EuraStudy
Samenvattingen/Frans/Woordenschat (vocabulaire)
Samenvattingen · FransNL · HAVO

Woordenschat (vocabulaire)

Een rijke woordenschat is de motor van je leesvaardigheid: hoe meer Franse woorden je vlot herkent, hoe sneller en preciezer je examenteksten begrijpt. Anders dan grammatica wordt woordenschat indirect maar zwaar getoetst op het centraal examen leesvaardigheid, en je hebt haar ook nodig bij het schrijven en spreken voor het schoolexamen. In deze samenvatting leer je woorden slim te verwerven — thematisch en via woordvorming — en onbekende woorden te ontcijferen met faux-amis-besef en contextstrategieën.

4 Onderdelen·~19 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·0666 / 13
Examenprofiel
Woordenschat thematisch en in context leren in plaats van losse woordenlijstjes te stampen.Woordvorming — voor- en achtervoegsels en woordfamilies — gebruiken om een onbekend woord te ontleden.Faux amis (valse vrienden) herkennen en de betekenis van een onbekend woord uit de context afleiden.
Operatoren:leid afverklaarbepaalvorm

basisniveau

Voor het schoolexamen: bouw bij elk examenthema een woordveld op, herhaal het verspreid over meerdere dagen en leer woorden altijd met een korte voorbeeldzin in plaats van als kaal rijtje.

verhoogd niveau

Wie doorstroomt naar het hoger onderwijs, leest en schrijft veel anderstalig materiaal; een grote, thematisch geordende woordenschat en de gewoonte om betekenis uit de context af te leiden, blijven daar onmisbaar.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Woordenschat (vocabulaire)
    • 01Thematische woordenschat leren○
    • 02Woordvorming: voor- en achtervoegsels◐
    • 03Faux amis (valse vrienden)◐
    • 04Woordbetekenis uit de context afleiden◐
§ 01

Thematische woordenschat leren#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Woordveld: l'environnement

Thema: l'environnementTabel met 2 kolommen en 5 rijen, Gegevens: Frans · Nederlands; l'environnement · het milieu; le réchauffement · de opwarming; les déchets · het afval; recycler · recyclen; la pollution · de vervuilingFRANSNEDERLANDSl'environnementhet milieule réchauffementde opwarmingles déchetshet afvalrecyclerrecyclenla pollutionde vervuiling
Afb. 1Een woordveld rond „l'environnement”: samenhangende woorden onthoud je beter dan losse vertalingen.

