesloten en massief is, laat een geconstrueerd beeld de ruimte er als het ware doorheen lopen: de lege ruimte tussen de delen doet volwaardig mee. Afb. 2 laat dit als processchema zien, van 'losse delen / materialen', via 'verbinden' (lassen, lijmen, schroeven, monteren), naar de benadrukte 'ruimtelijke constructie (open vorm)'. Deze manier van werken werd pas mogelijk in de vroege twintigste eeuw, met het kubisme en het constructivisme, die het beeld radicaal opnieuw dachten: niet als weergave van een massa, maar als een opbouw van vlakken, lijnen en lege ruimte. Voor de SE-praktijk is construeren aantrekkelijk omdat je met alledaagse materialen, karton, hout, metaal en draad, zonder dure gereedschappen een echt ruimtelijk beeld kunt maken.

Construeren tot een open vorm

Construeren tot een open ruimtelijke vormGraaf, losse delen / materialen → verbinden: lassen/lijmen/schroeven, verbinden: lassen/lijmen/schroeven → ruimtelijke constructie (open vorm)losse delen /materialenverbinden:lassen/lijmen/schroevenruimtelijkeconstructie(open vorm)samenvoegenopbouwen
Afb. 2Afb. 2 — Construeren: losse delen verbinden tot een open ruimtelijke constructie.
Het beginpunt van de geconstrueerde sculptuur is Pablo Picasso's 'Gitaar' (Guitare): in 1912 in karton en in 1914 in plaatmetaal en draad bouwde hij een gitaar op uit losse, platte delen, in plaats van een massieve vorm te boetseren of te hakken. De cilinder van het klankgat steekt daarbij naar buiten in plaats van als holte naar binnen, een omkering die liet zien hoe vrij je met ruimte kon omgaan. In Rusland dreef het constructivisme dit verder: Vladimir Tatlin ontwierp zijn 'Monument voor de Derde Internationale' (1919-1920) als een spiraalvormige, open ijzerconstructie, en Naum Gabo en Antoine Pevsner bepleitten in hun manifest van 1920 het beeld als ijle constructie van ruimte in plaats van massa. De Spanjaard Julio Gonzalez bracht het lassen als beeldhouwtechniek naar voren en leerde Picasso ijzer lassen; werken als 'Vrouw die haar haar kamt' (circa 1931) zijn open, bijna tekening-achtige constructies in de ruimte. Deze makers bewijzen dat construeren geen trucje is, maar een eigen beeldtaal waarin massa wordt vervangen door lijn en leegte.
Naast het construeren uit neutrale materialen staat de assemblage: hierbij voeg je BESTAANDE voorwerpen of materialen samen tot een nieuw beeld, waarbij de herkomst van de onderdelen vaak zichtbaar en betekenisvol blijft. Het is de ruimtelijke tegenhanger van de collage, waarin platte materialen worden opgeplakt. Marcel Duchamp maakte met zijn 'readymades', zoals het 'Fietswiel' (1913), al een bestaand voorwerp tot kunst; Pablo Picasso vatte de assemblage geestig samen in 'Stierenkop' (Tete de taureau, 1942), waarin een fietszadel en een stuur samen onmiskenbaar een stierenkop vormen. Het sterke van assemblage is dat de kijker de oorspronkelijke voorwerpen herkent en tegelijk de nieuwe voorstelling ziet: er ontstaat een dubbele betekenis. Louise Nevelson bouwde hele wanden van gevonden houten fragmenten die ze egaal zwart schilderde, waardoor losse reststukken tot een samenhangend reliefachtig geheel versmelten. Voor jouw praktijk betekent dit dat materiaalkeuze meteen ook een inhoudelijke keuze is: wat een voorwerp eerst 'was', kleurt wat het beeld gaat betekenen.
Wat construeren en assembleren technisch vragen, is vooral goed VERBINDEN, want de stevigheid van een open beeld zit in de verbindingen. Metaal kun je lassen (permanent en sterk) of solderen; hout en karton lijm je, schroef je, spijker je of pen je met houten deuvels; draad en staafjes buig en knoop je. Omdat een geconstrueerd beeld vaak weinig steunvlak heeft, moet je het zwaartepunt en de balans doordenken: een breed of verzwaard voetstuk of een intern skelet houdt het overeind. Anders dan bij een massief beeld ontwerp je hier bewust met LEGE ruimte, want de openingen, doorkijkjes en negatieve ruimte zijn geen restproduct maar dragende beeldelementen. Dat idee, dat de lege ruimte meetelt, keert terug in de volgende sectie over plastische vormgeving, waar de doorbroken vorm en het silhouet centraal staan. In de SE-praktijk wordt van je verwacht dat je een geconstrueerd of geassembleerd werk niet alleen bedenkt, maar het ook constructief laat kloppen: stevig, in balans, en met de open ruimte als bewuste keuze.
Uitgewerkt voorbeeld

