EuraStudy
Samenvattingen/Frans/Grammatica
Samenvattingen · FransNL · HAVO

Grammatica

Een vaste greep op de Franse grammatica maakt je Frans correct, helder en natuurlijk, én ze helpt je om examenteksten sneller en preciezer te lezen. Belangrijk om eerlijk te zijn over de plaats in het examen: grammatica wordt niet als apart onderdeel op het centraal examen getoetst, want het CE Frans toetst uitsluitend leesvaardigheid. Je oefent haar vooral voor het schoolexamen, bij schrijf- en spreekvaardigheid, terwijl een zeker gevoel voor vormen en zinsbouw je leesbegrip op het CE ondersteunt.

6 Onderdelen·~31 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 4 · Verdieping 1

T·0777 / 13
Examenprofiel
Lidwoorden en zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden correct vormen (genus, getal en de accord).Voornaamwoorden (COD, COI, y en en) gebruiken en vóór het werkwoord plaatsen.De werkwoordstijden (présent, passé composé, imparfait, futur, conditionnel, subjonctif) vormen en kiezen.De ontkenning en de vraagzinnen correct bouwen.
Operatoren:vormvervoegverklaarverbeterleg uitbepaal

basisniveau

Voor het schoolexamen: beheers de lidwoorden, de accord, de voornaamwoorden, de werkwoordstijden en de ontkenning en vraagzinnen zo dat je correct en begrijpelijk Frans schrijft en spreekt.

verhoogd niveau

Wie doorstroomt naar het hoger onderwijs leest en schrijft veel Frans; een vaste greep op de vormen, de tijden en de zinsbouw blijft daar onmisbaar en ondersteunt tegelijk je leesbegrip op het centraal examen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 6 onderdelen▾
  1. Grammatica
    • 01Lidwoorden (les articles)○
    • 02Zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden◐
    • 03Voornaamwoorden (COD, COI, y, en)◐
    • 04Werkwoorden: de présent◐
    • 05Verleden en toekomst: passé composé, imparfait, futur, conditionnel◐
    • 06Subjonctif, ontkenning en vraagzinnen●
§ 01

Lidwoorden (les articles)#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Lidwoorden (les articles)

Lidwoorden (les articles)Tabel met 4 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Soort · Mannelijk · Vrouwelijk · Meervoud; Bepaald · le · la · les; Onbepaald · un · une · des; Deel (partitief) · du · de la · desSOORTMANNELIJKVROUWELIJKMEERVOUDBepaaldlelalesOnbepaaldununedesDeel (partitief)dude lades
Afb. 1Elke Franse zelfstandige-naamwoordgroep begint met een lidwoord; kies bepaald, onbepaald of partitief naar de betekenis.

Kernpunten

Een Frans zelfstandig naamwoord staat zelden alleen: er gaat bijna altijd een lidwoord aan vooraf dat het geslacht (mannelijk of vrouwelijk) en het getal (enkelvoud of meervoud) meedraagt. Anders dan in het Engels, en net iets strenger dan in het Nederlands, móét je dus telkens kiezen welk lidwoord past. Het Frans kent er drie soorten: het bepaald lidwoord (‘le’, ‘la’, ‘les’) voor iets bekends, het onbepaald lidwoord (‘un’, ‘une’, ‘des’) voor iets nieuws of telbaars, en het delend of partitief lidwoord (‘du’, ‘de la’, ‘des’) voor een onbepaalde hoeveelheid. De tabel onderaan deze sectie zet die drie reeksen overzichtelijk naast elkaar, telkens voor mannelijk, vrouwelijk en meervoud.
Het bepaald lidwoord gebruik je voor iets wat bekend of bepaald is, en ook voor algemene uitspraken. De vormen zijn ‘le’ (mannelijk), ‘la’ (vrouwelijk) en ‘les’ (meervoud, voor beide geslachten): ‘le livre’, ‘la table’, ‘les enfants’. Voor een klinker of een stomme h smelten ‘le’ en ‘la’ samen tot ‘l’’: ‘l’ami’, ‘l’école’. Bij een algemene uitspraak staat in het Frans toch het bepaald lidwoord waar het Nederlands niets zet: ‘J’aime le café’ betekent „Ik hou van koffie” in het algemeen. Het onbepaald lidwoord introduceert juist iets nieuws of telbaars: ‘un’ (mannelijk), ‘une’ (vrouwelijk) en ‘des’ (meervoud): ‘un chien’, ‘une maison’, ‘des amis’. Waar het Nederlands in het meervoud geen lidwoord gebruikt („Ik heb vrienden”), zet het Frans ‘des’: ‘J’ai des amis’.
Het partitief of delend lidwoord is voor Nederlandstaligen de grootste nieuwigheid, want het Nederlands kent het niet. Je gebruikt het voor een onbepaalde, niet-telbare hoeveelheid van iets — „wat van” of „een deel van”. De vormen zijn ‘du’ (mannelijk), ‘de la’ (vrouwelijk) en ‘des’ (meervoud); voor een klinker wordt het ‘de l’’. Zo zeg je ‘Je bois du café’ (wat koffie), ‘Je mange de la viande’ (wat vlees), ‘Je bois de l’eau’ (wat water) en ‘Je mange des légumes’ (groenten). Het Nederlands laat hier vaak het lidwoord weg, en juist daar gaat het mis: ‘Je mange pain’ is fout, het moet ‘Je mange du pain’ zijn. Onthoud de vuistregel: zodra je een onbepaalde hoeveelheid bedoelt, kies je een partitief lidwoord.
Omdat elk zelfstandig naamwoord een vast geslacht heeft dat je niet altijd kunt afleiden, leer je een woord altijd mét zijn lidwoord: niet ‘table’ maar ‘la table’, niet ‘livre’ maar ‘le livre’. Een paar uitgangen geven een hint: woorden op ‘-tion’, ‘-té’ en ‘-eur’ (abstract) zijn meestal vrouwelijk (‘la nation’, ‘la liberté’), woorden op ‘-age’, ‘-ment’ en ‘-eau’ meestal mannelijk (‘le voyage’, ‘le moment’, ‘le bureau’). Maar er zijn uitzonderingen (‘le musée’, ‘la plage’), dus de hint vervangt het stampen niet. Wie het lidwoord vanaf het begin meeleert, vermijdt later eindeloze accordfouten, want het geslacht van het zelfstandig naamwoord stuurt ook het bijvoeglijk naamwoord en de voornaamwoorden aan.
Twee mechanismen veranderen de vorm van het lidwoord. Ten eerste de samentrekking: de voorzetsels ‘à’ en ‘de’ smelten verplicht samen met ‘le’ en ‘les’. Zo wordt ‘à + le’ → ‘au’, ‘à + les’ → ‘aux’, ‘de + le’ → ‘du’ en ‘de + les’ → ‘des’: ‘Je vais au cinéma’ (à + le), ‘Je vais aux Pays-Bas’ (à + les), ‘le livre du professeur’ (de + le). Met ‘la’ en ‘l’’ gebeurt er niets (‘à la maison’, ‘de l’école’). Ten tweede de ontkenning: na ‘ne … pas’ worden het onbepaald en het partitief lidwoord ‘de’ (of ‘d’’ voor een klinker). ‘Je mange du pain’ wordt ‘Je ne mange pas de pain’, en ‘J’ai un chien’ wordt ‘Je n’ai pas de chien’. Een uitzondering geldt na het werkwoord ‘être’, waar het lidwoord blijft staan: ‘Ce n’est pas un problème’. De tabel hieronder vat de drie reeksen samen waarop al deze regels werken.
Uitgewerkt voorbeeld