Kernpunten

Je hersenen slaan woorden niet los van elkaar op, maar in netwerken van samenhangende begrippen. Daarom blijft een woord veel beter hangen wanneer je het leert binnen een thema — een zogenoemd woordveld — dan wanneer je het uit een willekeurig alfabetisch rijtje stampt. Leer je rond het examenthema „milieu” meteen „l'environnement” (het milieu), „la pollution” (de vervuiling) en „les déchets” (het afval) samen, dan versterken die woorden elkaar: het ene roept het andere op. Een los geleerd woord mist die ankerpunten en zakt sneller weg. De tabel onderaan deze sectie laat zien hoe zo'n woordveld rond „l'environnement” eruitziet.
Eén keer een woord zien is bijna nooit genoeg om het blijvend te onthouden. Woordenschat groeit door herhaling die over de tijd is verspreid: liever vijf keer kort terugkijken verspreid over een week dan één keer lang stampen op de avond vóór de toets. Net zo belangrijk is dat je woorden in context leert, dus in een hele zin en niet als kaal koppel „Frans = Nederlands”. Vergelijk het droge „recycler = recyclen” met de zin „En France, on recycle le verre, le papier et le plastique.” In die zin zie je meteen hoe het werkwoord wordt gebruikt, met welke woorden het samengaat en in welke situatie het past — informatie die een los lijstje je nooit geeft.
Een woordveld bouw je systematisch op rond een kernwoord. Begin met het thema in het midden — bijvoorbeeld „l'environnement” — en verzamel daaromheen de woorden die je in examenteksten over dat onderwerp tegenkomt: oorzaken („la pollution”, „le réchauffement” — de opwarming) en oplossingen („recycler”, scheiden van „les déchets”). Groepeer ze daarna naar betekenis, zodat verwante begrippen bij elkaar staan, en voeg ten slotte vaste combinaties en werkwoorden toe, want een thema bestaat niet alleen uit zelfstandige naamwoorden. Zo groeit een losse lijst uit tot een samenhangende kaart die je voor het examen in één oogopslag kunt overzien.
Een woordveld is pas echt geleerd als je het ook actief kunt gebruiken, niet alleen herkennen. Dek daarom de Nederlandse kolom af en probeer de Franse woorden te reproduceren, en daarna andersom. Maak vervolgens je eigen voorbeeldzinnen — bijvoorbeeld „Il faut recycler les déchets pour protéger l'environnement.” — want een woord dat je zelf in een zin hebt gebruikt, zit vele malen vaster dan een woord dat je alleen passief hebt gelezen. Combineer dat met verspreide herhaling, en het woordveld verschuift van je kortetermijn- naar je langetermijngeheugen.
Juist op het centraal examen leesvaardigheid betaalt deze aanpak zich uit. De examenteksten draaien om herkenbare maatschappelijke thema's — milieu, gezondheid, onderwijs, media, werk — en wie het bijbehorende woordveld paraat heeft, leest die teksten merkbaar sneller en met meer zekerheid. Bovendien gebruik je dezelfde woorden weer bij het schrijven en spreken voor het schoolexamen, waar je een mening over zo'n thema moet kunnen formuleren. Loop daarom de grote examenthema's één voor één langs en bouw bij elk een woordveld, precies zoals dat in de tabel hieronder rond „l'environnement”.
Uitgewerkt voorbeeld

Een woordveld opbouwen rond een examenthema

Bouw een klein woordveld rond het thema „l'environnement” (het milieu): verzamel passende woorden, orden ze en zet er een voorbeeldzin bij.

  1. 01Stap 1 — Zet het kernwoord centraal

    Schrijf het thema in het midden: „l'environnement” (het milieu). Dat is het ankerpunt waaraan je alle andere woorden ophangt.

  2. 02Stap 2 — Verzamel verwante woorden, geordend naar betekenis

    Noteer de woorden die in milieuteksten steeds terugkomen: problemen — „la pollution” (de vervuiling), „le réchauffement” (de opwarming), „les déchets” (het afval); en oplossingen — „recycler” (recyclen).

  3. 03Stap 3 — Maak het actief met een eigen zin

    Verwerk de woorden in één voorbeeldzin, zodat je ze in context vastlegt: „Pour protéger l'environnement, il faut recycler les déchets et réduire la pollution.”

Resultaat: Het woordveld rond „l'environnement” bevat nu een geordende set samenhangende woorden — „la pollution”, „le réchauffement”, „les déchets”, „recycler” — verankerd in één voorbeeldzin. Zo onthoud je ze als netwerk in plaats van als losse vertalingen, precies zoals de tabel hieronder laat zien.

Eindexamen-focus

  • Op het centraal examen leesvaardigheid bepaalt je woordenschat in hoge mate je tempo en je begrip; teksten zijn geordend rond vaste maatschappelijke thema's, dus een per thema opgebouwd woordveld loont direct.
  • Voor het schoolexamen schrijven en spreken put je uit dezelfde woordvelden — je moet de themawoorden niet alleen herkennen, maar ook zelf actief kunnen inzetten.

Veelgemaakte fouten

  • Woorden als kaal rijtje „Frans = Nederlands” uit het hoofd leren zonder voorbeeldzin: je kent dan wel de vertaling, maar niet hoe het woord wordt gebruikt of met welke woorden het samengaat.
  • Alles in één keer willen stampen vlak vóór het examen in plaats van verspreid te herhalen; zonder herhaling over meerdere dagen zakt de woordenschat snel weer weg.