Construeren of assemblage? Twee werken analyseren

Bepaal of Picasso's 'Gitaar' (1914) en Picasso's 'Stierenkop' (1942) voorbeelden van construeren of van assemblage zijn, en verklaar het onderscheid.

  1. 01Gitaar (1914) bekijken

    Picasso knipte en boog neutrale delen van plaatmetaal en draad en verbond die tot een open gitaarvorm. De onderdelen zijn geen bestaande voorwerpen. Dit is construeren.

  2. 02Stierenkop (1942) bekijken

    Hier zijn twee HERKENBARE bestaande voorwerpen gebruikt, een fietszadel en een stuur, samengevoegd tot een stierenkop. Dit is assemblage.

  3. 03Criterium formuleren

    De scheidslijn is de herkomst van de delen: neutrale, bewerkte materialen wijzen op construeren; herkenbare gebruiksvoorwerpen met eigen betekenis op assemblage.

  4. 04Rol van de open vorm

    Beide zijn open, ruimtelijke werken waarin de lege ruimte meedoet; het onderscheid zit niet in de openheid maar in het uitgangsmateriaal.

Resultaat: Gitaar (1914) is construeren uit neutrale materialen; Stierenkop (1942) is assemblage uit bestaande voorwerpen. Het verschil zit in de herkomst van de onderdelen, niet in de open vorm.

Eindexamen-focus

  • Bij 'kunst beschouwen' moet je construeren (uit neutrale materialen) en assemblage (uit bestaande voorwerpen) kunnen onderscheiden en koppelen aan het kubisme en het constructivisme.
  • De SE-praktijk toetst of je losse delen constructief en in balans tot een open ruimtelijk geheel verbindt.

Veelgemaakte fouten

  • Assemblage en construeren door elkaar halen: assemblage gebruikt HERKENBARE bestaande voorwerpen, construeren bouwt op uit neutrale materialen of delen.
  • De lege ruimte in een open constructie als 'leegte' zien in plaats van als dragend beeldelement (negatieve ruimte).

Actieve herhaling

Ontwerp een open ruimtelijke constructie van losse materialen naar keuze. Leg uit welke verbindingstechnieken je gebruikt en hoe je de balans en de negatieve ruimte bewust inzet.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo — construeren en assemblage (CvTE / Examenblad)

§ 03

Plastische vormgeving: massa, holte en silhouet#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Plastische vormgeving gaat over hoe een ruimtelijk werk zich in de ruimte gedraagt: over massa, volume, holte, silhouet en de vraag of je het van een of van alle kanten bekijkt. Massa is de indruk van vaste, gesloten stof; volume is de ruimte die de vorm inneemt; en de holte of negatieve ruimte is de lege ruimte die door of om de vorm heen loopt en die evengoed meetelt. Een eerste ordenend onderscheid is dat tussen het reliëf en het vrijstaande beeld. Bij een reliëf komt de vorm uit een achterliggend vlak naar voren en bekijk je het beeld frontaal; bij een vrijstaand of rondom-beeld staat de vorm los en kun je eromheen lopen. Afb. 3 zet deze reeks in een tabel: van laagreliëf (ondiep, bijna tweedimensionaal), via hoogreliëf (diep, delen bijna los), naar het vrijstaande beeld en de doorbroken vorm waarin de holte volwaardig meedoet. Zo loopt de reeks van 'bijna plat' naar 'volledig ruimtelijk', en die ordening helpt je elke sculptuur te plaatsen.

