EuraStudy
Samenvattingen/Handvaardigheid/Praktijk: werkproces, reflectie en presentatie (werkstuk en dossier)
Samenvattingen · HandvaardigheidNL · HAVO

Praktijk: werkproces, reflectie en presentatie (werkstuk en dossier)

Dit onderwerp hoort bij de SE-praktijk van handvaardigheid: het beeldende, driedimensionale werkproces, de reflectie daarop en het werkdossier. Je leert het beeldend werkproces als cyclus doorlopen (orienteren, onderzoeken, uitvoeren, evalueren), hoe beeldend onderzoek en materiaalexperiment je ruimtelijke werk aandrijven, en hoe je op proces en product reflecteert. Ten slotte bundel je onderzoek, schetsen, materiaalproeven, eindwerk en reflectie in een werkdossier (procesboek) dat samen met het eindwerk de basis vormt voor de schoolexamenbeoordeling.

4 Onderdelen·~21 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·131313 / 13
Examenprofiel
SE-praktijk: een volledig beeldend, ruimtelijk werkproces doorlopen van orientatie tot afgerond werkstukBeeldend onderzoek en materiaalexperiment inzetten als motor van het ruimtelijke werkReflecteren op het eigen proces en product met het begrippenapparaat van de beeldende vakkenHet werkproces vastleggen en verantwoorden in een werkdossier (procesboek) en het eigen werk presenteren
Operatoren:onderzoekreflecteerevalueerpresenteerleg uitberedeneer

basisniveau

De vaktaal waarmee je je eigen ruimtelijke proces verantwoordt, is dezelfde waarmee je op het centraal examen kunst beschouwt: wie zelf boetseert en construeert, leest de keuzes van beeldhouwers scherper.

verhoogd niveau

Wie zich verdiept, stuurt het eigen ruimtelijke werkproces bewuster bij en verantwoordt materiaal- en vormkeuzes uitgebreider in het werkdossier.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Praktijk: werkproces, reflectie en presentatie (werkstuk en dossier)
    • 01Het creatieve werkproces als cyclus○
    • 02Beeldend onderzoek en experiment◐
    • 03Reflectie en evaluatie◐
    • 04Het werkstuk, het werkdossier en de presentatie●
§ 01

Het creatieve werkproces als cyclus#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kernpunten

Een ruimtelijk werkstuk ontstaat zelden in een keer, maar groeit uit een beeldend werkproces met herkenbare fasen die elkaar in een cyclus opvolgen (zie Afb. 1). De eerste fase is het orienteren: je verkent de opdracht of het thema, verzamelt eerste indrukken en bepaalt de richting van je onderzoek. De tweede is het onderzoeken: je doet beeldend onderzoek, schetst ook ruimtelijk en maakt materiaalproeven en proefstukken. De derde is het uitvoeren: je kiest een richting en werkt die planmatig uit tot een afgerond driedimensionaal werk in bijvoorbeeld klei, gips, hout of metaal. De vierde is het evalueren: je kijkt terug op proces en product en trekt conclusies die je orientatie voor een volgende stap voeden. Deze fasen geven je werk structuur en voorkomen dat je stuurloos aan het boetseren of construeren slaat. In de SE-praktijk van handvaardigheid laat je zien dat je dit werkproces bewust en gestructureerd doorloopt.