Het juiste lidwoord kiezen met samentrekking en ontkenning

Vul de juiste vormen in en pas waar nodig de samentrekking of de ontkenning toe: ‘Je vais ___ (à + le) cinéma, mais je n’ai pas ___ argent.’ (= Ik ga naar de bioscoop, maar ik heb geen geld.)

  1. 01Stap 1 — Het eerste gat: à + le

    De combinatie ‘à + le’ trekt in het Frans verplicht samen tot ‘au’. ‘Je vais à le cinéma’ is dus fout; het wordt ‘Je vais au cinéma’.

  2. 02Stap 2 — Het tweede gat bevestigend bepalen

    Zonder ontkenning zou je zeggen ‘j’ai de l’argent’: ‘argent’ (geld) is een onbepaalde, niet-telbare hoeveelheid, dus een partitief lidwoord — ‘de l’’ omdat ‘argent’ met een klinker begint.

  3. 03Stap 3 — De ontkenning toepassen

    Na ‘ne … pas’ wordt het partitief lidwoord ‘de’, en voor een klinker ‘d’’. ‘de l’argent’ wordt in de ontkenning dus ‘d’argent’: ‘je n’ai pas d’argent’.

Resultaat: De juiste zin is ‘Je vais au cinéma, mais je n’ai pas d’argent.’ ‘au’ is de verplichte samentrekking van ‘à + le’, en ‘d’’ is het partitief lidwoord dat na de ontkenning ‘ne … pas’ van ‘de l’’ naar ‘d’’ verandert.

Eindexamen-focus

  • Het schoolexamen (schrijven en spreken) verwacht dat je het juiste lidwoord kiest — bepaald, onbepaald of partitief — en de samentrekkingen au/aux/du/des correct vormt.
  • Het partitief lidwoord (du/de la/des) is voor Nederlandstaligen het grootste struikelblok, omdat het Nederlands het niet kent: ‘je bois du café’, niet ‘je bois café’.

Veelgemaakte fouten

  • Het partitief lidwoord weglaten naar Nederlands model: ‘je mange pain’ in plaats van ‘je mange du pain’ — een onbepaalde hoeveelheid vraagt om du/de la/des.
  • De samentrekking vergeten: ‘je vais à le cinéma’ of ‘le livre de le professeur’ in plaats van ‘au cinéma’ en ‘du professeur’ — ‘à + le’ en ‘de + le’ trekken verplicht samen.

Actieve herhaling

Vul het juiste lidwoord in (bepaald, onbepaald of partitief) en pas samentrekking of ontkenning toe: ‘Le matin, je bois ___ café’, ‘Je vais ___ (à + les) Pays-Bas’, ‘Il ne mange pas ___ viande.’

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Het bijvoeglijk naamwoord: de accord

Bijvoeglijk naamwoord: accordTabel met 4 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Vorm · Mannelijk · Vrouwelijk · Regel; enkelvoud · petit · petite · + -e (v.); meervoud · petits · petites · + -s (mv.); onregelmatig · beau · belle · eigen vormVORMMANNELIJKVROUWELIJKREGELenkelvoudpetitpetite+ -e (v.)meervoudpetitspetites+ -s (mv.)onregelmatigbeaubelleeigen vorm
Afb. 2Het bijvoeglijk naamwoord buigt mee met het zelfstandig naamwoord: + -e voor vrouwelijk, + -s voor meervoud.

Kernpunten

Elk Frans zelfstandig naamwoord heeft een geslacht, en de meeste vormen hun meervoud simpelweg met een ‘-s’ die je niet uitspreekt: ‘un livre’ wordt ‘des livres’, ‘une fille’ wordt ‘des filles’. Toch zijn er vaste uitzonderingen die je moet kennen. Woorden op ‘-eau’ en ‘-eu’ krijgen ‘-x’ in plaats van ‘-s’: ‘un château’ → ‘des châteaux’, ‘un jeu’ → ‘des jeux’. Woorden op ‘-al’ veranderen naar ‘-aux’: ‘un journal’ → ‘des journaux’, ‘un animal’ → ‘des animaux’. En woorden die al op ‘-s’, ‘-x’ of ‘-z’ eindigen, blijven onveranderd in het meervoud: ‘un fils’ → ‘des fils’. Dit geslacht en getal van het zelfstandig naamwoord bepalen vervolgens de vorm van het bijvoeglijk naamwoord.
Het bijvoeglijk naamwoord congrueert in het Frans — dat heet de accord — in geslacht én getal met het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort. De basisregel is eenvoudig: voeg ‘-e’ toe voor het vrouwelijke en ‘-s’ voor het meervoud. Zo krijg je vier vormen van ‘petit’: ‘petit’ (m. ev.), ‘petite’ (v. ev.), ‘petits’ (m. mv.) en ‘petites’ (v. mv.) — precies de rijen van de tabel onderaan. Eindigt een bijvoeglijk naamwoord al op een stomme ‘-e’, dan verandert er in het vrouwelijke niets: ‘un homme jeune’, ‘une femme jeune’; alleen het meervoud krijgt nog ‘-s’ (‘des hommes jeunes’). De ‘-e’ van het vrouwelijke maakt bovendien vaak een eindmedeklinker hoorbaar: ‘petit’ klinkt zonder eind-t, maar in ‘petite’ hoor je de t.
Naast de regelmatige vormen is er een groep onregelmatige bijvoeglijke naamwoorden die je apart leert. Sommige verdubbelen hun medeklinker in het vrouwelijke: ‘bon’ → ‘bonne’, ‘gros’ → ‘grosse’. Andere hebben een geheel eigen vrouwelijke vorm: ‘beau’ → ‘belle’, ‘nouveau’ → ‘nouvelle’, ‘vieux’ → ‘vieille’ — de onregelmatige rij in de tabel. Drie van die woorden hebben bovendien een speciale mannelijke vorm vóór een klinker, om de uitspraak vloeiend te houden: ‘beau’ wordt ‘bel’, ‘nouveau’ wordt ‘nouvel’ en ‘vieux’ wordt ‘vieil’, zoals in ‘un bel arbre’ en ‘un nouvel ami’. Deze hoogfrequente woorden komen zo vaak voor dat het de moeite loont ze grondig in te oefenen.
De plaats van het bijvoeglijk naamwoord verschilt wezenlijk van het Nederlands. De meeste Franse bijvoeglijke naamwoorden staan ná het zelfstandig naamwoord, vooral die voor kleur, vorm, nationaliteit en categorie: ‘une voiture rouge’, ‘un livre intéressant’, ‘la cuisine française’. Een kleine maar veelgebruikte groep korte bijvoeglijke naamwoorden staat echter vóór het zelfstandig naamwoord. Het gaat om woorden van schoonheid, leeftijd, goedheid en grootte: ‘grand’, ‘petit’, ‘beau’, ‘joli’, ‘jeune’, ‘vieux’, ‘bon’, ‘mauvais’ en ‘nouveau’. Zo zeg je ‘une petite maison’, ‘un grand homme’, ‘un bon livre’ en ‘une belle ville’. Wie deze groep uit het hoofd kent, plaatst de rest vanzelf erachter.
Voor het vergelijken gebruikt het Frans vaste constructies. De vergelijkende trap zet je met ‘plus … que’ (meer dan), ‘moins … que’ (minder dan) en ‘aussi … que’ (even … als) rond het bijvoeglijk naamwoord: ‘Paul est plus grand que Marie’, ‘Il est moins rapide que toi’, ‘Elle est aussi intelligente que lui’. De overtreffende trap vorm je met het bepaald lidwoord + ‘plus’ of ‘moins’: ‘le/la plus …’ of ‘le/la moins …’, vaak gevolgd door ‘de’: ‘Elle est la plus intelligente de la classe’. Let op twee onregelmatige vormen die je gewoon moet kennen: ‘bon’ wordt in de vergelijkende trap ‘meilleur’ (beter), niet ‘plus bon’, en het bijwoord ‘bien’ wordt ‘mieux’. De tabel hieronder herinnert je aan het accord-patroon dat onder al deze vormen ligt.
Uitgewerkt voorbeeld

