EuraStudy
Samenvattingen/Duits/Grammatica (naamvallen, werkwoorden, zinsbouw)
Samenvattingen · DuitsNL · HAVO

Grammatica (naamvallen, werkwoorden, zinsbouw)

De Duitse grammatica draait om drie kernen: de vier naamvallen (Kasus), die de rol van een woord in de zin uitdrukken; de werkwoorden, met hun tijden en de modale werkwoorden; en de zinsbouw, met de kenmerkende Satzklammer en de plaats van het werkwoord. Een vaste greep op deze grammatica maakt je Duits correct en helpt je tegelijk om examenteksten sneller en preciezer te begrijpen.

6 Onderdelen·~26 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 4 · Verdieping 1

T·0555 / 11
Examenprofiel
De vier naamvallen (Nominativ, Akkusativ, Dativ, Genitiv) en hun functies herkennen en de lidwoorden en bijvoeglijke naamwoorden correct verbuigen.Persoonlijke en betrekkelijke voornaamwoorden, de werkwoordstijden (Präsens, Präteritum, Perfekt) en de modale werkwoorden correct vormen en gebruiken.De Duitse woordvolgorde en de Satzklammer toepassen, inclusief de Wechselpräpositionen met Akkusativ of Dativ.
Operatoren:vormverbuigbepaalleg uitverklaarverbeter

basisniveau

Voor het examen: herken de naamvallen en de zinsbouw bij het lezen, en pas de verbuigingen en werkwoordstijden correct toe bij het schrijven en spreken (schoolexamen).

verhoogd niveau

Wie verder studeert met Duits leest en schrijft academische teksten; een vaste greep op naamvallen, werkwoorden en zinsbouw blijft daar onmisbaar.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 6 onderdelen▾
  1. Grammatica (naamvallen, werkwoorden, zinsbouw)
    • 01De vier naamvallen (Kasus) en de lidwoorden○
    • 02Adjectiefverbuiging (bijvoeglijke naamwoorden)◐
    • 03Persoonlijke en betrekkelijke voornaamwoorden◐
    • 04Werkwoorden: Präsens, Präteritum en Perfekt◐
    • 05Modale werkwoorden◐
    • 06Zinsbouw, Satzklammer en Wechselpräpositionen●
§ 01

De vier naamvallen (Kasus) en de lidwoorden#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kernpunten

Het hart van de Duitse grammatica zijn de vier naamvallen of Kasus: Nominativ, Akkusativ, Dativ en Genitiv. Een naamval drukt uit welke rol een woord in de zin speelt, en die rol is in het Duits aan de vorm van het lidwoord (en het bijvoeglijk naamwoord) af te lezen — anders dan in het Nederlands, waar de naamvallen grotendeels verdwenen zijn. Wie de vier naamvallen en hun functies beheerst, begrijpt wie in een Duitse zin de handelende persoon is, wat het lijdend voorwerp is en aan wie iets gebeurt — onmisbaar voor zowel lezen als schrijven.
Elke naamval heeft een vaste functie. De Nominativ is de naamval van het onderwerp (Subjekt): degene of datgene dat de handeling verricht. Je vindt hem met de vraag „wer oder was?” (wie of wat?). De Akkusativ is de naamval van het lijdend voorwerp (direktes Objekt): degene of datgene dat de handeling ondergaat; je vindt hem met „wen oder was?” (wie of wat?, lijdend). De Dativ is de naamval van het meewerkend voorwerp (indirektes Objekt): aan of voor wie iets gebeurt; je vindt hem met „wem?” (aan wie?). De Genitiv ten slotte drukt bezit of verband uit en beantwoordt „wessen?” (van wie?).
De naamval wordt zichtbaar in het bepaald lidwoord (der, die, das), dat per naamval en per geslacht verandert. De tabel hieronder (Afb. 1) geeft het volledige paradigma voor de drie geslachten (mannelijk, onzijdig, vrouwelijk) en het meervoud. Let op de regelmaat: in de Akkusativ verandert alleen het mannelijke „der” in „den” — onzijdig, vrouwelijk en meervoud blijven gelijk aan de Nominativ. In de Dativ herken je overal de „-m” (mannelijk/onzijdig „dem”, vrouwelijk „der”) en in het meervoud „den” (waarbij ook het zelfstandig naamwoord een „-n” krijgt: „den Kindern”). In de Genitiv valt de „-s” op (mannelijk/onzijdig „des”, met „-s” aan het zelfstandig naamwoord: „des Mannes”).

Het bepaald lidwoord in de vier naamvallen

Bepaald lidwoord (bestimmter Artikel)Tabel met 5 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Naamval · m. · o. · v. · mv.; Nominativ · der · das · die · die; Akkusativ · den · das · die · die; Dativ · dem · dem · der · den; Genitiv · des · des · der · derNAAMVALM.O.V.MV.NominativderdasdiedieAkkusativdendasdiedieDativdemdemderdenGenitivdesdesderder
Afb. 1Afb. 1 — Het bepaald lidwoord (der/die/das) verandert per naamval en per geslacht.
Naast het bepaald lidwoord bestaat het onbepaald lidwoord (ein, eine), dat dezelfde naamvalsuitgangen krijgt; de tabel daaronder (Afb. 2) geeft het paradigma. De uitgangen lopen parallel aan die van „der”: „einen” in de Akkusativ mannelijk (vergelijk „den”), „einem” in de Dativ mannelijk/onzijdig (vergelijk „dem”), „einer” in de Dativ vrouwelijk en de Genitiv vrouwelijk. Het onbepaald lidwoord heeft geen meervoud (één boek wel, maar niet „één boeken”); in het meervoud gebruik je geen lidwoord, of het ontkennende „keine”, dat dezelfde uitgangen volgt.