Het beeldend werkproces als cyclus

De werkprocescyclusGraaf, Orienteren → Onderzoeken, Onderzoeken → Uitvoeren, Uitvoeren → Evalueren, Evalueren → OrienterenOrienterenOnderzoekenUitvoerenEvaluerenbijsturen
Afb. 1Afb. 1 - Het beeldend werkproces verloopt cyclisch: orienteren, onderzoeken, uitvoeren en evalueren wisselen elkaar af en sturen elkaar bij; het onderzoeken keert telkens terug.
Het werkproces verloopt bijna nooit rechtlijnig maar cyclisch, en juist bij ruimtelijk werk stuur je voortdurend bij: het onderzoeken keert telkens terug. Tijdens het uitvoeren ontdek je bijvoorbeeld dat een constructie topzwaar wordt of dat klei bij het drogen scheurt, en dan keer je terug naar nieuwe proefstukken. Grote beeldhouwers werkten precies zo. Auguste Rodin (1840-1917) maakte talloze kleistudies en gipsmodellen voordat een figuur in brons werd gegoten; voor 'De Burgers van Calais' (geboetseerd 1884-1889) onderzocht hij eerst afzonderlijke naaktstudies en houdingen voordat hij ze samenbracht. Alberto Giacometti (1901-1966) bouwde zijn magere figuren eindeloos op en nam ze weer af, zodat een werk nooit 'af' leek. Deze heen-en-weerbeweging tussen onderzoeken, uitvoeren en evalueren is normaal en zelfs wenselijk: ze laat zien dat je op je materiaal en je vorm reageert. In de SE-praktijk is het herkennen en benoemen van die beweging een teken van een bewuste werkhouding.
Elke fase vraagt een andere houding, en het is nuttig die te onderscheiden. Het orienteren en onderzoeken vraagt een open, nieuwsgierige, verkennende houding (divergeren): veel proberen, ruim schetsen en boetseren, weinig oordelen. Het kiezen en uitvoeren vraagt juist een gerichte, besluitvaardige houding (convergeren): een richting kiezen, een constructie of armatuur bouwen en volhouden, ook als het karwei zwaar wordt. Het evalueren vraagt een kritische, afstandelijke houding: eerlijk terugkijken op wat wel en niet lukte. Wie deze houdingen door elkaar haalt - te vroeg oordelen tijdens het onderzoek, waardoor een veelbelovende materiaalproef sneuvelt, of nooit durven kiezen bij het uitvoeren, waardoor het werk nooit af komt - loopt vast. Bij ruimtelijk werk is dat extra voelbaar, omdat materiaal en zwaartekracht je dwingen knopen door te hakken. In de SE-praktijk laat je zien dat je per fase de passende houding aanneemt en op het juiste moment kunt overschakelen.
Het bewust doorlopen van het werkproces is minstens zo belangrijk als het eindwerk zelf, en dat verklaart waarom de SE-praktijk niet alleen het werkstuk maar ook het proces beoordeelt. Een technisch keurig afgewerkt beeld zonder zichtbaar onderzoek en zonder verantwoorde keuzes scoort lager dan een ruimtelijk werk dat aantoonbaar uit een grondig, doordacht proces voortkomt. Michelangelo (1475-1564) maakte kleine was- en kleimodellen, de zogenoemde 'bozzetti', voordat hij een blok marmer aansneed zoals bij zijn 'David' (1501-1504); dat voorbereidende onderzoek maakte de uiteindelijke, onomkeerbare kap in steen mogelijk. Daarom leg je je hele proces vast in een werkdossier of procesboek (zie het laatste onderdeel), zodat je orientatie, onderzoek, keuzes en evaluatie zichtbaar en beoordeelbaar worden. In de SE-praktijk toon je zo dat je niet alleen een werkstuk kunt maken, maar de weg ernaartoe kunt sturen en verantwoorden. De volgende onderdelen werken het onderzoek, de reflectie en het dossier verder uit.
Uitgewerkt voorbeeld

Een ruimtelijk werkproces in fasen beschrijven

Beschrijf het werkproces van een geboetseerd figuur (bijvoorbeeld een figuur in beweging) in de vier fasen, en geef een moment aan waarop je terugkeerde naar een eerdere fase.

  1. 01Orienteren

    Je verkent het thema beweging: welke houding, welk moment, welke sfeer wil je vangen? Je verzamelt eerste ideeen en referentiebeelden van bewegende figuren.

  2. 02Onderzoeken

    Je maakt ruimtelijke schetsen van verschillende houdingen en enkele kleiproefjes, en test hoe ver een uitgestrekte arm of been in klei kan uitsteken zonder te zakken.

  3. 03Uitvoeren

    Je kiest de sterkste, meest dynamische houding, buigt een armatuur van staaldraad als geraamte en boetseert daaromheen planmatig van globale opzet naar detail.

  4. 04Terugkeren en evalueren

    Tijdens het boetseren zakt de uitgestrekte arm door; je keert terug naar het onderzoek, verstevigt de armatuur, werkt het beeld dan af en evalueert proces en resultaat.