Van reliëf tot doorbroken vorm

Plastische vormen: van relief tot doorbroken vormTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Vorm · Beschrijving · Kenmerk; laagrelief (bas-relief) · ondiep uit het vlak · bijna tweedimensionaal; hoogrelief · diep uit het vlak, delen bijna los · sterke schaduwwerking; vrijstaand / rondom · van alle kanten te bekijken · echte silhouetten uit elke hoek; doorbroken vorm · met holtes · negatieve ruimte doet mee, gemarkeerde cel: echte silhouetten uit elke hoekVORMBESCHRIJVINGKENMERKlaagrelief (bas-relief)ondiep uit het vlakbijna tweedimensionaalhoogreliefdiep uit het vlak, delenbijna lossterke schaduwwerkingvrijstaand / rondomvan alle kanten te bekijkenechte silhouetten uit elkehoekdoorbroken vormmet holtesnegatieve ruimte doet mee
Afb. 3Afb. 3 — Van laagreliëf via hoogreliëf naar vrijstaand en doorbroken werk.
Het reliëf laat mooi zien hoe de mate van diepte de werking bepaalt. Bij het laagreliëf (bas-reliëf) steken de vormen maar weinig uit het vlak; het beeld blijft bijna tweedimensionaal en werkt vooral door lijn en lichte schaduw, zoals de figuren op munten. Donatello ontwikkelde hiervan een uiterst verfijnde variant, het 'schiacciato' (letterlijk 'platgedrukt'), waarmee hij met minieme diepteverschillen toch ruimtelijke diepte suggereerde. Bij het hoogreliëf komen de vormen ver uit het vlak, zijn delen soms bijna los, en ontstaat er sterke schaduwwerking die het beeld dramatisch maakt. Lorenzo Ghiberti's 'Paradijspoort' (Porta del Paradiso, 1425-1452) voor de doopkapel in Florence combineert beide: op de voorgrond bijna losstaand hoogreliëf, naar achteren toe steeds ondieper, zodat ruimtelijke diepte ontstaat als in een schilderij. Het reliëf is dus een tussenvorm tussen tekenen of schilderen en vrijstaand beeldhouwen, en juist die tussenpositie maakt het een geliefd onderwerp om diepte- en schaduwwerking te analyseren.
Het vrijstaande of rondom-beeld staat volledig los van een achtergrond, zodat je eromheen kunt lopen en het van alle kanten een eigen aanblik geeft. Dat stelt een bijzondere eis aan de maker: het beeld moet vanuit ELKE hoek kloppen, want er is geen 'achterkant' die verborgen blijft. Michelangelo's marmeren 'David' (1501-1504) is hiervan het schoolvoorbeeld: of je nu voor, opzij of achter staat, telkens ontstaat een samenhangend, spanningsvol silhouet. Het silhouet, de omtreklijn die het beeld tegen de ruimte aftekent, is bij vrijstaand werk een van je belangrijkste ontwerpmiddelen; een sterk beeld heeft uit iedere hoek een leesbare, boeiende omtrek. Dat rondom leesbare silhouet is precies de eigenschap die in de tabel wordt benadrukt: bij het vrijstaande, rondom te bekijken beeld horen 'echte silhouetten uit elke hoek'. Rondom werken betekent daarom dat je tijdens het maken voortdurend om je werk heen draait en het vanuit alle standpunten controleert, een gewoonte die in de SE-praktijk zwaar meetelt bij de beoordeling van ruimtelijk werk.
De laatste stap in de reeks is de doorbroken vorm: een vrijstaand beeld waarin bewust GATEN en holtes zijn aangebracht, zodat de negatieve ruimte dwars door het beeld heen loopt en volwaardig gaat meedoen. Dit is een typisch twintigste-eeuwse verworvenheid. Henry Moore doorboorde zijn liggende figuren met openingen; in werken als 'Recumbent Figure' (1938) wordt de holte net zo belangrijk als de massa, en kijk je door het beeld heen naar de ruimte erachter. Barbara Hepworth ging nog verder met haar doorboorde vormen, zoals 'Pelagos' (1946), waarin een uitgeholde vorm met gespannen draden de binnenruimte activeert. De doorbroken vorm laat scherp zien wat plastische vormgeving in de kern is: het samenspel van massa en ruimte, waarbij vol en leeg elkaar nodig hebben. Deze aandacht voor massa, volume, holte en silhouet neem je mee naar de laatste sectie, waar je van ontwerp naar uitvoering werkt en je materiaal- en techniekkeuze precies deze ruimtelijke eigenschappen moet waarmaken.
Uitgewerkt voorbeeld