Het bijvoeglijk naamwoord vormen en plaatsen

Zet het bijvoeglijk naamwoord in de juiste vorm en op de juiste plaats: ‘une maison (beau)’ en ‘des voitures (rouge)’.

  1. 01Stap 1 — ‘beau’ laten congrueren

    ‘maison’ is vrouwelijk enkelvoud. ‘beau’ is onregelmatig: de vrouwelijke vorm is niet ‘beaue’ maar ‘belle’.

  2. 02Stap 2 — ‘beau’ plaatsen

    ‘beau’ hoort tot de korte groep (schoonheid, leeftijd, goedheid, grootte) die vóór het zelfstandig naamwoord staat. Het komt dus vóór ‘maison’: ‘une belle maison’.

  3. 03Stap 3 — ‘rouge’ vormen en plaatsen

    ‘voitures’ is vrouwelijk meervoud. ‘rouge’ eindigt al op een stomme ‘-e’, dus voor het vrouwelijke verandert er niets; alleen het meervoud krijgt ‘-s’: ‘rouges’. Kleuradjectieven staan ná het zelfstandig naamwoord: ‘des voitures rouges’.

Resultaat: De juiste vormen zijn ‘une belle maison’ en ‘des voitures rouges’. ‘beau’ wordt onregelmatig ‘belle’ en staat vóór het zn.; ‘rouge’ krijgt alleen een meervouds-‘s’ (‘rouges’) en blijft als kleur áchter het zn. staan.

Eindexamen-focus

  • Het schoolexamen verwacht dat je het bijvoeglijk naamwoord laat congrueren in geslacht én getal (de accord) en het op de juiste plaats zet — meestal ná, maar de korte groep grand/petit/beau/bon/jeune ervoor.
  • Je moet de meervoudsvormen van zelfstandige naamwoorden beheersen, met de uitzonderingen ‘-al’ → ‘-aux’ (journal → journaux) en ‘-eau’ → ‘-eaux’ (château → châteaux), plus de vergelijkende trappen plus/moins … que.

Veelgemaakte fouten

  • De accord vergeten: ‘une maison blanc’ in plaats van ‘une maison blanche’ — het bijvoeglijk naamwoord moet meebuigen in geslacht (vrouwelijk + -e) en getal (meervoud + -s).
  • Alle bijvoeglijke naamwoorden achter het zn. plaatsen: ‘une voiture petite’ in plaats van ‘une petite voiture’ — de korte groep grand/petit/beau/bon/jeune staat ervoor.

Actieve herhaling

Zet het bijvoeglijk naamwoord in de juiste vorm en op de juiste plaats, en maak waar gevraagd de vergelijkende trap: ‘une (grand) ville’, ‘des fleurs (blanc)’, ‘Paul est (petit, + vergelijkend) que Marie.’

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Voornaamwoorden (COD, COI, y, en)#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Persoonlijke voornaamwoorden: onderwerp, COD en COI

Persoonlijke voornaamwoordenTabel met 4 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Persoon · Onderwerp · COD (lijd. vw.) · COI (meew. vw.); 1 ev · je · me · me; 2 ev · tu · te · te; 3 ev · il/elle · le/la · lui; 1 mv · nous · nous · nous; 2 mv · vous · vous · vous; 3 mv · ils/elles · les · leurPERSOONONDERWERPCOD (LIJD. VW.)COI (MEEW. VW.)1 evjememe2 evtutete3 evil/ellele/lalui1 mvnousnousnous2 mvvousvousvous3 mvils/elleslesleur
Afb. 3Per persoon de drie reeksen: het onderwerp, het lijdend voorwerp (COD) en het meewerkend voorwerp (COI).