Resultaat: Het figuur ontstaat via orienteren, onderzoeken, uitvoeren en evalueren, met een bewuste terugkeer naar het onderzoek toen de armatuur de houding niet droeg; zo is het cyclische, bijsturende proces zichtbaar en verantwoord.

Eindexamen-focus

  • De fasen van het beeldend werkproces (orienteren, onderzoeken, uitvoeren, evalueren) herkennen en als cyclus gestructureerd doorlopen.
  • Het cyclische, bijsturende karakter van het ruimtelijke werkproces herkennen en per fase de passende houding aannemen.

Veelgemaakte fouten

  • Meteen aan het eindwerk beginnen zonder orientatie, schetsen en materiaalproeven, waardoor het proces onzichtbaar en het werk oppervlakkig blijft.
  • Het werkproces als een rechte lijn zien en niet durven terugkeren naar het onderzoek als een constructie of materiaal in de uitvoering tegenwerkt.

Actieve herhaling

Beschrijf voor een eigen ruimtelijke opdracht je werkproces in de vier fasen (orienteren, onderzoeken, uitvoeren, evalueren). Geef per fase aan wat je deed en benoem een moment waarop je terugkeerde naar een eerdere fase omdat het materiaal of de constructie daarom vroeg.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo - praktijk: het beeldend werkproces (CvTE / Examenblad)

§ 02

Beeldend onderzoek en experiment#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Beeldend onderzoek is het doelgericht verkennen van ideeen, beelden en materialen voordat en terwijl je je werkstuk maakt; het is de motor van elk ruimtelijk werk. Je onderzoekt op verschillende manieren. Bij bronnenonderzoek bekijk je kunstenaars en beelden om ideeen en referenties op te doen. Met schetsen verken je in een schetsboek snel ideeen en varianten, ook ruimtelijk, met arceringen die volume en schaduw suggereren. Met materiaalproeven maak je proefstukken om te weten te komen wat een materiaal kan: hoe klei zich laat boetseren, hoe gips uithardt, hoe hout splijt of metaal buigt. En met experiment probeer je dingen uit zonder vast einddoel, wat tot verrassende vondsten leidt. Samen leveren deze onderzoeksvormen de bouwstenen waarmee je in de uitvoering keuzes maakt. In de SE-praktijk laat je met dit onderzoek zien dat je werk niet uit het niets komt maar uit een verkenning.
Voor een driedimensionaal vak is juist de materiaalproef onmisbaar, want anders dan bij tekenen bepaalt het materiaal in hoge mate wat mogelijk is (zie Afb. 2). Wie niet weet wat het materiaal kan - de opbrengst die in de figuur wordt uitgelicht - loopt in de uitvoering vast. Beeldhouwers noemen het respect voor de eigen aard van het materiaal 'truth to materials' (trouw aan het materiaal). Barbara Hepworth (1903-1975) en Henry Moore (1898-1986) hakten rechtstreeks in steen en hout ('direct carving') en lieten de nerf, de kleur en de hardheid van het materiaal de vorm mee bepalen; Moore maakte eerst kleine maquettes die hij in de hand kon ronddraaien voordat hij een werk op monumentale schaal uitvoerde. Zulke proeven vertellen je vooraf of een dunne, uitstekende vorm het houdt of afbreekt. In de SE-praktijk zijn materiaalproeven daarom geen bijzaak maar de kern van je onderzoek: ze verbinden je idee met wat in klei, gips, hout of metaal werkelijk haalbaar is.