Het onbepaald lidwoord in de vier naamvallen

Onbepaald lidwoord (unbestimmter Artikel)Tabel met 5 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Naamval · m. · o. · v. · mv. (kein); Nominativ · ein · ein · eine · keine; Akkusativ · einen · ein · eine · keine; Dativ · einem · einem · einer · keinen; Genitiv · eines · eines · einer · keinerNAAMVALM.O.V.MV. (KEIN)NominativeineineinekeineAkkusativeineneineinekeineDativeinemeinemeinerkeinenGenitiveineseineseinerkeiner
Afb. 2Afb. 2 — Het onbepaald lidwoord (ein/eine) krijgt dezelfde naamvalsuitgangen; het meervoud is keine.
De truc om de juiste naamval te kiezen is steeds dezelfde: bepaal de functie van het woord in de zin (onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, bezit), kies daarbij de naamval, en pas dan de juiste vorm van het lidwoord toe uit het paradigma. Veel naamvallen worden bovendien afgedwongen door een voorzetsel of een werkwoord: „für” en „ohne” vragen altijd de Akkusativ, „mit” en „bei” altijd de Dativ, en werkwoorden als „helfen” en „danken” sturen de Dativ. Wie de paradigma's uit het hoofd kent en de functie van elk zinsdeel herkent, verbuigt vrijwel automatisch correct.
Uitgewerkt voorbeeld

Een volledige naamvalsontleding

Ontleed de zin „Der Mann gibt dem Kind den Ball” volledig: bepaal van elk zinsdeel de naamval en de functie, en verklaar de vorm van elk lidwoord.

  1. 01Stap 1 — Vind het onderwerp (Nominativ)

    Wie geeft er iets? „Der Mann.” Dat is het onderwerp, dus Nominativ. Mannelijk Nominativ is „der” — vandaar „der Mann” (vraag: wer gibt? → der Mann).

  2. 02Stap 2 — Vind het lijdend voorwerp (Akkusativ)

    Wat wordt er gegeven? „den Ball.” Dat ondergaat de handeling, dus Akkusativ. Mannelijk Akkusativ verandert „der” in „den” — vandaar „den Ball” (vraag: was gibt er? → den Ball).

  3. 03Stap 3 — Vind het meewerkend voorwerp (Dativ)

    Aan wie wordt de bal gegeven? „dem Kind.” Dat is de ontvanger, dus Dativ. Onzijdig Dativ is „dem” — vandaar „dem Kind” (vraag: wem gibt er den Ball? → dem Kind).

  4. 04Stap 4 — Vat de ontleding samen

    „Der Mann” (Nom., onderwerp) — „gibt” (werkwoord) — „dem Kind” (Dat., meewerkend voorwerp) — „den Ball” (Akk., lijdend voorwerp). De drie naamvallen zijn alle aan het lidwoord af te lezen.

Resultaat: „Der Mann” staat in de Nominativ (onderwerp), „dem Kind” in de Dativ (meewerkend voorwerp), „den Ball” in de Akkusativ (lijdend voorwerp). Elk lidwoord (der/dem/den) verraadt de naamval, en daarmee de rol van het woord in de zin.

Eindexamen-focus

  • Het examen verwacht dat je de naamval van een woord herkent aan het lidwoord en weet welke functie (onderwerp, lijdend/meewerkend voorwerp, bezit) erbij hoort.
  • Je moet het bepaald en onbepaald lidwoord in alle vier de naamvallen correct verbuigen en weten dat sommige voorzetsels en werkwoorden een vaste naamval afdwingen.

Veelgemaakte fouten

  • De Akkusativ en de Nominativ verwarren bij mannelijke woorden: het onderwerp is „der Mann”, maar het lijdend voorwerp is „den Mann”.
  • In de Dativ meervoud de „-n” aan het zelfstandig naamwoord vergeten: het is „mit den Kindern”, niet „mit den Kinder”.

Actieve herhaling

Bepaal in „Die Lehrerin gibt dem Schüler das Buch” van elk vetgedrukt zinsdeel de naamval en de functie, en leg uit waaraan je dat in het lidwoord ziet.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Duits (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Adjectiefverbuiging (bijvoeglijke naamwoorden)#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Een bijvoeglijk naamwoord (Adjektiv) krijgt in het Duits een uitgang wanneer het vóór een zelfstandig naamwoord staat: „der gute Mann”, „ein gutes Buch”, „schöne Häuser”. Staat het bijvoeglijk naamwoord níét vóór een zelfstandig naamwoord maar achter een koppelwerkwoord, dan blijft het onveranderd: „Der Mann ist gut.” De uitgang hangt af van drie dingen tegelijk: de naamval, het geslacht (of meervoud), en — cruciaal — wat er vóór het bijvoeglijk naamwoord staat. Naar dat laatste onderscheidt het Duits drie verbuigingstypen.
Het eerste en meest voorkomende type is de zwakke verbuiging (schwache Deklination): die gebruik je na het bepaald lidwoord (der, die, das) en na woorden die zich net zo gedragen (dieser, jeder). Omdat het lidwoord de naamval al duidelijk aangeeft, hoeft het bijvoeglijk naamwoord dat niet meer te doen en krijgt het alleen de „zwakke” uitgangen „-e” of „-en”. De tabel hieronder (Afb. 3) geeft het volledige paradigma. Onthoud de vuistregel: in de Nominativ enkelvoud (en de Akkusativ onzijdig en vrouwelijk) is de uitgang „-e”, in alle andere gevallen „-en”.