Kernpunten

Een voornaamwoord vervangt een zelfstandig naamwoord, zodat je het niet hoeft te herhalen. De bekendste reeks is die van de persoonlijke onderwerpsvoornaamwoorden, die je bij elke vervoeging gebruikt: ‘je’ (ik), ‘tu’ (jij), ‘il’/‘elle’ (hij/zij), ‘nous’ (wij), ‘vous’ (jullie/u) en ‘ils’/‘elles’ (zij, mannelijk/vrouwelijk meervoud). Daarnaast bestaat ‘on’, een informeel voornaamwoord dat „we” of „men” betekent en altijd als derde persoon enkelvoud wordt vervoegd (‘on mange’). Let op het verschil tussen ‘tu’ en ‘vous’: ‘tu’ is vertrouwelijk (tegen vrienden en familie), ‘vous’ is beleefd of meervoud. De eerste kolom van de tabel onderaan zet deze onderwerpsvormen op een rij.
Naast het onderwerp kent een zin vaak een lijdend voorwerp: de persoon of zaak die de handeling rechtstreeks ondergaat, zonder voorzetsel ertussen. Het Frans noemt dat de COD (complément d’objet direct). De vormen zijn ‘me’ (mij), ‘te’ (jou), ‘le’/‘la’ (hem/haar/het), ‘nous’ (ons), ‘vous’ (jullie/u) en ‘les’ (hen). Je gebruikt ze om een eerder genoemd zelfstandig naamwoord te vervangen: ‘Je vois Marie’ wordt ‘Je la vois’, en ‘Je mange la pomme’ wordt ‘Je la mange’. Voor een klinker worden ‘me’, ‘te’, ‘le’ en ‘la’ samengetrokken tot ‘m’’, ‘t’’ en ‘l’’: ‘Je l’aime’. De middelste kolom van de tabel toont deze COD-vormen naast hun onderwerp.
Sommige werkwoorden verbinden hun voorwerp met het voorzetsel ‘à’: je doet iets áán of vóór iemand. Dat heet het meewerkend voorwerp, of COI (complément d’objet indirect). De vormen zijn ‘me’, ‘te’, ‘lui’ (hem én haar), ‘nous’, ‘vous’ en ‘leur’ (hun). Let goed op de derde persoon: waar de COD onderscheid maakt tussen ‘le’ en ‘la’, gebruikt de COI voor zowel mannelijk als vrouwelijk enkelvoud ‘lui’, en voor het meervoud ‘leur’. Zo wordt ‘Je parle à mon père’ tot ‘Je lui parle’, en ‘Je téléphone à mes amis’ tot ‘Je leur téléphone’. De vraag „met of zonder ‘à’?” beslist dus of je een COD of een COI nodig hebt — de derde kolom van de tabel zet ze naast elkaar.
De grootste valkuil voor Nederlandstaligen is de plaats van het voornaamwoord. In het Frans staat het lijdend en meewerkend voorwerp vóór het vervoegde werkwoord, niet erachter zoals in het Nederlands of Engels. Je zegt dus ‘Je le vois’ („Ik zie hem”) en ‘Je lui parle’ („Ik praat tegen hem”), nooit ‘Je vois le’. In een ontkenning omsluit ‘ne … pas’ het geheel: ‘Je ne le vois pas’. Staat er een infinitief in de zin, dan gaat het voornaamwoord vóór die infinitief: ‘Je vais le voir’ („Ik ga hem zien”). Het object schuift in het Frans dus naar voren, dicht tegen het werkwoord aan.
Twee bijzondere voornaamwoorden vervangen hele zinsdelen. ‘y’ staat voor ‘à’ + een plaats of zaak: ‘Je vais à Paris’ wordt ‘J’y vais’, en ‘Je pense à mon examen’ wordt ‘J’y pense’. ‘en’ staat voor ‘de’ + een zaak of een hoeveelheid: ‘Je mange des pommes’ wordt ‘J’en mange’. Komt er een telwoord of hoeveelheid bij, dan blijft die staan: ‘J’ai trois livres’ wordt ‘J’en ai trois’, en ‘Je veux un peu de café’ wordt ‘J’en veux un peu’. Net als de andere voornaamwoorden staan ‘y’ en ‘en’ vóór het vervoegde werkwoord. De tweede tabel van deze sectie vat samen wat elk van beide vervangt, met een voorbeeld erbij.

De voornaamwoorden y en en

De voornaamwoorden y en enTabel met 3 kolommen en 2 rijen, Gegevens: Voornaamwoord · Vervangt · Voorbeeld; y · à + plaats/zaak · J'y vais (= à Paris); en · de + zaak/hoeveelheid · J'en ai troisVOORNAAMWOORDVERVANGTVOORBEELDyà + plaats/zaakJ'y vais (= à Paris)ende + zaak/hoeveelheidJ'en ai trois
Afb. 4y vervangt à + plaats of zaak; en vervangt de + zaak of hoeveelheid.
Uitgewerkt voorbeeld

Het juiste voornaamwoord kiezen en plaatsen

Vervang het onderstreepte zinsdeel door één voornaamwoord (COD of COI) en plaats het correct: a) ‘Je vois mon ami.’ b) ‘Je téléphone à mes parents.’

  1. 01Stap 1 — Zin a: bepaal de functie

    ‘voir’ neemt zijn voorwerp zonder voorzetsel (‘voir quelqu’un’), dus ‘mon ami’ is een lijdend voorwerp → COD. Mannelijk enkelvoud is ‘le’.

  2. 02Stap 2 — De COD vóór het werkwoord plaatsen

    Het voornaamwoord staat in het Frans vóór het vervoegde werkwoord: ‘Je le vois’ (niet ‘Je vois le’).

  3. 03Stap 3 — Zin b: functie en plaatsing

    ‘téléphoner à quelqu’un’ gebruikt het voorzetsel ‘à’, dus ‘à mes parents’ is een meewerkend voorwerp → COI. Meervoud is ‘leur’, en het staat vóór het werkwoord: ‘Je leur téléphone’.

Resultaat: De juiste zinnen zijn a) ‘Je le vois.’ en b) ‘Je leur téléphone.’ Zonder voorzetsel kies je een COD (‘le’), met het voorzetsel ‘à’ een COI (‘leur’); beide staan vóór het vervoegde werkwoord.

Eindexamen-focus

  • Het schoolexamen verwacht dat je de voornaamwoorden COD en COI uit elkaar houdt en ze vóór het vervoegde werkwoord plaatst: ‘je le vois’, ‘je lui parle’.
  • Je moet ‘y’ (à + plaats/zaak) en ‘en’ (de + zaak/hoeveelheid) correct inzetten: ‘j’y vais’, ‘j’en ai trois’.

Veelgemaakte fouten

  • Het voornaamwoord ná het werkwoord plaatsen zoals in het Engels of Nederlands: ‘je vois le’ in plaats van ‘je le vois’ — in het Frans staat het object vóór het vervoegde werkwoord.
  • COD en COI verwarren: bij een werkwoord met ‘à’ (parler à, téléphoner à) hoort de COI lui/leur, niet le/la/les — ‘je lui parle’, niet ‘je le parle’.

Actieve herhaling

Vervang de onderstreepte woorden door het juiste voornaamwoord (COD, COI, y of en): ‘Je mange des pommes’, ‘Nous allons à Paris’, ‘Tu parles à ton frère.’