Onderzoeksvormen en hun opbrengst

Beeldend onderzoekTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Onderzoeksvorm · Wat je doet · Opbrengst; Bronnenonderzoek · Kunstenaars en beelden bekijken · Ideeen en referenties; Schetsen · Schetsboek · Snel ideeen en varianten verkennen; Materiaalproeven · Proefstukken maken · Weten wat het materiaal kan; Experiment · Uitproberen zonder einddoel · Verrassende vondsten, gemarkeerde cel: Weten wat het materiaal kanONDERZOEKSVORMWAT JE DOETOPBRENGSTBronnenonderzoekKunstenaars en beeldenbekijkenIdeeen en referentiesSchetsenSchetsboekSnel ideeen en variantenverkennenMateriaalproevenProefstukken makenWeten wat het materiaal kanExperimentUitproberen zonder einddoelVerrassende vondsten
Afb. 2Afb. 2 - Vormen van beeldend onderzoek en hun opbrengst; de materiaalproef leert je wat het materiaal kan en is voor ruimtelijk werk onmisbaar.
Naast gericht onderzoek hoort bij dit onderdeel het experiment: uitproberen zonder vast einddoel, waarbij je toeval en materiaal hun werk laat doen. Juist het experiment levert verrassende vondsten op die je vooraf niet had kunnen bedenken. In de twintigste-eeuwse beeldhouwkunst werd experimenteren met materiaal een methode op zich. Pablo Picasso (1881-1973) stelde beelden samen uit gevonden voorwerpen, zoals zijn 'Stierenkop' (1942) uit een fietszadel en een stuur - een 'assemblage'. Eva Hesse (1936-1970) experimenteerde met ongebruikelijke materialen als latex en glasvezel en aanvaardde dat die konden verkleuren of vergaan. Constantin Brancusi (1876-1957) zocht een vorm juist door talloze varianten te maken; zijn 'Vogel in de ruimte' bestaat in vele gladgeslepen versies vanaf 1923. Zulk experiment vraagt lef om iets te laten mislukken. In de SE-praktijk mag en moet een deel van je onderzoek vrij en tastend zijn, want daaruit komt vaak je meest eigen vondst.
Onderzoek en experiment hebben pas waarde voor de beoordeling als ze zichtbaar en navolgbaar zijn, en daarom noteer je bij elke proef kort wat je deed en wat je ontdekte. Een reeks materiaalproeven zonder aantekening zegt de examinator weinig; met een zin erbij ('gips te snel uitgehard, volgende keer meer water en langzamer gieten') wordt je onderzoek een leerzame stap. Zo bouw je bewijs op waarmee je in de uitvoeringsfase je keuzes kunt onderbouwen: je koos dit materiaal, deze verbinding of deze vorm omdat je proeven dat lieten zien. Dit onderzoek vormt straks een belangrijk deel van je werkdossier en voedt je reflectie: je kunt alleen goed terugkijken op keuzes die je hebt vastgelegd. In de SE-praktijk maakt gedocumenteerd beeldend onderzoek het verschil tussen een werk dat 'zomaar' ontstond en een werk waarvan je elke stap kunt verantwoorden - precies wat het volgende onderdeel over reflectie verder uitwerkt.
Uitgewerkt voorbeeld

Beeldend onderzoek voor een ruimtelijk werk opzetten

Onderzoek voor een ruimtelijk werkstuk over het thema 'beweging' welke vorm en welk materiaal je kiest. Zet de onderzoeksvormen in en beredeneer je keuze.

  1. 01Bronnenonderzoek

    Je bekijkt beelden die beweging vangen, zoals Umberto Boccioni's futuristische loopfiguur (1913) en de bewegende mobiles van Alexander Calder, en noteert wat beweging suggereert: diagonalen, uitgestrekte vormen, balans.

  2. 02Schetsen

    In je schetsboek verken je snel varianten van dynamische, diagonale houdingen en open, uitstekende vormen die de ruimte in bewegen.

  3. 03Materiaalproeven

    Je test of massieve klei zo'n uitgestrekte vorm draagt (te zwaar, zakt door) en probeert daarna ijzerdraad en gaas als lichte constructie; je giet ook een kleine gipsproef.

  4. 04Experiment en keuze

    Je experimenteert met een ophanging die het werk laat bewegen; op grond van je proeven kies je ijzerdraad met gaas, omdat dat de lichte, bewegende vorm draagt die massieve klei niet aankan.

Resultaat: Het onderzoek loopt van bronnen via schetsen naar materiaalproeven en experiment; de proeven tonen dat ijzerdraad en gaas de uitgestrekte, bewegende vorm dragen, en dat beredeneerde inzicht stuurt de materiaalkeuze voor het eindwerk.