Zwakke verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord

Zwakke verbuiging (na der/die/das)Tabel met 5 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Naamval · m. · o. · v. · mv.; Nominativ · -e · -e · -e · -en; Akkusativ · -en · -e · -e · -en; Dativ · -en · -en · -en · -en; Genitiv · -en · -en · -en · -enNAAMVALM.O.V.MV.Nominativ-e-e-e-enAkkusativ-en-e-e-enDativ-en-en-en-enGenitiv-en-en-en-en
Afb. 3Afb. 3 — Na het bepaald lidwoord: uitgang -e in de Nominativ enkelvoud (en Akk. o./v.), elders -en.
Het tweede type is de gemengde verbuiging (gemischte Deklination): die gebruik je na het onbepaald lidwoord (ein, eine), na „kein” en na de bezittelijke voornaamwoorden (mein, dein, sein). Hier geeft het lidwoord de naamval niet altijd duidelijk aan — „ein” verraadt bijvoorbeeld niet of het mannelijk of onzijdig is — dus springt het bijvoeglijk naamwoord bij met een sterkere uitgang waar dat nodig is: „ein guter Mann” (de „-r” toont mannelijk Nominativ), „ein gutes Buch” (de „-s” toont onzijdig). In de overige gevallen lijkt de gemengde verbuiging op de zwakke, met „-en”.
Het derde type is de sterke verbuiging (starke Deklination): die gebruik je wanneer er géén lidwoord vóór het bijvoeglijk naamwoord staat (vaak in het meervoud of bij onbepaalde hoeveelheden): „guter Wein”, „kaltes Wasser”, „schöne Häuser”. Omdat er nu helemaal geen lidwoord is om de naamval aan te geven, neemt het bijvoeglijk naamwoord die taak helemaal over en krijgt het de uitgangen die anders het bepaald lidwoord zou dragen (de „-r”, „-s”, „-m”, „-n” van der/das/dem/den). Geen lidwoord betekent dus: het bijvoeglijk naamwoord werkt het hardst.
De achterliggende logica vat alles samen: de naamval moet ergens zichtbaar zijn. Doet het lidwoord dat al (der/die/das), dan mag het bijvoeglijk naamwoord het rustig aan doen (zwak, „-e”/„-en”). Doet het lidwoord het maar half (ein), dan springt het bijvoeglijk naamwoord bij waar nodig (gemengd). Is er geen lidwoord, dan moet het bijvoeglijk naamwoord het helemaal alleen doen (sterk). Wie dat principe begrijpt, hoeft niet drie losse tabellen te stampen, maar leidt de juiste uitgang telkens af uit de vraag: toont het lidwoord de naamval al, ja of nee?
Uitgewerkt voorbeeld

De juiste adjectiefuitgang kiezen

Vul de uitgang in en motiveer: „Ich sehe den alt__ Mann.” (alt = oud)

  1. 01Stap 1 — Bepaal naamval en geslacht

    „Den … Mann” is het lijdend voorwerp: Akkusativ, mannelijk. Het lidwoord „den” toont dat al duidelijk.

  2. 02Stap 2 — Kies het verbuigingstype

    Na het bepaald lidwoord (den) gebruik je de zwakke verbuiging, want het lidwoord geeft de naamval al aan.

  3. 03Stap 3 — Pas de zwakke uitgang toe

    In de zwakke verbuiging is de uitgang „-en” in alle gevallen behalve de Nominativ enkelvoud (en Akkusativ o./v.). De Akkusativ mannelijk valt daarbuiten, dus „-en”: „den alten Mann”.

Resultaat: De juiste vorm is „Ich sehe den alten Mann.” Omdat het bepaald lidwoord „den” de naamval (Akkusativ mannelijk) al aangeeft, gebruik je de zwakke verbuiging, en die geeft hier de uitgang „-en”.

Eindexamen-focus

  • Het examen (schoolexamen schrijven) verwacht dat je het juiste verbuigingstype kiest op grond van wat er vóór het bijvoeglijk naamwoord staat (bepaald lidwoord, onbepaald lidwoord, of niets).
  • Je moet weten dat een bijvoeglijk naamwoord na een koppelwerkwoord onverbogen blijft, maar vóór een zelfstandig naamwoord een uitgang krijgt.

Veelgemaakte fouten

  • Een bijvoeglijk naamwoord onverbogen laten vóór een zelfstandig naamwoord: het is „der gute Mann”, niet „der gut Mann”.
  • Na het onbepaald lidwoord de zwakke in plaats van de gemengde uitgang gebruiken: het is „ein guter Mann” (niet „ein gute Mann”), want „ein” toont het mannelijke niet.

Actieve herhaling

Vul de juiste uitgang in en benoem het verbuigingstype: „der alt__ Mann”, „ein klein__ Kind”, „kalt__ Wasser (zonder lidwoord)”, „die schön__ Häuser”.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Duits (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Persoonlijke en betrekkelijke voornaamwoorden#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Voornaamwoorden (Pronomen) vervangen een zelfstandig naamwoord en buigen, net als de lidwoorden, mee met de naamval. De persoonlijke voornaamwoorden (Personalpronomen) — ich, du, er, sie, es, wir, ihr, sie/Sie — veranderen van vorm naargelang ze onderwerp, lijdend voorwerp of meewerkend voorwerp zijn. De tabel hieronder (Afb. 4) geeft alle vormen in de Nominativ, Akkusativ en Dativ. Let op de onregelmatige maar veelgebruikte vormen: „ich” wordt „mich” (Akk.) en „mir” (Dat.); „er” wordt „ihn” en „ihm”; „sie” (zij, vrouwelijk) wordt „sie” en „ihr”.