Van laagreliëf naar doorbroken vorm ordenen

Orden de volgende vier werken van 'bijna plat' naar 'volledig ruimtelijk' en benoem per werk het kenmerk: een muntportret (laagreliëf), Ghiberti's Paradijspoort, Michelangelo's David en Henry Moore's doorboorde liggende figuur.

  1. 01Muntportret

    De kop steekt maar minimaal uit het vlak en blijft bijna tweedimensionaal: laagreliëf (bas-reliëf), werkend door lijn en lichte schaduw.

  2. 02Paradijspoort (Ghiberti)

    Delen komen ver uit het vlak, soms bijna los, met sterke schaduwwerking en gesuggereerde diepte: hoogreliëf.

  3. 03David (Michelangelo)

    Het beeld staat volledig los en is rondom te bekijken; het silhouet klopt uit elke hoek: vrijstaand beeld.

  4. 04Liggende figuur (Moore)

    Het beeld is vrijstaand en bovendien doorboord, zodat de negatieve ruimte er dwars doorheen loopt: doorbroken vorm.

Resultaat: De reeks loopt van laagreliëf (munt) via hoogreliëf (Paradijspoort) naar vrijstaand (David) en ten slotte de doorbroken vorm (Moore): steeds meer ruimte doet mee, van bijna plat tot volledig ruimtelijk.

Eindexamen-focus

  • Het CE vraagt je laagreliëf, hoogreliëf en vrijstaand of doorbroken werk te herkennen en de diepte- en schaduwwerking te beschrijven.
  • De SE-praktijk beoordeelt of jouw ruimtelijke werk rondom klopt: een leesbaar silhouet en een bewust samenspel van massa en holte.

Veelgemaakte fouten

  • Een reliëf een 'vrijstaand beeld' noemen: een reliëf hangt vast aan een achtergrondvlak en wordt frontaal bekeken.
  • Alleen de massa vormgeven en de negatieve ruimte (holtes, doorkijkjes, silhouet) vergeten, terwijl die evenveel meetellen.

Actieve herhaling

Analyseer een vrijstaand beeld naar keuze vanuit minstens drie standpunten. Beschrijf per standpunt het silhouet en leg uit hoe massa en negatieve ruimte samen de vorm bepalen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo — plastische vormgeving, massa en ruimte (CvTE / Examenblad)

§ 04

Van ontwerp naar ruimtelijk werk: het ontwerpproces#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Kernpunten