Eindexamen-focus

  • Beeldend onderzoek en experiment (bronnenonderzoek, schetsen, materiaalproeven, vrij experiment) inzetten en herkennen als motor van het ruimtelijke werk.
  • De materiaalproef als kern van het driedimensionale onderzoek begrijpen: weten wat klei, gips, hout of metaal kan.

Veelgemaakte fouten

  • Onderzoek overslaan of beperken tot enkele schetsen en meteen in het definitieve materiaal beginnen, waardoor het materiaal in de uitvoering tegenwerkt.
  • Materiaalproeven en experimenten maken maar er niets bij noteren, zodat de vondsten niet navolgbaar zijn en je keuzes niet kunt onderbouwen.

Actieve herhaling

Zet voor een eigen ruimtelijke opdracht drie onderzoeksvormen in: verzamel bronnen, maak schetsen en doe minstens twee materiaalproeven. Noteer bij elke proef wat je ontdekte over wat het materiaal kan, en beredeneer welke vondst je keuze voor het eindwerk stuurt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo - praktijk: beeldend onderzoek en experiment (CvTE / Examenblad)

§ 03

Reflectie en evaluatie#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Reflecteren is het met afstand en argumenten terugkijken op je eigen werk en werkproces, en de SE-praktijk beoordeelt die vaardigheid uitdrukkelijk (zie Afb. 3). Reflecteren is meer dan zeggen dat je iets 'mooi' of 'gelukt' vindt: het is analyseren wat er gebeurde, verklaren waarom, en daaruit leren. Je reflecteert op verschillende zaken. Op het proces: wat ging goed of mis en waarom? Op het product: voldoet het afgeronde beeld aan mijn bedoeling en aan de criteria? Op de keuzes: waarom koos ik dit materiaal en deze vorm? En op de volgende stap: wat neem ik hiervan mee? Elk van die vragen hoort bij een eigen moment - tijdens het werk, na afronding, doorlopend of na de evaluatie. Zo wordt reflectie geen sluitstuk maar een houding. In de SE-praktijk laat je zien dat je gericht en eerlijk op zowel je ruimtelijke werkstuk als de weg ernaartoe kunt terugkijken.

Waarop en wanneer je reflecteert

Reflectie en evaluatieTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Reflecteren op · Kernvraag · Wanneer; Het proces · Wat ging goed of mis en waarom? · Tijdens en na; Het product · Voldoet het aan mijn bedoeling en de criteria? · Na afronding; De keuzes · Waarom koos ik dit materiaal of deze vorm? · Doorlopend; De volgende stap · Wat neem ik mee? · Na de evaluatie, gemarkeerde cel: Waarom koos ik dit materiaal of deze vorm?REFLECTEREN OPKERNVRAAGWANNEERHet procesWat ging goed of mis enwaarom?Tijdens en naHet productVoldoet het aan mijnbedoeling en de criteria?Na afrondingDe keuzesWaarom koos ik dit materiaalof deze vorm?DoorlopendDe volgende stapWat neem ik mee?Na de evaluatie
Afb. 3Afb. 3 - Reflecteren op proces en product: bij elke laag hoort een kernvraag en een moment; de vraag naar je materiaal- en vormkeuze is voor de beeldhouwer beslissend.
Sterke reflectie gebruikt het begrippenapparaat van de beeldende vakken, en juist daarin komen het beschouwen en het maken samen. Wanneer je je eigen ruimtelijke werk beoordeelt, doe je dat het overtuigendst met dezelfde vaktaal waarmee je op het centraal examen andermans beelden analyseert: je spreekt over massa en holte, over het silhouet, over hoe het licht over het oppervlak valt, en over de verhouding tussen het beeld en de sokkel. De kernvraag bij de keuzes - waarom koos ik dit materiaal en deze vorm - is voor een beeldhouwer beslissend, omdat materiaal en vorm de betekenis dragen. Zo zou je kunnen verantwoorden dat je het marmer bewust ruw en onaf liet, zoals Michelangelo in zijn onvoltooide 'Gevangenen' (de 'non-finito'), om spanning tussen steen en figuur te tonen. Met vaktaal wordt je oordeel controleerbaar in plaats van een kwestie van smaak. In de SE-praktijk til je je reflectie zo naar een hoger niveau.
Goede reflectie verloopt in herkenbare stappen, en die structuur helpt je van een oppervlakkige naar een diepe terugblik te komen. Eerst kijk je terug en beschrijf je feitelijk wat je deed en wat het resultaat is. Dan analyseer je waarom iets goed of minder goed uitpakte: welke materiaal- of vormkeuze had welk gevolg? Vervolgens oordeel je beargumenteerd tegen de criteria: in hoeverre is mijn bedoeling bereikt, en voldoe ik aan de eisen die de opdracht of het PTA stelt? Ten slotte kijk je vooruit: wat doe ik een volgende keer anders? Feedback van je docent of medeleerlingen is daarbij waardevol, want een ander ziet aan je ruimtelijke werk dingen die jij over het hoofd ziet - bijvoorbeeld dat het beeld vanaf de achterkant niet klopt. Constantin Brancusi verfijnde een vorm juist door telkens opnieuw te beoordelen en een nieuwe versie te maken. In de SE-praktijk maakt een reflectie die deze stappen zichtbaar doorloopt, het verschil tussen een losse mening en een echte evaluatie.
Reflectie is geen eenmalige afsluiting maar loopt door het hele werkproces heen, en dat maakt haar tot een stuurinstrument. Tussentijds evalueren - even afstand nemen en beoordelen of je nog op koers ligt - helpt je bijsturen voordat een onomkeerbare stap is gezet; bij het kappen in steen of het gieten in gips is dat cruciaal, want fouten laten zich daar niet uitgummen. De eindreflectie sluit het werk af en oogst de leerinzichten. Je legt je reflectie vast in het procesboek: zowel de tussentijdse bijstellingen als de eindevaluatie, zodat de examinator je leerproces kan volgen. Deze doorlopende, kritische zelfbevraging is precies de zelfstandige, onderzoekende houding die het vak wil ontwikkelen. In de SE-praktijk toon je met een doorlopende, in vaktaal onderbouwde reflectie dat je niet alleen maakt, maar ook bewust leert van wat je maakt - een reflectie die in het werkdossier van het volgende onderdeel wordt gebundeld en verantwoord.
Uitgewerkt voorbeeld