Actieve herhaling

Bouw een woordveld van minstens acht Franse woorden rond het examenthema „la santé” (de gezondheid) en zet bij elk woord een korte Franse voorbeeldzin.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Woordvorming: voor- en achtervoegsels#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Veelvoorkomende Franse achtervoegsels

Woordvorming: achtervoegselsTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: Achtervoegsel · Woordsoort · Voorbeeld; -tion · zelfstandig nw. (v.) · la nation; -ment · bijwoord · rapidement; -eur / -euse · persoon/beroep · le chanteur; -able · bijvoeglijk nw. · aimable; -ir / -er · werkwoord · finir, parlerACHTERVOEGSELWOORDSOORTVOORBEELD-tionzelfstandig nw. (v.)la nation-mentbijwoordrapidement-eur / -eusepersoon/beroeple chanteur-ablebijvoeglijk nw.aimable-ir / -erwerkwoordfinir, parler
Afb. 2Het achtervoegsel verraadt de woordsoort: „-tion” maakt een zelfstandig naamwoord, „-ment” een bijwoord.

Kernpunten

Veel Franse woorden zijn niet ondeelbaar, maar opgebouwd uit kleinere bouwstenen: een stam die de kernbetekenis draagt, eventueel een voorvoegsel ervóór en een achtervoegsel erna. Wie dat doorziet, hoeft lang niet elk woord apart te leren. Neem de stam „nation” (natie): met een achtervoegsel wordt het „national” (nationaal) of „nationalité” (nationaliteit). De kernbetekenis blijft, het achtervoegsel verandert de woordsoort. Dit principe is je krachtigste gereedschap om een onbekend woord te ontleden in plaats van het op te geven.
Achtervoegsels verraden meestal de woordsoort, en dat is goud waard bij het lezen. Het achtervoegsel „-tion” levert vrijwel altijd een vrouwelijk zelfstandig naamwoord op: „la nation”, „la pollution”, „la solution”. „-ment” maakt van een bijvoeglijk naamwoord een bijwoord: „rapide” (snel) wordt „rapidement” (snel, op snelle wijze). „-eur” en „-euse” duiden een persoon of beroep aan: „le chanteur” en „la chanteuse” (de zanger en de zangeres). En „-able” vormt een bijvoeglijk naamwoord met de betekenis „… -baar” of „te …”: „aimable” (beminnelijk), „lavable” (wasbaar). De tabel onderaan zet de belangrijkste achtervoegsels met hun woordsoort en een voorbeeld op een rij.
Voorvoegsels staan vóór de stam en veranderen de betekenis, niet de woordsoort. De voorvoegsels „in-” en „im-” maken een woord ontkennend: „utile” (nuttig) wordt „inutile” (nutteloos), en vóór een „p” wordt het „im-”, zoals „possible” → „impossible” (onmogelijk). Het voorvoegsel „dé-” (of „dés-”) keert een handeling om: „faire” (doen) wordt „défaire” (losmaken, ongedaan maken). En „re-” (of „ré-”) betekent „opnieuw” of „terug”: „faire” wordt „refaire” (overdoen), „venir” (komen) wordt „revenir” (terugkomen). Herken je zo'n voorvoegsel in een onbekend woord, dan ken je vaak al de helft van de betekenis.
Rond één stam ontstaat een hele woordfamilie: woorden die de kernbetekenis delen maar tot verschillende woordsoorten behoren. Van „nation” (natie, zelfstandig naamwoord) komen „national” (nationaal, bijvoeglijk naamwoord) en „nationalité” (nationaliteit, zelfstandig naamwoord) — herken je er één, dan begrijp je de hele familie. Diezelfde redenering pas je toe op een onbekend woord: zoek de stam die je herkent, kijk welk voor- of achtervoegsel eromheen staat, en leid daaruit af wat het woord ongeveer betekent en welke woordsoort het is. Zie je bijvoorbeeld „la chanteuse”, dan herken je de stam „chanter” (zingen) plus het achtervoegsel „-euse” (vrouwelijke persoon): het betekent „de zangeres”. De tabel hieronder vat de belangrijkste achtervoegsels samen waarmee je deze ontleding maakt.
Woordvorming is een hulpmiddel, geen wiskundige zekerheid: niet elk woord met een bekend achtervoegsel betekent precies wat je verwacht, en sommige stammen lijken op een Nederlands woord zonder dat te zijn (daarover gaat de volgende sectie, over faux amis). Toch breidt deze techniek je woordenschat enorm uit: in plaats van duizenden losse woorden leer je een beperkt aantal stammen, voor- en achtervoegsels, en daarmee ontsluit je hele families tegelijk. Oefen daarom bewust met ontleden — splits elk nieuw woord even in zijn bouwstenen — totdat het bij het lezen vanzelf gaat.
Uitgewerkt voorbeeld