Persoonlijke voornaamwoorden in drie naamvallen

PersonalpronomenTabel met 4 kolommen en 8 rijen, Gegevens: Persoon · Nominativ · Akkusativ · Dativ; 1e ev. · ich · mich · mir; 2e ev. · du · dich · dir; 3e m. · er · ihn · ihm; 3e v. · sie · sie · ihr; 3e o. · es · es · ihm; 1e mv. · wir · uns · uns; 2e mv. · ihr · euch · euch; 3e mv. / u · sie / Sie · sie / Sie · ihnen / IhnenPERSOONNOMINATIVAKKUSATIVDATIV1e ev.ichmichmir2e ev.dudichdir3e m.erihnihm3e v.siesieihr3e o.esesihm1e mv.wirunsuns2e mv.ihreucheuch3e mv. / usie / Siesie / Sieihnen / Ihnen
Afb. 4Afb. 4 — De persoonlijke voornaamwoorden veranderen per naamval; let op het beleefde Sie/Ihnen.
Een bijzondere plaats neemt het beleefdheidspronomen „Sie” in: dat is de beleefde aanspreekvorm (u) en wordt altijd met een hoofdletter geschreven, zowel als onderwerp („Sie”) als in de andere naamvallen („Ihnen” in de Dativ). Verwar het niet met „sie” (zij, met kleine letter), dat ofwel „zij” (vrouwelijk enkelvoud) ofwel „zij/ze” (meervoud) betekent. Het verschil tussen „sie” en „Sie” is in geschreven Duits alleen aan de hoofdletter te zien — een detail dat op het examen het verschil kan maken.
De betrekkelijke voornaamwoorden (Relativpronomen) verbinden een bijzin aan een zelfstandig naamwoord in de hoofdzin: „der Mann, der dort steht” (de man die daar staat). Ze hebben grotendeels dezelfde vormen als het bepaald lidwoord (der, die, das, …), met twee opvallende uitzonderingen: de Dativ meervoud is „denen” (niet „den”), en de Genitiv is „dessen” (m./o.) of „deren” (v./mv.). De tabel daaronder (Afb. 5) geeft het volledige paradigma.

Betrekkelijke voornaamwoorden

RelativpronomenTabel met 5 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Naamval · m. · o. · v. · mv.; Nominativ · der · das · die · die; Akkusativ · den · das · die · die; Dativ · dem · dem · der · denen; Genitiv · dessen · dessen · deren · derenNAAMVALM.O.V.MV.NominativderdasdiedieAkkusativdendasdiedieDativdemdemderdenenGenitivdessendessenderenderen
Afb. 5Afb. 5 — Als het bepaald lidwoord, behalve denen (Dat. mv.) en dessen/deren (Gen.).
De sleutelregel bij het betrekkelijk voornaamwoord is dat het twee dingen tegelijk volgt, en wel van twee verschillende kanten: het geslacht en het getal komen van het woord waarnaar het verwijst (het antecedent in de hoofdzin), maar de naamval komt van de functie binnen de bijzin zelf. In „die Frau, die ich kenne” is „die” vrouwelijk (want het verwijst naar „die Frau”), maar staat het in de Akkusativ (want binnen de bijzin „die ich kenne” is het het lijdend voorwerp: ik ken haar). Bepaal dus altijd los: welk geslacht/getal (uit de hoofdzin) en welke naamval (uit de bijzin)?
Onthoud bovendien dat een betrekkelijke bijzin in het Duits een bijzin is, en dus het vervoegde werkwoord naar het einde stuurt: „Das ist der Mann, der mir geholfen hat.” Het werkwoord „hat” staat achteraan. Vergeet je die woordvolgorde, dan klinkt de zin meteen fout. Het betrekkelijk voornaamwoord en de eindplaats van het werkwoord horen dus bij elkaar: zie je een relativpronomen, dan weet je dat het werkwoord aan het slot van de bijzin komt.
Uitgewerkt voorbeeld

Het juiste betrekkelijk voornaamwoord kiezen

Vul het betrekkelijk voornaamwoord in en motiveer: „Die Frau, ___ ich kenne, ist Lehrerin.” (kennen = kennen)

  1. 01Stap 1 — Bepaal geslacht en getal (uit de hoofdzin)

    Het voornaamwoord verwijst naar „die Frau”: vrouwelijk, enkelvoud. Het moet dus een vrouwelijke vorm zijn (die/der/deren).

  2. 02Stap 2 — Bepaal de naamval (uit de bijzin)

    Binnen de bijzin „… ich kenne” is het voornaamwoord het lijdend voorwerp: ik ken háár. Dat is de Akkusativ.

  3. 03Stap 3 — Combineer en let op de woordvolgorde

    Vrouwelijk + Akkusativ = „die”. En omdat het een bijzin is, staat het werkwoord achteraan: „Die Frau, die ich kenne, ist Lehrerin.”

Resultaat: Het juiste voornaamwoord is „die”: vrouwelijk en enkelvoud (uit de hoofdzin „die Frau”) én Akkusativ (lijdend voorwerp in de bijzin). Het werkwoord „kenne” staat aan het einde van de bijzin.

Eindexamen-focus

  • Het examen verwacht dat je persoonlijke voornaamwoorden in de juiste naamval gebruikt en het verschil tussen „sie” (zij) en „Sie” (u, met hoofdletter) kent.
  • Je moet een betrekkelijk voornaamwoord correct kiezen: geslacht en getal uit de hoofdzin, naamval uit de functie in de bijzin, met het werkwoord achteraan.