Een reflectie met vaktaal opbouwen

Reflecteer op een geboetseerd relief dat vlakker uitpakte dan je wilde. Doorloop de vier stappen met ruimtelijke vaktaal.

  1. 01Terugkijken

    Je beschrijft feitelijk: je maakte een relief dat diepte moest suggereren, maar het geheel oogt vlak en leest bijna als een tekening.

  2. 02Analyseren

    Met vaktaal: je hield de hoogteverschillen tussen hoog- en laagrelief te klein, waardoor het invallende licht nauwelijks slagschaduw op het oppervlak vormt.

  3. 03Oordelen

    Beargumenteerd en tegen de criteria: de compositie klopt, maar de ruimtewerking schiet tekort; je doel (diepte) is maar deels bereikt.

  4. 04Vooruitkijken

    Leerinzicht: een volgende keer maak ik grotere diepteverschillen en scherpere randen, zodat de slagschaduw de vorm laat spreken en het relief echt ruimtelijk wordt.

Resultaat: De reflectie doorloopt alle stappen en verklaart het vlakke resultaat met vaktaal (te weinig diepteverschil, dus te weinig slagschaduw); het leerinzicht is concreet en direct toepasbaar op een volgend relief.

Eindexamen-focus

  • Reflecteren op zowel proces als product via de stappen terugkijken, analyseren, beargumenteerd oordelen (tegen de criteria) en vooruitkijken.
  • De eigen materiaal- en vormkeuzes met het begrippenapparaat (massa, holte, silhouet, oppervlak) verantwoorden in plaats van met smaak.

Veelgemaakte fouten

  • Reflectie beperken tot een smaakoordeel ('ik vind het mooi') zonder analyse, vaktaal of toetsing aan de criteria.
  • Alleen reflecteren op het eindproduct en de reflectie op het proces en de keuzes overslaan, of pas aan het eind terugkijken in plaats van tussentijds bij te sturen.