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Werkwoorden: de présent#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Présent: de drie regelmatige groepen

Présent: de drie regelmatige groepenTabel met 4 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Persoon · parler (-er) · finir (-ir) · vendre (-re); je · parle · finis · vends; tu · parles · finis · vends; il/elle · parle · finit · vend; nous · parlons · finissons · vendons; vous · parlez · finissez · vendez; ils/elles · parlent · finissent · vendentPERSOONPARLER (-ER)FINIR (-IR)VENDRE (-RE)jeparlefinisvendstuparlesfinisvendsil/elleparlefinitvendnousparlonsfinissonsvendonsvousparlezfinissezvendezils/ellesparlentfinissentvendent
Afb. 5De drie regelmatige groepen in de présent: stam + uitgang, met de typische -iss- bij finir en de kale derde persoon bij vendre.

Kernpunten

De présent is de tegenwoordige tijd en tegelijk de basis van het hele Franse werkwoordsysteem. Wie hem beheerst, heeft de sleutel tot bijna alle andere tijden in handen. Een regelmatig werkwoord vervoeg je in drie stappen: neem de infinitief (de hele werkwoordsvorm), haal de uitgang ‘-er’, ‘-ir’ of ‘-re’ eraf om de stam over te houden, en plak daar de persoonsuitgang aan vast. De drie regelmatige groepen — genoemd naar die infinitiefuitgang — hebben elk hun eigen set uitgangen, die de vervoegingstabel onderaan volledig laat zien voor ‘parler’, ‘finir’ en ‘vendre’.
De eerste groep, de werkwoorden op ‘-er’, is veruit de grootste: ruwweg negen op de tien Franse werkwoorden horen erbij. Je vormt ze door aan de stam de uitgangen ‘-e’, ‘-es’, ‘-e’, ‘-ons’, ‘-ez’, ‘-ent’ toe te voegen. Bij ‘parler’ (praten) is de stam ‘parl-’, en zo krijg je ‘je parle’, ‘tu parles’, ‘il/elle parle’, ‘nous parlons’, ‘vous parlez’, ‘ils/elles parlent’. Een belangrijk uitspraakpunt: de uitgangen ‘-e’, ‘-es’ en ‘-ent’ zijn stom — ‘je parle’, ‘tu parles’ en ‘ils parlent’ klinken precies hetzelfde. Je hoort alleen het verschil bij ‘nous parlons’ en ‘vous parlez’. Schrijf de stomme uitgangen dus altijd uit, ook al hoor je ze niet.
De tweede groep bestaat uit werkwoorden op ‘-ir’ van het type ‘finir’ (eindigen). De uitgangen zijn ‘-is’, ‘-is’, ‘-it’, ‘-issons’, ‘-issez’, ‘-issent’, met als opvallend kenmerk het inschuifsel ‘-iss-’ in het meervoud. Bij ‘finir’ is de stam ‘fin-’: ‘je finis’, ‘tu finis’, ‘il/elle finit’, ‘nous finissons’, ‘vous finissez’, ‘ils/elles finissent’. Dat ‘-iss-’ in de drie meervoudsvormen wordt vaak vergeten, terwijl het juist het herkenningsteken van deze groep is. Let wel op: niet elk werkwoord op ‘-ir’ volgt dit patroon — veelgebruikte werkwoorden als ‘partir’ en ‘sortir’ zijn onregelmatig en gaan een eigen weg.
De derde groep zijn de werkwoorden op ‘-re’ van het type ‘vendre’ (verkopen). Hun uitgangen zijn ‘-s’, ‘-s’, ‘-’ (niets), ‘-ons’, ‘-ez’, ‘-ent’. Bij ‘vendre’ is de stam ‘vend-’: ‘je vends’, ‘tu vends’, ‘il/elle vend’, ‘nous vendons’, ‘vous vendez’, ‘ils/elles vendent’. Het opvallendste punt is de derde persoon enkelvoud: die krijgt géén uitgang, je houdt simpelweg de stam over (‘il vend’, niet ‘il vendt’). Daarmee heb je de drie regelmatige schema’s compleet; vergelijk ze gerust kolom voor kolom in de tabel om de patronen naast elkaar te zien.
Naast de regelmatige groepen zijn er drie onregelmatige kernwerkwoorden die je domweg uit het hoofd moet leren, omdat ze geen enkel patroon volgen en tegelijk de meest gebruikte werkwoorden van het Frans zijn: ‘être’ (zijn), ‘avoir’ (hebben) en ‘aller’ (gaan). De tweede tabel geeft ze volledig: ‘je suis, tu es, il est, nous sommes, vous êtes, ils sont’ voor ‘être’; ‘j’ai, tu as, il a, nous avons, vous avez, ils ont’ voor ‘avoir’; en ‘je vais, tu vas, il va, nous allons, vous allez, ils vont’ voor ‘aller’. Deze drie zijn niet zomaar lastige uitzonderingen: ‘avoir’ en ‘être’ zijn de hulpwerkwoorden van de passé composé, en ‘aller’ bouwt de futur proche. Wie ze beheerst, heeft dus meteen de bouwstenen voor het verleden en de toekomst in handen.

Onregelmatig: être, avoir en aller

Onregelmatig: être, avoir, allerTabel met 4 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Persoon · être · avoir · aller; je/j' · suis · ai · vais; tu · es · as · vas; il/elle · est · a · va; nous · sommes · avons · allons; vous · êtes · avez · allez; ils/elles · sont · ont · vontPERSOONÊTREAVOIRALLERje/j'suisaivaistuesasvasil/elleestavanoussommesavonsallonsvousêtesavezallezils/ellessontontvont
Afb. 6De drie onregelmatige kernwerkwoorden — être, avoir en aller — die je uit het hoofd moet kennen.
Uitgewerkt voorbeeld

Vervoegingswandeling: ‘parler’ in de présent

Vervoeg het regelmatige werkwoord ‘parler’ (= praten, spreken) volledig in de présent, en leg bij elke persoon uit hoe je van stam + uitgang naar de vorm komt.

  1. 01Stap 1 — Groep en stam bepalen

    ‘parler’ eindigt op ‘-er’ en hoort dus bij de eerste, grootste groep. Haal de uitgang ‘-er’ weg en je houdt de stam over: ‘parl-’. Aan die stam plak je alle persoonsuitgangen.

  2. 02Stap 2 — Het enkelvoud

    Voeg de uitgangen ‘-e’, ‘-es’, ‘-e’ toe: ‘je parle’, ‘tu parles’, ‘il/elle parle’. Deze drie uitgangen zijn stom — je hoort geen verschil — maar je moet ze wel uitschrijven.

  3. 03Stap 3 — Het meervoud

    Voeg de uitgangen ‘-ons’, ‘-ez’, ‘-ent’ toe: ‘nous parlons’, ‘vous parlez’, ‘ils/elles parlent’. Alleen ‘-ons’ en ‘-ez’ hoor je; de ‘-ent’ van de derde persoon is opnieuw stom.