Een geslaagd ruimtelijk werk ontstaat zelden in een keer; het is de uitkomst van een ontwerpproces dat je bewust doorloopt. In de SE-praktijk wordt dat proces expliciet beoordeeld, en het verloopt in grote lijnen in vier fasen. Afb. 4 zet die fasen als processchema neer: van 'schets / idee', via 'maquette / proefmodel' en de benadrukte 'materiaal- & techniekkeuze', naar de 'uitvoering'. In de eerste fase verken je met schetsen, woorden en verzamelde beelden je idee: wat wil je maken, wat moet het uitdrukken, hoe groot wordt het en waar komt het te staan? Belangrijk is dat een ruimtelijk idee zich niet in een enkele tekening laat vangen; je schetst het daarom vanuit meerdere standpunten, want je ontwerpt een vorm die van alle kanten moet kloppen. Deze onderzoeksfase is bewust breed en vrijblijvend: je genereert veel mogelijkheden voordat je kiest, precies zoals additief werken je in de eerste sectie de ruimte gaf om te blijven bijstellen.

Ontwerpproces voor ruimtelijk werk

Ontwerpproces voor ruimtelijk werkGraaf, schets / idee → maquette / proefmodel, maquette / proefmodel → materiaal- & techniekkeuze, materiaal- & techniekkeuze → uitvoeringschets / ideemaquette /proefmodelmateriaal-&techniekkeuzeuitvoeringuitwerkentoetsenrealiseren
Afb. 4Afb. 4 — Ontwerpproces voor ruimtelijk werk: van schets naar uitvoering.
De tweede fase, de maquette of het proefmodel, is de brug tussen tekening en werkstuk en misschien wel de belangrijkste stap bij ruimtelijk werk. Een maquette is een kleine, snelle driedimensionale proefvorm, in klei, karton, piepschuim, ijzerdraad of papier-mache, waarmee je test wat op papier niet te zien is: verhoudingen, balans, het silhouet vanuit alle kanten en of de constructie overeind blijft. Beeldhouwers werken al eeuwen zo; de kleine voorstudies die Michelangelo en tijdgenoten in was of klei kneedden, de zogenoemde 'bozzetti', dienden precies dit doel. Een maquette maken is bovendien goedkoop falen: je ontdekt een ontwerpfout in karton in plaats van pas in dure steen of na uren lassen. Vaak maak je meerdere maquettes en varieer je bewust met vorm, stand en verhouding om te vergelijken welke oplossing het sterkst is. Voor grote of publieke werken is de maquette ook het middel waarmee je je plan aan anderen toont en toetst voordat de kostbare uitvoering begint.
De derde fase is de materiaal- en techniekkeuze, en die is in het processchema niet voor niets benadrukt: je materiaal is geen neutrale 'verpakking' van een af idee, maar bepaalt de vorm mede. Elk materiaal heeft eigen mogelijkheden en grenzen. Klei en gips laten fijne, ronde details toe maar zijn kwetsbaar; hout heeft een nerf en warmte maar kan splijten; steen straalt massa en duurzaamheid uit maar is bros; metaal kun je lassen tot ijle, open vormen; textiel of draad geeft juist zachte, buigzame vormen. Constantin Brancusi liet zien hoe ver dit gaat: zijn 'Vogel in de ruimte' (L'Oiseau dans l'espace, vanaf 1923) ontleent zijn zweefgevoel juist aan het spiegelend gepolijste brons of het gladde marmer; hetzelfde idee in een ander materiaal wordt een ander beeld. Richard Serra bouwt zijn enorme, roestende cortenstaal-sculpturen zo dat het materiaal, met zijn gewicht en oppervlak, de hele ervaring draagt. De les voor jouw praktijk is dat je materiaal en techniek kiest passend bij wat de vorm moet uitdrukken, en dat een andere keuze een ander werk oplevert.
De vierde fase is de uitvoering: je maakt het definitieve werk op ware grootte in het gekozen materiaal, met de techniek die je in de maquettefase hebt beproefd. Nu komen alle eerdere secties samen. Je past de basismethode toe, additief opbouwen, subtractief wegnemen of afvormen en gieten uit de eerste sectie, en gebruikt waar nodig construeren of assemblage uit de tweede, terwijl je voortdurend let op massa, volume, silhouet en negatieve ruimte uit de derde. Belangrijk is dat het ontwerpproces geen strakke eenrichtingsweg is: als bij de uitvoering blijkt dat een verbinding niet houdt of het silhouet niet klopt, ga je terug naar de maquette of pas je je materiaalkeuze aan. Juist dat heen en weer schakelen tussen ontwerpen, proberen en bijstellen kenmerkt vakmanschap in de praktijk. In de SE-praktijk laat je dit hele traject zien in je proces- of schetsboek: niet alleen het eindwerk telt, maar ook de zichtbare weg van idee via maquette en materiaalkeuze naar een ruimtelijk werk dat van alle kanten klopt.
Uitgewerkt voorbeeld