Een onbekend woord ontleden met woordvorming

Je komt in een tekst het bijvoeglijk naamwoord „inacceptable” tegen en kent het niet. Ontleed het met behulp van woordvorming: bepaal het voorvoegsel, de stam, het achtervoegsel, de woordsoort en de vermoedelijke betekenis.

  1. 01Stap 1 — Zoek de stam

    In het midden van „inacceptable” herken je de stam „accepter” (accepteren, aanvaarden). Dat is de kernbetekenis waar je omheen werkt.

  2. 02Stap 2 — Herken het achtervoegsel

    Het woord eindigt op „-able”. Dat achtervoegsel vormt een bijvoeglijk naamwoord met de betekenis „… -baar” of „te …”: „acceptable” betekent dus „aanvaardbaar”.

  3. 03Stap 3 — Herken het voorvoegsel

    Vooraan staat het voorvoegsel „in-”, dat het woord ontkennend maakt. „in-” + „acceptable” geeft „inacceptable”.

Resultaat: „Inacceptable” is een bijvoeglijk naamwoord, opgebouwd uit het voorvoegsel „in-” (ontkenning) + de stam „accept(er)” (aanvaarden) + het achtervoegsel „-able” (… -baar). Samen betekent het „onaanvaardbaar”. Zonder het woord ooit te hebben geleerd, heb je de betekenis puur via woordvorming achterhaald — de techniek die de tabel hieronder met de achtervoegsels ondersteunt.

Eindexamen-focus

  • Op het centraal examen helpt woordvorming je een onbekend woord te ontleden zonder woordenboek: het achtervoegsel verraadt de woordsoort, de stam de kernbetekenis en het voorvoegsel de nuance (ontkenning, herhaling).
  • Voor het schoolexamen schrijven kun je met woordfamilies je taalgebruik variëren — van „nation” naar „national” en „nationalité” — in plaats van steeds hetzelfde woord te herhalen.

Veelgemaakte fouten

  • Aannemen dat een achtervoegsel altijd dezelfde woordsoort oplevert zónder het te controleren: meestal klopt het („-tion” → zelfstandig naamwoord), maar woordvorming geeft een sterk vermoeden, geen garantie.
  • Het genus (mannelijk/vrouwelijk) vergeten: woorden op „-tion” zijn vrouwelijk („la nation”, „la solution”), wat je voor een correct lidwoord bij het schrijven moet weten.

Actieve herhaling

Ontleed de volgende woorden in stam en voor- of achtervoegsel, bepaal de woordsoort en geef de Nederlandse betekenis: „rapidement”, „impossible”, „le chanteur”, „refaire”.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Faux amis (valse vrienden)#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Faux amis: gelijkenis tegenover echte betekenis

Faux amis (valse vrienden)Tabel met 3 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Frans · Lijkt op (NL) · Betekent echt; la journée · journaal · de dag; la veste · vest · jasje, colbert; attendre · attenderen · wachten; la monnaie · munt · wisselgeld; le médecin · medicijn · de arts; rester · rusten · blijvenFRANSLIJKT OP (NL)BETEKENT ECHTla journéejournaalde dagla vestevestjasje, colbertattendreattenderenwachtenla monnaiemuntwisselgeldle médecinmedicijnde artsresterrustenblijven
Afb. 3Bij elke valse vriend staat de misleidende gelijkenis naast de werkelijke betekenis.