Actieve herhaling

Schrijf een reflectie op een eigen ruimtelijk werk. Doorloop de stappen terugkijken, analyseren, beargumenteerd oordelen en vooruitkijken, toets je resultaat aan de criteria van de opdracht en gebruik in je analyse minstens twee ruimtelijke beeldaspecten (bijvoorbeeld massa, holte, silhouet of oppervlak).

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo - praktijk: reflectie en evaluatie (CvTE / Examenblad)

§ 04

Het werkstuk, het werkdossier en de presentatie#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Kernpunten

Het werkdossier - ook procesboek, schetsboek of portfolio genoemd - is de plek waar je je hele werkproces bundelt, en het vormt samen met het eindwerk de basis voor de SE-beoordeling (zie Afb. 4). Waar het werkstuk het resultaat toont, toont het dossier de weg ernaartoe. Het brengt vijf soorten materiaal samen: je onderzoek en bronnen, je schetsen, je materiaalproeven, het eindwerk zelf (met foto's van alle kanten) en je reflectie. Al die onderdelen stromen samen in het werkdossier - het uitgelichte knooppunt in de figuur - dat vervolgens de basis vormt voor de presentatie en de beoordeling. Doordat het beeldend proces grotendeels onzichtbaar zou blijven als je alleen het beeld inlevert, maakt het dossier je denken, onderzoeken en beslissen zichtbaar en beoordeelbaar. In de SE-praktijk laat je met je werkdossier zien hoe je tot je ruimtelijke werk bent gekomen.

Van onderdelen naar werkdossier, presentatie en beoordeling

Het werkdossierGraaf, Onderzoek → Werkdossier, Schetsen → Werkdossier, Materiaalproeven → Werkdossier, Eindwerk → Werkdossier, Reflectie → Werkdossier, Werkdossier → Presentatie & beoordelingOnderzoekSchetsenMateriaalproevenEindwerkReflectieWerkdossierPresentatie &beoordelingbasis voor
Afb. 4Afb. 4 - Het werkdossier bundelt onderzoek, schetsen, materiaalproeven, eindwerk en reflectie en vormt samen met het eindwerk de basis voor presentatie en beoordeling.
Een sterk werkdossier is geen nette bloemlezing achteraf maar een eerlijke, meegroeiende documentatie van het echte proces - inclusief de zoekende en mislukte pogingen. Bij ruimtelijk werk vraagt dat om aandacht: een driedimensionaal werkstuk kun je niet plat in een map leggen, dus documenteer je het met foto's vanuit meerdere standpunten en met je maquettes en proefstukken zelf, of foto's daarvan. Belangrijk is dat het dossier niet alleen laat zien wat je maakte maar ook wat je dacht: korte aantekeningen bij je schetsen en proeven maken je keuzes navolgbaar ('gaasconstructie gekozen boven massief klei om gewicht te sparen'). Zo kan de examinator je orientatie, onderzoek, keuzes, uitvoering en reflectie als een samenhangend verhaal volgen. Een dossier vol beelden zonder een woord uitleg laat je proces juist onzichtbaar. In de SE-praktijk zorg je dat je dossier volledig, eerlijk en samenhangend is.
Naast het documenteren hoort bij dit onderdeel het presenteren: het bewust tonen en toelichten van je werk. Bij ruimtelijk werk is de presentatie extra betekenisvol, want de opstelling maakt deel uit van het beeld. Je kiest de sokkel of het voetstuk, de hoogte, het licht en de plek, en je bepaalt van welke kant de kijker het werk nadert - een beeld vraagt immers om rondlopen. Constantin Brancusi (1876-1957) ontwierp de sokkels van zijn beelden zelf en beschouwde ze als onderdeel van het werk. Bij hedendaagse kunst gaat dit nog verder: Richard Serra maakte plaatsgebonden stalen werken waarvan de betekenis volledig van de ruimte afhangt, en een installatie ontstaat pas echt in de opstelling. Je licht je werk bovendien toe - mondeling of schriftelijk - met vaktaal: wat wilde je, welke keuzes maakte je, hoe bepaalden die het resultaat? In de SE-praktijk laat je met een doordachte presentatie en toelichting zien dat je je eigen ruimtelijke werk kunt duiden en overbrengen.
Het werkdossier, de presentatie en het eindwerk vormen samen de afronding van de SE-praktijk, en daarmee komen de twee helften van het eindexamen bijeen. De school legt de precieze criteria en hun weging vast in het programma van toetsing en afsluiting (PTA), maar in grote lijnen keren enkele aspecten steeds terug: je onderzoekend vermogen, je technische beheersing van materiaal en techniek, je vormgeving, je eigenheid, je reflectie en verantwoording, en de kwaliteit van je dossier. Twee leerlingen kunnen een even fraai beeld inleveren, maar wie dat via grondig onderzoek en verantwoorde keuzes bereikte, toont een grotere leerprestatie - daarom telt het proces mee. In je dossier en toelichting gebruik je dezelfde vaktaal (voorstelling, vormgeving, betekenis) waarmee je op het centraal examen kunst beschouwt; zo blijkt dat beschouwen en maken twee kanten van hetzelfde vak zijn. Het eindcijfer combineert doorgaans het CE en het SE tot een gemiddelde, volgens de regels van het PTA. In de SE-praktijk toon je met een sterk, verantwoord en gereflecteerd geheel dat je het volledige vak beheerst - van waarnemen en beschouwen tot onderzoeken, boetseren, construeren en presenteren.
Uitgewerkt voorbeeld