Veelgemaakte fouten

  • Het beleefde „Sie” (u) met een kleine letter schrijven of verwarren met „sie” (zij); de hoofdletter is verplicht.
  • Bij een betrekkelijk voornaamwoord de naamval uit de hoofdzin overnemen; de naamval komt juist uit de functie binnen de bijzin.

Actieve herhaling

Kies het juiste betrekkelijk voornaamwoord en verklaar geslacht en naamval: „Das Buch, ___ ich gelesen habe, war spannend” en „Der Freund, ___ ich vertraue, wohnt in Köln.”

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Duits (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Werkwoorden: Präsens, Präteritum en Perfekt#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Het Duitse werkwoord wordt vervoegd naar persoon en getal, net als in het Nederlands. In de tegenwoordige tijd (Präsens) neem je de stam van het werkwoord en plak je de uitgangen aan: bij „machen” (maken) krijg je „ich mache, du machst, er/sie/es macht, wir machen, ihr macht, sie/Sie machen”. Onthoud vooral de uitgangen „-st” (2e persoon enkelvoud) en „-t” (3e persoon enkelvoud en 2e persoon meervoud); de wij- en zij-vorm zijn gelijk aan de infinitief. Veel sterke werkwoorden veranderen daarbij hun klinker in de 2e en 3e persoon enkelvoud: „fahren” wordt „du fährst, er fährt”; „geben” wordt „du gibst, er gibt”.
Voor het verleden kent het Duits twee tijden die allebei een afgesloten verleden kunnen uitdrukken: het Präteritum (de onvoltooid verleden tijd, ook Imperfekt genoemd) en het Perfekt (de voltooid tegenwoordige tijd). Het Präteritum vorm je bij regelmatige (zwakke) werkwoorden met „-te”: „machen” wordt „machte” (ich machte, du machtest, er machte). Sterke werkwoorden veranderen hun klinker: „gehen” wordt „ging”, „fahren” wordt „fuhr”, „sein” wordt „war”. Het Präteritum is vooral de tijd van geschreven, vertellende teksten — verhalen, verslagen, kranten — en je komt het op het leesexamen dus voortdurend tegen.
Het Perfekt vorm je met een hulpwerkwoord — „haben” of „sein” — plus het voltooid deelwoord (Partizip II) achteraan: „ich habe gemacht”, „ich bin gegangen”. Het voltooid deelwoord van zwakke werkwoorden krijgt „ge-…-t” („gemacht”), dat van sterke werkwoorden vaak „ge-…-en” met klinkerwisseling („gegangen”, „gesehen”). Het Perfekt is vooral de tijd van de spreektaal: in een gesprek vertel je over het verleden meestal in het Perfekt („Ich habe gestern Fußball gespielt”). De tabel hieronder (Afb. 6) zet voor een aantal werkwoorden het Präteritum en het Perfekt naast elkaar.

Präteritum en Perfekt naast elkaar

Verleden tijdenTabel met 3 kolommen en 7 rijen, Gegevens: Infinitiv · Präteritum · Perfekt; machen · machte · hat gemacht; kaufen · kaufte · hat gekauft; sehen · sah · hat gesehen; gehen · ging · ist gegangen; fahren · fuhr · ist gefahren; sein · war · ist gewesen; werden · wurde · ist gewordenINFINITIVPRÄTERITUMPERFEKTmachenmachtehat gemachtkaufenkauftehat gekauftsehensahhat gesehengehengingist gegangenfahrenfuhrist gefahrenseinwarist gewesenwerdenwurdeist geworden
Afb. 6Afb. 6 — Bewegings- en toestandswerkwoorden nemen in het Perfekt „sein”, de meeste andere „haben”.
De grote vraag bij het Perfekt is: haben of sein? De regel: de meeste werkwoorden nemen „haben”, maar werkwoorden die een verplaatsing of een verandering van toestand uitdrukken, nemen „sein”. „Gehen” (gaan), „fahren” (rijden), „kommen” (komen), „laufen” (lopen) zijn bewegingswerkwoorden en nemen „sein”: „ich bin gegangen”, „ich bin gefahren”. Ook „sein” (zijn) en „werden” (worden) zelf nemen „sein”: „ich bin gewesen”, „ich bin geworden”. De overige werkwoorden — „machen”, „kaufen”, „sehen”, „essen” — nemen „haben”: „ich habe gekauft”, „ich habe gesehen”.
Een laatste belangrijk punt is de plaats van de werkwoorden in de zin, want die hangt samen met de tijd. In het Perfekt staat het vervoegde hulpwerkwoord (haben/sein) op de tweede plaats in de hoofdzin, maar het voltooid deelwoord springt naar het einde: „Ich habe gestern ein Buch gekauft.” Tussen „habe” en „gekauft” staat de rest van de zin ingeklemd. Dat verschijnsel heet de Satzklammer (zinstang) en wordt verderop in dit onderwerp behandeld. Onthoud nu alvast: bij een samengestelde werkwoordstijd staat het tweede werkwoorddeel altijd helemaal achteraan.
Uitgewerkt voorbeeld

Een zin in het Perfekt zetten met de juiste hulpwerkwoordkeuze

Zet de zin „Wir fahren nach Berlin” in het Perfekt. Werk stap voor stap.

  1. 01Stap 1 — Kies haben of sein

    „Fahren” (rijden) is een bewegingswerkwoord: het drukt een verplaatsing uit. Bewegingswerkwoorden nemen in het Perfekt „sein”, niet „haben”.