Resultaat: De volledige présent van ‘parler’ is: ‘je parle, tu parles, il/elle parle, nous parlons, vous parlez, ils/elles parlent.’ Telkens is het recept hetzelfde — stam ‘parl-’ + de persoonsuitgang — precies zoals de eerste kolom van de tabel laat zien.

Eindexamen-focus

  • Het schoolexamen verwacht dat je de drie regelmatige groepen (-er, -ir, -re) foutloos vervoegt door stam + uitgang, en de kernwerkwoorden être, avoir en aller uit het hoofd kent.
  • De présent is de basis voor alle andere tijden (être/avoir als hulpwerkwoord, aller voor de futur proche), dus een stevige beheersing ervan betaalt zich overal terug.

Veelgemaakte fouten

  • De stomme uitgangen verkeerd schrijven: ‘ils parl’ of ‘ils parlons’ in plaats van ‘ils parlent’ — de derde persoon meervoud krijgt ‘-ent’ (-er/-re) of ‘-issent’ (-ir), ook al hoor je het niet.
  • De onregelmatige kernwerkwoorden volgens een regelmatig schema willen vervoegen: ‘être’, ‘avoir’ en ‘aller’ volgen geen enkele groep (‘vous êtes’, niet ‘vous étez’; ‘ils ont’, niet ‘ils avent’) en moet je uit het hoofd kennen.

Actieve herhaling

Vervoeg in de présent: ‘nous (parler)’, ‘ils (finir)’, ‘tu (vendre)’, ‘je (être)’, ‘vous (avoir)’, ‘elle (aller).’

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 05

Verleden en toekomst: passé composé, imparfait, futur, conditionnel#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

De tijden: vorm en gebruik

Tijden: vorm en gebruikTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: Tijd · Vorm · Gebruik; Passé composé · avoir/être + voltooid deelw. · afgeronde handeling; Imparfait · stam + -ais, -ait, -ions… · achtergrond, gewoonte; Futur proche · aller + infinitief · nabije toekomst; Futur simple · infinitief + -ai, -as, -a… · verdere/formele toekomst; Conditionnel · infinitief + -ais, -ait… · beleefdheid, hypotheseTIJDVORMGEBRUIKPassé composéavoir/être + voltooid deelw.afgeronde handelingImparfaitstam + -ais, -ait, -ions…achtergrond, gewoonteFutur prochealler + infinitiefnabije toekomstFutur simpleinfinitief + -ai, -as, -a…verdere/formele toekomstConditionnelinfinitief + -ais, -ait…beleefdheid, hypothese
Afb. 7Vijf tijden naast elkaar: aan de vorm lees je af welk gebruik erbij hoort.

Kernpunten

De passé composé is de belangrijkste verleden tijd van het Frans en beschrijft een afgeronde handeling: iets wat op een bepaald moment gebeurde en afgelopen is. Je vormt hem niet met één woord, maar met twee: een hulpwerkwoord (‘avoir’ of ‘être’) in de présent, gevolgd door het voltooid deelwoord van het hoofdwerkwoord. Het voltooid deelwoord leid je regelmatig af van de infinitief: ‘-er’-werkwoorden krijgen ‘-é’ (‘parler’ → ‘parlé’), ‘-ir’-werkwoorden ‘-i’ (‘finir’ → ‘fini’) en ‘-re’-werkwoorden ‘-u’ (‘vendre’ → ‘vendu’). Zo ontstaat ‘j’ai parlé’ (ik heb gepraat), ‘j’ai fini’, ‘j’ai vendu’. De eerste tabel onderaan zet de vorm en het gebruik van de tijden naast elkaar.
De meeste werkwoorden nemen ‘avoir’ als hulpwerkwoord, maar een vaste groep neemt ‘être’. Het gaat om een rijtje bewegings- en veranderingswerkwoorden — ‘aller’, ‘venir’, ‘arriver’, ‘partir’, ‘entrer’, ‘sortir’, ‘monter’, ‘descendre’, ‘rester’, ‘tomber’, ‘naître’, ‘mourir’, ‘devenir’ — vaak onthouden als „het huis van être”, plus alle wederkerende werkwoorden (‘se laver’ → ‘je me suis lavé’). Bij ‘être’ geldt bovendien een extra regel: het voltooid deelwoord congrueert met het onderwerp, net als een bijvoeglijk naamwoord. Zo schrijf je ‘il est allé’, maar ‘elle est allée’ (+ -e), ‘ils sont allés’ (+ -s) en ‘elles sont arrivées’ (+ -es). Die accord is het scherpste verschil met de avoir-werkwoorden, waar het deelwoord meestal onveranderd blijft.
De imparfait is de tweede verleden tijd, en hij vertelt iets heel anders dan de passé composé. Waar de passé composé een afgeronde gebeurtenis geeft, schildert de imparfait de achtergrond, de gewoonte en de beschrijving: hoe iets wás, wat er steeds gebeurde, wat er aan de gang was. Je vormt hem door van de ‘nous’-vorm van de présent de ‘-ons’ af te halen en de uitgangen ‘-ais’, ‘-ais’, ‘-ait’, ‘-ions’, ‘-iez’, ‘-aient’ toe te voegen: ‘nous parlons’ → stam ‘parl-’ → ‘je parlais’. Het contrast met de passé composé is examenstof: ‘Il faisait beau et je lisais’ (achtergrond, imparfait) tegenover ‘Soudain, le téléphone a sonné’ (eenmalige gebeurtenis, passé composé). Vaak komen ze samen in één zin: ‘Je lisais quand le téléphone a sonné’ — de lange, doorlopende handeling staat in de imparfait, de korte onderbreking in de passé composé.
Voor de toekomst heeft het Frans twee vormen. De futur proche (de nabije, zekere toekomst, vooral in spreektaal) vorm je met ‘aller’ in de présent + de infinitief: ‘Je vais manger’ („Ik ga eten”), ‘Nous allons partir’. Het werkt precies als het Nederlandse „gaan + infinitief” en is daarom makkelijk te maken. De futur simple (de verdere of formelere toekomst) vorm je door aan de infinitief de uitgangen ‘-ai’, ‘-as’, ‘-a’, ‘-ons’, ‘-ez’, ‘-ont’ te plakken; bij ‘-re’-werkwoorden valt de slot-e weg: ‘parler’ → ‘je parlerai’, ‘vendre’ → ‘je vendrai’. De eerste tabel zet beide toekomstvormen naast de verleden tijden, en de tweede tabel toont de volledige futur simple van ‘parler’.
De conditionnel ten slotte gebruik je voor beleefdheid en voor hypotheses. Je vormt hem met dezelfde stam als de futur simple — de infinitief — maar met de uitgangen van de imparfait: ‘-ais’, ‘-ais’, ‘-ait’, ‘-ions’, ‘-iez’, ‘-aient’. Zo wordt ‘parler’ → ‘je parlerais’. In het dagelijks taalgebruik is de beleefdheidsvorm het belangrijkst: ‘je voudrais’ (ik zou graag willen) klinkt beleefder dan ‘je veux’, en ‘pourriez-vous … ?’ is een nette vraag. Daarnaast drukt de conditionnel een hypothese uit: ‘Si j’avais le temps, je voyagerais’ („Als ik tijd had, zou ik reizen”). Let op het kleine maar cruciale verschil met de futur: futur en conditionnel delen dezelfde stam, en alleen de uitgangen verschillen — ‘je parlerai’ (futur, ik zal praten) tegenover ‘je parlerais’ (conditionnel, ik zou praten). De tweede tabel zet die twee reeksen precies daarom naast elkaar.