Een werkdossier voor een ruimtelijk werkstuk samenstellen

Stel een werkdossier samen voor een ruimtelijk werkstuk (een geconstrueerd metalen object). Geef aan welke onderdelen erin komen en in welke volgorde, zodat je proces zichtbaar wordt.

  1. 01Onderzoek & bronnen (opening)

    Je opent met je orientatie: het thema, de verzamelde beelden en je analyses ervan, met korte notities over wat je opviel en wilde onderzoeken.

  2. 02Schetsen & materiaalproeven

    Je voegt je ruimtelijke schetsen en je metaal- en verbindingsproeven toe (solderen, buigen, monteren), telkens met een aantekening over wat wel en niet werkte.

  3. 03Keuzes & eindwerk

    Je legt vast welke constructie en verbinding je koos en waarom, en presenteert het afgeronde object met foto's vanuit meerdere standpunten.

  4. 04Reflectie (slot)

    Je sluit af met een reflectie in vaktaal op proces en product, inclusief wat je een volgende keer anders zou doen.

Resultaat: Het werkdossier ordent onderzoek, schetsen en materiaalproeven, keuzes en eindwerk, en reflectie in een logische volgorde; daardoor is het hele proces navolgbaar en vormt het dossier samen met het metalen object de basis voor de SE-beoordeling.

Eindexamen-focus

  • Een volledig, samenhangend werkdossier (procesboek) samenstellen dat onderzoek, schetsen, materiaalproeven, eindwerk en reflectie bundelt.
  • Het eigen ruimtelijke werk presenteren (opstelling, sokkel, standpunt) en met vaktaal toelichten; begrijpen dat dossier en eindwerk samen de SE-praktijk vormen.

Veelgemaakte fouten

  • Het werkdossier achteraf als nette bloemlezing samenstellen en de zoekende of mislukte proeven weglaten, waardoor het echte proces onzichtbaar blijft.
  • Een ruimtelijk werk documenteren met een foto vanaf een kant en zonder aantekeningen, zodat de examinator het beeld en de keuzes niet kan volgen.

Actieve herhaling

Stel de inhoudsopgave van je werkdossier op voor een ruimtelijke opdracht. Geef per onderdeel (onderzoek, schetsen, materiaalproeven, eindwerk, reflectie) aan wat je opneemt en in welke volgorde, en beredeneer hoe je een driedimensionaal werkstuk in het dossier documenteert.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo - praktijk: werkdossier en presentatie (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Het creatieve werkproces als cyclus○
    • 02Beeldend onderzoek en experiment◐
    • 03Reflectie en evaluatie◐
    • 04Het werkstuk, het werkdossier en de presentatie●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Praktijk: werkproces, reflectie en presentatie (werkstuk en dossier)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~21
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo - praktijk: het beeldend werkproces

Vorig onderwerp

Praktijk: plastische vormgeving en driedimensionale technieken

EuraStudy·Samenvattingen T·13·MMXXVI

Laatste onderwerp van dit vak — terug naar het vakoverzicht.