  2. 02Stap 2 — Vorm het voltooid deelwoord

    „Fahren” is een sterk werkwoord; het voltooid deelwoord is „gefahren” (ge-…-en met klinkerwisseling).

  3. 03Stap 3 — Plaats de werkwoorden correct

    Het hulpwerkwoord „sind” komt op de tweede plaats, het voltooid deelwoord „gefahren” gaat naar het einde: „Wir sind nach Berlin gefahren.”

Resultaat: De Perfekt-vorm is „Wir sind nach Berlin gefahren.” Omdat „fahren” een bewegingswerkwoord is, gebruik je „sein” (wir sind), en het voltooid deelwoord „gefahren” staat achteraan.

Eindexamen-focus

  • Het examen toetst je herkenning van werkwoordstijden bij het lezen (vooral het Präteritum in verhalende teksten) en, voor het schoolexamen, het correct vormen ervan.
  • Je moet het Perfekt met de juiste hulpwerkwoordkeuze (haben of sein) vormen en het voltooid deelwoord achteraan plaatsen.

Veelgemaakte fouten

  • Bij bewegingswerkwoorden „haben” in plaats van „sein” kiezen in het Perfekt: het is „ich bin gefahren”, niet „ich habe gefahren”.
  • Het voltooid deelwoord niet achteraan zetten: het is „Ich habe ein Buch gekauft”, niet „Ich habe gekauft ein Buch”.

Actieve herhaling

Zet de zin „Ich gehe nach Hause” in het Perfekt en in het Präteritum, en zet „Sie kauft ein Auto” in het Perfekt. Let bij elke zin op de hulpwerkwoordkeuze en de plaats van het werkwoord.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Duits (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 05

Modale werkwoorden#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

De modale werkwoorden (Modalverben) drukken niet zelf een handeling uit, maar een houding tegenover een handeling: of die mogelijk, verplicht, gewenst of toegestaan is. Het Duits kent er zes: „können” (kunnen), „müssen” (moeten), „dürfen” (mogen), „wollen” (willen), „sollen” (moeten/horen) en „mögen” (houden van; in de vorm „möchten” = graag willen). Ze horen tot de meest gebruikte werkwoorden van de taal en zijn voor zowel lezen als spreken onmisbaar. De tabel hieronder (Afb. 7) geeft elk modaal werkwoord met zijn ich/er-vorm en zijn betekenis.

De zes modale werkwoorden

ModalverbenTabel met 3 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Modaal ww. · ich / er · Betekenis (NL); können · kann · kunnen; müssen · muss · moeten; dürfen · darf · mogen (toestemming); wollen · will · willen; sollen · soll · moeten, horen; mögen · mag · houden van, lustenMODAAL WW.ICH / ERBETEKENIS (NL)könnenkannkunnenmüssenmussmoetendürfendarfmogen (toestemming)wollenwillwillensollensollmoeten, horenmögenmaghouden van, lusten
Afb. 7Afb. 7 — De ich- en er-vorm zijn gelijk en uitgangsloos; let op de valse vrienden dürfen en mögen.
Modale werkwoorden hebben een opvallende, onregelmatige vervoeging in de tegenwoordige tijd: de ich-vorm en de er/sie/es-vorm zijn gelijk en krijgen géén uitgang, en de klinker verandert vaak ten opzichte van de infinitief. Zo wordt „können” → „ich kann, du kannst, er kann”; „müssen” → „ich muss, er muss”; „dürfen” → „ich darf, er darf”; „wollen” → „ich will, er will”. Die gelijke ich- en er-vorm zonder uitgang is hét herkenningspunt van een modaal werkwoord — wie „er kann” ziet, weet meteen dat hier een modaal werkwoord staat.
Het belangrijkste kenmerk van modale werkwoorden in de zin is dat ze samengaan met een tweede werkwoord, en wel in de infinitief, die naar het einde van de zin gaat: „Ich kann gut Deutsch sprechen.” Het modale werkwoord „kann” staat op de tweede plaats, de infinitief „sprechen” helemaal achteraan, en daartussen staat de rest van de zin ingeklemd. Dit is opnieuw de Satzklammer (zinstang) in actie: het modale werkwoord opent de tang, de infinitief sluit hem. Let op dat de infinitief géén „zu” krijgt: het is „Ich muss arbeiten”, niet „Ich muss zu arbeiten”.
De betekenissen verdienen aandacht, omdat een paar modale werkwoorden valse vrienden zijn met het Nederlands. „Dürfen” betekent „mogen” (toestemming), níét „durven”: „Ich darf heute ausgehen” = „Ik mag vanavond uitgaan”. „Mögen” betekent „houden van / lusten”, níét „mogen”: „Ich mag Schokolade” = „Ik houd van chocola”. En „müssen” in de ontkenning betekent „niet hoeven” in plaats van „niet mogen”: „Du musst nicht kommen” = „Je hoeft niet te komen” (en niet „je mag niet komen” — dat is „Du darfst nicht kommen”). Deze nuances zijn een geliefd struikelblok.
Voor een beleefd verzoek of een wens gebruik je vaak de vorm „möchten” (afgeleid van „mögen”): „Ich möchte einen Kaffee, bitte” (ik wil graag een koffie). „Möchten” is beleefder dan „wollen” (willen), dat directer en soms wat bot klinkt. In het dagelijks Duits, en zeker in formele situaties, kies je daarom meestal „möchten” om iets te vragen. Wie het verschil tussen „ich will” (ik wil, direct) en „ich möchte” (ik wil graag, beleefd) aanvoelt, treft in een gesprek meteen de juiste toon.
Uitgewerkt voorbeeld

Een zin met een modaal werkwoord bouwen

Maak van „Ich spiele Klavier” een zin die uitdrukt dat je het kúnt: voeg het modale werkwoord „können” toe. Werk stap voor stap.