Futur simple en conditionnel van parler

Futur simple en conditionnel van parlerTabel met 3 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Persoon · Futur simple (parler) · Conditionnel (parler); je · parlerai · parlerais; tu · parleras · parlerais; il/elle · parlera · parlerait; nous · parlerons · parlerions; vous · parlerez · parleriez; ils/elles · parleront · parleraientPERSOONFUTUR SIMPLE (PARLER)CONDITIONNEL (PARLER)jeparleraiparleraistuparlerasparleraisil/elleparleraparleraitnousparleronsparlerionsvousparlerezparleriezils/ellesparlerontparleraient
Afb. 8Futur en conditionnel delen dezelfde stam (de infinitief); alleen de uitgangen verschillen (-ai/-as tegenover -ais/-ait).
Uitgewerkt voorbeeld

De passé composé vormen met ‘être’ en accord

Zet de zin in de passé composé en let op het hulpwerkwoord en de accord: ‘Elle (aller) au marché.’ (= Zij is naar de markt gegaan.)

  1. 01Stap 1 — Het hulpwerkwoord kiezen

    ‘aller’ is een bewegingswerkwoord uit de vaste être-groep, dus het hulpwerkwoord is ‘être’, niet ‘avoir’. ‘être’ in de présent bij ‘elle’ is ‘est’.

  2. 02Stap 2 — Het voltooid deelwoord vormen

    ‘aller’ is een ‘-er’-werkwoord, dus het regelmatige voltooid deelwoord eindigt op ‘-é’: ‘allé’.

  3. 03Stap 3 — De accord toepassen

    Bij het hulpwerkwoord ‘être’ congrueert het deelwoord met het onderwerp. ‘Elle’ is vrouwelijk enkelvoud, dus voeg ‘-e’ toe: ‘allée’.

Resultaat: De juiste zin is ‘Elle est allée au marché.’ Omdat ‘aller’ tot de être-groep behoort, gebruik je ‘est’ (être), en omdat het onderwerp vrouwelijk is, krijgt het deelwoord de accord ‘-e’: ‘allée’.

Eindexamen-focus

  • Het schoolexamen toetst of je de passé composé correct vormt (juiste hulpwerkwoord avoir of être, en bij être de accord van het deelwoord) en haar onderscheidt van de imparfait.
  • Je moet kiezen tussen de afgeronde gebeurtenis (passé composé) en de achtergrond of gewoonte (imparfait), en de futur en conditionnel uit elkaar houden (zelfde stam, andere uitgangen).

Veelgemaakte fouten

  • Het verkeerde hulpwerkwoord kiezen in de passé composé: ‘j’ai allé’ in plaats van ‘je suis allé(e)’ — bewegingswerkwoorden en wederkerende werkwoorden nemen ‘être’.
  • De accord bij ‘être’ vergeten: ‘elle est allé’ in plaats van ‘elle est allée’ — met ‘être’ congrueert het voltooid deelwoord met het onderwerp (vrouwelijk + -e, meervoud + -s).

Actieve herhaling

Kies de juiste tijd (passé composé of imparfait) en vorm de werkwoorden: ‘Quand j’(être) petit, je (jouer) souvent au foot’, ‘Hier, il (pleuvoir) toute la journée’, ‘Soudain, le téléphone (sonner).’

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 06

Subjonctif, ontkenning en vraagzinnen#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Subjonctif en ontkenning

Subjonctif en ontkenningTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: Vorm · Voorbeeld · Gebruik; Subjonctif · il faut que je sois · wens, twijfel, noodzaak; ne … pas · je ne fume pas · gewone ontkenning; ne … jamais · je ne fume jamais · nooit; ne … plus · il n'y a plus · niet meer; ne … rien · je ne vois rien · nietsVORMVOORBEELDGEBRUIKSubjonctifil faut que je soiswens, twijfel, noodzaakne … pasje ne fume pasgewone ontkenningne … jamaisje ne fume jamaisnooitne … plusil n'y a plusniet meerne … rienje ne vois rienniets
Afb. 9De subjonctif na triggers van wens, twijfel of noodzaak, en de reeks ontkenningen rond het werkwoord.