Kernpunten

„Faux amis” — letterlijk „valse vrienden” — zijn Franse woorden die sprekend lijken op een Nederlands (of Engels) woord, maar iets heel anders betekenen. Ze heten „vrienden” omdat ze vertrouwd ogen, en „vals” omdat die vertrouwdheid je bedriegt. Het Franse „la journée” lijkt op „journaal”, maar betekent „de dag”. „La veste” doet denken aan „vest”, maar is „een jasje” of „colbert”. De gelijkenis is precies de val: je leest eroverheen in de overtuiging dat je het woord al kent. De tabel onderaan deze sectie verzamelt een aantal beruchte voorbeelden.
Juist bij het lezen zijn faux amis verraderlijk, want ze geven je geen enkel waarschuwingssignaal. Bij een onbekend woord weet je dat je iets niet weet en word je vanzelf voorzichtig; bij een faux ami denk je het woord te begrijpen en lees je zelfverzekerd door — met een verkeerde betekenis in je hoofd. Eén zo'n woord kan de hele strekking van een zin omdraaien. Lees je „Le médecin lui a donné un médicament” en vertaal je „le médecin” als „het medicijn” in plaats van „de arts”, dan klopt de hele zin niet meer. Op het examen, waar één vraag om het precieze begrip van een zin kan draaien, kost zo'n misverstand je zomaar een punt.
Faux amis leer je af door ze bewust te verzamelen en te markeren als „opgelet”. Houd een eigen lijstje bij van de valse vrienden die je tegenkomt, met telkens drie kolommen: het Franse woord, het Nederlandse woord waar het op lijkt, en de échte betekenis. Door dat verschil expliciet naast elkaar te zetten, koppel je het Franse woord los van de misleidende gelijkenis. „Attendre” lijkt op „attenderen”, maar betekent „wachten”; „rester” lijkt op „rusten”, maar betekent „blijven”. Hoe vaker je het juiste paar herhaalt, hoe zwakker de valse reflex wordt. De tabel hieronder is precies zo'n driekoloms-overzicht.
Een paar van de bekendste valse vrienden verdienen het om uit je hoofd te kennen. „La monnaie” lijkt op „munt”, maar betekent in het dagelijks gebruik „wisselgeld” (het kleingeld dat je terugkrijgt). „La journée” is „de dag”, niet het „journaal”. „La veste” is „een jasje”, geen „vest”. „Attendre” is „wachten”, niet „attenderen”. „Rester” is „blijven”, niet „rusten”. En „le médecin” is „de arts”, niet het „medicijn” (dat is „le médicament”). Wen jezelf daarom aan een korte controle bij elk woord dat verdacht veel op het Nederlands lijkt: past de vertrouwde betekenis wel echt in de zin? Zo niet, dan heb je waarschijnlijk een faux ami te pakken.
Faux amis treffen je niet alleen bij het lezen, maar ook bij het schrijven en spreken voor het schoolexamen, waar de verleiding groot is om een Nederlands woord simpelweg „op zijn Frans” te zeggen. Wil je „blijven” uitdrukken, dan grijp je terecht naar „rester”; maar omgekeerd verleidt „rusten” je tot datzelfde „rester”, terwijl het juiste woord „se reposer” is. De les blijft steeds dezelfde: vertrouw nooit blind op de gelijkenis, maar leer het Franse woord samen met zijn echte betekenis als één onlosmakelijk paar.
Uitgewerkt voorbeeld

Een valse vriend ontmaskeren: „la monnaie”

In de zin „Le vendeur m'a rendu la monnaie” lijkt „la monnaie” op het Nederlandse „munt”. Laat zien hoe die gelijkenis je op het verkeerde been zet en bepaal de juiste betekenis.

  1. 01Stap 1 — Zie de misleidende gelijkenis

    „La monnaie” lijkt sprekend op „munt”, dus de verleiding is groot om de zin te lezen als „De verkoper heeft mij de munt teruggegeven”. Dat klinkt vreemd: waarom zou een verkoper je één munt teruggeven?

  2. 02Stap 2 — Toets de betekenis aan de context

    De context is een aankoop waarbij de verkoper iets „rend” (teruggeeft). Wat een verkoper na het betalen teruggeeft, is niet „munt” maar het geld dat je te veel hebt betaald — het wisselgeld. De vertrouwde betekenis past dus niet.

  3. 03Stap 3 — Geef de juiste betekenis

    „La monnaie” betekent hier „wisselgeld” (en breder „kleingeld” of „munteenheid”), niet „munt”. De juiste vertaling is: „De verkoper heeft mij het wisselgeld teruggegeven.”