  1. 01Stap 1 — Vervoeg het modale werkwoord

    „Können” in de ich-vorm is „kann” — zonder uitgang en met klinkerwisseling (ö → a). Het komt op de tweede plaats in de zin.

  2. 02Stap 2 — Zet het hoofdwerkwoord in de infinitief

    Het oorspronkelijke werkwoord „spiele” wordt de infinitief „spielen” en gaat naar het einde van de zin (geen „zu”).

  3. 03Stap 3 — Stel de Satzklammer samen

    Tussen „kann” (tweede plaats) en „spielen” (einde) staat de rest ingeklemd: „Ich kann Klavier spielen.”

Resultaat: De zin wordt „Ich kann Klavier spielen.” Het modale werkwoord „kann” staat op de tweede plaats, de infinitief „spielen” gaat naar het einde, en samen vormen ze de Satzklammer.

Eindexamen-focus

  • Het examen toetst of je modale werkwoorden herkent en hun betekenis kent, inclusief de valse vrienden (dürfen = mogen, mögen = houden van).
  • Je moet weten dat een modaal werkwoord op de tweede plaats staat en de tweede infinitief (zonder „zu”) naar het einde van de zin stuurt (Satzklammer).

Veelgemaakte fouten

  • „Dürfen” als „durven” of „mögen” als „mogen” vertalen; het zijn valse vrienden („dürfen” = mogen, „mögen” = houden van).
  • De tweede infinitief niet achteraan zetten of er „zu” bij plaatsen: het is „Ich muss arbeiten”, niet „Ich muss zu arbeiten” of „Ich muss arbeiten heute”.

Actieve herhaling

Vertaal en let op de modale werkwoorden: „Ich kann schwimmen”, „Du darfst hier nicht parken”, „Wir möchten bestellen.” Verklaar bij elke zin de plaats van de infinitief.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Duits (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 06

Zinsbouw, Satzklammer en Wechselpräpositionen#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Kernpunten

De Duitse woordvolgorde is strenger dan de Nederlandse, maar volgt een helder principe. In een gewone mededelende hoofdzin staat het vervoegde werkwoord altijd op de tweede plaats (de „Verbzweit”-regel): op de eerste plaats staat één zinsdeel naar keuze (het onderwerp, een tijdsbepaling, een lijdend voorwerp), en daar meteen achter het vervoegde werkwoord. „Ich lese heute ein Buch”, maar net zo goed „Heute lese ich ein Buch” — zodra je „heute” voorop zet, schuift het onderwerp „ich” achter het werkwoord. Het werkwoord blijft koppig op plaats twee staan; dat is de spil van de Duitse hoofdzin.
Als een zin meer dan één werkwoorddeel heeft — een hulpwerkwoord plus een voltooid deelwoord, of een modaal werkwoord plus een infinitief — ontstaat de Satzklammer (zinstang). Het vervoegde deel staat op de tweede plaats (de linkerklem), het andere deel staat helemaal achteraan (de rechterklem), en alle overige zinsdelen staan daartussen ingeklemd in het zogenoemde Mittelfeld. In „Ich habe gestern ein Buch gekauft” vormen „habe” (links) en „gekauft” (rechts) de tang om „gestern ein Buch” heen. Het schema hieronder (Afb. 8) laat de velden van de zin zien, en de tabel daaronder (Afb. 9) vult ze met een concrete zin.

De velden van de Duitse hoofdzin (Satzklammer)

Velden van de hoofdzinGraaf, Vorfeld → Linkerklem (pers.vorm), Linkerklem (pers.vorm) → Mittelfeld, Mittelfeld → Rechterklem (2e ww.-deel), Rechterklem (2e ww.-deel) → NachfeldVorfeldLinkerklem(pers.vorm)MittelfeldRechterklem (2eww.-deel)Nachfeld
Afb. 8Afb. 8 — Het vervoegde werkwoord (linkerklem) en het tweede werkwoorddeel (rechterklem) klemmen het Mittelfeld in.