Een gedenkteken uitwerken van schets naar uitvoering

Je krijgt de opdracht een klein gedenkteken te ontwerpen dat 'veerkracht' uitdrukt. Werk het uit langs de vier fasen en kies beargumenteerd een materiaal en techniek.

  1. 01Schets / idee

    Ik verken 'veerkracht' met schetsen vanuit meerdere standpunten en kies een opwaarts buigende, slanke vorm die lijkt door te veren; ik noteer formaat en plek.

  2. 02Maquette / proefmodel

    Ik buig het idee in ijzerdraad en karton tot een maquette, draai eromheen en test of het silhouet uit elke hoek veert en of de vorm in balans blijft.

  3. 03Materiaal- & techniekkeuze

    Ik kies gelast staal: het is sterk genoeg voor een slanke, open vorm en de dunne lijnen versterken het idee van spanning en veerkracht. Klei of steen zou te massief en bros zijn.

  4. 04Uitvoering

    Ik las het staal op ware grootte, controleer balans en silhouet rondom, en stel bij door terug te grijpen op de maquette waar een lijn niet doorveert.

Resultaat: Het gedenkteken ontstaat door de vier fasen bewust te doorlopen; de keuze voor gelast staal maakt de slanke, doorverende open vorm mogelijk, terwijl een ander materiaal het idee van veerkracht zou verzwakken.

Eindexamen-focus

  • De SE-praktijk beoordeelt het hele ontwerpproces, schets, maquette, materiaal- en techniekkeuze en uitvoering, zichtbaar in je proces- of schetsboek en niet alleen het eindwerk.
  • Bij 'kunst beschouwen' kun je gevraagd worden te beredeneren hoe de materiaalkeuze van een gegeven beeld de vorm en betekenis mede bepaalt.

Veelgemaakte fouten

  • De maquettefase overslaan en meteen groot en definitief beginnen, waardoor ontwerpfouten pas in het dure eindmateriaal zichtbaar worden.
  • Materiaal als bijzaak zien ('ik bedenk de vorm en kies daarna wel iets'), terwijl het materiaal de vorm en uitstraling mede bepaalt.

Actieve herhaling

Werk een eigen ruimtelijk ontwerp uit van schets tot uitvoering. Doorloop de vier fasen, kies beargumenteerd een materiaal en techniek, en leg uit hoe die keuze de uiteindelijke vorm beinvloedt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo — van ontwerp naar ruimtelijk werk (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Additief, subtractief en afvormen: de drie basismethoden○
    • 02Construeren en assembleren: open ruimtelijke vormen◐
    • 03Plastische vormgeving: massa, holte en silhouet◐
    • 04Van ontwerp naar ruimtelijk werk: het ontwerpproces●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Praktijk: plastische vormgeving en driedimensionale technieken

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~22
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo — driedimensionale technieken

Vorig onderwerp

Praktijk (schoolexamen): ruimtelijk werk met materialen (klei, gips, hout, metaal)

Volgend onderwerp

Praktijk: werkproces, reflectie en presentatie (werkstuk en dossier)

EuraStudy·Samenvattingen T·12·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.