Resultaat: „La monnaie” is een faux ami: de gelijkenis met „munt” misleidt, maar in deze context betekent het „wisselgeld”. De correcte zin luidt „De verkoper heeft mij het wisselgeld teruggegeven.” Wie blind op de gelijkenis was afgegaan, had de zin verkeerd begrepen — precies de valkuil die het driekoloms-overzicht hieronder helpt voorkomen.

Eindexamen-focus

  • Op het centraal examen leesvaardigheid zijn faux amis een klassieke valstrik: ze lijken bekend, dus je leest er zonder argwaan overheen met de verkeerde betekenis — let scherp op woorden die verdacht veel op het Nederlands lijken.
  • Bij het schoolexamen schrijven en spreken vermijd je faux amis alleen door het Franse woord met zijn échte betekenis te kennen, niet met de Nederlandse gelijkenis.

Veelgemaakte fouten

  • Een faux ami klakkeloos vertalen op grond van de gelijkenis: „la monnaie” lezen als „munt” in plaats van „wisselgeld”, of „le médecin” als „medicijn” in plaats van „de arts”.
  • Denken dat je een zin begrijpt terwijl één valse vriend de betekenis heeft omgedraaid — controleer bij twijfel altijd of de vertrouwde betekenis wel in de context past.

Actieve herhaling

Geef bij elk van de volgende faux amis het Nederlandse woord waar het op lijkt én de echte betekenis: „la journée”, „attendre”, „la veste”, „le médecin”.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Woordbetekenis uit de context afleiden#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Op het examen kom je onvermijdelijk woorden tegen die je niet kent — en dat hoeft geen probleem te zijn. Je hoeft een tekst niet woord voor woord te begrijpen om de vragen goed te beantwoorden; vaak kun je de betekenis van een onbekend woord met grote zekerheid afleiden uit wat je er wél van weet en uit wat eromheen staat. Die afleidvaardigheid is een aparte techniek die je kunt oefenen. Ze bestaat uit een paar vaste vragen die je jezelf stelt zodra je op een onbekend woord stuit, in plaats van meteen in paniek naar het woordenboek te grijpen.
Kijk eerst naar de woordsoort en de vorm van het woord. Staat er een lidwoord voor („le”, „la”, „un”, „une”), dan is het een zelfstandig naamwoord; eindigt het op „-er”, „-ir” of „-re”, dan is het waarschijnlijk een werkwoord. Daarna pas je de woordvorming uit de vorige sectie toe: herken je een stam, een woordfamilie of een voor- of achtervoegsel? Zie je het bijvoeglijk naamwoord „inutile”, dan herken je de bekende stam „utile” (nuttig) en het ontkennende voorvoegsel „in-”, en kom je uit op „nutteloos”. De vorm van het woord vertelt je dus al een groot deel van het verhaal, nog voordat je naar de betekenis van de hele zin kijkt.
Lees vervolgens de hele zin en let op de signaalwoorden eromheen. Voegwoorden en verbindingswoorden verraden de logica: „mais” (maar) en „pourtant” (toch) kondigen een tegenstelling aan, dus het onbekende woord betekent waarschijnlijk het tegenovergestelde van wat ervoor stond; „parce que” (omdat) en „donc” (dus) wijzen op een oorzaak of een gevolg. Ook opsommingen helpen: staat het onbekende woord in een rijtje met woorden die je wél kent, dan hoort het bij dezelfde categorie. In „Il déteste le mensonge, la tricherie et la malhonnêteté” hoef je „la malhonnêteté” niet te kennen om te begrijpen dat het, naast „de leugen” en „het bedrog”, iets negatiefs als „oneerlijkheid” moet zijn.
Deze strategie bespaart je op het centraal examen kostbare tijd. Een woord opzoeken kost telkens een halve tot een hele minuut, en die tijd heb je niet voor elk onbekend woord in de tekst. Bovendien zijn veel onbekende woorden helemaal niet nodig om de vraag te beantwoorden — je hoeft de tekst alleen goed genoeg te begrijpen. Pak het woordenboek er dus alleen bij wanneer een woord echt cruciaal is voor het antwoord op een vraag én je het met afleiden niet rondkrijgt. Voor alle andere woorden is een goede, beredeneerde schatting sneller en bijna altijd voldoende. Zo zet je het woordenboek in als laatste redmiddel, niet als eerste reflex.
Het sterkst ben je wanneer je de aanwijzingen combineert in plaats van op één ervan te leunen. De vorm van het woord, de stam, de zinscontext en de signaalwoorden wijzen samen meestal dezelfde kant op, en die samenhang geeft je zekerheid. Wees wel eerlijk over de grens van het raden: een beredeneerde schatting is geen exacte vertaling, en bij faux amis kan de vorm je juist misleiden (zie de vorige sectie). Behandel je afgeleide betekenis daarom als een werkhypothese — „dit woord betekent waarschijnlijk iets als …” — en controleer of die hypothese klopt met de rest van de zin en de alinea. Oefen deze afleidstappen bij elke tekst die je leest, dan worden ze op het examen een automatisme.
Uitgewerkt voorbeeld