Kernpunten

De subjonctif (aanvoegende wijs) is geen tijd maar een wijs: een aparte werkwoordsvorm die je gebruikt in een bijzin met ‘que’, na uitdrukkingen van wens, noodzaak, gevoel of twijfel. Typische triggers zijn ‘il faut que’ (het is nodig dat), ‘vouloir que’ (willen dat), ‘bien que’ (hoewel), ‘pour que’ (opdat) en ‘avoir peur que’ (bang zijn dat). Je vormt de subjonctif van regelmatige werkwoorden door van de ‘ils’-vorm van de présent de ‘-ent’ af te halen en de uitgangen ‘-e’, ‘-es’, ‘-e’, ‘-ions’, ‘-iez’, ‘-ent’ toe te voegen: ‘ils parlent’ → stam ‘parl-’ → ‘que je parle’, ‘que nous parlions’. De eerste tabel onderaan toont een subjonctifvorm naast de ontkenningen.
Een handvol hoogfrequente werkwoorden heeft een onregelmatige subjonctif die je gewoon uit het hoofd leert, en de twee belangrijkste zijn ‘être’ en ‘avoir’ — juist omdat ze zo vaak in deze constructies opduiken. Voor ‘être’ is dat ‘que je sois, que tu sois, qu’il soit, que nous soyons, que vous soyez, qu’ils soient’; voor ‘avoir’ ‘que j’aie, que tu aies, qu’il ait, que nous ayons, que vous ayez, qu’ils aient’. Zo zeg je ‘Il faut que je sois à l’heure’ („Ik moet op tijd zijn”) en ‘Il faut que tu aies de la patience’. Andere onregelmatige subjonctifs zijn ‘que j’aille’ (aller), ‘que je fasse’ (faire) en ‘que je puisse’ (pouvoir). Deze vormen komen zo vaak terug dat ze de investering in stampen ruimschoots terugbetalen.
De gewone ontkenning bouw je in het Frans met twee delen die het vervoegde werkwoord omsluiten: ‘ne’ ervóór en ‘pas’ erna. Zo wordt ‘je fume’ tot ‘je ne fume pas’, en voor een klinker wordt ‘ne’ samengetrokken tot ‘n’’: ‘je n’aime pas’. In de passé composé sluiten ‘ne … pas’ om het hulpwerkwoord heen: ‘je n’ai pas fumé’. Naast ‘pas’ bestaan vaste varianten met dezelfde plaatsing: ‘ne … jamais’ (nooit), ‘ne … plus’ (niet meer), ‘ne … rien’ (niets) en ‘ne … personne’ (niemand): ‘je ne fume jamais’, ‘il n’y a plus de pain’, ‘je ne vois rien’. In spreektaal valt de ‘ne’ vaak weg (‘je sais pas’), maar in verzorgd geschreven Frans hoort hij er altijd bij. De eerste tabel zet deze ontkenningen onder elkaar.
Het Frans kent drie manieren om een vraag te stellen, elk met een eigen register. De eenvoudigste is de intonatievraag uit de spreektaal: je houdt de gewone woordvolgorde aan en laat je stem aan het eind omhoog gaan — ‘Tu viens ?’. Neutraal en heel gebruikelijk is de vraag met ‘est-ce que’ vooraan: ‘Est-ce que tu viens ?’. De meest formele, schriftelijke vorm is de inversie, waarbij werkwoord en onderwerp van plaats wisselen met een streepje ertussen: ‘Viens-tu ?’. Met een vraagwoord werkt het net zo: ‘Où habites-tu ?’ (inversie), ‘Où est-ce que tu habites ?’ (neutraal) en ‘Tu habites où ?’ (spreektaal). De tweede tabel zet de drie vraagvormen met hun register naast elkaar, zodat je per situatie de passende toon kiest.
Al deze regels rusten op één vast skelet: de Franse zin volgt de volgorde Sujet–Verbe–Complément (onderwerp–werkwoord–aanvulling). ‘Marie (S) mange (V) une pomme (C)’ is het basispatroon. De ontkenning grijpt precies op dat skelet aan: ‘ne … pas’ omsluit het werkwoord, zodat je krijgt ‘Marie ne mange pas de pomme’ — met, zoals je in de sectie over lidwoorden zag, ‘de’ in plaats van ‘une’ na de ontkenning. Ook de voornaamwoorden uit de vorige sectie nestelen zich vóór het werkwoord, binnen die omsluiting: ‘Je ne la mange pas’. De boomstructuur onderaan deze sectie laat dat skelet zien — Sujet, Verbe (met ‘ne … pas’ eronder) en Complément (COD/COI) — als het geraamte waarop de subjonctif, de ontkenning en de vraagzin allemaal steunen.

Drie manieren om een vraag te stellen

Drie manieren om te vragenTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Manier · Voorbeeld · Register; Intonatie · Tu viens ? · spreektaal; est-ce que · Est-ce que tu viens ? · neutraal; Inversie · Viens-tu ? · formeelMANIERVOORBEELDREGISTERIntonatieTu viens ?spreektaalest-ce queEst-ce que tu viens ?neutraalInversieViens-tu ?formeel
Afb. 10Drie registers om dezelfde vraag te stellen: intonatie (spreektaal), est-ce que (neutraal) en inversie (formeel).

Zinsbouw: Sujet – Verbe – Complément

Zinsbouw: Sujet – Verbe – ComplémentBoomdiagram, 3 paden, Gegevens: Sujet; Verbe → ne … pas; Complément (COD/COI)VerbeLa phrase françaiseSujetne … pasComplément (COD/COI)
Afb. 11Het skelet van de Franse zin: Sujet–Verbe–Complément, met de ontkenning ne … pas rond het werkwoord.
Uitgewerkt voorbeeld

Een vorm in de subjonctif zetten na ‘il faut que’

Vorm de juiste werkwoordsvorm na ‘il faut que’ en verklaar je keuze: ‘Il faut que je (être) à l’heure.’ (= Ik moet op tijd zijn.)

  1. 01Stap 1 — De trigger herkennen

    ‘il faut que’ drukt noodzaak uit en is een vaste trigger die in de bijzin met ‘que’ de subjonctif eist — niet de gewone présent.

  2. 02Stap 2 — De juiste subjonctif van ‘être’ kiezen

    ‘être’ heeft een onregelmatige subjonctif die je uit het hoofd kent. De vorm bij ‘je’ is ‘sois’ (niet ‘suis’, dat is de présent).

  3. 03Stap 3 — De zin bouwen

    Zet de gekozen vorm in de bijzin: ‘Il faut que je sois à l’heure’.

Resultaat: De juiste zin is ‘Il faut que je sois à l’heure.’ De trigger ‘il faut que’ dwingt de subjonctif af, en de onregelmatige subjonctif van ‘être’ bij ‘je’ is ‘sois’, zoals ook de eerste tabel toont (‘il faut que je sois’).

Eindexamen-focus

  • Het schoolexamen verwacht dat je de subjonctif herkent en vormt na triggers als ‘il faut que’ en ‘vouloir que’, met de hoogfrequente vormen van ‘être’ (sois) en ‘avoir’ (aie).
  • Je moet de ontkenning ne … pas (en de varianten jamais/plus/rien/personne) rond het werkwoord bouwen en de drie vraagvormen (intonatie, est-ce que, inversie) naar register kiezen.

Veelgemaakte fouten

  • Na ‘il faut que’ of ‘vouloir que’ de gewone présent gebruiken: ‘il faut que je suis’ in plaats van ‘il faut que je sois’ — deze triggers eisen de subjonctif.
  • De ontkenning maar half schrijven: alleen ‘pas’ zonder ‘ne’ (in verzorgd Frans), of ‘ne’ op de verkeerde plaats — ‘ne’ en ‘pas’ omsluiten samen het vervoegde werkwoord (‘je ne fume pas’).

Actieve herhaling

Zet om of vul aan: maak van ‘Tu viens’ de drie vraagvormen, maak ‘Je vois quelque chose’ ontkennend met ‘ne … rien’, en zet ‘Il faut que tu (avoir) de la patience’ in de subjonctif.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 06

    • 01Lidwoorden (les articles)○
    • 02Zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden◐
    • 03Voornaamwoorden (COD, COI, y, en)◐
    • 04Werkwoorden: de présent◐
    • 05Verleden en toekomst: passé composé, imparfait, futur, conditionnel◐
    • 06Subjonctif, ontkenning en vraagzinnen●

0/6 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Grammatica

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~31
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Frans (HAVO)

Vorig onderwerp

Woordenschat (vocabulaire)

Volgend onderwerp

Schrijfvaardigheid

EuraStudy·Samenvattingen T·07·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.