Een concrete zin in zijn velden

Satzklammer in de praktijkTabel met 2 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Veld · Inhoud; Vorfeld · Ich; Linkerklem · habe; Mittelfeld · gestern ein Buch; Rechterklem · gekauftVELDINHOUDVorfeldIchLinkerklemhabeMittelfeldgestern ein BuchRechterklemgekauft
Afb. 9Afb. 9 — „Ich habe gestern ein Buch gekauft” verdeeld over de velden van de zin.
De Satzklammer is hét structuurprincipe van de Duitse zin en verklaart waarom het werkwoord (of een werkwoorddeel) in het Duits zo vaak helemaal achteraan opduikt — iets wat Nederlandstalige lezers in lange zinnen makkelijk uit het oog verliezen. Voor het lezen betekent dit: zoek bij een lange zin eerst het vervoegde werkwoord (plaats twee) én het laatste werkwoorddeel (het einde); samen geven ze het geraamte. Voor het schrijven betekent het: zet het tweede werkwoorddeel altijd achteraan. Wie de tang ziet, leest en bouwt elke Duitse hoofdzin moeiteloos.
In een bijzin (Nebensatz) verspringt het hele werkwoord naar het einde. Een bijzin wordt ingeleid door een onderschikkend voegwoord — „weil”, „dass”, „wenn”, „obwohl” — of door een betrekkelijk voornaamwoord, en dáárna komt het vervoegde werkwoord pas helemaal aan het slot: „Ich bleibe zu Hause, weil ich krank bin.” Vergelijk met de hoofdzin „Ich bin krank”: in de bijzin schuift „bin” naar het einde. Let goed op het verschil met „denn” (want), dat géén bijzin maakt en de werkwoordsplaats níét verandert. Een onderschikkend voegwoord stuurt het werkwoord naar achteren; een nevenschikkend voegwoord (und, aber, denn, oder) doet dat niet.
Een laatste, beruchte regel betreft de Wechselpräpositionen: negen voorzetsels die soms de Akkusativ en soms de Dativ sturen — an, auf, hinter, in, neben, über, unter, vor, zwischen. De regel is verrassend logisch: gaat het om een beweging naar een plaats toe (vraag „wohin?”, waarheen?), dan gebruik je de Akkusativ; gaat het om een plaats waar iets rust of gebeurt (vraag „wo?”, waar?), dan gebruik je de Dativ. Vergelijk „Ich hänge das Bild an die Wand” (wohin? → Akkusativ, „die Wand”) met „Das Bild hängt an der Wand” (wo? → Dativ, „der Wand”). De tabel hieronder (Afb. 10) geeft de negen Wechselpräpositionen; de vraag „wohin of wo?” beslist telkens over de naamval.

De negen Wechselpräpositionen

Wechselpräpositionen (Akk. of Dat.)Tabel met 2 kolommen en 9 rijen, Gegevens: Voorzetsel · Betekenis (NL); an · aan, bij; auf · op; hinter · achter; in · in; neben · naast; über · boven, over; unter · onder; vor · voor; zwischen · tussenVOORZETSELBETEKENIS (NL)anaan, bijaufophinterachterininnebennaastüberboven, overunterondervorvoorzwischentussen
Afb. 10Afb. 10 — Beweging (wohin?) stuurt de Akkusativ, plaats (wo?) de Dativ.
Uitgewerkt voorbeeld

Een zin in zijn velden ontleden (Satzklammer)

Analyseer de woordvolgorde van „Ich habe gestern ein Buch gekauft”: wijs de Satzklammer aan en benoem de velden Vorfeld, linkerklem, Mittelfeld en rechterklem.

  1. 01Stap 1 — Vind het vervoegde werkwoord (linkerklem)

    Het vervoegde werkwoord is „habe” en staat op de tweede plaats. Dat is de linkerklem van de Satzklammer.

  2. 02Stap 2 — Vind het tweede werkwoorddeel (rechterklem)

    Het voltooid deelwoord „gekauft” staat helemaal achteraan. Dat is de rechterklem. Samen vormen „habe … gekauft” de tang.

  3. 03Stap 3 — Benoem de overige velden

    Vóór „habe” staat één zinsdeel: „Ich” — dat is het Vorfeld. Tussen de klemmen staat „gestern ein Buch” — dat is het Mittelfeld.

  4. 04Stap 4 — Vat de structuur samen

    Vorfeld: „Ich” — linkerklem: „habe” — Mittelfeld: „gestern ein Buch” — rechterklem: „gekauft”. Het vervoegde werkwoord op plaats twee en het deelwoord achteraan klemmen de zin in.

Resultaat: De zin is opgebouwd als Vorfeld („Ich”) — linkerklem („habe”) — Mittelfeld („gestern ein Buch”) — rechterklem („gekauft”). Het vervoegde werkwoord staat op de tweede plaats, het voltooid deelwoord achteraan; samen vormen ze de Satzklammer.

Eindexamen-focus

  • Het examen verwacht dat je de Verbzweit-regel (werkwoord op plaats twee) en de Satzklammer herkent, en weet dat een bijzin het werkwoord naar het einde stuurt.
  • Je moet bij de negen Wechselpräpositionen de juiste naamval kiezen op grond van de vraag „wohin?” (Akkusativ, beweging) of „wo?” (Dativ, plaats).

Veelgemaakte fouten

  • Het tweede werkwoorddeel niet achteraan zetten (de Satzklammer doorbreken): „Ich habe gekauft ein Buch” in plaats van „Ich habe ein Buch gekauft”.
  • Bij een Wechselpräposition altijd dezelfde naamval kiezen; „in die Stadt” (wohin, Akkusativ) en „in der Stadt” (wo, Dativ) verschillen wezenlijk.

Actieve herhaling

Analyseer de velden van „Morgen will ich meine Großeltern besuchen” (Vorfeld, linkerklem, Mittelfeld, rechterklem) en kies de juiste naamval in „Wir gehen ___ (in) Kino” (wohin?) tegenover „Wir sind ___ (in) Kino” (wo?).

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Duits (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 06

    • 01De vier naamvallen (Kasus) en de lidwoorden○
    • 02Adjectiefverbuiging (bijvoeglijke naamwoorden)◐
    • 03Persoonlijke en betrekkelijke voornaamwoorden◐
    • 04Werkwoorden: Präsens, Präteritum en Perfekt◐
    • 05Modale werkwoorden◐
    • 06Zinsbouw, Satzklammer en Wechselpräpositionen●

0/6 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Grammatica (naamvallen, werkwoorden, zinsbouw)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~26
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Duits (HAVO)

Vorig onderwerp

Woordenschat en idioom

Volgend onderwerp

Kijk- en luistervaardigheid (domein B)

EuraStudy·Samenvattingen T·05·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.