De betekenis van een onbekend woord afleiden uit de context

Je kent het woord „malhonnête” niet. Leid de betekenis af in de zin „Il ment toujours ; il est vraiment malhonnête.” met behulp van de woordsoort, de stam en de zinscontext, zonder woordenboek.

  1. 01Stap 1 — Bepaal de woordsoort

    Vóór „malhonnête” staat „il est” (hij is). Wat volgt op „être” is meestal een bijvoeglijk naamwoord, dus „malhonnête” beschrijft een eigenschap van „hij”.

  2. 02Stap 2 — Herken de stam

    In „malhonnête” zit de stam „honnête” (eerlijk), een woord dat je kent. Het voorvoegsel „mal-” betekent „slecht” of keert de betekenis om — vergelijkbaar met het ontkennende „in-” uit de vorige sectie.

  3. 03Stap 3 — Toets aan de zinscontext

    De eerste helft van de zin zegt „Il ment toujours” — hij liegt altijd. Iemand die altijd liegt, is het tegenovergestelde van eerlijk; de context bevestigt dus de afleiding.

Resultaat: Door de woordsoort (bijvoeglijk naamwoord na „est”), de stam („honnête” = eerlijk) en het omkerende voorvoegsel „mal-” te combineren en dit te toetsen aan de context („il ment toujours”), leid je af dat „malhonnête” „oneerlijk” betekent — zonder woordenboek. De zin betekent: „Hij liegt altijd; hij is echt oneerlijk.”

Eindexamen-focus

  • Op het centraal examen kun je niet elk onbekend woord opzoeken; het afleiden van betekenis uit woordsoort, stam, zinscontext en signaalwoorden („mais”, „donc”) is een tijdwinnende kernvaardigheid.
  • Je hoeft een tekst niet volledig te begrijpen om de vragen goed te beantwoorden — leer beoordelen wanneer een onbekend woord cruciaal is (en je het opzoekt) en wanneer een beredeneerde schatting volstaat.

Veelgemaakte fouten

  • Bij elk onbekend woord meteen het woordenboek pakken: dat kost zoveel tijd dat je de tekst niet afkrijgt, terwijl de meeste woorden af te leiden of zelfs overbodig zijn.
  • Een onbekend woord los van de context proberen te raden: zonder de signaalwoorden („mais”, „parce que”) en de zin eromheen mee te wegen, wordt het gokken in plaats van afleiden.

Actieve herhaling

Leid de betekenis van het laatste woord af zonder woordenboek en verklaar welke aanwijzingen je gebruikt: „Il faisait très froid, pourtant elle est sortie sans manteau.” (manteau).

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Thematische woordenschat leren○
    • 02Woordvorming: voor- en achtervoegsels◐
    • 03Faux amis (valse vrienden)◐
    • 04Woordbetekenis uit de context afleiden◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Woordenschat (vocabulaire)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~19
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Frans (HAVO)

Vorig onderwerp

Examentraining leesvaardigheid (CE)

Volgend onderwerp

Grammatica

EuraStudy·Samenvattingen T·06·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.